Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:4993

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25-06-2014
Datum publicatie
27-06-2014
Zaaknummer
ROT 14/3130
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Het zorgkantoor heeft de aanvraag van verzoeker om een persoonsgebonden budget (PGB) afgewezen. Verweerder was gehouden was de nieuwe aanvraag van verzoeker af te wijzen op grond van artikel 2.6.4, eerste lid, aanhef en onder l, van de Regeling, omdat verzoeker zich gelet op Rb. Rotterdam 18 juli 2013, ECLI:NL:RBROT:2013:5307 niet heeft gehouden aan bij de verstrekking van een eerder PGB opgelegde verplichtingen. Voor een belangenafweging die verzoeker voorstaat ziet de voorzieningenrechter, gelet op het dwingendrechtelijke karakter van die bepaling, geen ruimte. Indien verweerder bereid is onder bepaalde voorwaarden een deel van de zorg in de vorm van een PGB te verstrekken ligt het gelet op de imperatieve weigeringsgrond van artikel 2.6.4, eerste lid, aanhef en onder l, van de Regeling niet op de weg van de voorzieningenrechter om zich te buigen over de vraag of aan de voorwaarden is voldaan waaronder verweerder daartoe bereid is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 14/3130

uitspraak van de voorzieningenrechter van 25 juni 2014 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[Naam verzoeker], te [plaats], verzoeker,

gemachtigde: mr. M. van der Veen,

en

Achmea Zorgkantoor N.V., verweerder,

gemachtigde: mr. C. Hartman.

Procesverloop

Bij besluit van 25 april 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker om een persoonsgebonden budget (PGB) afgewezen.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt. Tevens heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 juni 2014. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Voorts is verschenen de echtgenote van verzoeker [naam]. Van de zijde van verweerder is voorts verschenen L. Ganner.

Overwegingen

1.

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing op bezwaar of eventueel in de hoofdzaak.

2.

Ingevolge artikel 2.6.3, eerste lid, van de Regeling subsidies AWBZ (de Regeling) verleent het zorgkantoor een verzekerde een persoonsgebonden budget indien de verzekerde beschikt over een indicatiebesluit waaruit blijkt dat hij is aangewezen op verblijf of op een of meer van de vormen van zorg als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, onderdeel j.

Artikel 2.6.4. van de Regeling luidde tot 1 januari 2014:

“1. Het zorgkantoor weigert verlening van een netto persoonsgebonden budget indien:

(…)

k. de verzekerde zich niet heeft gehouden aan bij de verstrekking van een eerder persoonsgebonden budget opgelegde verplichtingen;

(…)”

Met ingang van 1 januari 2014 is letter k vernummerd tot letter l.

Ingevolge artikel 2.6.12, tweede lid, aanhef en onder a, van de Regeling kan de verleningsbeschikking worden ingetrokken of gewijzigd met ingang van de dag waarop de verzekerde de bij of krachtens artikel 2.6.9 opgelegde overige verplichtingen niet nakomt.

3.

Verzoeker is door het Centrum indicatiestelling zorg bij op 27 februari 2014 een indicatie voor een zorgzwaartepakket GGZ04C (klasse 7) afgegeven. Verzoeker heeft hiermee recht op zorg. Verweerder heeft bij het bestreden besluit de aanvraag van 13 maart 2014 voor een PGB afgewezen, omdat verzoeker schulden heeft uit een eerder toegekend PGB. Als weigeringsgrondslag heeft verweerder artikel 2.6.4, eerste lid, aanhef en onder k, van de Regeling vermeld. De voorzieningenrechter zal die weigeringsgrondslag lezen als artikel 2.6.4, eerste lid, aanhef en onder l, van de Regeling, omdat per 1 januari 2014 de letter k is vernummerd tot de letter l. Bij het bestreden besluit heeft verweerder verzoeker zorg in natura aangeboden.

4.

