Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:4933

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
03-06-2014
Datum publicatie
20-06-2014
Zaaknummer
10/680617-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De minderjarige verdachte die gezamenlijk met een medeverdachte seksuele handelingen met de vijftienjarige aangeefster heeft verricht, wordt vrijgesproken van zowel het plegen van verkrachting als het plegen van ontuchtige handelingen. Motivering waarom onder de gegeven omstandigheden naar het oordeel van de rechtbank het ontuchtig karakter aan de door verdachte gepleegde handelingen is komen te ontvallen.

ECLI:NL:RBROT:2014:4934 uitspraak medeverdachte

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Jeugd

Parketnummer: 10/680617-13

Parketnummer van vordering TUL VV: 11/720263-12

Datum uitspraak: 3 juni 2014

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[Naam verdachte] ,

geboren op [geboortedatum en geboorteplaats],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres

[adres],

raadsman mr. S. Meeuwsen, advocaat te Dordrecht.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 20 mei 2014.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. L.A. van Rappard heeft gerekwireerd tot:

- vrijspraak van het onder 1 primair en 3 ten laste gelegde;

- bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair en onder 2 ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 3 (drie) maanden

voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest, met een proeftijd van twee jaar, met als

bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich zal gedragen naar de voorschriften en

aanwijzingen hem te geven door of namens Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland,

afdeling jeugdreclassering, zolang deze instelling dit noodzakelijk vindt, alsmede

oplegging van een contactverbod met [naam aangeefster], met bevel dat de genoemde

bijzondere voorwaarde en het aan genoemde jeugdreclasseringsinstelling opgedragen

toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn;

- veroordeling van de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een leerstraf Respect Limits

voor de duur van 20 (twintig) uur, subsidiair 10 (tien) dagen vervangende

jeugddetentie.

VORDERING TENUITVOERLEGGING VOORWAARDELIJKE VEROORDELING

De officier van justitie heeft tevens gevorderd dat de tenuitvoerlegging zal worden gelast van de werkstraf groot 20 (twintig)uur die aan de verdachte voorwaardelijk is opgelegd bij vonnis onder parketnummer 11/720263-12 van 18 september 2012 van de kinderrechter in de (voormalige) rechtbank Dordrecht.

MOTIVERING VRIJSPRAAK

Ten aanzien van feit 1 primair en feit 3.

Het onder 1 primair en 3 ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. De officier van justitie heeft dit ook gevorderd, terwijl het eveneens is bepleit door de raadsman. De rechtbank zal de vrijspraak dan ook niet nader motiveren.

Ten aanzien van feit 1 subsidiair.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde omdat vast is komen te staan dat de verdachte en de medeverdachte op 6 augustus 2013 gezamenlijk seks met de vijftienjarige aangeefster hebben gehad, waarbij er handelingen zijn verricht die mede bestonden uit seksueel binnendringen. De officier van justitie heeft voorts betoogd dat uit jurisprudentie volgt dat het hebben van een trio dermate vergaand en niet passend is bij deze leeftijd, dat dit in strijd is met de sociaal-ethische norm. Bovendien heeft de officier van justitie betoogd dat er hierbij geen sprake was van affectieve gevoelens van de verdachte naar de aangeefster, hetgeen naar de mening van de officier van justitie het ontuchtige karakter van de handelingen versterkt.

De raadsman heeft aangevoerd dat er in de voorliggende zaak omstandigheden zijn, die op grond van de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie maken dat het ontuchtig karakter aan de gepleegde gedragingen komt te vervallen. Betoogd is dat deze omstandigheden hierin bestaan dat er sprake was van vrijwilligheid bij de aangeefster, dat de verdachte en de aangeefster leeftijdgenoten zijn en dat er sprake was van een onderlinge gelijkwaardige relatie. Met betrekking tot de gelijkwaardigheid van de relatie stelt de raadsman onder meer dat aangeefster al seksueel actief was en dat de verdachte en de aangeefster eerder op vrijwillige basis meermalen seks met elkaar hebben gehad, waarbij er geen sprake is geweest van enige dwang tot het verrichten van seksuele handelingen. Daarbij heeft de raadsman benadrukt dat de sociaal-ethische norm de afgelopen jaren is verschoven, in die zin dat jeugdigen op een steeds jongere leeftijd seksueel actief zijn. De raadsman concludeert dat vanwege deze omstandigheden er geen sprake was van ontucht, zodat de verdachte vrijgesproken dient te worden van het hem ten laste gelegde.

De rechtbank overweegt als volgt.

Op grond van de verklaringen van de aangeefster, de verdachte en medeverdachte[naam medeverdachte] is vast komen te staan dat verdachte op 6 augustus 2013 gezamenlijk met de medeverdachte seksuele handelingen met de vijftienjarige aangeefster heeft verricht. De verdachte en de medeverdachte hebben in elkaars bijzijn aangeefster gevingerd en geslachtsgemeenschap met haar gehad en de aangeefster heeft de medeverdachte gepijpt.

