Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:4646

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-05-2014
Datum publicatie
10-06-2014
Zaaknummer
C/10/422203 / HA ZA 13-394
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uitleg testament. Eiser vordert verklaring voor recht dat niettegenstaande het testament de wettelijke regels bij versterf van toepassing zijn. Partner zonder samenlevingscontract staat in testament aangeduid met eigen naam en toevoeging aanstaande echtgenote. Erflater en partner zijn nooit getrouwd en hebben nooit trouwplannen gehad. Erflater en partner hadden relatieproblemen. Opsomming criteria ter bepaling of er nog sprake was van affectieve relatie tussen erflater en partner op het moment van overlijden van erflater.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2014-0077
RN 2014/90
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Afdeling privaatrecht

Zittingsplaats Rotterdam

zaaknummer / rolnummer: C/10/422203 / HA ZA 13-394

Vonnis van 14 mei 2014

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats 1],

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. J.P. van der Werf te Groningen,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats 2],

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. A. Dunsbergen te Gorinchem.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 14 mei 2014,

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 22 augustus 2014 met daaraan gehecht de brief van mr. Van der Werf d.d. 16 september 2013.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op [datum van overlijden] is in de haven van Boven-Hardinxveld, gemeente Hardinxveld-Giessendam, door een ongeluk overleden [persoon 1], geboren op [geboortedatum], hierna te noemen: erflater. Erflater was de broer van [eiseres].

2.2.

Op 13 september 1986 heeft erflater een uiterste wilsbeschikking gemaakt via het opmaken van een testament bij [notaris], notaris te Hardinxveld-Giessendam. In dit testament staat onder meer:

“(…)

EERSTE GEVAL

I. Indien ik ten tijde van mijn overlijden nog niet gehuwd ben, benoem ik tot mijn enige en algehele erfgenaam: mijn aanstaande echtgenote (hierna ook aan te duiden als mijn echtgenote), [gedaagde], met wie ik samenwoon.

(…)”

Hierna zal de uiterste wilsbeschikking worden aangeduid met testament.

2.3.

Eveneens op 13 september 1986 heeft [gedaagde] een uiterste wilsbeschikking gemaakt via het opmaken van een testament bij [notaris], notaris te Hardinxveld-Giessendam. In dit testament staat -voor zover relevant-:

“(…)

EERSTE GEVAL

I. Indien ik ten tijde van mijn overlijden nog niet gehuwd ben, benoem ik tot mijn enige en algehele erfgenaam: mijn aanstaande echtgenoot (hierna ook aan te duiden als mijn echtgenoot), de heer [persoon 1], met wie ik samenwoon.

(…)”

2.4.

Erflater en [gedaagde] zijn nooit met elkaar gehuwd.

2.5.

Op 5 juni 2000 is aan erflater en [gedaagde] een woning met garage en grond geleverd aan de [adres]. In de transportakte staan erflater en [gedaagde] vermeld als comparanten sub 2 en is -voor zover relevant- opgenomen:

“(…)

VERBLIJVINGSBEDING

Vervolgens verklaren de comparanten sub 2 te zijn overeengekomen, dat bij het overlijden van de eerststervende van hen beiden, indien zij op dat tijdstip nog ieder voor de onverdeelde helft eigenaar zijn van het krachtens deze akte verkregene en zij tevens op dat moment beiden ongehuwd zijn, geen geregistreerd partnerschap zijn aangegaan en met elkaar samenwonen, het aandeel van de eerststervende in het krachtens deze akte verkregene van rechtswege in eigendom zal verblijven aan de langstlevende van hen beiden, zonder dat laatstbedoelde daarvoor enige vergoeding verschuldigd zal zijn en onder gehoudenheid van laatstbedoelde om de lening(en), gesloten in verband met de financiering van het onderhavige registergoed (al dan niet onder hypothecair verband) geheel voor zijn rekening te nemen.

(…)”

2.6.

Op de rouwkaart van erflater stond -voor zover relevant-:

“(…)

is na een noodlottig ongeval uit ons leven gerukt, mijn zoon, mijn partner, en onze broer, zwager en oom

(…)

HardinxveldGiessendam: [gedaagde]

(…)”.

In de drie rouwadvertenties geplaatst naar aanleiding van het overlijden van erflater staat onder meer de woonplaats en naam van [gedaagde] vermeld.

2.7.

Op het moment van overlijden van erflater stonden erflater en [gedaagde] beiden in de Gemeentelijke Basisadministratie ingeschreven op de [adres]. Beide partijen beschikten op het moment van overlijden over een huissleutel van genoemde woning.

2.8.

Op het moment van overlijden hadden erflater en [gedaagde] een en/of-rekening bij de Rabobank met [rekeningnummer 1]. Op deze rekening werd tot het overlijden van erflater het salaris van [gedaagde] gestort alsmede maandelijks € 907,56 ten laste van [rekeningnummer 2] op naam van erflater.

