Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:4963

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-04-2014
Datum publicatie
23-06-2014
Zaaknummer
14/201
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Een als verdachte aangemerkte belanghebbende heeft in een procedure ex 552p Sv in beginsel recht op kennisname en een afschrift van de processtukken, waaronder ook het rechtshulpverzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Lurisnummer: KLR-I-2013 036543

Raadkamernummer: 14/201

Beschikking van de rechtbank Rotterdam, meervoudige raadkamer, op de vordering ex artikel 552p, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) van de officier van justitie, in de zaak tegen onder andere:

[verdachte 1],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres],

raadsman mr. P.J. Silvis, advocaat te Rotterdam,

en

[verdachte 2],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende [adres] [woonplaats],

raadsman mr. W.B.M. Bos, advocaat te Oud-Beijerland,

en

[verdachte 3],

geboren op [geboortedatum],

wonende [adres] [woonplaats].

raadsman mr. W.B.M. Bos, advocaat te Oud-Beijerland.

Procedure

Op 15 oktober 2013 is op grond van artikel 552p Sv een vordering ingediend, waarin verzocht wordt

- aan de rechter-commissaris verlof te verlenen door haar inbeslaggenomen en in de vordering genoemde gegevensdragers ter beschikking te stellen aan de officier van justitie, opdat laatstgenoemde kan overgaan tot afgifte daarvan aan de Duitse autoriteiten;

- aan de officier van justitie verlof te verlenen tot de afgifte van door haar inbeslaggenomen en in de vordering genoemde gegevensdragers aan de Duitse autoriteiten.

De meervoudige raadkamer heeft de behandeling van de vordering op 13 februari 2014 aangevangen. De behandeling van de vordering is op die datum voor onbepaalde tijd aangehouden.

De behandeling van de vordering is op 17 april 2014 door de meervoudige raadkamer voortgezet. De officier van justitie mr. L.H.H. Roebroek, de verdachte [verdachte 1] en de raadsvrouw mr. K.C. van de Wijngaart, die is verschenen namens mr. P.J. Silvis, zijn aldaar gehoord. De verdachte [verdachte 2], bijgestaan door zijn raadsman mr. W.B.M. Bos, is eveneens gehoord. De verdachte [verdachte 3] is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. De belanghebbenden [belanghebbenden 1, 2 en 3], allen bij de behandeling door de raadkamer aanwezig, zijn ook in de gelegenheid gesteld te worden gehoord.

Bij de behandeling van de vordering heeft de officier van justitie het petitum van die vordering nader geduid, in die zin dat de gevraagde verloven zich thans nog louter uitstrekken tot de forensische kopieën van de gegevensdragers die zijn aangeduid met de nummers A1 tot en met A5, A7, A10, A13, A15, A17, BD3 en BD4 aangeduide gegevensdragers.

Feiten

Op 15 augustus 2013 hebben de bevoegde Duitse justitiële autoriteiten een verzoek om rechtshulp gericht aan de bevoegde Nederlandse justitiële autoriteiten.

Het rechtshulpverzoek houdt verband met een Duits onderzoek naar (aandelen)fraude en financiële carrousels in georganiseerd verband. De verdachte [verdachte 1] komt in het onderzoek naar voren als een persoon die daarin een aandeel had door zijn bankrekening voor de frauduleuze handelingen ter beschikking te stellen. [Verdachte 2] en (in het verlengde van hem) [verdachte 3] zouden in direct verband te brengen zijn met de hoofdverantwoordelijke voor de frauduleuze aandelenverkopen.

Op 4 september 2013 heeft, ter uitvoering van het rechtshulpverzoek van Duitsland, onder leiding van de rechter-commissaris een doorzoeking ter inbeslagneming plaatsgevonden op het [adres] [woonplaats], zijnde de woning van de verdachte[verdachte 1]. Bij deze doorzoeking zijn door de rechter-commissaris verschillende gegevensdragers (op de aan deze beschikking gehechte beslaglijsten genummerd als A1 tot en met A5, A7, A10, A13, A15 en A17) in beslag genomen.

Op 4 september 2013 heeft, eveneens ter uitvoering van het Duitse rechtshulpverzoek, onder leiding van de officier van justitie een doorzoeking plaatsgevonden op het [adres] [woonplaats], zijnde het adres van [bedrijf], het bedrijf van de verdachte [verdachte 1]. Bij deze doorzoeking zijn gegevensdragers (op de aan deze beschikking gehechte beslaglijsten genummerd als BD3 en BD4) in beslag genomen.

Van de gegevensdragers zijn forensische kopieën gemaakt. Vervolgens zijn de gegevensdragers teruggegeven aan de verdachte [verdachte 1].

Standpunten partijen

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van haar vordering.

De verdachte [verdachte 1] en zijn raadsvrouw hebben meegedeeld zich niet te verzetten tegen toewijzing van de vordering.

De raadsman mr. W.B.M. Bos heeft namens de verdachten [verdachte 2] en [verdachte 3] gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen, omdat de beslissing van de rechter-commissaris van 4 september 2013 die aan de doorzoeking in de woning aan de [adres] te [woonplaats] ten grondslag ligt, onrechtmatig is. Daarin staat immers vermeld dat deze doorzoeking is geschied naar aanleiding van een rechtshulpverzoek door de Franse justitiële autoriteiten.

De belanghebbenden [belanghebbenden 1, 2 en 3] hebben zich niet expliciet over de vordering uitgelaten.

Oordeel rechtbank omtrent verstrekken stukken

Op 10 februari 2014 heeft mr. P.J. Silvis zich namens de verdachte [verdachte 1] gewend tot de rechtbank met het verzoek om hem een afschrift te doen toekomen van de stukken uit het raadkamerdossier.

Op 11 februari 2014 heeft de officier van justitie de rechtbank laten weten bezwaar te hebben tegen verstrekking van alle stukken aan de raadsman, in het bijzonder de voorliggende vordering en het rechtshulpverzoek van de Duitse autoriteiten. Van een geding tussen twee partijen waar het beginsel van equality of arms een rol speelt is in een op artikel 552p Sv gestoelde procedure geen sprake. Bovendien verzet het in het interstatelijke rechtshulpverkeer geldende vertrouwensbeginsel zich tegen verstrekking aan een belanghebbende i.c. de verdachte [verdachte 1] van een afschrift van het rechtshulpverzoek. Met de in dat verzoek vermelde informatie dient vertrouwelijk te worden omgegaan, zeker nu het informatie bevat over een lopend opsporingsonderzoek, aldus de officier van justitie.

De rechtbank deelt de visie van de officier van justitie niet.

In beginsel bestaat bij een als verdachte aangemerkt persoon recht op kennisneming van processtukken (artikel 30 Sv). Daar waar recht is op kennisname, is in beginsel ook recht op verkrijging van een afschrift (artikel 32 Sv en Kamerstukken I, 2011-2012, 32468, C, p. 5). Dat de raadsman van de verdachte [verdachte 1] het verzoek in dit geval heeft gedaan binnen het bestek van een procedure als bedoeld in artikel 552p Sv, doet aan een en ander niet af.

Genoemde regels kunnen uitzondering leiden als door de aanzoekende autoriteiten een verzoek tot vertrouwelijkheid gedaan is (HR 15 september 1997, nr. 3702, ongepubliceerd). De stelling dat het in het interstatelijk rechtshulpverkeer geldende vertrouwensbeginsel zich verzet tegen verstrekking van een afschrift van een rechtshulpverzoek aan een belanghebbende wanneer deze ook als verdachte is aangemerkt, is in zijn algemeenheid dus onjuist.

In deze zaak is niet door de Duitse autoriteiten verzocht om geheimhouding van de onderliggende stukken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verdachte [verdachte 1] recht had en heeft op kennisname en afschriften van de stukken uit het raadkamerdossier. Inmiddels is dan ook gevolg gegeven aan het door de raadsman gedane verzoek.

Dit oordeel is op 12 februari 2014 bij monde van de voorzitter kenbaar gemaakt aan de officier van justitie. De rechtbank hecht eraan om van haar oordeel in deze beschikking gewag te maken.

Beoordeling vordering officier van justitie

Het door de Duitse justitiële autoriteiten gedane rechtshulpverzoek is blijkens een schrijven van die autoriteiten van 12 november 2013 gebaseerd op het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken (Trb. 1965/10, zoals laatstelijk gewijzigd op 1 april 2011, Trb. 2008, 157 (hierna: het Verdrag) en de Overeenkomst van Wittem van 30 augustus 1979 (Trb. 1979, 143, laatstelijk gewijzigd op 22 januari 2002, Trb. 2002/53).

Op grond van artikel 1, eerste lid, van het Verdrag hebben de verdragspartijen, waaronder Nederland en Duitsland, zich er onmiddellijk toe verbonden om elkaar, in overeenstemming met de bepalingen van dat verdrag, wederzijds in zo ruim mogelijke mate rechtshulp te verlenen in procedures als de onderhavige, die betrekking hebben op strafbare feiten waarvan de bestraffing op het tijdstip van het verzoek om rechtshulp, tot de bevoegdheid behoort van rechterlijke autoriteiten van de verzoekende Partij.

Blijkens schrijvens van de Duitse autoriteiten van 24 juni 2013 en 26 augustus 2013 zijn de gedragingen waarbij [verdachte 2] en [verdachte 3] betrokken zijn geweest naar Duits recht in § 263 van het Strafgesetzbuch strafbaar gesteld als Betrug en de gedragingen waarbij [verdachte 1] betrokken zou zijn geweest als Beihilfe zum Betrug. Voor Betrug kan in Duitsland een vrijheidsstraf van maximaal vijf jaren worden opgelegd. Wanneer de dader beroepsmatig handelt of als lid van een bende kan een vrijheidsstraf van maximaal tien jaar worden opgelegd.