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of in de voorliggende zaak sprake is van ontuchtige handelingen. Blijkens de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie strekt artikel 245 van het Wetboek van Strafrecht tot bescherming van de seksuele integriteit van personen die gelet op hun jeugdige leeftijd in het algemeen geacht moeten worden niet of onvoldoende in staat te zijn zelf die integriteit te bewaken en de draagwijdte van hun gedrag in dit opzicht te overzien. Onder omstandigheden kan aan seksuele handelingen met een persoon tussen de twaalf en zestien jaren het ontuchtige karakter echter ontbreken. Dat kan het geval zijn indien die handelingen vrijwillig plaatsvinden tussen personen die slechts in geringe mate in leeftijd verschillen. Bij het oordeel over het al dan niet ontuchtige karakter van bepaalde handelingen komt het in belangrijke mate neer op de weging en waardering van de omstandigheden van het geval.

Vooreerst wordt vastgesteld dat de rechtbank met de officier van justitie en de verdediging van oordeel is dat de seksuele handelingen tussen de aangeefster, de verdachte en medeverdachte op 6 augustus 2013 op vrijwillige basis hebben plaatsgevonden en dat er daarbij geen sprake is geweest van enige vorm van dwang.

Voorts wordt overwogen dat het leeftijdsverschil tussen de aangeefster en de verdachte minimaal is. Op 6 augustus 2013 waren beiden vijftien jaar oud; de verdachte is slechts drie maanden ouder dan de aangeefster. De medeverdachte[naam medeverdachte] is zelfs jonger dan de aangeefster nu hij op genoemde datum nog veertien jaar oud was. Daar komt bij dat op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan worden aangenomen dat de aangeefster, de verdachte en de medeverdachte in een zelfde leeftijdsfase verkeerden.

Gebleken is verder dat de aangeefster voor 6 augustus 2013 al seksueel actief was en dat zij met verschillende jongens seksuele contacten heeft onderhouden. In 2013 was er tussen de aangeefster en de verdachte gedurende enige tijd sprake van een liefdesrelatie, gedurende welke relatie de verdachte met instemming van de wederzijdse moeders bij de aangeefster is blijven slapen en zij ook seks hebben gehad met elkaar. Nadat deze relatie is geëindigd, heeft de aangeefster nog een keer vrijwillig seks met verdachte gehad. Met de medeverdachte[naam medeverdachte] heeft de aangeefster voor 6 augustus 2013 eveneens meermalen seks gehad en na 6 augustus 2013 heeft de aangeefster op vrijwillige basis nog een keer seks met de medeverdachte gehad. Naar eigen zeggen had de aangeefster op 6 augustus 2013 nog affectieve gevoelens voor de verdachte en vond zij de medeverdachte[naam medeverdachte] ook leuk. Door zowel de verdachte als de medeverdachte is tegenover de politie verklaard dat zij de aangeefster een aardig en een lief meisje vonden. Door de aangeefster is tegenover de politie verklaard dat de seks op 6 augustus 2013 normaal is geweest en dat zij daarna ook nog gewoon contact met de verdachte en de medeverdachte heeft gehouden. Gelet op deze feiten en omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank in de voorliggende situatie worden uitgegaan van een affectieve en gelijkwaardige relatie tussen aangeefster en verdachte.

De rechtbank is van oordeel dat in de gegeven omstandigheden sprake is geweest van gedragingen die moeten worden gekenschetst als een seksuele verkenningstocht in het kader van een vrijwillig seksueel contact tussen drie jongeren die in geringe mate in leeftijd verschilden. Het enkele feit dat de verdachte en de medeverdachte met de aangeefster trio-seks hebben gehad, is naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende redengevend om het plegen van ontucht bewezen te achten.

Onder de gegeven omstandigheden is naar het oordeel van de rechtbank het ontuchtig karakter aan de door verdachte gepleegde handelingen komen te ontvallen. De rechtbank zal verdachte daarom ook van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde vrijspreken.

Ten aanzien van feit 2.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde en heeft hiertoe aangevoerd dat zij meer waarde hecht aan de verklaring van de aangeefster dan aan die van de verdachte.

De raadsman heeft verweer gevoerd en gesteld dat de verdachte ontkent en dat er buiten de verklaring van de aangeefster geen enkel ander direct bewijsmiddel is dat haar aangifte ondersteunt, zodat de verdachte dient te worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt als volgt.

Nu de verdachte het feit ontkent en er afgezien van de aangifte geen andere bewijsmiddelen zijn aangetroffen, zijn er naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende wettige en overtuigende bewijsmiddelen voorhanden om tot een veroordeling ter zake van de tenlastegelegde bedreiging te kunnen komen. Uit het voorgaande volgt dat ook ten aanzien van feit 2 vrijspraak moet volgen.