2.9.

Bij Nationale Nederlanden was op het moment van overlijden van erflater een man/vrouw-polis afgesloten met polisnummer 7866791, waarbij erflater de eerste begunstigde was en [gedaagde] de tweede begunstigde.

2.10.

Bij de ABN-AMRObank was op het moment van overlijden van erflater een ABN AMRO PensioenPlanPrivé met [polisnummer 1] door erflater afgesloten waarbij [gedaagde] als begunstigde was aangewezen.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eiseres] vordert voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad (samengevat):

voor recht te verklaren dat:

primair: het testament van 13 september 1986 en de daarin opgenomen erfstelling geen werking meer heeft en is komen te vervallen

subsidiair: het testament en de daarin opgenomen erfstelling geen effect (meer) sorteert en/of ter afwikkeling van de nalatenschap moet worden uitgegaan van erfopvolging bij versterf,

met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure.

3.2.

[gedaagde] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4.

[gedaagde] vordert voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad (samengevat):

voor recht te verklaren dat het testament van erlater van 13 september 1986 en de daarin opgenomen erfstelling nog steeds werking heeft en dat [gedaagde] derhalve heeft te gelden als enige en algehele erfgenaam van erflater,

met veroordeling van [eiseres] in de kosten van de procedure.

3.5.

[eiseres] voert verweer.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie en reconventie

4.1.

Gelet op de onderlinge samenhang van de vorderingen van partijen gedaan in conventie en reconventie zal de rechtbank deze gezamenlijk behandelen.

4.2.

Tussen partijen is in geschil of [gedaagde] rechten kan ontlenen aan het testament van erflater. Volgens [eiseres] kan zij dat niet, volgens [gedaagde] kan zij dat wel. [eiseres] voert daartoe aan dat [gedaagde] reeds lang geen aanstaande echtgenote meer was van erflater, althans dat de affectieve relatie welke is gelijk te stellen met een huwelijkse relatie niet eerst is geëindigd door het overlijden van erflater maar reeds daarvoor.

[gedaagde] voert aan dat het niet relevant is of zij op het moment van het overlijden van erflater al dan niet met erflater gehuwd was, althans dat de affectieve relatie tussen haar en erflater tot zijn overlijden heeft voortgeduurd, waarbij er sprake was van een gemeenschappelijke huishouding, het delen van lief en leed, het vormen van een economische eenheid en wederzijdse verzorging.

4.3.

Beide partijen stellen zich aldus primair op het standpunt dat geen uitleg van het testament noodzakelijk is nu de bewoordingen van het testament duidelijk zijn. Ieder der partijen verbindt hieraan echter wel een andere gevolgtrekking.

4.4.

De rechtbank oordeelt over het primaire standpunt van [eiseres] als volgt. Uit de bewoordingen “(aanstaande) echtgenote” in het testament volgt niet dat het testament geen effect meer sorteert vanaf het moment dat er tussen erflater en gedaagde geen sprake meer was van een voorgenomen huwelijk. Vaststaat dat partijen op het moment van het opmaken van hun testamenten al een jaar samenwoonden. Gesteld noch gebleken is dat door erflater en gedaagde op enig moment een huwelijksdatum is bepaald. Niet in geding is dat erflater en gedaagde na het opmaken van het testament nog minstens 24 jaar zijn blijven samenwonen; na 2000 in een door hen gezamenlijk gekochte woning. Het moet er daarom voor worden gehouden dat erflater en gedaagde er kennelijk (stilzwijgend) voor hebben gekozen hun affectieve relatie zonder huwelijk voort te zetten. Gelet op deze feiten en omstandigheden kan aan het gebruik van de woorden “(aanstaande) echtgenote” in het testament geen zelfstandige betekenis worden toegekend. De rechtbank volgt [eiseres] dan ook niet in haar primaire standpunt dat de bewoordingen van het testament duidelijk zijn en dat vanwege het gebruik van de woorden aanstaande echtgenote het testament en de daarin opgenomen erfstelling geen werking meer heeft en is komen te vervallen, althans geen effect (meer) sorteert.

4.5.

Ten aanzien van het primaire standpunt van [gedaagde] oordeelt de rechtbank dat door in het testament ook de woorden “aanstaande echtgenote” te gebruiken bij de erfstelling ten gunste van [gedaagde] terwijl op het moment van het overlijden van erflater, 26 jaar na het opmaken van het testament, vaststaat dat het huwelijk nooit heeft plaatsgevonden en ook niet op korte termijn zou plaatsvinden, de bewoordingen van het testament reeds hierom niet duidelijk zijn. De rechtbank volgt [gedaagde] dan ook niet in haar primaire standpunt dat zij -zo begrijpt de rechtbank- te allen tijde enig en algeheel erfgenaam van erflater is.

