Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:4399

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
02-06-2014
Datum publicatie
02-06-2014
Zaaknummer
10/960101-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Briardzaak. Afpersing van zakenman. Aangever opgenomen in beschermingsprogramma. Uit aangifte van vele honderden pagina’s volgt geen bewijs voor complottheorie officier van justitie. Ruime aanleiding om te veronderstellen dat de aangever als kerngetuige niet steeds volledige openheid van zaken heeft gegeven. Omdat er geen ‘proper and adequate opportunity’ is geweest om hem te horen, volgt integrale vrijspraak van afpersing. Veroordeling voor witwassen tot een gevangenisstraf van 6 maanden. Opsporingsonderzoek niet in strijd met artikel 126cc Sv. Overweging over strafvorderlijke problematiek van getuige in een beschermingsprogramma.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2011/290
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/960101-10

Datum uitspraak: 2 juni 2014

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres:

[adres 1],

raadsvrouw mr. N.F. Hoogervorst, advocaat te Amsterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 8 t/m 10, 12 en 17 april 2013, 28 t/m 31 mei 2013, 20 en 24 september 2013, 3 t/m 6, 10, 11, 14, 17, 19 en 20 maart 2014, 2 en 4 april 2014 en 2 juni 2014.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op de terechtzitting van 28 juni 2012 overeenkomstig de vordering van de officier van justitie van 2 april 2012 is gewijzigd. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officieren van justitie mrs. G.C. Bos en Th.W. d’Anjou (hierna: de officier van justitie) hebben gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren met

aftrek van voorarrest.

GELDIGHEID DAGVAARDING

1.

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat de dagvaarding wat betreft de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten, partieel nietig is omdat deze niet voldoet aan de eisen van artikel 261 Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). De bedragen in de tenlastelegging die in feit 2 worden genoemd, zijn niet te combineren met de ten laste gelegde feitelijkheden en niet te herleiden tot het dossier, waardoor de tenlastelegging op dat punt onduidelijk, onbegrijpelijk en innerlijk tegenstrijdig is. Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde feit ontbeert de tenlastelegging feitelijke grondslag voor de afpersing van [slachtoffer 1], nu de feitelijke onderdelen niet aansluiten bij het kwalificatieve deel van de tenlastelegging.

2.

Beoordeling

De dagvaarding voldoet op alle onderdelen aan de eisen die artikel 261 Sv daaraan stelt.

De bedragen en ook de feitelijke onderdelen ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde zijn duidelijk, begrijpelijk en niet innerlijk tegenstrijdig. Dat deze bedragen in de visie van de verdediging niet zijn te herleiden tot het dossier is een bewijskwestie.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde bevat de dagvaarding (ook) feitelijke onderdelen die, volgens de tenlastelegging, betrekking hebben op [slachtoffer 1], waardoor het verweer van de raadsvrouw feitelijke grondslag mist.

3.

Conclusie

De dagvaarding is geldig.

VOOROPSTELLING

Feitelijk gaat deze vooropstelling aan de bewijsoverwegingen in de zaak ‘Afpersing [kerngetuige 1]’ vooraf. De overwegingen maken daar echter (ook) een belangrijk onderdeel van uit. Er is voor gekozen om met deze overwegingen in een aparte hoofdparagraaf van dit vonnis aan te vangen door de rol die [kerngetuige 1] en, in mindere mate, [kerngetuige 2] als zogenoemde kerngetuigen1 in deze zaak hebben en in het verlengde daarvan de plaats die hun verklaringen in deze zaak innemen. Onder A, B en C zullen deze vooropgestelde overwegingen worden uitgewerkt. De eerste vooropstelling (A) betreft het medeplegen zoals is ten laste gelegd in de zaak ‘Afpersing [kerngetuige 1]’. Hierin komt de door de officier van justitie aangehangen spel- en complottheorie aan de orde. Bij die beoordeling zal worden geabstraheerd van alle andere bewijsvragen. De tweede vooropstelling (B) betreft de bruikbaarheid van de verklaringen van [kerngetuige 1] en in samenhang daarmee die van [kerngetuige 2]. De laatste vooropstelling (C) betreft de bespreking van het getuigenbeschermingstraject.