Naar het oordeel van de rechtbank kunnen diezelfde gedragingen in Nederland onder het bereik gebracht worden van de delictsomschrijving van:

*oplichting (artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht) met een strafmaximum van 4 jaar gevangenisstraf;

* deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven (artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht) met een strafmaximum van 6 jaar gevangenisstraf.

De rechtbank is van oordeel dat met deze feiten, gelet op de omschrijving van de verzoekende Staat, de strafbaar geachte gedragingen van de betrokkene naar Nederlands recht voldoende zijn gekwalificeerd.

Voor ieder van de genoemde feiten kan naar Nederlands recht telkens een vrijheidsstraf van meer dan een jaar worden opgelegd. Uit het vorenstaande volgt dan ook dat aan het hierboven omschreven vereiste inzake de dubbele gekwalificeerde strafbaarheid in de zin van het Verdrag is voldaan.

Voor het verzoek de rechter-commissaris verlof te verlenen om (de forensische kopieën van) de door haar inbeslaggenomen en in de vordering genoemde gegevensdragers ter beschikking te stellen aan de officier van justitie geldt nog het volgende.

Ingevolge artikel 552o, derde lid, Sv zijn naar aanleiding van een rechtshulpverzoek voor inbeslagneming vatbaar, stukken van overtuiging die daarvoor vatbaar zouden zijn, indien het feit in verband waarmede de rechtshulp is gevraagd, in Nederland was begaan en dat feit aanleiding kan geven tot uitlevering aan de verzoekende staat.

In dit geval zou het inbeslaggenomene in het bedoelde geval op de voet van artikel 94 jo. 110 Sv vatbaar zijn geweest voor in beslagname.

Uit artikel 7, eerste lid, van de Overleveringswet volgt - kort gezegd - dat overlevering ter fine van vervolging wordt toegestaan voor (1) naar het recht van de uitvaardigende lidstaat benoemde strafbare feit die tevens op de in bijlage 1 bij deze wet behorende lijst staan vermeld, waarop naar het recht van de uitvaardigende lidstaat een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren is gesteld of (2) andere feiten waarop krachtens het recht van beide staten een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste twaalf maanden is gesteld. Aan de eisen van artikel 552o, derde lid, Sv is dan ook voldaan.

Het bovenstaande leidt tot de slotsom dat de vordering van de officier van justitie voor toewijzing in aanmerking komt, nu aan alle daarvoor in de wet en het Verdrag gestelde eisen is voldaan. Daarnaast doen zich geen belemmeringen van wezenlijke aard voor die voortvloeien uit het Verdrag onderscheidenlijk de wet, in het bijzonder artikel 552l Sv.

De rechtbank ziet in het onderhavige geval geen aanknopingspunten voor de weigeringsgronden die zijn genoemd in artikel 2 van het Verdrag. Door de inwilliging van de (aanvullende) rechtshulpverzoeken wordt evenmin gehandeld in strijd met fundamentele beginselen van Nederlands strafprocesrecht.

Het verweer van mr. W.B.M. Bos aangaande de gestelde onrechtmatigheid van de beslissing tot doorzoeking van 4 september 2013 wordt verworpen. De rechtbank ziet de vermelding van de ‘Franse’ in plaats van de ‘Duitse’ justitiële autoriteiten in de beschikking van de rechter-commissaris als een kennelijke omissie, nu het in de bedoelde beschikking genoemde Lurisnummer overeenkomt met het aan het Duitse rechtshulpverzoek toegekende Lurisnummer en daarin, net als in het rechtshulpverzoek, [verdachte 1] als de betrokken verdachte is vermeld. Daarnaast geldt voor de verdachte [verdachte 2] dat hij hoe dan ook niet door de doorzoeking op het adres [adres] te [woonplaats] is geschaad in enig rechtens te respecteren belang, nu hij daar nimmer heeft verbleven of gewoond. Dit zelfde geldt voor de verdachte [verdachte 3] nu gesteld noch gebleken is dat zij ooit op dat adres heeft verbleven of gewoond.

Gezien het voorgaande zal de vordering van de officier van justitie worden toegewezen en de gevraagde verloven worden verleend.

Beslissing

De rechtbank:

wijst toe de vordering van de officier van justitie;

verleent de rechter-commissaris op de voet van artikel 552p Sv verlof om de forensische kopieën van de op de aan deze beschikking gehechte beslaglijsten onder de nummers A1 tot en met A5, A7, A10, A13, A15 en A17 genoemde gegevensdragers aan de officier van justitie ter beschikking te stellen;

verleent de officier van justitie op de voet van artikel 552p Sv verlof tot de afgifte van de forensische kopieën van de op de aan deze beschikking gehechte beslaglijsten onder de nummers BD3 en BD4 genoemde gegevensdragers aan de Duitse autoriteiten.

Deze beschikking is gegeven door

mr.drs. J.J.I. de Jong, voorzitter,

en mrs. H. Benaissa en A.M.G. van de Kragt, rechters,

in bijzijn van mr. M. van der Hoeff, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2014.

Deze beschikking is ondertekend door de voorzitter. De griffier is daartoe buiten staat.