Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:4499

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
02-04-2014
Datum publicatie
04-06-2014
Zaaknummer
C/10/419424 / HA ZA 13-231
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bank deelt bij tussentijdse volledige aflossing van hypothecaire geldlening niet mee dat dit gevolgen heeft voor de aan de geldlening gekoppelde verzekering. Ook in de jaren na aflossing geeft de bank geen duidelijkheid over die gevolgen. De polisvoorwaarden van de verzekering zijn op dit punt niet duidelijk. Bank had klant moeten wijzen op de gevolgen van het aflossen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTHR 2014, afl. 4, p. 208

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Haven & Handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/419424 / HA ZA 13-231

Vonnis van 2 april 2014

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. F.A.M. Knüppe,

tegen

naamloze vennootschap

ABN AMRO BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. J.W. Achterberg.

Partijen zullen hierna [eiser] en ABN AMRO genoemd worden.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 29 mei 2013 en de daaraan ten grondslag liggende processtukken;

  • -

    de akte wijziging van eis tevens houdende akte producties van de zijde van [eiser];

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 14 oktober 2013;

  • -

    de akte na comparitie van ABN AMRO;

  • -

    de akte na comparitie van [eiser].

2 De feiten

In deze procedure wordt van de navolgende vaststaande feiten uitgegaan.

2.1.

[eiser] heeft bij Nieuw Rotterdam Leven N.V. een “hypotheek-aflossingsverzekering” (hierna: de verzekering) afgesloten die is ingegaan op 31 augustus 1988. De overeengekomen verzekeringsduur was 25 jaar.

2.2.

Een brief van 7 september 1988 van Mees & Zoonen Assurantiën B.V. gericht aan [eiser] (via ABN AMRO) luidt - onder meer - als volgt:
“Tot ons genoegen kunnen wij u berichten dat Nieuw Rotterdam Leven N.V. op grond van de overgelegde medische gegevens het risiko van de aangevraagde verzekering (…) zal aanvaarden per de datum van passeren der hypotheekakte, mits dit binnen 3 maanden na heden plaatsvindt.
(…)
De verzekering heeft een duur van 25 volle jaren vanaf de passeerdatum van de akte en geeft dekking voor:
f 133.350,- (€ 60.579,66; opmerking rechtbank) kapitaal bij in leven zijn van de verzekerde op de
einddatum, en
f 205.000,- (€ 93.024,94; opmerking rechtbank) kapitaal bij overlijden van de verzekerde vóór de

einddatum

tegen een premie van f 4.933,- per jaar.
(…)”

2.3.

De hiervoor onder 2.2. weergegeven brief van 7 september 1988 bevat een bijlage, gedateerd “9-8-1988”, die als volgt luidt:

“Bedrag hypothecaire geldlening : F 205000
Hypotheekrente : 7.300% 10 jaar vast
Verzekerd kapitaal bij overlijden : F 205000

Verzekerd kapitaal bij leven bij aanvang : F 133250

Verzekerd kapitaal na 10 jaar : F 142630
Verzekerd kapitaal bij leven op einddatum : F 186433
(…)
Bij de berekening van het kapitaal en de afkoopwaarde is uitgegaan van een winstprognose gebaseerd op de huidige hypotheekrente.

(…).”

2.4.

Artikel 5 van de op de verzekering van toepassing zijnde polisvoorwaarden luidt, voor zover hier relevant, als volgt:

“Artikel 5 Rendement
5.1.a De op het polisblad vermelde uitkering bij in leven zijn van de verzekerde op de
einddatum is gebaseerd op een door de verzekeraar over de gehele looptijd van de
verzekering gehanteerd rendement van het spaardeel van de premie;
b. het in de premie begrepen spaardeel wordt door de verzekeraar belegd bij de bank tot
het moment, gelegen een vol aantal jaren na de ingangsdatum van de verzekering, dat de
bereikte afkoopwaarde groter is dan de pro resto-hoofdsom van de hypothecaire
geldlening. De bank heeft de verzekeraar een rendement op het aldus belegde bedrag
toegezegd, dat steeds gelijk is aan het voor de hypothecaire geldlening geldende
rentepercentage verminderd met één;
(…)
5.2.a Indien de in 5.1.b en 5.1.c genoemde rendementen hoger zijn dan het in 5.1.a bedoelde rendement, komt dit hogere rendement ten goede aan de verzekeringnemer in de vorm van een verhoging van de op het polisblad vermelde verzekerde uitkering bij in leven zijn van de verzekerde op de einddatum:
(…).

