Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:4995

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24-06-2014
Datum publicatie
24-06-2014
Zaaknummer
446408 / KG ZA 14/233
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering tot ontruiming van andere orthodontist in praktijkpand wordt afgewezen. Aannemelijk is geworden dat partijen de afspraak hadden gemaakt dat een kandidaat opvolger zou worden ingewerkt. Ontruiming zou deze afspraak doorkruisen met allerlei ongewenste gevolgen van dien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/446408 / KG ZA 14-233

Vonnis in kort geding van 24 juni 2014

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[X BV] ,

gevestigd te Dordrecht,

eiseres,

advocaat mr. A.Th.J.M. de Vocht,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[Y BV] ,

gevestigd te Dordrecht,

gedaagde,

advocaat mr. E.J.L. Mulderink.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding d.d. 10 maart 2014 met producties

  • -

    de brief d.d. 13 maart 2014 zijdens [eiseres] met productie

  • -

    de brief d.d. 6 juni 2014 zijdens [eiseres] met productie

  • -

    de brief d.d. 6 juni 2014 zijdens [gedaagde] met producties

  • -

    de mondelinge behandeling d.d. 10 juni 2014

  • -

    de pleitnota van mr. De Vocht

  • -

    de pleitnota van mr. Mulderink.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 23 juni 2004 hebben partijen een overeenkomst van samenwerking ondertekend (hierna: de overeenkomst). Deze overeenkomst is ingegaan op 21 juni 2004 en aangegaan voor onbepaalde tijd. Partijen oefenen vanaf die datum in het praktijkpand, staande en gelegen aan [adres], hun orthodontistenpraktijk uit in samenwerking met elkaar, elk zelfstandig en voor eigen rekening en risico, waarbij een aantal kosten, zoals die voor het gezamenlijk personeel en de huurpenningen, door partijen gezamenlijk worden gedragen.

2.2.

Ten aanzien van beëindiging van de overeenkomst zijn partijen - voor zover relevant - het volgende overeengekomen:

6. Einde

Deze overeenkomst wordt ten aanzien van een der partijen beëindigd:

6.1

door opzegging door een der partijen met inachtneming van een opzegtermijn van 12

maanden, welke opzegging per aangetekend schrijven dient te geschieden en niet anders

dan tegen de eerste dag van een kwartaal.

(…)

7 Gevolgen van beëindiging Algemeen

7.1

Bij het einde der overeenkomst eindigt de samenwerking ten aanzien van de betrokken

partij. De partij, bij wie de oorzaak der beëindiging gelegen is, staakt de praktijkuitoefening in het praktijkpand en verlaat het met het zijne. Deze partij, de vertrekkende partij, heeft het recht zich dan elders als orthodontist te vestigen.

(…)

8 Gevolgen van beëindiging praktijk

8.1

Indien bij het einde der overeenkomst de vertrekkende partij zijn praktijk ter plaatse

neerlegt, heeft de blijvende partij gedurende twee maanden het voorkeursrecht tot

overname van het praktijkdeel van de vertrekkende partij.

8.2

Indien de blijvende partij niet of niet op tijd gebruik maakt van het in het vorig lid

omschreven recht, kan de vertrekkende partij zijn praktijk overdragen aan een opvolger,

mits hij ten aanzien van de persoon van die opvolger de toestemming heeft van de blijvende

partij.

8.3

De blijvende partij kan het geven of weigeren van die toestemming afhankelijk stellen van

een proeftijd van twee maanden, waarin de aspirant-opvolger de praktijk van de

vertrekkende partij waarneemt.

8.5

Indien de blijvende partij echter toestemming weigert ten aanzien van de derde

opeenvolgende aspirant-opvolger, dan is de blijvende partij alsnog verplicht tot overneming van de praktijk van de vertrekkende partij.

8.6

Als de toestemming voor twee aspirant-opvolgers door de blijvende partij wordt geweigerd

en/of er doet zich voor de vertrekkende partij geen (verdere) opvolger voor, dan is, ingeval

de blijvende partij enigerlei vorm van samenwerking met een andere orthodontist aangaat binnen twee jaar na het einde der overeenkomst, de eventueel met die andere orthodontist overeengekomen goodwillsom verschuldigd aan de vertrokken partij.

2.3.

Bij e-mail van 26 maart 2013 heeft [gedaagde] aan [eiseres] het volgende geschreven:

“Aangezien het standpunt wordt ingenomen dat niet op een rechtsgeldige wijze de overeenkomst tot samenwerking is opgezegd, bericht ik je bij deze dat overeenkomstig het bepaalde in de overeenkomst van samenwerking d.d. 23 juni 2004 met inachtneming van het daarin bepaalde in artikel 6 door mij de overeenkomst tot samenwerking wordt opgezegd, met andere woorden tegen 1 april 2014.

Indachtig het bepaalde in artikel 7 en 8 verneem ik gaarne uiterlijk op 26 mei 2013 of gebruik wordt gemaakt van het voorkeursrecht tot overname van mijn praktijkdeel.

Vanzelfsprekend blijf ik bereid om in de tussenliggende periode nader overleg te plegen over een overname van mijn aandelen in de vennootschap. Mocht daartoe bereidheid bestaan, dan mag ik dat wel vernemen.”

