Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:4707

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-05-2014
Datum publicatie
12-06-2014
Zaaknummer
K/10/1383017 / CV EXPL 12-47548
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Zeevervoer. IPR. Aflevering onder vervoerovereenkomst. Vergoeding wegens niet tijdig inontvangstnemen lading verschuldigd? Stelplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2014, afl. 5, p. 264
NTHR 2014, afl. 4, p. 211
S&S 2015/52
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: K/10/1383017 / CV EXPL 12-47548

datum uitspraak: 23 mei 2014

Vonnis van de kantonrechter, zittinghoudende te Rotterdam

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

KERRY ADCO LOGISTICS B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres,

gemachtigde: mr. K.H.L. van Waasbergen,

tegen

1. de vennootschap naar vreemd recht

NORASIA CONTAINER LINES LTD.,

gevestigd te Valetta, Malta,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CSAV NORTH & CENTRAL EUROPE B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

gedaagden,

gemachtigde: mr. R.L. Latten.

1 Het verdere verloop van de procedure

Voor het verloop van de procedure verwijst de kantonrechter naar het tussenvonnis van 10 februari 2014. Daarna is het verloop als volgt gegaan:

- op 28 maart 2014 heeft de in het tussenvonnis bepaalde comparitie van partijen plaatsgevonden, waarvan proces-verbaal is opgemaakt;

- bij brief van 11 april 2014 heeft de gemachtigde van gedaagden medegedeeld dat zij niet instemmen met de optie beschreven in punt 5 van het proces-verbaal en dat zij verzoeken om een beslissing op het beroep op verjaring;

- vervolgens is een datum voor uitspraak bepaald.

2 De verdere beoordeling

Toepasselijk recht

2.1.

Eiseres (hierna: KAL) is gevestigd in Nederland, gedaagde sub 1 (hierna: Norasia) in Malta en gedaagde sub 2 (hierna: CSAV) in Nederland. Daarom is sprake van een internationaal geval en dient te worden vastgesteld welk rechtsstelsel de rechtsverhouding tussen partijen beheerst.

2.2.

KAL vordert terugbetaling van volgens haar onverschuldigd aan CSAV als vertegenwoordiger van Norasia betaalde kosten ter zake van “demurrage” en “detention”, die zij op facturen van CSAV heeft betaald wegens het later in ontvangst nemen van 16 containers, aangevoerd in Rotterdam met de ‘Margrit Rickmers’, dan ingevolge de op de vervoerovereenkomst toepasselijke voorwaarden was toegestaan. KAL stelt dat zij binnen de kostenvrije periode van vier dagen door haar hulppersoon WIT een binnenschip bij ECT heeft laten stellen om de 16 containers in ontvangst te nemen, maar dat ECT aan WIT heeft meegedeeld dat zij de containers niet binnen dat tijdsbestek kon afleveren. Daarom zijn geen kosten wegens te late inontvangstneming verschuldigd geworden, ook al heeft KAL de containers pas na de kostenvrije periode in ontvangst kunnen nemen. Derhalve heeft KAL die kosten onverschuldigd aan CSAV als vertegenwoordiger van Norasia betaald. Aldus KAL.

2.3.

Nadat KAL bij dagvaarding had gesteld dat op de rechtsverhouding tussen KAL en Norasia Engels recht van toepassing is en bij Akte in het kader van de comparitie van partijen had gesteld dat Engels recht ook op de rechtsverhouding tussen KAL en CSAV van toepassing is, heeft zij op de comparitie verklaard dat op haar vordering op beide gedaagden Nederlands recht van toepassing is.

Norasia en CSAV betogen dat ingevolge de toepasselijke vervoersvoorwaarden de rechtsverhouding tussen partijen wordt beheerst door Engels recht.

2.4.

De kantonrechter overweegt het volgende.

2.4.1.

Het gaat hier om een vordering op grond van onverschuldigde betaling.

2.4.2.

Nu de betreffende betalingen – zie dagvaarding punt 5; onbetwist – op 2 mei, 5 mei en 9 mei 2011 (in ieder geval na 11 januari 2009) in Nederland hebben plaatsgevonden, is voor de vraag naar het toepasselijk recht de Rome II-Vo van toepassing. Het gaat hier, immers, om een “niet-contractuele verbintenis” in de zin van de artikelen 1 en 10 Rome II-Vo.

2.4.3.

Gesteld noch gebleken is dat partijen een rechtskeuze hebben gedaan met betrekking tot de vordering tot terugbetaling van de gesteld onverschuldigde betalingen.