2.5.

Gelijktijdig met de verzekering heeft [eiser] een hypothecaire geldlening afgesloten bij ABN AMRO voor een bedrag van fl. 205.000,-. De hypotheekrente van die geldlening bedroeg ten tijde van het sluiten van de geldleningsovereenkomst 7,3% en was voor tien jaar vastgezet.

2.6.

Door middel van cessie heeft (de rechtsvoorgangster van) ABN AMRO op 29 september 1988 de rechten uit de hiervoor bedoelde verzekering verkregen van Nieuw Rotterdam Leven N.V.

2.7.

Een op 1 november 1988 in het kader van de cessie afgegeven polisblad van de verzekering luidt, voor zover hier relevant, als volgt:

“VERZEKERD IS F 133.250,00 INEENS UIT TE KEREN OP 31-08-2013,

INDIEN DE VERZEKERDE DAN IN
LEVEN IS.
F 205.000,00 INEENS UIT TE KEREN BIJ
OVERLIJDEN VAN DE VERZEKERDE,

MITS DIT OVERLIJDEN PLAATSVINDT
VOOR 31-08-2013.
(…)”

2.8.

Bij brief van 20 augustus 1998 heeft ABN AMRO (onder meer) het volgende aan [eiser] bericht:

“Betreft: hypothecaire geldlening (…)
Per 1 oktober 1998 worden de condities van uw hypotheek herzien.
Op deze datum kunt u gebruik maken van de mogelijkheid om kosteloos een andere renteperiode te kiezen.
De keuzemogelijkheden zijn:
(…)
Indien u geen verandering van renteperiode wenst, gelden voor u per 1 oktober 1998 de navolgende condities:

Restant hoofdsom : F 205.000,00
Rentepercentage : 6,300% per jaar
Renteperiode : 10 jaar vast
(…)”

2.9.

Bij brief van 13 september 1999 heeft ABN AMRO - voor zover hier relevant - het volgende aan [eiser] meegedeeld:

“Hierbij treft u de berekening aan van de restantschuld van uw lening en de eventuele boeterente wegens vervroegde aflossing per 1 oktober 1999.

Deze opgave is bedoeld om u een indicatie te geven van de hoogte van de restantschuld en de vergoeding per die datum op basis van de op dit moment geldende rente. Wilt u daadwerkelijk uw lening omzetten of aflossen, dan maken wij desgewenst een definitieve berekening voor u.
Wel wijzen wij u erop dat de berekening van de vergoeding afhankelijk is van de op dat moment geldende rente.

Wij maken van deze gelegenheid gebruik om u te wijzen op de mogelijkheden om uw lening aan te passen aan uw gewijzigde omstandigheden. Wij willen u daarover graag nader informeren.
Voor vragen over uw hypothecaire geldlening kunt u contact opnemen met één van onze hypotheekmedewerkers (…).”

2.10.

In 1999 heeft [eiser] de onder 2.5 bedoelde hypothecaire geldlening volledig afgelost en een nieuwe hypothecaire geldlening verkregen bij SNS Bank.

2.11.

Bij brief van 30 december 1999 heeft ABN AMRO aan “VVAA” te Utrecht (onder meer) het volgende meegedeeld:

“Betreft Hypotheekaflossingsverzekering ten name van [eiser]
Polisnummer: [polisnummer]
(…)

Geachte heer/mevrouw,

Naar aanleiding van uw schrijven van 11.11.1999 delen wij u het volgende mede;

Volgens onze administratie is bovengenoemde verzekering reeds verpand aan de ABN AMRO. De verpanding betreft hier hypotheeknummer: (…)

Tevens is het niet mogelijk bovengenoemde verzekering te verpanden aan een andere instelling dan ABN AMRO. Indien de hypotheek gekoppeld aan bovengenoemde verzekering is afgelost is het mogelijk bovengenoemde verzekering voort te zetten op standaard maatschappij condities. De voortgezette polis kan wel verpand worden aan een andere instelling dan ABN AMRO.

Wij vertrouwen erop u hiermee voldoende geïnformeerd te hebben.”

2.12.

Op 30 november 2000 heeft ABN AMRO aan ABN AMRO Bank N.V., Particulier Advies te Elst, een brief met de volgende inhoud gestuurd:

“Betreft: Hypotheekaflossing

Ten name van [eiser]

(…)

Wij ontvingen op 2-5-2000 het bericht van ons hypothekenbedrijf dat voor bovengenoemde relatie de verpanding is komen te vervallen/hypotheek is afgelost.
De verzekering gekoppeld aan de hypotheek kan niet in de vorm van “hypotheekaflossing” blijven bestaan zonder dat daaraan een ABN AMRO Hypotheek gekoppeld is.

Derhalve heeft relatie de keuze bovengenoemde verzekering:
1. Af te kopen;
2. Premievrij voort te zetten;
3. Voort te zetten op standaard maatschappij condities;
4. Te koppelen aan een nieuwe ABN AMRO Hypotheek.
(…)
Bijgaand treft u een afkoopkwitantie, een voortzettingsvoorstel, een hypotheekformulier en een akkoordverklaring aan.
(…)”

2.13.

Op 26 maart 2003 heeft ABN AMRO [eiser] een brief gestuurd met, voor zover hier relevant, de volgende inhoud:

“(…)

Wij kregen van mr. [persoon1] het verzoek tot afgifte van de originele kapitaalverzekeringspolis van Delta Loyd (…). Navraag bij de verzekeringsmaatschappij (Delta Loyd/Aegon) heeft opgeleverd dat er onder eerder genoemd polisnummer geen verzekeringspolis bekend is.

Wellicht bent u in het bezit van een kopie-polis, waarvan wij een kopie kunnen ontvangen. Aan de hand daarvan kunnen wij dan eventueel de originele polis vrijgeven.
(…).”

2.14.

Bij brief van 15 juli 2009 heeft ABN AMRO [eiser] (onder meer) het volgende meegedeeld:

“(…)

Naar aanleiding van een gesprek met uw vrouw enige tijd geleden, heb ik de gegevens van de nog aanwezige hypotheek aflossingsverzekering achterhaald.

Kijkend naar de afkoopwaarde, mogelijke eindwaarde en verschuldigde jaarpremie, zou een rendement van ongeveer 3,2% per jaar in privé nodig zijn om een gelijkluidend resultaat te bereiken.
Alleen in geval van overlijden voor de einddatum zou afkoop geen goede stap zijn geweest.

(…)”.

2.15.

Bij brief van 19 maart 2010 heeft ABN AMRO [eiser] - voor zover hier relevant - het volgende meegedeeld:

“(…)

Naar aanleiding van uw verzoek, sturen wij u bij deze een overzicht van de waarde in de hypotheekaflossingsverzekering (…)

Opgebouwde waarde per 19 maart 2010 EUR 58.204,46
(…)”

2.16.

Een brief van ABN AMRO aan [eiser] van 16 juli 2010 luidt (onder meer) als volgt:

“(…)

Van ABN AMRO BANK N.V. ontvingen wij geruime tijd geleden het bericht dat de aan de bovengenoemde verzekering gekoppelde hypothecaire geldlening (…) is afgelost.

In eerdere correspondentie is gemeld dat het niet mogelijk is om bovengenoemde verzekering zonder hypothecaire geldlening bij ABN AMRO Bank N.V. voort te zetten.

Omdat de polisvoorwaarden daarin niet duidelijk zijn, is er in overleg met de huidige verzekeraar, REAAL Verzekeringen, besloten om de verzekeringnemer in voorkomende gevallen de mogelijkheid te bieden de verzekering premiebetalend voort te zetten zonder ABN AMRO-hypotheek.

Omdat er nu geen koppeling meer is met een hypothecaire geldlening en de hoogte van de winst afhankelijk is van het rentepercentage van een lening, wordt er vanaf het moment van aflossing van de ABN AMRO-hypotheek geen winst meer in de polis opgebouwd.

De polis rendeert tot de einddatum door het tegen het voor de gehele looptijd geldende gegarandeerde rendement van 4% over het spaardeel van de premie (€ 1.396,07).

Helaas is het mij niet gelukt om de datum van de hypotheekaflossing te achterhalen. Omdat het voor de berekening van het winstbedrag van belang is dat er uitgegaan wordt van de juiste aflossingsdatum, verzoek ik u mij te laten weten per wanneer bovengenoemde hypothecaire geldlening is afgelost. (…)

Na ontvangst van uw bericht vraag ik de verzekeraar de afkoopwaarde en de waarde inclusief winst op de einddatum te berekenen.
(…)”

2.17.

Een aan [eiser] gerichte brief van ABN AMRO van 12 oktober 2010 luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“(…)

REAAL Levensverzekeringen heeft de waarde per 30 november 2010 berekend. De afkoopwaarde per die datum bedraagt € 54.533,00. Dat is inclusief het winstbedrag op de einddatum van € 4.652,00.

Het verzekerde kapitaal bij in leven zijn van de verzekerde op de einddatum bedraagt
€ 60.467,00. Door de winstbijschrijving is dit bedrag verhoogd tot € 65.199,00. Het verzekerde kapitaal bij overlijden van de verzekerde voor de einddatum bedraagt € 93.026,00.
Deze waarden zijn ons onder voorbehoud meegedeeld. Het winstkapitaal is vastgesteld op basis van de bij ons bekende hypotheekrentepercentages. Deze zijn:
Vanaf ingangsdatum: 7,3%; vanaf 01-10-1998: 6,0% ; vanaf 01-01-2000: 4%.

(…)”

3 De vordering

3.1.

[eiser] heeft na wijziging van eis gevorderd:
I. primair ABN AMRO te veroordelen tot betaling aan [eiser] van € 27.905,94 vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 januari 2000;
II. subsidiair ABN AMRO te veroordelen tot betaling aan [eiser] van € 19.480,57 vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 januari 2000;
III. meer subsidiair ABN AMRO te veroordelen tot betaling aan [eiser] van

€ 10.662,08, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 1 januari 2000;

IV. zowel primair als subsidiair ABN AMRO te veroordelen tot betaling van € 1.158,- terzake buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van dagvaarding, en te veroordelen in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente en nakosten.

4 Het verweer

4.1.

Het verweer van ABN AMRO strekt tot afwijzing van de vordering met veroordeling van [eiser] in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente en nakosten.

4.2.

Op de inhoud van het verweer van ABN AMRO wordt, voor zover relevant, hierna onder de beoordeling ingegaan.

5 De beoordeling

5.1.

ABN AMRO heeft bij gelegenheid van de comparitie van partijen (voor het eerst) aangevoerd dat [eiser] niet tijdig heeft geklaagd over het gestelde gebrek in de door ABN AMRO geleverde prestatie en dat de vordering van [eiser] is verjaard. Uit het polisblad (zie 2.7.) blijkt dat het verzekerde bedrag tot uitkering komt op 31 augustus 2013. De termijnen voor verjaring en de klachttermijn gaan pas lopen met ingang van deze datum. De door [eiser] geuite klachten zien er op dat hij gedurende de looptijd van de verzekeringsovereenkomst tot de ontdekking is gekomen dat hij minder winstrecht opbouwde dan hij meende te mogen verwachten. Hij is dus gaan klagen over de per 31 augustus 2013 te verwachten uitkering zodat er geen sprake van is dat hij te laat heeft geklaagd (eerder “te vroeg”) en evenmin van verjaring nu de vordering pas opeisbaar is op 31 augustus 2013.

5.2.

De vordering van [eiser] strekt ertoe ABN AMRO te veroordelen tot vergoeding van de schade die [eiser] stelt te hebben geleden doordat ABN AMRO hem in 1999 niet heeft geïnformeerd over de gevolgen van het aflossen van de hypothecaire geldlening. Omdat vanaf het moment van tussentijdse aflossing de koppeling tussen hypotheek en verzekering ontbrak, kon het rendement van de verzekering volgens ABN AMRO (zo is aan [eiser] pas veel later bekend geworden) niet langer op grond van artikel 5 van de polisvoorwaarden worden berekend, zodat dat rendement is berekend op grond van een percentage van 4%. Volgens [eiser] had ABN AMRO hem erop moeten wijzen dat het aflossen van de hypotheek gevolgen had voor de opbouw van winst onder de verzekering. [eiser] heeft aangevoerd dat indien hij daarover tijdig en volledig was geïnformeerd door ABN AMRO, hij in 1999 niet tot aflossing zou zijn overgegaan of ervoor zou hebben gekozen om de verzekering gelijktijdig met de aflossing van de hypothecaire geldlening te beëindigen.