A. Medeplegen afpersing [kerngetuige 1]

1.

Inleiding

De zaak Briard, de afpersingsdossiers, de tenlasteleggingen, het requisitoir en de bewijsconstructies van de afpersingszaken, zoals deze door de officier van justitie zijn samengesteld, opgesteld en/of onderbouwd, vinden hun fundament in de theorie dat de verdachte en één of meer van zijn medeverdachten onderdeel zijn geweest van een veel groter verband. Of, zoals de officier van justitie het in haar requisitoir stelt:

‘Er zitten aspecten in de gedragingen van de verschillende verdachten die vragen om een duiding in het totaalplaatje van het afpersingsproces (…). Een zorgvuldig opgebouwd proces, waarbij verschillende verdachten een verschillende rol toebedeeld hebben gekregen en vol verve spelen.’2

De officier van justitie heeft in haar requisitoir, in navolging van de politie, deze spel- en complottheorie uitgewerkt en ingekleurd. Zij beschrijft daarbij de fasen van het afpersingsproces.

‘Eerst wordt een probleem gecreëerd bij het slachtoffer of er wordt een feitelijk bestaand probleem aangegrepen (…). De ‘oplossing’ voor dit probleem wordt nadrukkelijk bij het slachtoffer neergelegd in een uitgekiende strategie om het slachtoffer in de hoek te drijven. Er volgt dan een fase waarin het slachtoffer ‘hulp’ krijgt aangeboden om dit probleem op te lossen; die hulp is nooit gratis en levert meestal extra ‘verplichtingen’ op. Ten slotte wordt onder dwang een schuldpositie opgelegd aan het slachtoffer, waarbij in alle gevallen kenmerkend is dat de slachtoffers zich absoluut niet meer vrij voelen zich aan de opgelegde verplichtingen te onttrekken. Daarbij wordt gebruik gemaakt van misleiding, dwang, intimidatie, geweld en dreiging met geweld maar ook met het aanjagen en in stand houden van de vrees voor geweld van de zijde van de daders.’3

Bij deze fasen beschrijft de officier van justitie de rolverdeling tussen de verdachte en zijn medeverdachten die in de visie van de officier van justitie kenmerkend en constituerend zijn voor de afpersing. Zij onderscheidt zes rollen die soms door elkaar heen lopen of waarbij één rol door verschillende mensen wordt gespeeld. Die rollen en rolverdeling in de zaak ‘Afpersing [kerngetuige 1]’ luiden volgens de officier van justitie als volgt:

‘ [medeverdachte 1] contactmaker, vertrouwenspersoon en bemiddelaar

[medeverdachte 2] vertrouwenspersoon, controleur, bemiddelaar en agressor.

[verdachte] regisseur en agressor

[medeverdachte 3] bemiddelaar, controleur, agressor en regisseur.’4

2.

Spel- en complottheorie als uitgangspunt

De spel- en complottheorie is voor de officier van justitie - kennelijk - de manier om met name in de zaak ‘Afpersing [kerngetuige 1]’ tot een bewijsconstructie te komen die de integrale bewezenverklaring, waartoe zij heeft gerekwireerd, kan dragen. Slechts in het geval dat (een groot deel van) de vijfentwintig afgedwongen betalingen en drieëndertig bedreigings- en/of geweldshandelingen, zoals deze in de tenlastelegging staan, in een medepleegconstructie met elkaar en met de diverse verdachten kunnen worden verbonden, kan er, andere bewijsvragen daargelaten, een basis voor die integrale bewezenverklaring bestaan.