Norasia en CSAV betogen dat het ingevolge de vervoersvoorwaarden (hierna: TCC) toepasselijke Engelse recht ook de onderhavige vordering van KAL beheerst. Voor zover Norasia en CSAV daarbij het oog hebben op een rechtskeuze als bedoeld in artikel 14 Rome II-Vo, zien zij aan het volgende voorbij. Voor zodanige rechtskeuze is vereist dat voldoende duidelijk blijkt dat partijen zijn overeengekomen dat niet-contractuele verbintenissen door het gekozen recht worden beheerst. Het betreffende beding in de TCC luidt als volgt: “This Bill of Lading and any claim or dispute arising hereunder shall be subject to English law [..]”. Blijkens deze bewoordingen betreft die rechtskeuze slechts geschillen of vorderingen gegrond op het vervoersdocument. De onderhavige vordering van KAL levert geen vordering onder het vervoersdocument op.

2.4.4.

Ingevolge artikel 10 lid 1 Rome II-Vo wordt een vordering wegens onverschuldigde betaling die verband houdt met een bestaande, nauw met die onverschuldigde betaling samenhangende contractuele betrekking tussen de partijen, beheerst door het recht dat op die contractuele betrekking van toepassing is.

De onderhavige betalingen hebben betrekking op de vordering van de zeevervoerder Norasia en haar Rotterdamse agent CSAV tot betaling van “demurrage” en “detention” die verschuldigd zijn geworden omdat KAL de 16 containers niet binnen de in de TCC en het daarop gebaseerde “Tariff” bepaalde vrije periode van vier dagen in ontvangst heeft genomen. Daarmee houdt de vordering uit onverschuldigde betaling voldoende verband met de vervoerovereenkomst, zodat het op de vervoerovereenkomst toepasselijke recht ook de vordering wegens onverschuldigde betaling beheerst.

Tussen partijen is niet in geschil dat Engels recht op de vervoerovereenkomst van toepassing is. Derhalve geldt Engels recht ook in de rechtsverhouding tussen Norasia en KAL wegens onverschuldigde betaling door KAL. Nu KAL de betreffende betalingen heeft verricht aan CSAV als agent van Norasia, is ook op de vordering wegens onverschuldigde betaling van KAL tegen CSAV Engels recht van toepassing.

2.4.5.

De kantonrechter komt daarom tot de conclusie dat de vordering van KAL tegen beide gedaagden door Engels recht wordt beheerst.

2.5.

Tussen partijen is niet (langer) in geschil dat CSAV als vertegenwoordiger van Norasia op 29 april 2011 aan KAL heeft medegedeeld dat de 16 containers bij ECT beschikbaar waren tot inontvangstneming. Evenmin is tussen partijen in geschil dat KAL zich vervolgens via haar hulppersoon WIT heeft gewend tot ECT voor aflevering. Ten slotte zijn partijen het erover eens dat KAL ingevolge de TCC binnen vier dagen na die mededeling van beschikbaarstelling de 16 containers in ontvangst diende te nemen.

Partijen twisten erover of WIT (als hulppersoon van KAL) zich binnen die periode van vier dagen op de juiste wijze bij ECT heeft aangemeld voor inontvangstneming, of ECT bereid is geweest om de 16 containers binnen die vier dagen daadwerkelijk aan (WIT als hulppersoon van) KAL af te leveren en of de eventuele niet-bereidheid daartoe van ECT aan gedaagden valt toe te rekenen.

2.6.

Voor zover Norasia en CSAV betogen dat de hiervoor genoemde mededeling van beschikbaarstelling van CSAV op grond van clausules 7 en 20.5 van de TCC voldoende was om aflevering onder de vervoerovereenkomst te bewerkstelligen en dat het daarom irrelevant is of ECT (binnen de periode van vier vrije dagen) tot daadwerkelijke aflevering overging, zien zij eraan voorbij zodanige aflevering dat niet in die clausules is geregeld. Clausule 7 TCC gaat over de (periode van) verantwoordelijkheid van de vervoerder Norasia. Clausule 20.5 TCC bedingt dat een ontvanger als KAL de goederen binnen de vrije periode dient te ontvangen.

Anders dan Norasia en CSAV betogen, volgt uit de TCC dus niet dat KAL als ontvanger “demurrage” of “detention” verschuldigd is geworden na ommekomst van vier dagen na de enkele mededeling van beschikbaarstelling van CSAV van 29 april 2011.

2.7.

Uitgaande van de mededeling van beschikbaarstelling van CSAV van 29 april 2011, zou de periode van vier vrije dagen aflopen aan het einde van dinsdag 3 mei 2011.

Zoals gezegd, betoogt KAL ter onderbouwing van haar vordering dat ECT niet bereid is gebleken om de 16 containers binnen vier dagen na 29 april 2011 daadwerkelijk af te leveren. Gelet op de aard van de vordering, terugbetaling wegens gestelde onverschuldigdheid van door een contractuele wederpartij op basis van de overeenkomst verlangde en aan deze gedane betalingen, liggen stelplicht en – bij voldoende betwisting – bewijslast van de feiten en omstandigheden waaruit de onverschuldigdheid van de betalingen blijkt, bij KAL.