5.3.

ABN AMRO heeft betwist dat zij tekort is geschoten in de nakoming van de op haar rustende (contractuele) verplichtingen. Volgens ABN AMRO diende zij op grond van de op haar rustende zorgplicht naar beste vermogen rekening te houden met de belangen van [eiser] en dient de exacte omvang van de zorgplicht te worden bepaald aan de hand van de omstandigheden van het geval. In dit geval lag het volgens ABN AMRO op de weg van [eiser] om informatie in te winnen over de gevolgen van de aflossing. Immers, het initiatief tot aflossing kwam van [eiser]. [eiser] was naar zijn stelling boos over de wijze waarop hij was behandeld door ABN AMRO met betrekking tot een andere transactie en daardoor sowieso niet ontvankelijk voor advies van zijn bank. Volgens ABN AMRO komen de gevolgen van de keuze tot aflossing van de hypothecaire geldlening dan ook voor rekening en risico van [eiser].


5.4. De rechtbank overweegt als volgt.

De kern van de tussen partijen in 1988 gesloten verzekeringsovereenkomst is dat het standaardrendement van 4% wordt verhoogd tot het rentepercentage van de hypothecaire geldlening van [eiser] minus één procent. Zodra het rentepercentage van de hypothecaire geldlening hoger is dan 5%, levert dat dus een hoger rendement op dan de basisrentevergoeding van 4%. Volgens de onbetwiste stelling van [eiser] was de aantrekkelijkheid van het door ABN AMRO geboden product juist gelegen in deze koppeling met de hypotheekrente.

5.5.

Toen [eiser] in 1999 de hypothecaire geldlening (vervroegd) volledig had afgelost, heeft ABN AMRO het rendement van de verzekering niet langer op de hier boven omschreven wijze berekend, maar is zij uitgegaan van de “standaard maatschappij condities zonder winstdeling”, hetgeen feitelijk neerkwam op een rentevergoeding van 4% met volledige handhaving van de verplichting tot betaling van premie door [eiser]. In de polis noch in de polisvoorwaarden is vermeld dat ”het hogere rendement” eindigt als de hypotheek tussentijds wordt afgelost. ABN AMRO heeft [eiser] hieromtrent ook niet voorgelicht. Voorafgaand aan de tussentijdse aflossing heeft ABN AMRO [eiser] niet op de hoogte gesteld van de gevolgen van het tussentijds aflossen voor “het hogere rendement”. De brief van 13 september 1999 gaat hier immers niet op in en gesteld noch gebleken is dat dit op een andere wijze aan [eiser] is doorgegeven. Uit de brieven van 30 december 1999 en 30 november 2000 blijkt dat dit pas na de aflossing is gebeurd. In een situatie als de onderhavige, waarin [eiser] als consument een verzekering heeft afgesloten in combinatie met een hypotheek ter financiering van zijn woonhuis, mocht van ABN AMRO verwacht worden dat zij [eiser] deugdelijk had geïnformeerd, temeer nu [eiser] wel hetzelfde bedrag aan premie diende te blijven betalen. De zorgplicht van de bank ten opzichte van haar particuliere cliënt brengt dit met zich mee. Het verweer van ABN AMRO dat [eiser] boos was op haar en zich dus niet zou laten adviseren begrijpt de rechtbank niet. Als dat al het geval zou zijn dan is dat toch juist een extra reden voor ABN AMRO om [eiser] schriftelijk te adviseren over de gevolgen van zijn beslissing de hypotheek vervroegd af te lossen?

Door [eiser] niet vooraf te informeren over de gevolgen van het tussentijds aflossen, heeft [eiser] niet de mogelijkheid gehad om daarmee rekening te houden bij het besluit tot tussentijdse aflossing van de hypothecaire geldlening.