Deze uiterst lastige bewijsopgave voor de officier van justitie wordt voor een deel veroorzaakt door de wijze waarop de tenlastelegging is opgesteld. In de tenlastelegging wordt onder één feit een reeks van vijfentwintig afpersingen beschreven die zouden hebben plaatsgevonden in een periode van bijna vijf jaar met, als gezegd, drieëndertig feitelijkheden, verdeeld over de verdachte en vijf medeverdachten. Dit is op zijn beurt weer een gevolg van de verklaring van [kerngetuige 1] die deze periode grosso modo op die wijze beschrijft. Een tweede oorzaak van het probleem van de officier van justitie is gelegen in de - logischerwijs door de verklaring van [kerngetuige 1] ook noodgedwongen - subtiele wijze waarop de bedreigings- en geweldshandelingen op de tenlastelegging zijn geformuleerd. Slechts wanneer die feitelijke onderdelen in onderlinge samenhang zouden kunnen worden beschouwd, kan mogelijk gekomen worden tot voldoende grondslag voor de bedreigings- en/of geweldskwalificatie die voor de bewezenverklaring van een afpersing noodzakelijk is.

Gelet op de prominente plaats die de spel- en complottheorie in de zaak ‘Afpersing [kerngetuige 1]’ inneemt, is het goed om vóór alles te beoordelen of de spel- en complottheorie gebaseerd kan worden op de feiten en omstandigheden die voortkomen uit het strafdossier en het onderzoek op de zitting. Bij die beoordeling zal, als gezegd, geabstraheerd worden van alle andere bewijsvragen en zullen de feiten en omstandigheden die uit het onderzoek op de zitting naar voren zijn gekomen sec worden betrokken.

3.

Medeplegen in het requisitoir

Wanneer wordt ingezoomd op het requisitoir van de officier van justitie valt direct op, dat het aan de spel- en complottheorie ten grondslag gelegde medeplegen van de verdachte en de medeverdachten in het geheel niet wordt uitgewerkt. De officier van justitie blijft in haar requisitoir steken in het stellen van het bestaan van de spel- en complottheorie, zonder daar verder handen en voeten aan te geven en verwijst de facto slechts naar een proces-verbaal modus operandi van de politie.

Exemplarisch voor het gebrek aan uitwerking van het medeplegen, is dat de woorden medepleger, medeplegen, nauwe, bewuste en samenwerking in het bijna honderd pagina’s tellende requisitoir - in dit verband - in het geheel niet voorkomen. Ook is de officier van justitie het antwoord schuldig gebleven op de bij monde van de voorzitter van de meervoudige strafkamer, tijdens het requisitoir op de zitting van 19 maart 2014, gestelde vraag naar de nadere invulling van de aan de spel- en complottheorie ten grondslag liggende medepleegconstructie. Een en ander ondanks de toezegging van de officier van justitie om bij haar repliek hierop terug te komen.

Op zichzelf zou, in ieder geval dit laatste, een opmerkelijke gang van zaken zijn geweest ware het niet dat het verzoek aan de officier van justitie niet eenvoudig en welhaast retorisch was. De feiten en omstandigheden, die een alles omvattend medepleegscenario zouden

kunnen onderbouwen met een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachten binnen een ten laste gelegde periode van bijna vijf jaar, zijn immers niet te geven. Daarvoor bevat het dossier, meer in het bijzonder de verklaring(en) van [kerngetuige 1], onvoldoende aanknopingspunten.

4.

Verklaringen en conclusies van [kerngetuige 1]

Bij eerste lezing van de verklaringen van [kerngetuige 1] dringt de vraag zich direct op wat er eerder was: de spel- en complottheorie of de feiten en omstandigheden, die zouden kunnen leiden tot die theorie. Bij nadere bestudering van met name de aangiften van [kerngetuige 1] wordt duidelijk, dat die verklaringen tot stand zijn gekomen langs een bepaalde richtinggevende verhoorlijn, waardoor genoemde vraag steeds prangender wordt. Uiteindelijk is uit de totstandkoming van de verklaringen meer dan aannemelijk geworden, dat de theorie er eerder was dan de feiten. Ook hierdoor wordt de houdbaarheid van de theorie in het hart geraakt.