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert na wijziging van eis samengevat - [gedaagde] te bevelen om de uitoefening van de orthodontiepraktijk in het praktijkpand aan [adres] per 1 april 2014 te staken en gestaakt te houden en [gedaagde] te bevelen om het praktijkpand met het hare en met haar bestuurder en waarnemer/waarneemster te verlaten, op straffe van een dwangsom, met machtiging van [eiseres] om dit bevel met behulp van de sterke arm zelf ten uitvoer te leggen, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het geding.

3.2.

[gedaagde] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De voorzieningenrechter is op grond van artikel 11.6 van de overeenkomst bevoegd om van het onderhavige geschil kennis te nemen.

4.2.

Volgens [eiseres] had [gedaagde] op 1 april 2014 de praktijkuitoefening moeten staken en had zij per die datum het praktijkpand moeten hebben verlaten. Dit maakt dat [eiseres] spoedeisend belang heeft bij zijn vordering.

4.3.

[eiseres] stelt dat uitgangspunt is, ex artikel 7.1 van de overeenkomst, dat de partij die de overeenkomst heeft opgezegd, de praktijkuitoefening staakt en het praktijkpand verlaat. Volgens [eiseres] lijdt dit uitgangspunt alleen dan uitzondering, als de blijvende partij gebruik maakt van zijn voorkeursrecht, ex artikel 8.1 van de overeenkomst, of als de blijvende partij erin toestemt dat de praktijk van de vertrekkende partij aan een derde wordt overgedragen, ex artikel 8.2 van de overeenkomst. Wat die toestemming betreft is [eiseres] van mening dat zij een ruime bevoegdheid heeft om meerdere elkaar opvolgende kandidaten af te wijzen. Zij baseert dit op de aard, inhoud en strekking van de overeenkomst, waaruit volgens [eiseres] volgt dat partijen bij de overeenkomst niet eenvoudig uitwisselbaar zijn. Het moet gaan om een derde met een gelijkgerichte opvatting over orthodontie en een nagenoeg gelijk geaarde praktijkuitoefening. [gedaagde] heeft op 26 maart 2013 krachtens artikel 6 van de overeenkomst de overeenkomstig opgezegd tegen 1 april 2014. Nu [eiseres] geen gebruik heeft gemaakt van haar voorkeursrecht (omdat de prijs die [gedaagde] vroeg te hoog was) en [gedaagde] geen kandidaten heeft voorgedragen die de kandidatuur waard waren, dient [gedaagde], althans haar waarnemer, het praktijkpand te verlaten, aldus [eiseres].

4.4.

[gedaagde] voert aan dat partijen ex artikel 8.1 van de overeenkomst in december 2012 overeenstemming hebben bereikt over de koop door [eiseres] van de goodwill van de praktijk van [gedaagde] ad € 350.000,00. Omdat [eiseres] bij nader inzien afzag van de koop heeft [gedaagde] ex artikel 8.2 van de overeenkomst meerdere kandidaten voorgedragen ter overname van haar praktijk. [eiseres] heeft deze kandidaten afgewezen, waardoor hij in beginsel verplicht is ex artikel 8.5 van de overeenkomst de praktijk van [gedaagde] over te nemen. Nadien hebben echter besprekingen plaatsgevonden die op 18 maart 2014 zijn uitgemond in de afspraak tussen partijen die is gemaakt op het kantoor van de raadsman van [gedaagde]. Deze afspraak houdt in dat de heer [belanghebbende], een door [gedaagde] voorgedragen kandidaat (hierna: [belanghebbende]), zou worden ingewerkt in de praktijk en kennis zou maken met de medewerkers. Een en ander is zo geschied en op dit moment staat een groot aantal behandelingen van patiënten voor [belanghebbende] ingepland. Op basis van deze afspraak is een koopovereenkomst tot stand gekomen tussen [gedaagde] en [belanghebbende] en worden thans onderhandelingen gevoerd tussen de raadsman van [eiseres] en de raadsman van [belanghebbende] in het kader van een beoogde samenwerkingsovereenkomst. Inmiddels heeft [eiseres] kenbaar gemaakt dat hij voornemens is om zijn praktijkaandeel aan een derde te verkopen, eventueel aan [belanghebbende].

4.5.

Tegen de achtergrond van deze door [gedaagde] geschetste en door [eiseres] niet, althans onvoldoende betwiste gang van zaken, ligt toewijzen van de vordering van [eiseres] niet in de rede. Toewijzing van de vordering zou betekenen dat voornoemde, voldoende aannemelijk geworden afspraak tussen partijen zou worden doorkruist door het gedwongen vertrek van [belanghebbende], hetgeen ongewenste en onomkeerbare gevolgen voor [gedaagde] (en [belanghebbende]) met zich mee zou brengen. In het kader van een belangenafweging oordeelt de voorzieningenrechter dan ook dat het belang van [eiseres] moet wijken voor de belangen die [gedaagde], de werknemers van de praktijk, [belanghebbende] en de patiënten van [belanghebbende] hebben bij handhaving van de status quo tot in een eventueel te entameren arbitrageprocedure of bodemprocedure bij de civiele rechter zal zijn beslist. De vordering zal derhalve worden afgewezen.

4.6.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht € 608,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.424,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vordering af,

5.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 1.424,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.D. Rentema en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2014.

615/2477

[-]

9 [-]

9.1

[-]

9.2

[-]

9.3

[-]

9.4

[-]

9.5

[-]