Verzoeker betoogt dat hem ten onrechte een PGB wordt onthouden. Hij stelt zich in dit verband op het standpunt dat er geen sprake is van schuld uit een eerder toegekend PGB. Voorts stelt verzoeker zich op het standpunt dat artikel 2.6.4 van de Regeling ziet op een geheel andere situatie. Voor zover de afwijzing plaats heeft omdat niet aan de regels is voldaan betreffende een eerder afgegeven PGB wordt dit betwist, omdat nog hoger beroep loopt ter zake van de eerdere intrekking van de PGB. Subsidiair stelt verzoeker zich op het standpunt dat de weigering tot uitbetaling van een PGB op basis van een nieuwe indicatie onevenredig uitvalt voor verzoeker. In dit verband wordt opgemerkt dat verzoeker doodziek, 24 uur per dag begeleiding en verzorging van zijn vrouw en kinderen nodig heeft en het gezin thans in een financiële noodsituatie verkeert.

5.

Verweerder heeft bij besluit van 20 december 2012 zijn besluit van 9 juli 2012 tot intrekking van het aan verzoeker toegekende PGB over 2012 met ingang van 1 mei 2012 gehandhaafd. Deze intrekking was gebaseerd op artikel 2.6.12, tweede lid, aanhef en onder a, van de Regeling. De rechtbank heeft bij uitspraak van 18 juli 2013 (ECLI:NL:RBROT:2013:5307) het beroep tegen het besluit van 20 december 2012 ongegrond verklaard. Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak. De voorzieningenrechter stelt vast dat de rechtbank in haar uitspraak van 18 juli 2013 van oordeel was dat verzoeker niet aan zijn verantwoordingsplicht had voldaan, zodat de verleningsbeschikking op grond van artikel 2.6.12, tweede lid, aanhef en onder a, van de Regeling kon worden ingetrokken. Het enkele feit dat verzoeker hoger beroep heeft ingesteld tegen die uitspraak brengt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet met zich dat in het kader van deze voorlopige voorziening niet van de dragende overwegingen in die uitspraak zou mogen worden afgegaan. De voorzieningenrechter ziet vooralsnog geen aanleiding de hiervoor dragende overwegingen onder rubriek 4.3. van die uitspraak voor onjuist te houden.

6.

Ter zitting is door verweerder in overeenstemming met zijn in rubriek 2.2. van de uitspraak van de rechtbank van 18 juli 2013 weergegeven standpunt aangevoerd dat het niettemin mogelijk is dat een deel van de zorg in de vorm van een PGB zou kunnen worden verstrekt indien zou komen vast te staan dat (een deel van) de zorg het best door familieleden van verzoeker kan worden gegeven. Verweerder heeft in dit verband gesteld dat verzoeker en zijn gezinsleden niet mee werken aan een onderzoek naar de specifieke zorgbehoefte van verzoeker, terwijl voorts door verzoeker geen medische onderbouwing is verstrekt. Verzoekster heeft een en ander weersproken.

7.

Uit hetgeen hiervoor in rubriek 5 is overwogen volgt dat verweerder gehouden was de nieuwe aanvraag van verzoeker af te wijzen op grond van artikel 2.6.4, eerste lid, aanhef en onder l, van de Regeling, omdat verzoeker zich niet heeft gehouden aan bij de verstrekking van een eerder PGB opgelegde verplichtingen. Voor een belangenafweging die verzoeker voorstaat ziet de voorzieningenrechter, gelet op het dwingendrechtelijke karakter van die bepaling, geen ruimte. De voorzieningenrechter voegt daar nog aan toe dat de rechtbank in haar voornoemde uitspraak reeds heeft overwogen dat het PGB niet bedoeld is (als aanvulling op) het gezinsinkomen, maar voor het inkopen van kwalitatief verantwoorde zorg. Indien verweerder bereid is onder bepaalde voorwaarden een deel van de zorg in de vorm van een PGB te verstrekken ligt het gelet op de imperatieve weigeringsgrond van artikel 2.6.4, eerste lid, aanhef en onder l, van de Regeling niet op de weg van de voorzieningenrechter om zich te buigen over de vraag of aan de voorwaarden is voldaan waaronder verweerder daartoe bereid is.

8.

Uit het voorgaande volgt dat er geen aanleiding is voor het treffen van een voorlopige voorziening.

9.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.G.L. de Vette, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. dr. R. Stijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

25 juni 2014.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.