Voorts moet worden opgemerkt dat wanneer [kerngetuige 1] zelf conclusies in de richting van een/de theorie trekt, deze voor de bewijsvoering geen waarde kúnnen hebben. Het spreekt vanzelf, dat daarvoor de door hem gereleveerde feiten en omstandigheden het fundament zouden moeten vormen, op basis waarvan in dit vonnis de conclusies zouden kunnen worden getrokken.

5.

Concrete rollen van de verdachten en wetenschap daarvan

Ten aanzien van de rollen die in de spel- en complottheorie aan de diverse verdachten worden toegeschreven, kan worden gezegd dat de diverse verdachten een groot deel van de ten laste gelegde periode die rol in het geheel niet spelen, als de aan hen toegedichte rol al op enig moment door hen is gespeeld. Zoals ook volgt uit de omvang van de feitelijke handelingen per verdachte in de tenlastelegging. Bovendien blijft volstrekt onduidelijk in hoeverre de diverse (mede)verdachten wetenschap zouden kunnen hebben van de rol die de ander zou spelen, laat staan wanneer daarbij de jarenlange periode wordt betrokken. Deze onderlinge wetenschap is voor de spel- en complottheorie een achilleshiel gebleken, omdat dergelijke wetenschap kernvoorwaarde is voor het aannemen van iedere medepleegconstructie.

6.

De verdachte en zijn medeverdachten

Ten slotte kan bij de beoordeling van de spel- complotheorie niet onbenoemd blijven dat deze door de officier van justitie aangehangen theorie, eigenschappen, cognitieve vaardigheden en organisatietalent bij de verdachten veronderstelt, die niet uit het onderzoek op de zitting naar voren zijn gekomen of anderszins zijn gebleken.

7.

Conclusie

Zelfs wanneer de belastende feiten en omstandigheden zoals die uit het onderzoek op de zitting naar voren zijn gekomen sec worden beschouwd, vindt de spel- en complottheorie daarin onvoldoende overtuigende onderbouwing en bieden deze onvoldoende grondslag voor de door de officier van justitie voorgestane integrale bewezenverklaring in de zaak ‘Afpersing [kerngetuige 1]’.

B. Bruikbaarheid verklaringen [kerngetuige 1] en [kerngetuige 2]

1.

Inleiding

Alvorens toe te komen aan de vraag of het onderzoek op de zitting wél een grondslag kan bieden voor bewezenverklaring van (het medeplegen van) onderdelen van de tenlastelegging in de zaak ‘Afpersing [kerngetuige 1]’ zal eerst de vraag moeten worden beantwoord of de verklaringen van [kerngetuige 1] en [kerngetuige 2] voor het bewijs kunnen worden gebruikt, en zo ja op welke wijze. Door de verdediging van de verdachte en door de verdediging van een aantal van de medeverdachten zijn verschillende argumenten naar voren gebracht die zouden dienen te leiden tot uitsluiting van de verklaringen van [kerngetuige 1] en [kerngetuige 2], dan wel tot het behoedzaam gebruik daarvan.

Deze argumenten laten zich grofweg opdelen in drie categorieën:

- de betrouwbaarheid van de getuigen [kerngetuige 1] en [kerngetuige 2] en de geloofwaardigheid van hun verklaringen;

- de kroongetuige theorie;

- de beperkte gelegenheid tot ondervraging van [kerngetuige 1] en van [kerngetuige 2].

Deze categorieën van argumenten zullen hieronder - zo nodig ambtshalve - in de paragrafen 2 tot en met 4 worden besproken en beoordeeld. Daarbij zullen steeds (tussen)conclusies worden getrokken, waarna in paragraaf 5 een eindconclusie zal volgen.