VORDERING BENADEELDE PARTIJ

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd:[naam aangeefster], wonende te [adres], ter zake van het onder 1 tenlastegelegde feit. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 66,70 aan materiële schade en een bedrag van € 4.500,00 aan immateriële schade.

De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, nu aan de verdachte geen straf of maatregel wordt opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen toepassing zal vinden.

Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.

VORDERING TENUITVOERLEGGING

Bij op tegenspraak gewezen vonnis onder parketnummer 11/720263-12 van 18 september 2012 van de kinderrechter in de (voormalige) rechtbank Dordrecht is de verdachte ter zake van opzetheling veroordeeld - voor zover van belang - tot een werkstraf voor de duur van 40 uren, waarvan een gedeelte groot 20 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. De proeftijd is op grond van artikel 77y, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht ingegaan op 3 oktober 2012.

Nu verdachte wordt vrijgesproken van de hem ten laste gelegde feiten, zal de rechtbank de vordering tenuitvoerlegging afwijzen.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair en subsidiair en onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;

verklaart de benadeelde partij [naam aangeefster] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de benadeelde partij [naam aangeefster] in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;

wijst af de gevorderde tenuitvoerlegging van de onder parketnummer 11/720263-12 bij vonnis van 18 september 2012 van de kinderrechter in de (voormalige) rechtbank Dordrecht aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke werkstraf.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. P.L. van Dijke, voorzitter, tevens kinderrechter,

en mrs. M.A. van der Laan-Kuijt en A.A.J. de Nijs, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. K.J. Berke, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 3 juni 2014.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bij vonnis van 3 juni 2014:

TEKST GEWIJZIGDE TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

primair

hij op of omstreeks 06 augustus 2013, in elk geval in de periode van

01 augustus 2013 tot en met 11 augustus 2013 te Dordrecht

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of door bedreiging met

geweld en/of bedreiging met (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [naam aangeefster]

([geboortedatum]) heeft/hebben gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en)

die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het

lichaam van die [naam aangeefster],

hebbende verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s)

- zijn/hun penis(sen) in haar vagina gebracht/gehouden en/of

- zijn/hun penis(sen) in haar mond gebracht/gehouden en/of

- zijn/hun vinger(s) in haar vagina gebracht/gehouden

en bestaande dat geweld en/of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die

bedreiging met geweld en/of die bedreiging met (een) andere

feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte en/of (een of meer van) zijn

mededader(s) meermalen, althans eenmaal,

- haar heeft/hebben opgetild en/of op een bed heeft/hebben geplaatst en/of

- haar kleding heeft/hebben uitgetrokken en/of

- op haar is/zijn gaan liggen en/of

- haar hoofd/nek naar zijn/hun penis(sen) heeft/hebben geduwd en/of

- voorbij is/zijn gegaan aan haar (verbale en/of non-verbale) protesten

en/of (aldus) voor die [naam aangeefster] een bedreigende situatie heeft doen

ontstaan;

art 242 Wetboek van Strafrecht

art 248 lid 1 Wetboek van Strafrecht

subsidiair

hij op of omstreeks 06 augustus 2013, in elk geval in de periode van 01 augustus 2013 tot en met 11 augustus 2013 te Dordrecht, tezamen en in vereniging met een of ander, althans alleen, met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien had bereikt, te weten met [naam aangeefster] (geboren [geboortedatum], buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [naam aangeefster], namelijk het door verdachte en/of zijn mededader

- brengen/houden van zijn/hun penis(sen) in haar vagina en/of

- brengen/houden van zijn/hun penis(sen) in haar mond en/of

- brengen/houden van zijn/hun vinger(s) in haar vagina

waarbij de seksuele handelingen (telkens) plaatsvonden in bijzijn van de medeverdachte;

art. 245 jo 47 Wetboek van Strafrecht

2.

hij in of omstreeks de periode van 01 juni 2013 tot en met 15 juni 2013 te

Dordrecht

[naam aangeefster] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans

met zware mishandeling,

immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een (vuur)wapen, althans een op

een (vuur)wapen gelijkend voorwerp getoond aan en/of gericht (gehouden) op die

[naam aangeefster] en/of

(daarbij) deze dreigend de woorden toegevoegd : "Als je iets flikt, krijg je

deze!", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks de periode van 23 februari 2013 tot en met 2 december

2013, in elk geval op of omstreeks 2 december 2013 te Dordrecht een wapen als

bedoeld in artikel 2 lid 1 categorie III onder 4 van de Wet Wapens en Munitie,

te weten een alarm c.q. startpistool voorhanden heeft gehad.

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie