Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:4558

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-05-2014
Datum publicatie
05-06-2014
Zaaknummer
449419 / HA RK 14-326
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek afgewezen. Voor zover de wraking is gegrond op grieven ten aanzien van de inhoud van de processen-verbaal van twee zittingen, is van belang dat het pv van 24-03-2014 een extract pv betreft. Niet onbegrijpelijk dat het door verzoeker overgelegde stuk niet integraal in het pv is opgenomen, nu dat een processtuk is geworden. De begrijpelijke en systematische aanpak door de kinderrechter van de mondelinge behandeling ter zitting diende juist om alle bij de zaak betrokken personen voldoende gelegenheid te bieden zich over het verzoek en het daartegen gevoerde verweer uit te laten. Die aanpak verzekert de naleving van het beginsel van hoor en wederhoor en impliceert dat alle procespartijen ook de minder welgevallige standpunten van de andere procespartijen moeten aanhoren, opdat zij ook daarop kunnen reageren. Dat vergt – ook emotioneel – enige beheersing totdat men zelf gelegenheid krijgt het woord te voeren en dat moment heeft verzoeker kennelijk niet meer kunnen afwachten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Meervoudige kamer voor wrakingszaken

Uitspraak: 22 mei 2014

Zaaknummer: 449419

Rekestnummer: HA RK 14-326

Beslissing van de meervoudige kamer op het verzoek van:

[naam verzoeker],

wonende te [adres],

verzoeker,

advocaat mr. A.H.J. Strak,

strekkende tot wraking van mr. M. de Geus, kinderrechter in de rechtbank Rotterdam, afdeling privaatrecht, team jeugd (hierna: de kinderrechter).

1 Het procesverloop en de processtukken

Ter zitting met gesloten deuren van 15 april 2014 is door de kinderrechter behandeld het verzoekschrift van de raad voor de kinderbescherming tot ondertoezichtstelling van de minderjarige kinderen van verzoeker en mevrouw [naam moeder], welke procedure als kenmerk heeft C/10/445853 / JE RK 14-646.

Bij gelegenheid van die behandeling heeft verzoeker de kinderrechter gewraakt.

De wrakingskamer heeft kennis genomen van het dossier van de hiervoor omschreven verzoekschriftprocedure, waarin zich onder meer bevindt het proces-verbaal van de hiervoor bedoelde zitting en het proces-verbaal van de eerdere zitting op 24 maart 2014.

Verzoeker, zijn advocaat, de kinderrechter, de Raad voor de Kinderbescherming regio Rotterdam-Dordrecht, de Stichting Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam, mevrouw [naam moeder] en haar advocaat mr. M.A. Bos zijn verwittigd van de datum waarop het wrakingsverzoek zou worden behandeld en zijn voor de zitting uitgenodigd.

De rechter is in de gelegenheid gesteld voorafgaande aan de zitting schriftelijk te reageren. De rechter heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt.

Nadat de behandeling ter zitting van 23 april 2014 op verzoek van verzoeker was aangehouden, is de gedane wraking behandeld ter zitting met gesloten deuren van 15 mei 2014, alwaar zijn verschenen: verzoeker, zijn advocaat mr. Strak, alsmede mr. Bos.

Verzoeker heeft – mede aan de hand van een pleitnota – zijn standpunt nader toegelicht.

2 Het verzoek en het verweer daartegen

2.1

Ter adstructie van het wrakingsverzoek heeft verzoeker het volgende aangevoerd - verkort en zakelijk weergegeven - :

2.1.1

Blijkens het proces-verbaal van de zitting van 15 april 2014:

Het is allemaal veel te eenzijdig en allemaal bevooroordeeld, ook wat de stichting ter zitting heeft gezegd. Zij hebben de omgang stopgezet. Ik vind de kinderrechter te selectief. Bij de eerste zitting zei de rechter ‘hoever u mij kunt krijgen voor een ondertoezichtstelling’, terwijl zij wist dat ik de ondertoezichtstelling niet wilde. En bij het weg gaan zegt de rechter niet eens goedemorgen. Het is allemaal veel te veel richting de ondertoezichtstelling. Ik voel mij ter zitting totaal niet gehoord door wie dan ook. Het is gewoon een plannetje om ons te ondermijnen, om het ouderlijk gezag bij mij weg te nemen. Dat kan ook op een andere manier opgelost worden. Dit is niet de manier om mij te schofferen door de stichting en de raad. Het zijn alleen maar leugens.

2.1.2

Blijkens de ter zitting van de wrakingskamer op 15 mei 2014 voorgedragen en overgelegde schriftelijke uiteenzetting van verzoeker:

De rechter is vooringenomen en wil niet onze kant van de zaak belicht zien.

Tijdens de zitting van 24 maart 2014 leek het plan om direct een ondertoezichtstelling uit te spreken. De rechter wilde autoritair overkomen en snel en direct een ondertoezichtstelling uitspreken. Dat bleek uit alles, extra werk is maar vervelend. Mijn advocaat had ruim op tijd ons bezwaar ingediend, maar de rechter vond dit dus niet op tijd en wilde hier eigenlijk niet op in gaan. Er werd heen en weer gesteggeld door mijn advocaat en de rechter over de vraag of het verweer op tijd of te laat zou zijn ingediend. Dit verweer was natuurlijk ruim op tijd ingediend, maar dit verweer wordt niet gewenst door de rechter want zij wil direct een uitspraak doen en dit is dus éénzijdig.

Daarna ging de rechter in op mijn ex-vrouw en wat haar punten waren om een ondertoezichtstelling te willen. Mijn ex-vrouw gaf toen aan dat er geen of te weinig omgang is en dat ze denkt dat de kinderen sociaal-emotioneel verwaarloosd worden door mij en mijn vrouw. Ik heb hier goed verweer op gegeven door mijn voorbereide verweer voor te lezen. Dit hele verhaal met veel meer punten is zelfs uitgereikt aan alle aanwezigen. Van dit verweer van mij is niets terug te zien in het proces-verbaal van de eerste zitting, terwijl de griffier dit gewoon had kunnen overtypen. Mijn kant wordt totaal niet belicht. Dit is vooringenomen en éénzijdig en zeer kwalijk voor mij.

Vervolgens bleek dat er een tolk nodig was voor mijn vrouw, want zij komt uit Thailand. Dit zal worden geregeld door de Raad van de Kinderbescherming. Vervolgens wordt de zaak aangehouden. De rechter is duidelijk niet blij met mijn verweer en weigert

mij goede morgen te wensen. Ik wens wel normaal behandeld te worden zeker als onze

verstandhouding vooralsnog normaal zou moeten kunnen zijn. Zij weigert mij wederom

goedemorgen te wensen. Ik zeg tot vier keer toe goedemorgen en dan zegt zij uiteindelijk ook goedemorgen. Ook hieruit blijkt dat zij éénzijdig denkt en geen verweer wenst.

Ten tijde van de zitting van 15 april 2014 lijkt de rechter het verweer van mijn advocaat gelezen te hebben. De rechter neemt nu meer tijd om ons verweer aan te horen. Bij een reactie op een vraag van de rechter antwoord ik dat ik een ondertoezichtstelling een gezagsbeperkende maatregel vind en dat ik het daar niet mee eens ben en daar ook niets van begrijp. De rechter zegt vervolgens dat ik alweer in herhaling val. Ik heb dit tijdens de zitting echter nog niet één keer gezegd.

De rechter geeft iedereen het woord. Zij geeft vervolgens ook het woord aan de heer [naam] van de stichting. De heer [naam] begint zijn betoog met de mededeling dat hij met onze kinderen aan de slag wil en dat dat belemmerd wordt. Hij kan nu niets meer doen. Dat klopt; ik heb hem de toegang tot mijn huis ontzegd, zoals iedere burger dat mag in Nederland. De heer [naam] betoogt verder dat er veel meer aan de hand is bij ons. Ik begin nu toch welhaast te ontploffen want uit het rapport van de raad voor de kinderbescherming blijkt dat toch echt niet, dus dit is een leugen. Het is duidelijk dat de rechter en de heer [naam] elkaar al langer kennen door hun oogcontact en de uitdrukkingen op hun gezicht. Een één tweetje zullen we maar zeggen. Ook beweert de heer [naam] dat niet hij maar ik de omgangsregeling heb gestopt. Dit is een volgende leugen en ik vraag mij af of dit zo maar kan. Kan een ambtenaar in functie zomaar liegen voor de rechter? Dit zal ook zeker een vraag zijn bij het vervolg van de rechtszaak. Dit wordt mij te veel en ik heb vervolgens de rechter gewraakt. Dit ging mij te ver. Ik ben weggelopen en wilde hier niets mee te maken hebben.

Naderhand bij het doorlezen van het proces-verbaal van de zitting blijkt dit verhaal van de heer [naam] – er is veel meer aan de hand en dat hij met de kinderen aan de slag wil – helemaal niet in het proces-verbaal voor te komen. Het verweer van mr. Bos, de advocaat van mijn ex-vrouw, wordt ook voorgelezen en is letterlijk overgenomen in het proces-verbaal, terwijl ons verweer niet is opgenomen, noch in het eerste, noch in het tweede proces-verbaal. De foute bijdrage van de heer [naam] wordt ook maar even weggemoffeld want dat staat tenslotte niet in het rapport. Het is allemaal erg partijdig en vooringenomen en een gelopen race voor de stichting. Ik ben blij dat ik deze rechter gewraakt heb en het lijkt mij wel duidelijk dat dit zo niet verder kan.

Ten aanzien van de algehele gang van zaken en mijn bezwaar ten aanzien van beide zittingen: de ondertoezichtstelling belemmert mij en mijn kinderen in hun vrijheid. Hier kan niets tegen gedaan worden. Dit lijkt bij voorbaat al een voldongen feit. Het rapport van de raad van de kinderbescherming, waar niets belastends in staat, is blijkbaar voldoende om een ondertoezichtstelling uit te spreken. Meneer [naam] van Bureau Jeugdzorg liegt tijdens de zitting dat niet hij maar ik de omgangregeling met mijn ex-vrouw heb stop gezet. Ook geeft hij aan dat er veel meer aan de hand is in ons gezin. Dit staat niet in het rapport en is dus klink klare nonsens. Mijn algehele indruk is dat de rechter gauw een ondertoezichtstelling wil uitspreken en geen boodschap heeft aan verweer van iemand die daar tegen is. Het is lopende band werk. Het is allemaal al een beklonken zaak, oude jongens krentenbrood. Iedereen kent iedereen en er is geen tijd voor verweer. Als vader met een nieuwe partner, die goed voor hun kinderen zorgen, is dit allemaal onbegrijpelijk en verbijsterend om mee te maken. Het gezag wordt je zo maar ontnomen. Je wordt als oud vuil aan de kant gezet door regenten die boven de wet staan en waar niets tegen te doen is.

2.1.3

Blijkens de mondelinge toelichting van de advocaat van verzoeker ter zitting van 15 mei 2014:

Wat verzoeker met name in het verkeerde keelgat schoot was de opmerking van de heer [naam] dat verzoeker de omgangsregeling gestopt zou hebben. Als je het rapport van de raad voor de kinderbescherming goed leest, en verzoeker ging er van uit dat de rechter dat had gedaan, dan had de rechter gelezen dat niet verzoeker de omgang had gestopt, maar dat dat was gebeurd door inmenging van de raad voor de kinderbescherming. De raad heeft tegen verzoeker gezegd dat de omgang moest stoppen, want er was geen veiligheidsplan, waardoor de kinderen veilig bij de moeder kunnen verblijven. De heer [naam] deed ter zitting dus een bewering, waarvan de rechter weet – of moet weten – dat het een leugen is. Verzoeker verwachtte dat de rechter zou reageren met: “Meneer [naam], wat zegt u nu, u leest toch dat de raad tegen verzoeker had gezegd: stoppen met de omgang. Dat is op advies van de raad gebeurd.” Maar de rechter reageerde niet en dus ontstond bij verzoeker het idee dat de rechter vooringenomen is. Het nalaten door de rechter van enige reactie ten aanzien van de aantoonbaar onjuiste bewering van de heer [naam] ziet verzoeker als vooringenomenheid van de rechter.

2.1.4

Blijkens de mondelinge toelichting van verzoeker ter zitting van 15 mei 2014:

Ik voelde mij op beide zittingen van de rechter door alle meningen zeer in het nauw gedreven. Door de mededeling dat er veel meer aan de hand was en dat we het daarover niet meer hoefde hebben, dat was duidelijk naar mijn gevoel een contact dat er was tussen de heer [naam] en de rechter en daardoor was voor mij duidelijk dat de rechter partijdig was. Mijn ter zitting voorgelezen verweer wordt helemaal niet meegenomen in het proces-verbaal van de zittingen. Dat vormt een duidelijk signaal dat het verweer door de rechter niet gewenst is en dat er niets mee gedaan wordt. Ik heb het verweer op de zitting voorgelezen en ik heb een reactie gegeven ten aanzien van het verwijt over sociaal-emotionele verwaarlozing van de kinderen. Uit het proces-verbaal blijkt niets van wat ik erover heb gezegd; alleen wat mijn ex-vrouw en haar advocaat er over gezegd hebben en wat de heer [naam] allemaal heeft gezegd en waar ik het niet mee eens ben. Uit het proces-verbaal blijkt alleen dat mijn verweer is uitgedeeld en overgelegd, terwijl ik ter zitting mijn verhaal heb gedaan. Er wordt kennelijk geen reactie geduld op de een of andere manier.

2.2

De kinderrechter heeft niet in de wraking berust.

De kinderrechter bestrijdt deels de feitelijke grondslag van het verzoek en heeft overigens te kennen gegeven dat niet sprake is van een omstandigheid die grond tot wraking van de kinderrechter kan opleveren, waarbij zij – verkort en zakelijk weergegeven – onder meer heeft aangevoerd:

Afgaand op wat verzoeker naar voren heeft gebracht als redenen om mij te wraken ter zitting van 15 april j .1. zou ik volgens verzoeker bij die eerste zitting op 24 maart 2014 hebben gezegd “hoever ik hem kon krijgen voor ondertoezichtstelling”. Ik heb mij zeker niet op die manier uitgedrukt. Woordelijk is door de griffier opgeschreven dat ik heb gezegd dat we kunnen kijken hoe ver we (op deze zitting) konden komen én dat ik indien nodig de behandeling zou aanhouden tot een nieuwe zittingsdatum.

Het kijken “hoever we konden komen” was er voorts op gericht, toen was gebleken dat de

vader het oneens was en bleef met de verzochte ondertoezichtstelling, na te gaan wat de in ieder geval te bespreken onderwerpen waren voor de behandeling op de nieuwe zitting. Ik heb die onderwerpen toen ook aan het eind van die zitting samengevat en weergegeven in bijzijn van partijen.

Op de zitting van 15 april 2014 hebben de raadsvertegenwoordigster, de moeder bij monde van haar advocaat, alsmede de stichting, in brede zin hun standpunten kunnen toelichten.

Verzoeker wraakte mij direct nadat namens de stichting de heer [naam] aan het woord

was geweest. Dat gebeurde dus nog voordat ik verzoeker, diens advocaat en de stiefmoeder het woord had kunnen geven om in brede zin hun standpunt (in aanvulling op het verweerschrift) nog toe te lichten.

Dat verzoeker zich niet gehoord voelde ten tijde van zijn wraking betreur ik, maar verzoeker had naar mijn mening geen enkele reden om aan te nemen dat ik hem niet meer zou hebben laten toelichten wat zijn visie is op het verzoek tot ondertoezichtstelling en waarom het onjuist was wat de heer [naam] direct daarvoor had aangevoerd. Hij heeft ook niet verzocht om een dergelijke gelegenheid, maar sprak meteen de wraking uit.

Hetgeen blijkens het proces-verbaal door deze of gene met betrekking tot bepaalde

onderwerpen naar voren was gebracht, was naar aanleiding van vragen naar die

onderwerpen/problemen van mijn kant, of als reactie daarop door een andere belanghebbende. Ik heb daarbij niemand het woord ontnomen, noch heeft verzoeker of diens advocaat gepoogd te reageren terwijl ik hem daarvoor niet de gelegenheid zou hebben geboden.

De zitting was tot het moment van de wraking door verzoeker naar mijn mening redelijk

harmonieus verlopen, en het wrakingsverzoek verbaasde mij. Ik had tijdens de zitting ook

begrip getoond voor de angst van verzoeker voor overbelasting van de kinderen door de diverse onderzoeken en de bemoeienis van instanties en voor zijn zorgen rondom de persoonlijke problematiek van de moeder.

Als het juist is dat ik verzoeker na de eerste zitting van 24 maart 2014 geen gedag zou hebben gezegd kan ik alleen maar zeggen dat ik mij daarvan niet bewust was en dat betreur.

3 De beoordeling

3.1

Wraking is een middel ter verzekering van de onpartijdigheid van de rechter. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij deze partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

3.2

Aan de door verzoeker aangevoerde omstandigheden valt geen aanwijzing te ontlenen voor het oordeel dat de kinderrechter - subjectief - niet onpartijdig was. Ook overigens is voor zodanig oordeel bij het onderzoek ter terechtzitting geen houvast gevonden.

3.3

Te onderzoeken staat vervolgens of de aangevoerde of overigens naar voren gekomen omstandigheden, voor zover aannemelijk geworden, niettemin een zwaarwegende aanwijzing als vorenbedoeld opleveren. De wrakingskamer overweegt hieromtrent als volgt:

3.4

Voor zover de wraking is gegrond op grieven van verzoeker ten aanzien van de inhoud van de processen-verbaal van de zittingen van 24 maart 2014 en 15 april 2014 moet allereerst worden opgemerkt dat een proces-verbaal steeds een verkorte en zakelijke weergave vormt van hetgeen ter zitting is voorgevallen. Niet alle ter zitting afgelegde verklaringen en voorgelezen stukken worden daarin woordelijk opgenomen, tenzij bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven, dan wel indien de rechter daartoe ambtshalve of op verzoek van een procespartij uitdrukkelijk beslist.

Daarnaast is van belang dat het proces-verbaal van de zitting van 24 maart 2014 uitdrukkelijk vermeldt dat het niet gaat om een (volledig) proces-verbaal, maar om een extract van het proces-verbaal, hetgeen impliceert dat daarin – nog meer dan anders – een verkorte en zakelijke weergave is opgenomen van hetgeen ter zitting is voorgevallen. Dat extract van het proces-verbaal vermeldt uitdrukkelijk dat er door verzoeker een stuk is overgelegd en dat dit stuk in kopie aan de belanghebbenden is verstrekt. In dit licht bezien is niet onbegrijpelijk dat het extract van het proces-verbaal niet tevens vermeldt dat dit stuk ook door verzoeker ter zitting is voorgedragen, dan wel dat de inhoud van het stuk integraal in het proces-verbaal is overgenomen. Dat is ook niet noodzakelijk, want met de vermelding in het extract van het proces-verbaal is het overgelegde en uitgereikte stuk een processtuk geworden, behoort het tot het dossier van de zaak en zal de kinderrechter het stuk te zijner tijd bij haar oordeelsvorming en beslissing betrekken.

Uit het voorafgaande volgt dat voor zover aan de wraking de inhoud van de processen-verbaal van de zittingen van 25 maart 2014 en 15 april 2014 ten grondslag wordt gelegd, het verzoek moet worden afgewezen.

3.5

Uit de processen-verbaal van de zittingen van de kinderrechter op 24 maart 2014 en 15 april 2014 – met name het laatstgenoemde proces-verbaal – alsmede uit de door verzoeker en zijn advocaat zowel schriftelijk als mondeling gegeven toelichtingen en het schriftelijke standpunt van de kinderrechter kan worden afgeleid dat de behandeling van het verzoekschrift van de raad voor de kinderbescherming op 24 maart 2014 is aangevangen. Die behandeling is vervolgens door de kinderrechter aangehouden om meerdere redenen, waaronder het alsnog organiseren van bijstand van een tolk voor de echtgenote van verzoeker en voorts – zo begrijpt de rechtbank – om alle bij de zaak betrokken personen voldoende gelegenheid te bieden van alle processtukken kennis te nemen.

Voorts kan uit een en ander worden afgeleid dat bij de hervatting van de behandeling van de zaak ter zitting van 15 april 2014 door de kinderrechter is begonnen met het aan alle betrokkenen gelegenheid bieden de door ieder van hen ingediende stukken en de door hen ingenomen standpunten nader toe te lichten. Daarbij is ook door verzoeker en zijn advocaat meermalen het woord gevoerd, al dan niet in antwoord op vragen van de kinderrechter en was de kinderrechter bij het geven van gelegenheid tot nadere toelichting nog niet aangekomen bij verzoeker en zijn advocaat. Aan het geven van die gelegenheid kwam de kinderrechter vervolgens ook niet meer toe, omdat zij door verzoeker werd gewraakt.

3.6

Dat de kinderrechter ter zitting van 24 maart 2014 aan verzoeker zou hebben meegedeeld ‘hoever zij hem kon krijgen voor ondertoezichtstelling’ is door de kinderrechter betwist en blijkt evenmin uit de stukken of de gegeven toelichtingen of kan daaruit worden afgeleid, zodat van de juistheid van die mededeling niet kan worden uitgegaan. Niet kan worden uitgesloten dat verzoeker de woorden van de kinderrechter dat ‘zij wilde kijken hoever ze vandaag kunnen komen’ verkeerd heeft verstaan of opgevat.

3.7

Hoewel begrijpelijk is dat verzoeker tijdens de behandeling ter zitting – tijdens het aanhoren van alle, hem niet welgevallige meningen over de gevraagde ondertoezichtstelling – zich alsmaar meer zorgen ging maken over de goede afloop van de zaak en zich alsmaar meer ging opwinden over mededelingen die volgens hem niet juist waren, totdat hij, zoals hij het zelf formuleert ‘ontplofte’ en de kinderrechter wraakte: uit de hiervoor onder 3.5 geschetste gang van zaken valt geen zwaarwegende aanwijzing te ontlenen voor het oordeel dat de rechter jegens verzoeker een vooringenomenheid koesterde of dat de bij verzoeker dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

Integendeel, de begrijpelijke en systematische aanpak door de kinderrechter van de mondelinge behandeling ter zitting diende juist om alle bij de zaak betrokken personen voldoende gelegenheid te bieden zich over het verzoek en het daartegen gevoerde verweer uit te laten. Die aanpak verzekert de naleving van het beginsel van hoor en wederhoor en impliceert dat alle procespartijen ook de minder welgevallige standpunten van de andere procespartijen moeten aanhoren, opdat zij ook daarop kunnen reageren. Dat vergt – ook emotioneel – enige beheersing totdat men zelf gelegenheid krijgt het woord te voeren en dat moment heeft verzoeker kennelijk niet meer kunnen afwachten.

3.8

Dat de kinderrechter aan het einde van de behandeling van 24 maart 2014 kennelijk niet aanstonds heeft gereageerd op de mondelinge, aan haar gerichte wens van verzoeker tot een ‘goedemorgen’ en daarop eerst na een aantal herhalingen door verzoeker heeft gereageerd, is door de kinderrechter kennelijk niet bewust gedaan en zij betreurt dit. Uit een en ander valt evenmin een aanwijzing als vorenbedoeld af te leiden.

3.9

Op grond van het vorenstaande is de wraking ongegrond. Het verzoek wordt afgewezen.

4 De beslissing

wijst af het verzoek tot wraking van mr. M. de Geus.

Deze beslissing is gegeven door mr. A.N. van Zelm van Eldik, voorzitter, mr. W.J.J. Wetzels en mr. H. van Lokven-van der Meer, rechters.

Bij afwezigheid van de voorzitter is deze beslissing door de oudste rechter uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 mei 2014 in tegenwoordigheid van J.A. Faaij, griffier.

Verzonden op:

aan:

- verzoeker

- mr. M. de Geus

- mr. A.H.J. Strak

- mr. M.A. Bos

- Stichting Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam

- Raad voor de Kinderbescherming