2.

Betrouwbaarheid [kerngetuige 1] en [kerngetuige 2] en geloofwaardigheid van hun verklaringen

De verklaringen van [kerngetuige 1] over de afpersingen vormen de kern van het potentiële bewijs tegen de verdachte en zijn medeverdachten. Nu deze hebben ontkend of in elk geval niet hebben bekend [kerngetuige 1] te hebben afgeperst, kunnen de verklaringen van [kerngetuige 1] maar op één manier op juistheid worden geverifieerd: de door hem genoemde feiten en omstandigheden afzetten tegen andere, zelfstandige bronnen die informeren over de desbetreffende gebeurtenissen. Dat is niet een gemakkelijke opgave. Dit hangt in de eerste plaats samen met de aard van afpersingsdelicten waarbij steunbewijs in het algemeen niet ruim voorhanden is. Op die algemene ervaringsregel vormt de zaak ‘Afpersing [kerngetuige 1]’ niet alleen geen uitzondering, hij is daarvan een schoolvoorbeeld. Het steunbewijs is, zoals op de zitting door de rechtbank en vrijwel alle procesdeelnemers veelvuldig is benadrukt, niet ruim voorhanden. Een tweede reden waarom dit geen gemakkelijke opgave is, is omdat de diverse verdachten een deel van de feiten en/of omstandigheden zoals deze uit de verklaringen van [kerngetuige 1] volgen in het geheel niet betwisten, maar daar wel een hele andere kleuring/duiding aan geven.

Daarom is het van groot belang om bij de bron te beginnen en de betrouwbaarheid van [kerngetuige 1] zelf te onderzoeken. Gegeven het onderzoek op de zitting zijn er drie samenhangende domeinen waarop de betrouwbaarheid van [kerngetuige 1] als getuige valt te controleren. Dit betreft [kerngetuige 1] in de persoon van getuige, [kerngetuige 1] in de persoon van zakenman en [kerngetuige 1] als (mogelijke) verdachte van strafbare feiten. Deze drie domeinen worden besproken in de paragrafen 2.1. tot en met 2.3.

De vragen die voorliggen zijn, kortom, of [kerngetuige 1] zich een betrouwbare getuige heeft betoond; en een betrouwbare zakenman; en meer in het algemeen een betrouwbaar persoon. Ontkennende beantwoording betekent niet zonder meer dat zijn verklaringen in deze zaak over de verdachten dan ook onbetrouwbaar/ongeloofwaardig zijn. Wel zal het mogelijk zijn schaduw vooruitwerpen ten aanzien van de betrouwbaarheid/geloofwaardigheid van de verklaringen van [kerngetuige 1]. Welke concrete gevolgtrekkingen uit het één en ander moeten worden getrokken, zal in de conclusie in paragraaf 2.4a. worden besproken. In paragraaf 2.4b. zal datzelfde worden gedaan ten aanzien van de verklaringen van [kerngetuige 2].

2.1.

[kerngetuige 1] als getuige

2.1.1.

Niet verschenen in april 2013: geslapen op de bank

[kerngetuige 1] en [kerngetuige 2] zijn voor de zitting van 8 april 2013 opgeroepen om te verschijnen voor de rechtbank Rotterdam. Behalve een aanduiding ‘vestigingsadres, Posthumalaan 74 Rotterdam’ bevatten de oproepingen geen adres. In april 2013 hield de rechtbank Rotterdam in deze zaak zitting in ‘de bunker’ in Amsterdam.