Derhalve diende KAL te stellen dat zij of haar hulppersoon WIT zich binnen die periode van vier dagen gereed heeft verklaard en getoond tot feitelijke inontvangstneming van de 16 containers, bij voorbeeld door te stellen dat zij zich tijdig heeft aangemeld bij ECT en aldaar een vervoermiddel ter inontvangstneming heeft voorgelegd. Voorts diende KAL te reageren op het standpunt van gedaagden dat KAL noch WIT zich binnen vier dagen na 29 april 2011 op de juiste, gebruikelijke wijze bij ECT gereed heeft gemeld voor inontvangstneming.

2.7.1.

In (rov. 2.5 van) het tussenvonnis van 10 februari 2014 heeft de kantonrechter uiteengezet dat de feiten en omstandigheden betreffende de tijdige gereedmelding en betreffende de communicatie tussen WIT en ECT niet duidelijk waren en opgeklaard dienden te worden.

2.7.2.

Aan die (nadere) stelplicht heeft KAL niet voldaan. KAL stelt, immers, niet meer of anders dan (a) dat WIT zich in de namiddag van 3 mei 2011 vanaf 16:24 uur bij ECT heeft aangemeld via het Capino systeem van ECT, (b) dat ECT de containers (met een beroep op onjuiste of onduidelijke redenen) toen niet heeft afgeleverd, respectievelijk (c) dat ECT in de avond van 4 mei 2011 heeft medegedeeld dat zij aan WIT geen containers meegaf. Haar aanvankelijke stelling dat WIT zich op 2 mei 2011 bij ECT gereed had gemeld, heeft KAL in de loop van de procedure laten varen. Nu gesteld noch gebleken is dat aanmelding ter inontvangstneming en daadwerkelijke inontvangstneming nog tussen 3 mei 2011 om 16:24 (het gestelde tijdstip van aanmelding) en 24:00 uur mogelijk waren, moet er daarom vanuit worden gegaan dat de daadwerkelijke inontvangstneming zonder meer buiten de vier vrije dagen zou vallen. Derhalve zou zonder meer “demurrage” of “detention” verschuldigd zijn geworden, zij het dat onduidelijk was hoeveel “demurrage” of “detention” verschuldigd zou zijn geworden. Dus was betaling van enig bedrag aan “demurrage” of “detention” in ieder geval niet onverschuldigd.

2.7.3.

Voor zover KAL bedoelt te betogen dat een gedeelte van de in rekening gebrachte “demurrage” of “detention” onverschuldigd is betaald – een specificatie van zodanig gedeelte ligt niet voor – diende KAL niet alleen de genoemde aanmelding via het Capino systeem te stellen, maar tevens op welk(e) tijdstip(pen) zij of haar hulppersoon WIT na verloop van de vier vrije dagen op de gebruikelijke wijze een vervoermiddel bij ECT heeft gesteld ter daadwerkelijke inontvangstneming en dat ECT toen de aflevering heeft geweigerd. Dat heeft KAL evenmin gedaan. Uit de e-mailcorrespondentie tussen WIT en KAL van 2 mei 2011 (productie 3 bij dagvaarding) lijkt te volgen dat ECT heeft laten weten pas op 4 mei 2011 te kunnen afleveren en dat KAL en WIT dat hebben aanvaard (WIT: “ECT city kan ons 04-05 pas helpen. SVP de vrijstelling te verlengen tot 04-05.”; en de reacties van KAL: “Aangevraagd, duurt ff voor geld op rekening is, uiterlijk morgen volg nieuwe vrijstelling geldig t/m 04/05” en “Bijgaand kopie vrijstellingen geldig t/m 04/05”). De mededeling van WIT aan KAL bij e-mail van 5 mei 2011, 08:25 uur (productie 2 bij conclusie van repliek) vermeldt niet op welk tijdstip WIT zich bij ECT op de gebruikelijke wijze gereed heeft gemeld voor ontvangst, evenmin op welk tijdstip ECT de aflevering heeft geweigerd. Zodoende kan de kantonrechter niet onderzoeken, laat staan: begroten, welk bedrag aan “demurrage” of “detention” verschuldigd is geworden en welk niet.

2.7.4.

Waar KAL niet aan haar stelplicht heeft voldaan, komt de kantonrechter niet aan een bewijsopdracht toe.

2.8.

Op het vorenstaande stuit de vordering af.

2.9.

De kantonrechter zal KAL als de in het ongelijk gestelde partij in de aan de zijde van gedaagden gevallen proceskosten veroordelen. Die kosten zal de kantonrechter begroten op € 600,- aan salaris voor de gemachtigde (twee conclusie en een comparitie, derhalve drie punten volgens tarief).

Als gevorderd en niet betwist, zal de kantonrechter zal de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

3 De beslissing

De kantonrechter,

3.1.

wijst de vordering af;

3.2.

veroordeelt eiseres in de aan de zijde van gedaagden gevallen proceskosten, tot deze uitspraak begroot op € 600,-;

3.3.

verklaart dit vonnis voor zover het een veroordeling bevat uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.P. Sprenger en in het openbaar uitgesproken op 23 mei 2014.

1928