Naar het oordeel van de rechtbank is ABN AMRO dan ook tekort geschoten in de op haar in relatie tot [eiser] rustende informatieplicht. Dat betekent dat ABN AMRO in beginsel aansprakelijk is voor de daardoor voor [eiser] ontstane schade wegens haar toerekenbare tekortkoming. Zij is dus in principe gehouden de door [eiser] mogelijk ondervonden schade te vergoeden.

De rechtbank overweegt voorts dat eerst door middel van haar brief van 16 juli 2010 ABN AMRO rechtstreeks aan [eiser] heeft medegedeeld dat voortzetting van de verzekering onder dezelfde condities als voorheen niet mogelijk was vanwege de aflossing van de hypothecaire geldlening. Dat is overigens gebeurd door acties van [eiser], althans zijn echtgenote, die bij ABN AMRO jarenlang aan de bel is blijven trekken. De eerdere correspondentie is onvoldoende duidelijk of er staat niet vast dat deze [eiser] heeft bereikt. [eiser] betwist de brief van 30 december 1999 van ABN AMRO aan VVAA destijds onder ogen te hebben gekregen en betwist evenzeer dat VVAA zijn tussenpersoon voor deze verzekering is geweest. Bovendien is deze brief meer gericht op verpanding van de verzekering als zekerheid voor de herfinanciering dan dat deze brief ingaat op de gevolgen van de tussentijdse aflossing voor de uitkering. De brief van 30 november 2000 van ABN AMRO is een “interne” brief waarvan niet vaststaat dat deze [eiser] heeft bereikt terwijl pas in de brief van 15 juli 2009 door ABN AMRO inhoudelijk wordt ingegaan op de gevolgen van de tussentijdse aflossing voor de verzekerde uitkering. Hierdoor is aan [eiser] voorts de mogelijkheid ontnomen om (in een vroeg stadium) te anticiperen op de dreigende lagere opbrengst van de verzekering.

5.6.

[eiser] heeft ter comparitie onbetwist gesteld dat als ABN AMRO hem wel had geïnformeerd, hij ofwel de hypothecaire geldlening bij ABN AMRO zou hebben behouden ofwel aanvullende maatregelen had genomen om toch het doelkapitaal te behalen. Daarmee is het causale verband tussen de tekortkoming van ABN AMRO en de schade naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk.

5.7.

De schade die [eiser] stelt te hebben geleden door de toerekenbare tekortkoming van ABN AMRO bestaat volgens hem uit het verschil tussen de hoogte van het eindkapitaal in het geval de hypotheek niet was afgelost en de hoogte van het eindkapitaal zoals dat nu is. Dat komt neer op het verschil tussen het doelbedrag van

fl. 205.000,- (€ 93.024,94) en het kapitaal bij het einde van de looptijd op 1 oktober 2013 ad € 65.119,-, aldus [eiser], derhalve € 27.905,94. Subsidiair vordert [eiser] het verschil tussen het bij aanvang van de verzekering geprognosticeerde eindkapitaal van

€ 84.599,57 en de uitkering van € 65.119,-, zijnde € 19.480,57. Meer subsidiair heeft [eiser] aangevoerd dat zijn schade gelijk is aan de premie die hij heeft betaald voor het laten doorlopen van de door de aflossing “waardeloos” geworden verzekering. Dat komt neer op de sedert 2000 tot en met 2012 betaalde kosten op de polis van € 820,16 per jaar, in totaal € 10.662,08.

5.8.

ABN AMRO heeft betwist dat [eiser] schade heeft geleden. Volgens ABN AMRO is bij leven aan het einde van de looptijd niet een bedrag van € 93.024,94 maar een bedrag van € 60.466,- gegarandeerd. Het eindkapitaal van € 65.119,- ligt daarboven, aldus ABN AMRO, zodat van schade geen sprake is. Wanneer wordt uitgegaan van de situatie dat [eiser] de hypothecaire lening zou hebben voortgezet, moet er volgens ABN AMRO van worden uitgegaan dat dat was gebeurd tegen de eind 1998 geldende marktrente van 5%. Gelet op artikel 5 van de polisvoorwaarden had het rendement van de verzekering ook onder die omstandigheden 4% geweest, aldus ABN AMRO, zodat van schade geen sprake is.