Op 17 april 2013 verschenen berichten op Twitter dat [kerngetuige 1] en [kerngetuige 2] op 8 april 2013 in Nederland zouden zijn geweest, op weg naar Rotterdam om aldaar als getuigen te verschijnen. Onderweg vernamen zij, ter hoogte van Leiden, dat de zaak was verplaatst naar Amsterdam. Daarop hebben de getuigen ergens op een bank geslapen en na dat ‘fiasco’ zijn zij weer naar huis gegaan.5

De rechter-commissaris heeft in opdracht van de rechtbank onderzoek gedaan naar de aanwezigheid van [kerngetuige 1] en [kerngetuige 2] in Nederland op 8 april 2013. Die aanwezigheid is door de rechter-commissaris op basis van beperkt onderzoek naar aanleiding van door [kerngetuige 1] verstrekte beperkte informatie niet onaannemelijk geoordeeld.6

Tijdens de zitting in mei 2013 wordt [kerngetuige 1] over dit voorval bevraagd. Hij heeft geantwoord, dat hij en [kerngetuige 2] op 8 april 2013 inderdaad zonder beveiliging op weg waren naar Rotterdam.

‘U houdt mij voor dat u ook verbaasd bent dat u uit mijn mond hoort dat ik op 8 april 2013 in Nederland was, maar niet ben doorgereden naar Amsterdam. Wij zijn enorm gefrustreerd hoe TGB met ons omgegaan is en nog steeds omgaat. Uiteindelijk waren we het zo zat dat we dachten, dan gaan we er maar onaangekondigd naar toe.’7

Gegeven de uitermate grote zorgen die [kerngetuige 1] en [kerngetuige 2] gedurende het gehele strafproces hebben geuit over hun persoonlijke veiligheid, is het uiterst onaannemelijk dat zij zonder begeleiding en onaangekondigd de rechtbank hadden willen binnenstappen. Zij zouden dan immers lijfelijk met de verdachten worden geconfronteerd die toentertijd reeds op vrije voeten waren, in het bijzonder met [medeverdachte 1]. [kerngetuige 1] heeft zich dat blijkbaar ook gerealiseerd:

‘Toen ik hoorde dat we in Amsterdam moesten zijn, begon ik mezelf af te vragen hoe we hier (daar: Rb) zouden moeten komen. Onderweg richting de rechtbank begon ik mij af te vragen wat we aan het doen waren en hoe gevaarlijk het was wat we deden.’8

Behalve dat het meer dan vreemd is dat de getuigen zich op eigen gelegenheid bij de rechtbank wilden melden en zich pas op het allerlaatste moment zouden hebben gerealiseerd hoe gevaarlijk het was wat zij deden, althans in hun eigen ogen, blijft onvermeld dat [kerngetuige 2] op 8 april 1968 is geboren en de bewuste dag dus jarig was. De vraag is of het bezoek aan Nederland, niet op zijn minst mede daarmee verband heeft gehouden. Anders gezegd, er moet sterk worden getwijfeld aan deze uitspraken van [kerngetuige 1] op de zitting. Niet onaannemelijk wordt geacht dat [kerngetuige 1] deze uitspraken deed in het licht van zijn geschil met de Staat over zijn getuigenbeschermingsprogramma, waarover later meer onder vooropstelling ‘C. Getuigenbeschermingstraject’.

2.1.2.

[betrokkene 1] en [betrokkene 2] en [betrokkene 3]: niet in [bedrijf 1]!

Op de zitting van 29 mei 2013 werd [kerngetuige 1] gevraagd naar een brief die hij de toenmalige rechter-commissaris had gestuurd, inhoudende dat ontlastende informatie uit het dossier zou zijn gehouden. Desgevraagd heeft [kerngetuige 1] verklaard dat bepaalde onderdelen uit zijn verklaring om hem onbekende reden niet waren opgenomen in de processen-verbaal van verhoor.

