Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:4735

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-06-2014
Datum publicatie
04-07-2014
Zaaknummer
AWB-13_06740
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Weigering schuldienstverlening omdat de hypotheek op de eigen woning aanzienlijk lager is dan de WOZ-waarde, zodat eiseres geacht wordt de totale schuldenlast te kunnen voldoen met de opbrengst uit verkoop van de woning. Verweerder heeft overeenkomstig de beleidsregels gehandeld. De persoonlijke voorkeur van eiseres voor de aflossing van haar schulden betekent niet dat er een noodzaak bestaat voor schulddienstverlening door verweerder, temeer nu eiseres niet of nauwelijks zelf actie heeft ondernomen om tot een oplossing te komen voor haar problemen.

Wetsverwijzingen
Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, geldigheid: 2014-07-04
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 13/6740

uitspraak van de meervoudige kamer van 17 juni 2014 in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres,

gemachtigde: mr. A.P. van Elswijk,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. M. van Andel.

Procesverloop

Bij besluit van 30 mei 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om toegang tot de schulddienstverlening op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs) afgewezen.

Bij besluit van 12 september 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 april 2014. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, J.M.A. Bravenboer, K. Majd en A.C. van der Most.

Overwegingen

1.

Eiseres en haar echtgenoot hebben op 22 juni 1999 het appartement op het adres[adres] te [woonplaats] (hierna: de woning) gekocht van Stichting voor Volkshuisvesting “Tuinstad Zuidwijk” (hierna: de stichting). Hierbij is onder meer bepaald dat een zogenaamde terugkoopregeling aan de orde is. Kort gezegd is de eigenaar verplicht de woning tot 1 januari 2015 eerst te koop aan te bieden bij de stichting. Daarbij geldt een bijzondere verkoopprocedure. Ingeval verkocht wordt aan een ander dan de stichting moet winst uit de verkoop met de stichting worden gedeeld.

Op [overlijdensdatum] is de echtgenoot van eiseres overleden. Op 16 mei 2013 heeft eiseres een verzoek om schulddienstverlening ingediend bij verweerders uitvoeringsinstantie, de Kredietbank Rotterdam (KBR).

2.

Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen, onder de overweging dat er geen noodzaak is voor het aanbieden van ondersteuning. Met het huidige inkomen en vermogen van eiseres kan haar schuld volledig worden afgelost zodat geen bemiddeling door de KBR mogelijk is. De in 1999 afgesloten hypotheek is aanzienlijk lager dan de WOZ-waarde in 2012 zodat eiseres geacht wordt de totale schuldenlast te kunnen voldoen met de opbrengst uit verkoop van de woning.

3.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder zijn primaire besluit gehandhaafd, onder wijziging van de grondslag. Daartoe is overwogen dat in de Beleidsregels schulddienstverlening Rotterdam 2013 (de Beleidsregels) is geregeld dat de medewerking die de schuldenaar moet verlenen in ieder geval bestaat uit het verkopen van bezittingen die niet noodzakelijk zijn en de opbrengst inzetten ten behoeve van vermindering van de schuldenlast. De aanvraag dient te worden afgewezen als de schuldenaar in staat is om zijn schulden zelf of via zijn sociale netwerk te regelen. Eiseres dient het bedrag van overwaarde op de woning te gelde te maken om hiermee haar schuldenlast te verminderen of volledig te voldoen. Het argument dat de opbrengst moet worden gedeeld met de stichting kan volgens verweerder niet tot een ander besluit leiden, omdat zelfs dan voor eiseres een aanzienlijk bedrag resteert.

4.

Eiseres stelt in beroep dat verweerder ten onrechte uitgaat van een WOZ-waarde van € 177.000. Verder stelt eiseres dat zij bij directe verkoop van de woning de winst moet delen met de stichting en dat daarvoor het bedrag dat zij feitelijk zal verkrijgen niet voldoende zal zijn voor aflossing van al haar schulden. Deze schulden zijn als gevolg van rente en kosten steeds verder opgelopen. Indien zij haar woning verkoopt na 1 januari 2015 heeft verzoekster recht op het volledige verkoopbedrag. Eiseres meent dat gedwongen verkoop kapitaalvernietiging zou zijn en bovendien het ongewenste gevolg heeft dat minder geld te verdelen is onder de schuldeisers. Eiseres wil met verweerders hulp bereiken dat de hoogte van de schulden niet verder oploopt, zodat zij bij verkoop van de woning na 1 januari 2015 in staat is om haar schuldeisers volledig te betalen.

5.

Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wgs stelt de gemeenteraad een plan vast dat richting geeft aan de integrale schuldhulpverlening aan de inwoners van zijn gemeente.

Artikel 3, eerste lid, van de Wgs bepaalt dat het college verantwoordelijk is voor de uitvoering van het plan, bedoeld in artikel 2, eerste lid.