5.9.

De rechtbank overweegt als volgt. De eventuele schade dient te worden vastgesteld door het vergelijken van de situatie waarin [eiser] zich thans bevindt, die erop neerkomt dat hij een polis heeft met een eindwaarde van € 65.199,-, met de situatie zoals deze was geweest indien de schadeveroorzakende gebeurtenis niet had plaatsgevonden. Daarbij gaat de rechtbank er vanuit dat indien [eiser] juist was geïnformeerd door ABN AMRO in 1999, hij niet tot aflossing van de hypothecaire geldlening was overgegaan, in welk geval de verzekering onder gelijke condities was voortgezet. Bij gelegenheid van de comparitie van partijen heeft de rechtbank ABN AMRO verzocht bij nadere akte inzicht te geven in de ontwikkeling van de verzekering, inclusief winstdeling, indien de hypotheek bij ABN AMRO wel zou zijn voortgezet. Ter voldoening daaraan heeft ABN AMRO een brief overgelegd van Reaal, waarin een fictieve berekening is gemaakt van de winst op de einddatum. Deze specificeerde berekening, die uitgaat van een hypotheekrente van 6% in de periode 31 augustus 2008 tot 31 augustus 2009 en van 6,1% van 31 augustus 2009 tot en met 31 augustus 2013, geeft inzicht in het jaarlijks vanaf 31 augustus 2001 opgebouwde winstbedrag. Deze berekening leidt tot een winstbedrag van € 14.601,- in totaal, waarmee het op de einddatum uit te keren bedrag € 75.068,- zou bedragen.


Bij antwoordakte heeft [eiser] aangegeven geen redenen te hebben om te twijfelen aan de juistheid van de door Reaal uitgevoerde berekening met betrekking tot de rentewinstbijschrijvingen. Voorts heeft [eiser] aangegeven geen bezwaar te hebben tegen de bij de berekening gehanteerde rentepercentage van 6,1%. [eiser] betwist wèl de juistheid van het door ABN AMRO gestelde totale eindbedrag van

€ 75.068,-. Volgens [eiser] strookt dat bedrag niet met de per 19 maart 2010 door ABN AMRO opgegeven waarde van de verzekering ad € 58.204,46, bezien in relatie met de cijfers weergegeven in het bij productie 1 in het geding gebrachte overzicht van de geprognosticeerde jaarlijkse afkoopwaarde van de verzekering.

Met [eiser] is de rechtbank van oordeel dat de in de brief van Reaal gegeven berekening vragen oproept. Niet duidelijk is op welke wijze in deze berekening rekening is gehouden met het door ABN AMRO zelf (bij brieven van 1 april 2010 en 16 juli 2010) genoemde spaardeel van de premie ad € 1.396,07 (in 2010). Tegen die achtergrond zal ABN AMRO in de gelegenheid worden gesteld om tijdens de hierna te bepalen comparitie van partijen te reageren op hetgeen [eiser] in zijn akte van 11 december 2013 heeft opgemerkt over de berekening van het eerdergenoemd bedrag en op zijn tegenberekening. Vervolgens zal [eiser] daarop ter comparitie mogen reageren. Het staat partijen vrij, ingevolge de bepalingen van het landelijk rolreglement, om stukken ten behoeve van de comparitie in te dienen en desgewenst een eigen deskundige mee te nemen. Dat dient op voorhand aan de andere partij te worden doorgegeven. Nu in dit vonnis de nodige inhoudelijke beslissingen zijn genomen zal de rechtbank ook een schikking beproeven. Als er geen schikking tot stand komt zal de rechtbank met partijen van gedachten wisselen over de kans dat mogelijk een deskundige benoemd moet worden.

6 De beslissing

De rechtbank,

bepaalt een comparitie van partijen op dinsdag 2 juni 2014 van 13.30 tot 15.30 uur als bedoeld in rechtsoverweging 5.9., laatste alinea;

houdt alle overige beslissingen aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.J. van Rijen en in het openbaar uitgesproken op 2 april 2014.

1861/1354