‘Er is ook een aparte getuigenverklaring opgenomen van een waarneming die ik en [kerngetuige 2] in 2005 hebben gedaan in het restaurant van mijn broer te [plaats 1]; [bedrijf 1]. Ik zat daar op een zondagmiddag te lunchen met [kerngetuige 2]. Ik keek links achter mij en zag [betrokkene 2] staan. In de periode daarvoor was hij wel vaker in dat restaurant geweest. Ik herkende hem. [betrokkene 1] was toen ook in [bedrijf 1]. (…) Ik herinner mij dat [betrokkene 4] en [betrokkene 5] er waren. (…) Ik zag dat [betrokkene 1] aan de bar stond en ik zag [betrokkene 3] ook. Ik zei nog tegen [kerngetuige 2] ‘zo die durft’. (…) Ik zag dat er contact was tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 2]. Op een gegeven moment zijn [betrokkene 1], [betrokkene 3] en [betrokkene 2] tegelijkertijd en gezamenlijk [bedrijf 1] uitgelopen. Mijn waarneming was dat zij daar op dat moment gezamenlijk waren geweest en vertrokken.’9

Deze verklaring wordt deels ondersteund door [kerngetuige 2]. Zij heeft op 3 februari 2011 bij de politie verklaard dat [kerngetuige 1] haar ‘ergens in 2004/2005’ toen zij samen in [bedrijf 1] waren, [betrokkene 3] had aangewezen die samen met [betrokkene 2] aan een tafeltje zat. [betrokkene 1], die zij van televisie herkende, stond aan de bar.

In opdracht van de rechtbank zijn vervolgens de genoemde personen gehoord. Blijkens een proces-verbaal van de officier van justitie mr. Harderwijk van 29 mei 2013 heeft [betrokkene 1] verklaard dat hij nimmer in [bedrijf 1] is geweest. [betrokkene 3] heeft op 30 mei 2013 tegenover de politie verklaard dat hij twee keer met [betrokkene 2] in [bedrijf 1] is geweest, maar dat hij [betrokkene 1] daar nimmer heeft gezien. [broer kerngetuige 1] heeft op 30 mei 2013 verklaard dat hij [betrokkene 1] wel eens in [bedrijf 1] heeft gezien en ook [betrokkene 2] en [betrokkene 3] tezamen, maar niet die drie personen gezamenlijk. Ten slotte, blijkens het proces-verbaal van 31 mei 2013 van verhoor van [betrokkene 2] en [betrokkene 5], heeft [betrokkene 2] verklaard dat hij met [betrokkene 3] wel eens in een grand café in het centrum van [plaats 1] is geweest, maar [betrokkene 1] nooit buiten de rechtszaal heeft ontmoet. Ten slotte heeft [betrokkene 5] verklaard dat hij regelmatig in [bedrijf 1] kwam, maar [betrokkene 1] nooit heeft ontmoet.

De conclusie kan niet anders zijn, dan dat de verklaring van [kerngetuige 1] dat [betrokkene 1], [betrokkene 2] en [betrokkene 3] elkaar in [bedrijf 1] hebben ontmoet, wordt tegengesproken door de hoofdrolspelers.

2.1.3.

Niet nagekomen toezegging(en)

Toen [kerngetuige 1] in mei 2013 op de zitting als getuige aanwezig was, heeft hij desgevraagd geantwoord, bereid te zijn in een later stadium opnieuw ter zitting te verschijnen.10 [kerngetuige 1] werd vervolgens voor de zitting van 20 en 24 september 2013 opgeroepen, maar hij en [kerngetuige 2] weigerden te verschijnen wegens een conflict met het onderdeel getuigenbescherming bij het Korps landelijke politiediensten/Landelijke eenheid, Dienst Landelijke Operationele Samenwerking (hierna: team getuigenbescherming). De getuigen werden opnieuw opgeroepen voor de zittingen in maart en april 2014. [kerngetuige 1] is toen evenmin verschenen. Pas in de derde zittingsweek in maart 2014 is [kerngetuige 2] verschenen. [kerngetuige 1] heeft zich er op beroepen dat hem een advocaat was toegevoegd, dat bij de planning van de zitting in maart 2014 geen rekening was gehouden met de verhinderdata van de advocaat en dat hij niet zou verschijnen als zijn advocaat er niet bij zou kunnen zijn. Zijn advocaat heeft in de periode van drie weken waarin de zitting in maart 2014 was gepland, schijnbaar geen ruimte kunnen maken in zijn agenda. In elk geval heeft [kerngetuige 1] geen gevolg gegeven aan de oproeping.