6.

Uit het plan als bedoeld in artikel 2 van de Wgs blijkt dat de gemeenteraad beoogt dat Rotterdammers zelf verantwoordelijk zijn en blijven voor hun eigen leven en dat de gemeente focust op wat iemand wel kan (of kan ontwikkelen) en niet op wat iemand niet kan. Rotterdammers met een probleem bekijken hoe zij dat zelf kunnen aanpakken, al dan niet met hulp van familie of vrienden. Als dat niet lukt, dan gaat iemand op zoek naar ondersteuning van een vrijwilliger of een maatschappelijke organisatie. Hulp door de overheid is niet altijd vanzelfsprekend en ook op het gebied van het voorkomen en aanpakken van schulden, worden Rotterdammers aangesproken op hun eigen verantwoordelijkheid en op hun eigen kracht, aldus het plan. Deze invulling van het bepaalde in de Wgs, acht de rechtbank niet in strijd met de Wgs.

7.

Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Beleidsregels verleent het college aan de schuldenaar schulddienstverlening als het college dit noodzakelijk acht. Artikel 4, aanhef en onder g, van de Beleidsregels bepaalt dat de schuldenaar verplicht is om alle medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is gedurende de aanvraagperiode en tijdens het schulddienstverleningstraject. Deze medewerking bestaat onder andere uit het verkopen van bezittingen die niet noodzakelijk zijn en de opbrengst inzetten ten behoeve van vermindering van de schuldenlast. De rechtbank is van oordeel dat dit beleid in overeenstemming is met het plan van de gemeenteraad en acht het beleid ook niet onredelijk.

8.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is de rechtbank gebleken dat verweerder schulddienstverlening voor eiseres niet noodzakelijk acht, omdat zij een woning bezit waarvan de waarde de hoogte van de hypotheek ruim overstijgt en eiseres bij verkoop van haar woning haar schulden geheel of grotendeels kan afbetalen. Op grond van artikel 3 van de Beleidsregels verleent het college aan de schuldenaar schulddienstverlening als het college dit noodzakelijk vindt. Dat eiseres bij verkoop van haar woning haar schulden geheel of grotendeels kan afbetalen, is een gegeven dat verweerder in zijn oordeel over de noodzaak van schulddienstverlening kan en mag betrekken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder bij de beoordeling van de noodzaak overeenkomstig de Beleidsregels gehandeld.

9.

De rechtbank volgt niet het betoog van eiseres dat het hebben van een eigen woning noodzakelijk is. Om te kunnen wonen behoeft een woning niet in eigen bezit te zijn. Het betoog dat bij verkoop van de woning na 1 januari 2015 de overwaarde volledig voor eiseres is en dat daarmee meer zekerheid bestaat dat zij haar schulden volledig kan aflossen, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Deze persoonlijke voorkeur van eiseres voor de aflossing van haar schulden betekent immers niet dat er een noodzaak bestaat voor schulddienstverlening door verweerder. De rechtbank merkt verder op dat eiseres desgevraagd heeft verklaard dat zij niet of nauwelijks zelf actie heeft ondernomen om de schuldeisers te bewegen de schulden te bevriezen tot na 1 januari 2015. Niet valt in te zien waarom verweerder schulddienstverlening niet mocht weigeren, terwijl eiseres geen aantoonbare inspanningen heeft verricht voor een eigen oplossing van haar problemen.

10.

Ook in hetgeen eiseres anderszins heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. Het betoog dat de waarde van de woning waar verweerder vanuit gaat, onjuist is, kan daar niet toe leiden. Het had op de weg van eiseres gelegen om nadere informatie te overleggen over de actuele marktwaarde van de woning. Verweerder is op dit punt, in tegenstelling tot hetgeen eiseres stelt, niet tekort geschoten in zijn onderzoeksplicht. Verder is onweersproken dat de waarde van de woning aanzienlijk hoger is dan de op de woning rustende hypotheek. Het betoog van eiseres dat sprake zou zijn van gedwongen verkoop, faalt. De mogelijke terugkoop door de stichting is bij verkoop aan eiseres afgesproken en dus niet gedwongen.

11.

Het overigens door eiseres gestelde leidt de rechtbank evenmin tot de conclusie dat sprake is van wegens bijzondere omstandigheden onevenredige gevolgen in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen, als gevolg waarvan verweerder in redelijkheid had moeten afzien van de toepassing van de Beleidsregels. De enkele stelling dat eiseres door verkoop van haar woning na 1 januari 2015 wellicht in een betere financiële positie zal komen te verkeren om haar schulden af te lossen, is daartoe onvoldoende.

12.

Het beroep van eiseres is daarom ongegrond.

13.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A. Schreuder, voorzitter, en mr. V.M. de Winkel en mr. J. Bergen, leden, in aanwezigheid van J. van Mazijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2014.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.