Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:4994

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25-06-2014
Datum publicatie
27-06-2014
Zaaknummer
ROT 14/3171
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Buitenbehandelingstelling aanvraag bijstand. De ontkenning van ontvangst van de tweede herstelbrief eerst ter zitting acht de voorzieningenrechter niet geloofwaardig. Verzoekster heeft immers op 1 april 2014 gereageerd op die brief, terwijl voorts niet in geschil is dat verzoekster op 27 maart 2014 ten kantore van verweerder is verschenen inzake het opvragen van stukken. Verder stelt de voorzieningenrechter vast dat de tweede herstelbrief is uitgegaan binnen een termijn van vier weken te rekenen vanaf de afloop van de termijn die was genoemd in de eerste herstelbrief en verweerder de bestreden beslissing heeft bekendgemaakt binnen vier weken na afloop van de tweede hersteltermijn, zodat het vierde lid van artikel 4:5 van de Awb in het onderhavige geval niet in de weg staat aan toepassing van het eerste lid van artikel 4:5 van de Awb (zie CRvB 27 november 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BB8960).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 14/3171

uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 juni 2014 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[Naam verzoekster], te Rotterdam, verzoekster,

gemachtigde: mr. S.C. Scheermijer,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. M.C. Rolle.

Procesverloop

Bij besluit van 7 april 2014 (de bestreden beslissing) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker om bijstand uit hoofde van de Wet werk en bijstand (WWB) buiten behandeling gesteld.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt. Tevens heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juni 2014. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Voorts is verzoekster verschenen, bijgestaan door haar zuster.

Overwegingen

1.

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing op bezwaar of eventueel in de hoofdzaak.

2.

Artikel 4:5 van de Awb luidt:

“1. Het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien:

a. de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag, of

b. de aanvraag geheel of gedeeltelijk is geweigerd op grond van artikel 2:15, of

c. de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking,

mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen.

(…)

4.

Een besluit om de aanvraag niet te behandelen wordt aan de aanvrager bekendgemaakt binnen vier weken nadat de aanvraag is aangevuld of nadat de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.”

3.

Verzoekster heeft verweerder op 6 maart 2014 verzocht om bijstand.. Bij brief van 7 maart 2014 (eerste herstelbrief) heeft verweerder verzoekster bericht dat zij voor 18 maart 2014 aanvullende gegevens dient te overleggen om de aanvraag te kunnen beoordelen. Daarbij is haar meegedeeld dat de bijstand kan worden stopgezet als verzoekster de gevraagde gegevens niet tijdig verstrekt. Nadat verzoekster een aantal gegevens heeft verstrekt, heeft verweerder verzoekster bij brief van 25 maart 2014 (tweede herstelbrief) verzocht om de volgende nadere gegevens:

 Alle afschriften van de laatste twaalf maanden van alle bankrekeningen van verzoekster. Wanneer er geen mutaties op de rekening(en) hebben plaatsgevonden de afgelopen zes

maanden dan dient zij dit aan te tonen. Ook van haar rekeningen in het buitenland dient zij de afschriften te overleggen. Wanneer er rekeningen op naam van haar kind staan dan dient verzoekster daar de afschriften van te overleggen.

 Van verzoekster is rekening [rekeningnummer] bekend. Zij dient er op te letten dat alle mutaties, het saldo, de tenaamstelling en het rekeningnummer zichtbaar moeten zijn.

 De laatste salarisstroook SGR groep met bewijs van storting salaris op de rekening.

 Schriftelijke verklaring woonsituatie Curaçao: het adres van verzoekster en bewijs inzake de beëindiging van de huur van de woning.

 Het uitschrijvingsbewijs van het bevolkingsregister van Curaçao.

 Het bewijs van inschrijving op het adres te Rotterdam waar verzoekster daadwerkelijk verblijft.

 Een kopie van het vliegticket naar Nederland.

 Een verklaring van toestemming tot inwoning van verzoeksters moeder met de contactgegevens (telefoonnummer).

Bij die brief is verzoekster meegedeeld dat zij deze gegevens vóór 1 april 2014 dient in te leveren en dat wanneer zij dit nalaat de aanvraag buiten behandeling kan worden gelaten. Bij handgeschreven bericht van 1 april 2014 heeft verzoekster verweerder bericht dat zij niet beschikt over afschriften van haar buitenlandse bankrekening. Verweerder heeft vervolgens de bestreden beslissing genomen. Blijkens de rapportage die daaraan te grondslag ligt is verweerder van oordeel dat het recht op bijstand zonder de afschriften van de bankrekening op Curaçao niet kan worden vastgesteld en dat het tot nu toe in andere gevallen altijd mogelijk is gebleken om dergelijke afschriften te overleggen. Op 10 april 2014 heeft verzoekster een nieuwe aanvraag om bijstand gedaan. Die aanvraag is afgewezen bij besluit van 23 mei 2014 omdat verzoekster geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die een andere beslissing rechtvaardigen.

