Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:4403

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
04-06-2014
Datum publicatie
06-06-2014
Zaaknummer
ROT 12/5243
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aan een vennootschap onder firma zijn onherroepelijke boetes opgelegd wegens het niet naleven van hygiënevoorschriften. Voor zover de heroverweging ziet op eht neit matigen van die boetes, brengt artikel 4:6 Awb met zich dat de rechter uitsluitend nagaat of nova zijn gesteld. daarvan is geen sprake. Voorzover de heroverweging ziet op een nieuwe boete wegens het niet naleven van bereidingvoorschriften heeft eiser een beroep gedaan op financiéle ahrdheid. Ook na schorsing van de zitting heeft eiser verzuimd inzage te geven in de financiele omstandigheden van zijn voormalige medevennoot.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 12/5243

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 juni 2014 in de zaak tussen

[Naam eiser], te [Naam eiser], eiser,

gemachtigde: mr. S. van Steenwijk,

en

de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, verweerder,

gemachtigde: T.B. Klaasse LLB.

Procesverloop

Bij besluit van 25 oktober 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van 13 juni 2012, strekkende tot het niet matigen van bestuurlijke boetes ter hoogte van totaal € 4.725,-, en het besluit van 6 juli 2012, strekkende tot oplegging van een bestuurlijke boete van € 525,-, ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2014. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst. Nadien hebben partijen toestemming gegeven voor het doen van uitspraak zonder nadere zitting. De rechtbank sluit het onderzoek.

Overwegingen

1.

Bij besluit van 14 oktober 2011 heeft verweerder “de rechtspersoon” [naam onderneming] (de onderneming) bestuurlijke boetes opgelegd tot een bedrag van € 2.362,50 wegens op 23 augustus 2011 geconstateerde overtredingen van, kort gezegd, op grond van de warenwetgeving geldende hygiënevoorschriften. Bij besluit van 21 oktober 2011 heeft verweerder de onderneming bestuurlijke boetes opgelegd tot een bedrag van € 2.362,50 wegens op 16 juni 2011 geconstateerde overtredingen van dezelfde hygiënevoorschriften. Verweerder heeft in beide gevallen overwogen dat hij de boetebedragen heeft verhoogd, omdat de onderneming of haar vertegenwoordiger eerder op 29 april 2011 bestuurlijke boetes zijn opgelegd voor soortgelijke overtredingen en nog geen twee jaar zijn verstreken sinds dat eerdere besluit onherroepelijk is geworden.

2.1.

Op 6 april 2012 heeft verweerder het besluit van 14 oktober 2011 vervangen door een identiek “besluit” gericht aan de onderneming, ter attentie van eiser en verzonden naar een ander adres. Verweerder heeft daarbij overwogen dat hem onlangs was gebleken dat de onderneming was uitgeschreven uit het handelsregister, zodat eiser mogelijk niet op de hoogte was van het besluit van 14 oktober 2011.

2.2.

Uit het handelsregister volgt dat de onderneming tussen 7 juni 2010 en 15 september 2011 stond ingeschreven als vennootschap onder firma. Vennoten waren eiser en[naam vennoot]. Nadien werd de onderneming blijkens het handelsregister tot 30 november 2011 door eiser als een eenmanszaak gedreven. De rechtbank zal, gelet op de stukken en de motivering van het bestreden besluit, de duiding van de onderneming als rechtspersoon lezen als een kennelijke verschrijving, omdat verweerder klaarblijkelijk doelt op de vennootschap onder firma. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de besluiten van 14 oktober 2011 en 21 oktober 2011, waarvan niet is bestreden dat die door de onderneming zijn ontvangen, bekendgemaakt door verzending. Deze besluiten zijn niet aangevochten, zodat zij onherroepelijk zijn geworden. Het herhaalde “besluit” van 6 april 2012 mist derhalve rechtsgevolg en zal hierna buiten beschouwing worden gelaten.

3.

Nadat eiser financiële gegevens had verstrekt, heeft verweerder bij het besluit van 13 juni 2012 besloten dat hij op grond van een toetsing van de financiële situatie van de vennootschap en haar beide vennoten niet tot matiging van de bij de besluiten van 21 oktober 2011 en 6 april 2012 (thans te lezen als: 14 oktober 2011) opgelegde bestuurlijke boetes overgaat.

4.

Bij besluit van 6 juli 2012 heeft verweerder aan de onderneming, ter attentie van eiser, een bestuurlijke boete opgelegd van € 525,- wegens, kort gezegd, overtreding op 23 augustus 2011 van een op grond van de warenwetgeving geldend bereidingsvoorschrift.

5.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de besluiten van 13 juni 2012 en 6 juli 2012 heroverwogen. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat uitsluitend plaats is voor matiging op de voet van artikel 5:46, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) indien het boetebedrag wegens bijzondere omstandigheden te hoog is. Volgens verweerder doen zich slechts dergelijke omstandigheden voor indien zowel de liquiditeits- als de solvabiliteitsratio lager is dan 1 en voorts het gemiddeld verzamelinkomen van de vennoten onder bijstandsnorm ligt. Aan die matigingsmaatstaf wordt volgens verweerder niet voldaan: bij een beoordeling van de financiële stukken is naar voren gekomen dat de liquiditeitsratio van de vennootschap groter dan 1 is en dat het gemiddeld verzamelinkomen van de vennoten boven de bijstandsnorm ligt.

6.1.

De rechtbank stelt bij haar beoordeling voorop dat het besluit van 13 juni 2012 moet worden opgevat als een weigering van verweerder om terug te komen van de onherroepelijke besluiten van 14 oktober 2011 en 21 oktober 2011. Overeenkomstig artikel 4:6 van de Awb heeft het bestuursorgaan de vrijheid om een dergelijk verzoek al dan niet ten volle te beoordelen, doch dient de bestuursrechter, indien het bestuursorgaan weigert van een definitief geworden besluit terug te komen, het oorspronkelijke besluit tot uitgangspunt te nemen en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, en zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden van het oorspronkelijke besluit terug te komen. Daarbij ligt het op de weg van de indiener van het verzoek om zodanige feiten of omstandigheden naar voren te brengen (uitspraken van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 26 maart 2009, ECLI:NL:CBB:2009:BI0948, en 19 maart 2013, ECLI:NL:CBB:2013:CA0926). Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd.

6.2.

Hetgeen eiser heeft aangevoerd inzake het ontbreken van aansprakelijkheid als vennoot is niet een dergelijk nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid, omdat hij dit in een bezwaar tegen de besluiten van 14 oktober 2011 en 21 oktober 2011 had kunnen aanvoeren. Voorts had eiser in het kader van een dergelijk bezwaar kunnen aanvoeren dat hij over onvoldoende draagkracht beschikte om de boetebedragen te kunnen voldoen. Voor zover het beroep zich richt tegen de in het bestreden besluit vervatte heroverweging van het besluit van 13 juni 2012, moet het derhalve ongegrond worden verklaard.

7.1.

Ten aanzien van de heroverweging van het besluit van 6 juli 2012 oordeelt de rechtbank als volgt. Het betoog van eiser dat verweerder hem ten onrechte als vennoot heeft aangemerkt en mede aansprakelijk heeft gesteld, omdat hij de onderneming blijkens een schriftelijke overeenkomst op 1 juli 2011 heeft overgedragen aan M. Khan, A. Ghulam en S. Raghobier en vanaf die datum feitelijk niets meer met de onderneming te maken had, faalt. Niet alleen blijkt uit die overeenkomst niet op welk jaar die betrekking heeft, maar ook stelt de rechtbank vast dat eiser in het handelsregister tot 15 september 2011 als vennoot stond ingeschreven en dat hij de onderneming nadien als eenmanszaak heeft voortgezet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dan ook de onderneming als overtreder mogen aanmerken en tevens mogen besluiten de boete op te leggen aan de onderneming, in plaats van uitsluitend aan de andere (voormalige) vennoot. Dat de vennootschap op 15 september 2011 was ontbonden, staat daaraan niet in de weg, in aanmerking genomen, zoals verweerder ter zitting heeft aangevoerd, dat niet is gebleken dat de vereffening van de vennootschap was voltooid of dat de vennootschap was gefailleerd. Hieruit volgt tevens dat verweerder bij de beoordeling van de verzochte matiging heeft mogen uitgaan van de financiële positie van de vennootschap onder firma en de vennoten gezamenlijk.

7.2.

Eiser heeft, nadat hij daartoe bij de schorsingsbeslissing van de rechtbank in de gelegenheid was gesteld, weliswaar financiële stukken overgelegd, maar, gelet op verweerders reactie van 17 april 2014, nagelaten afdoende gegevens te verstrekken, onder meer bankafschriften van december 2013 en gegevens van de andere (voormalige) vennoot, ten behoeve van draagkrachtberekeningen door verweerder. Ook nadat verweerder eiser hierop in laatstgenoemde brief had gewezen, zijn nog wel weer stukken overgelegd, maar niet de gevraagde. Onder deze omstandigheden ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de bestuurlijke boete van € 525,- onevenredig is en met toepassing van artikel 5:46, derde lid, van de Awb op een lager bedrag moet worden vastgesteld. Voor zover het beroep zich richt tegen de in het bestreden besluit vervatte heroverweging van het besluit van 6 juli 2012, moet het derhalve eveneens ongegrond worden verklaard.

8.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. dr. P.G.J. van den Berg, rechter, in aanwezigheid van mr. dr. R. Stijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2014.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.