4.6.

Tussen partijen is niet in geschil dat in deze zaak, ook al is het testament opgemaakt onder “oud” recht, nieuw recht van toepassing is gelet op de bepalingen in de Overgangswet.

Indien de bewoordingen van een testament niet duidelijk zijn, hetwelk naar het oordeel van de rechtbank in deze zaak het geval is, geeft artikel 4:46 van het Burgerlijk Wetboek (BW) de mogelijkheid het testament uit te leggen. Daarbij dient te worden gelet op de verhoudingen die het testament kennelijk wenste te regelen en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt.

Beide partijen hebben zich subsidiair op het standpunt gesteld dat genoemd wetsartikel van toepassing is. Ook hierbij komen partijen tot een verschillende gevolgtrekking. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de partnerrelatie tussen erflater en [gedaagde] al dan niet geëindigd was op het moment van het overlijden van erflater.

4.7.

Zoals onder 4.4. is uiteengezet is de rechtbank van oordeel dat het feit dat erflater en [gedaagde] nooit zijn gehuwd geen beletsel hoeft te zijn voor de uitvoering van het testament. Vaststaat dat zowel erflater als [gedaagde] ieder de ander tot enig en algeheel erfgenaam heeft benoemd in het kader van hun affectieve relatie waarbij zij reeds samenwoonden en een huwelijk tot de mogelijkheden behoorde. Zij hebben kennelijk allebei de bedoeling gehad bij overlijden zijn/haar partner niet onverzorgd te willen achterlaten. Dezelfde bedoeling blijkt ook uit het in 2000 over en weer afgesloten verblijvingsbeding op het moment dat erflater en [gedaagde] samen een huis kochten. Partijen lijken gelet op hun proceshouding over de bedoeling van het testament niet van mening te verschillen. De rechtbank acht deze bedoeling bepalend voor de uitleg van het testament van erflater. De rechtbank is daarom van oordeel dat van essentieel belang is of erflater en [gedaagde] op het moment van overlijden van erflater nog een affectieve relatie hadden die gelijkgesteld kan worden aan een huwelijkse relatie.

4.8.

Partijen hebben tegengestelde standpunten over het al dan niet nog bestaan van genoemde relatie. Partijen hebben ieder voor zich uitvoerig gemotiveerd en met bewijsstukken onderbouwd waarom er tussen erflater en [gedaagde] nog wel of niet meer sprake was van een affectieve relatie die gelijkgesteld kan worden aan een huwelijkse relatie. Ieder der partijen heeft bewijs van haar stellingen aangeboden in het bijzonder door middel van getuigen.

4.9.

De rechtbank komt tot het oordeel dat de vaststelling of de affectieve partnerrelatie tussen erflater en [gedaagde] definitief ten einde was op het moment van overlijden van erflater dient te geschieden aan de hand van feitelijkheden analoog aan artikel 4:52 BW. Genoemd artikel bepaalt dat een beschikking, getroffen ten voordele van degene met wie de erflater op het tijdstip van het maken van de uiterste wil gehuwd was of reeds trouwbeloften had gewisseld, vervalt door een daarna ingetreden echtscheiding of scheiding van tafel en bed, tenzij uit de uiterste wil het tegendeel is af te leiden. Het is vaste jurisprudentie dat het aanhangig maken van een echtscheidingsprocedure sec niet voldoende is voor de toepassing van artikel 4:52 BW. Slechts indien het huwelijk definitief is geëindigd vindt artikel 4:52 BW toepassing. Het is daarom dat de rechtbank het aanbod tot het horen van getuigen zal passeren, nu het horen van getuigen niet ziet op het leveren van bewijs van feitelijkheden. Het uitsluitend aan de hand van feitelijkheden vaststellen of een affectieve partnerrelatie nog bestaat, is ook gewenst uit het oogpunt van rechtszekerheid.

4.10.

Het bestaan van een affectieve relatie die gelijkgesteld kan worden met een huwelijk kenmerkt zich door duurzame aard, wederzijdse verzorging, samenwoning en gemeenschappelijke huishouding. De rechtbank zal aan de hand van feitelijkheden vaststellen of de relatie tussen erflater en [gedaagde] zoals [eiseres] stelt definitief ten einde is gekomen.