4.

Ter zitting is gebleken dat verzoekster eind mei 2014 is verhuisd naar Capelle aan den IJssel, hetgeen twijfel kan doen rijzen naar de spoedeisendheid van het verzoek om voorlopige voorziening dat op 12 mei 2014 is ingediend. Hoewel een eventuele voorziening daarom slechts betrekking zal kunnen hebben op een zeer korte periode ziet de voorzieningenrechter niettemin in beperkte mate een spoedeisend belang aanwezig, omdat verzoekster – die hoogzwanger is – heeft gesteld dat zij met een eventueel beperkt voorschot op de bijstand haar ziektekostenpremie zou kunnen voldoen. De voorzieningenrechter zal daarom een – beperkte – rechtmatigheidstoets uitvoeren.

5.

Verzoekster heeft aangevoerd dat verweerder niet in redelijkheid de aanvraag buiten behandeling had kunnen stellen. Indien verweerder het recht op bijstand niet zou kunnen vaststellen had het de aanvraag volgens verzoekster moeten afwijzen. Indien verzoekster wel de gevraagde gegevens doch niet tijdig zou hebben ingeleverd dan zou verweerder een nieuwe hersteltermijn moeten bieden en de inmiddels verstrekte gegevens alsnog in de beoordeling van de oorspronkelijke aanvraag moeten betrekken, aldus verzoekster. Verder heeft verzoekster aangegeven dat verweerder de ontbrekende stukken niet nodig heeft om het recht op bijstand vast te kunnen stellen. Ter zitting heeft verzoekster voorts nog aangevoerd dat zij de tweede herstelbrief niet heeft ontvangen.

6.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder niet ten onrechte belang gehecht aan het overleggen van rekeningafschriften van de bankrekening die verzoekster aanhield op Curaçao. De voorzieningenrechter meent dan ook dat verweerder in redelijkheid om die afschriften heeft kunnen vragen nu niet aannemelijk is gemaakt dat het voor verzoekster niet mogelijk was die op te vragen. De ontkenning van ontvangst van de tweede herstelbrief eerst ter zitting acht de voorzieningenrechter niet geloofwaardig. Verzoekster heeft immers op 1 april 2014 gereageerd op die brief, terwijl voorts niet in geschil is dat verzoekster op 27 maart 2014 ten kantore van verweerder is verschenen inzake het opvragen van stukken. Verder stelt de voorzieningenrechter vast dat de tweede herstelbrief is uitgegaan binnen een termijn van vier weken te rekenen vanaf de afloop van de termijn die was genoemd in de eerste herstelbrief en verweerder de bestreden beslissing heeft bekendgemaakt binnen vier weken na afloop van de tweede hersteltermijn, zodat het vierde lid van artikel 4:5 van de Awb in het onderhavige geval niet in de weg staat aan toepassing van het eerste lid van artikel 4:5 van de Awb (zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 27 november 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BB8960). Vaststaat dat verzoekster de gevraagde afschriften niet binnen die tweede hersteltermijn heeft overgelegd, zodat voldaan is aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb. Anders dan verzoekster betoogt is de voorzieningenrechter van oordeel dat de toepassing van die bevoegdheid niet onredelijk is en dat de toepassing van die bevoegdheid niet met zich brengt dat verweerder niettemin gehouden is om acht te slaan op eventuele gegevens die zijn verstrekt na afloop van die tweede hersteltermijn (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 oktober 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BF3868). Gelet hierop gaat de voorzieningenrechter voorbij aan de stukken die verzoekster ter zitting heeft overgelegd.

7.

Gelet op het voorgaande wijst de voorzieningenrechter het verzoek af.

8.

Ter voorlichting van partijen merkt de voorzieningenrechter nog op dat het verzoekster vrijstaat om ter zake van de afwijzing van haar nieuwe aanvraag op 10 april 2014 de benodigde gegevens te verstrekken hangende bezwaar en een eventueel beroep, omdat het besluit van 23 mei 2014 geen buitenhandelingstelling van die nieuwe aanvraag behelst. Bij dat besluit lijkt verweerder er overigens ten onrechte van uit te gaan dat reeds een inhoudelijke afwijzing voorligt met de bestreden beslissing (zie de uitspraak van de CRvB van 22 april 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BI1885).

9.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.G.L. de Vette, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. dr. R. Stijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2014.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.