Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:4427

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-05-2014
Datum publicatie
05-06-2014
Zaaknummer
C/10/451260 / FT EA 14/1251
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing eigen aangifte: geen baten, BV moet ontbonden worden en vereffenen

Wetsverwijzingen
Faillissementswet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2014-0233
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Insolventie

Rekestnummer:[nummer]

BESCHIKKING op de aangifte tot faillietverklaring van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[naam],

handelend onder de namen:

[naam];

[naam];

statutair gevestigd te Gemeente Rotterdam,

kantoorhoudende te [adres], [plaats]

aangeefster.

1 De procedure

Aangeefster heeft op 12 mei 2014 ter griffie van de rechtbank een aangifte tot haar eigen faillietverklaring ingediend. Mevrouw [naam], bestuurster van aangeefster, is op 20 mei 2014 in raadkamer gehoord.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 De beoordeling

Op grond van artikel 6 lid 3 Faillissementswet dient er - wil een faillissementsverzoek slagen - sprake te zijn van pluraliteit van schuldeisers en dient de schuldenaar in kwestie te verkeren in de toestand van opgehouden te betalen.

De rechtbank verlangt van een aangever van een faillissement in situaties waarin niet de verwachting bestaat dat er enig actief vergaard zal worden dan wel zal vrijkomen om de faillissementskosten mee te kunnen voldoen, dat er daarnaast ook sprake is van een redelijk belang bij faillietverklaring. Bij deze vraag wordt het belang van de aangever afgewogen tegen het belang dat de curator heeft om de faillissementskosten voldaan te zien. Indien er een dergelijk zwaarwegend belang ontbreekt kan er sprake zijn van misbruik van bevoegdheid op grond van artikel 3:13 BW, wat in dat geval leidt tot het afwijzen van het faillissementsverzoek.

Uit de bijlagen, die aangeefster heeft overgelegd bij haar aangifte tot faillietverklaring,

blijkt dat aangeefster een schuldenlast heeft van ca. € 7.700,-- Voorts blijkt uit haar aangifte en uit hetgeen haar bestuurster tijdens de mondelinge behandeling heeft verklaard, dat aangeefster niet over enig actief beschikt en dat zij ook niet verwacht dat de onderneming in de toekomst over enig actief zal kunnen beschikken, aangezien de werkzaamheden van de onderneming van aangeefster zijn gestaakt en er geen debiteuren of activa aanwezig zijn.

Dit betekent dat op voorhand reeds vaststaat dat de faillissementskosten niet zullen kunnen worden voldaan. De curator, die de rechtbank moet aanwijzen als zij het faillissement van aangeefster uitspreekt, weet dus ook op voorhand al dat de door hem te verrichten werkzaamheden en te maken verschotten niet worden vergoed.

In deze situatie kan in redelijkheid van aangeefster gevergd worden, dat haar algemene vergadering van aandeelhouders op grond van het bepaalde in artikel 19 lid 1 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek besluit aangeefster te ontbinden en haar bestuurder(s) aan te stellen tot vereffenaar, die op grond van het bepaalde in lid 3 van genoemd artikel aan het handelsregister opgaaf van de ontbinding doet. Op grond van lid 4 van genoemd artikel kan de vereffenaar tevens opgaaf doen van het feit dat aangeefster op het moment van de ontbinding geen baten meer heeft. Aangeefster houdt alsdan op te bestaan.

Mocht er toch nog een bate zijn, dan biedt lid 4 van artikel 23a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek de vereffenaar uitkomst. Overtreffen de schulden de baten, met andere woorden: er zijn baten, dan dient de vereffenaar alsnog aangifte tot faillietverklaring te doen, tenzij alle bekende schuldeisers desgevraagd instemmen met voortzetting van de vereffening buiten faillissement.

De rechtbank concludeert dat het verzoek tot faillietverklaring afgewezen dient te worden.

3 De beslissing

De rechtbank:

- wijst af het verzoek tot faillietverklaring.

Deze beschikking is op 20 mei 2014 gegeven door mr. R. Kruisdijk, rechter, in aanwezigheid van A. Mergen, griffier.1

1 Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat, binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van de zaak kennis moet nemen.