Affectieve relatie

[eiseres] heeft verklaard dat zij de rouwkaart en de advertenties voor de krant heeft opgesteld. Op de rouwkaart staat [gedaagde] genoemd als partner van erflater, ook in genoemde advertenties staat [gedaagde] vermeld. Door [eiseres] is gesteld dat erflater voor zijn overlijden een affectieve relatie was aangegaan met [persoon 2]. Echter de door [eiseres] overgelegde verklaring van [persoon 2] en de door [eiseres] overgelegde facebookcorrespondentie doen meer blijkgeven van een hechte vriendschap dan van een affectieve relatie. Dat de affectieve relatie met [gedaagde] al minimaal anderhalf jaar zou zijn geëindigd, zoals gesteld door [eiseres], waarna erflater een nieuwe bestendige affectieve relatie zou zijn aangaan, is moeilijk verenigbaar met de inhoud van de rouwkaart en de advertenties. Naar het oordeel van de rechtbank is daarom niet komen vast te staan dat de affectieve relatie relatie tussen erflater en [gedaagde] vóór het overlijden van erflater definitief was geëindigd. Niet is gebleken dat erflater voor zijn overlijden concrete stappen had ondernomen teneinde de gevolgen van het beëindigen van de relatie met [gedaagde] te regelen. Dat de woning in de stille verkoop zou zijn gezet en dat een advocaat en/of mediator zou zijn geraadpleegd maakt dit niet anders. Dat geldt ook voor het ontbreken van [gedaagde] op de 50ste verjaardag van erflater.

Duurzame aard en samenwoning

Vaststaat dat zowel erflater als [gedaagde] sinds 2000 en ook nog op het moment van overlijden van erflater in de gemeentelijke basisadministratie ingeschreven stonden op het adres [adres]. Verder staat vast dat de post van erflater nog bezorgd werd op genoemd adres, dat erflater nog beschikte over een huissleutel en ook dat de administratie van erflater zich nog bevond op genoemd adres. Ook de gehele inboedel behorende bij genoemde woning was nog aanwezig. Het adres van erflater stond ook niet als postadres bij de gemeente geregistreerd. Door [eiseres] is gesteld dat erflater opdracht had gegeven bij zijn volgende belastingaangifte [gedaagde] niet langer op te nemen in verband met de meewerkaftrek doch niet gesteld of gebleken is dat een dergelijke aangifte op die wijze voor zijn overlijden is gedaan. Uit de enkele omstandigheid dat erflater zeker sinds juni 2012 anders dan voorheen in het weekend niet veel meer overnachtte op genoemd adres maar meestal op zijn schip, kan niet worden afgeleid dat de duurzame samenwoning tussen partijen was geëindigd voor het overlijden van erflater.

Gemeenschappelijke huishouding en wederzijdse verzorging

Op grond van vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is van wederzijdse verzorging slechts sprake is indien de samenwonenden in feite elk hetzij bijdragen in de kosten van de gezamenlijke huishouding dan wel op andere wijze in elkaars verzorging voorzien. Vaststaat dat erflater en [gedaagde] op het moment van overlijden van erflater nog beschikten over een gezamenlijke bankrekening waar net als voorheen het salaris van [gedaagde] en een vast maandelijks bedrag van de zakelijke rekening van erflater werd overgemaakt. Ook was er op het moment van overlijden een man/vrouwpolis bij Nationale Nederlanden, waarbij na erflater [gedaagde] als tweede begunstigde was aangewezen. Verder staat vast dat erflater bij de ABN AMRO een pensioenplan had afgesloten waarvan [gedaagde] nu maandelijks een uitkering ontvangt. Uit deze feiten blijkt dat er tussen erflater en [gedaagde] op het moment van overlijden van erflater nog sprake was een gemeenschappelijke huishouding en wederzijdse verzorging en dat deze derhalve niet was geëindigd. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat er tussen erflater en [gedaagde] nog immer sprake was van een affectieve relatie die kan worden gelijkgesteld met een huwelijk. De rechtbank zal de vordering van [eiseres] dan ook afwijzen en die van [gedaagde] toewijzen.

4.11.

De aard van hetgeen wordt toegewezen (verklaring voor recht) is aanleiding om de door [gedaagde] gevorderde uitvoerbaar bij voorraad-verklaring af te wijzen.

4.12.

De omstandigheid dat de procedure in conventie en de procedure in reconventie hun oorsprong hebben in een met een familierelatie gelijk te stellen relatie tussen [eiseres] en Breejen en elkaars spiegelbeeld zijn, is voor de rechtbank aanleiding de proceskosten in conventie en in reconventie te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De rechtbank:

in conventie

5.1.

wijst de vorderingen af,

in reconventie

5.2.

verklaart voor recht dat het testament van [persoon 1] van 13 september 1986 en de daarin opgenomen erfstelling nog steeds werking heeft en dat [gedaagde] derhalve heeft te gelden als enige en algehele erfgenaam van [persoon 1],

5.3.

wijst af het meer of anders gevorderde,

In conventie en reconventie

5.4.

compenseert de proceskosten zowel in conventie als in reconventie in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.C.A. de Groot en in het openbaar uitgesproken op 14 mei 2014.1

1 2303/120