Aldus is [kerngetuige 1] zijn meest directe en belangrijkste toezegging aan deze rechtbank om later opnieuw op de zitting te verschijnen niet nagekomen.

Dat dit niet de enige toezegging is, die [kerngetuige 1] en in zijn kielzog [kerngetuige 2] niet is nagekomen, zal voor een ieder die - op welke wijze dan ook - bij de zaak Briard betrokken is geweest meer dan duidelijk zijn. Zitting na zitting bleek steeds weer dat toezeggingen en beloften aan de rechter-commissaris en/of aan de officier van justitie bij het landelijk parket, belast met getuigenbescherming (hierna: TGB-officier van justitie) door [kerngetuige 1] en [kerngetuige 2] niet waren nagekomen.11 Keer op keer was er een probleem dat hun komst naar het kabinet van de rechter-commissaris dan wel de zitting in hun ogen in de weg stond. Dit alles moet steeds worden bezien in het licht van de verplichting om te komen getuigen, die voor een ieder onder de Nederlandse jurisdictie geldt, maar die in het geval van [kerngetuige 1] en [kerngetuige 2] ook nog nadrukkelijk was overeengekomen. De TGB-officier van justitie heeft het op de zitting van 12 april 2013 als getuige zelfs uitgesproken:

‘[kerngetuige 1] is een onbetrouwbare onderhandelingspartner. Elke keer als we ergens afspraken over hadden gemaakt, had hij weer nieuwe eisen.’12

2.1.4.

Tussenconclusie

In de hoedanigheid van getuige is [kerngetuige 1] op niet onbelangrijke onderdelen niet steeds betrouwbaar gebleken. Dit beperkt zich niet tot zijn toezegging aan de rechtbank weer te zullen verschijnen, maar ook onderdelen van zijn op de zitting afgelegde verklaring blijken dubieus of staan haaks op verklaringen van anderen. Ook in de communicatie met de rechter-commissaris en met de officier van justitie van het team getuigenbescherming is [kerngetuige 1] als getuige op zijn zachtst gezegd niet altijd even betrouwbaar gebleken.

2.2.

[kerngetuige 1] als zakenman

2.2.1.

Andere oorzaken financiële ellende/volledige openheid van zaken?

Vast staat dat [kerngetuige 1] persoonlijk en (enkele van) diens bedrijven, zoals [bedrijf 2], [bedrijf 3] en [bedrijf 4] failliet zijn verklaard. In het eindverslag van 30 juli 2013 inzake het persoonlijk faillissement van [kerngetuige 1] heeft de curator vorderingen van bijna € 9.000.000,-- geïnventariseerd. De belastingdienst had een vordering van ruim € 700.000,--; de preferente crediteuren hebben gezamenlijk een vordering ingediend van ruim € 8.200.000,--. Daar tegenover heeft een bedrag van een kleine € 40.000,-- beschikbaar gestaan voor uitdeling. Daarnaast had [kerngetuige 1] een hypotheek van € 1.325.000,--13 en is de desbetreffende woning uiteindelijk verkocht voor € 540.000,--.14

Uit het eerste faillissementsverslag van 8 juni 200915 blijkt dat het faillissement is aangevraagd door een investeerder die $ 5.000.000,-- had geïnvesteerd in Amerikaans vastgoed. Uit de verklaringen die [kerngetuige 1] in maart en september 2010 tegenover de politie heeft afgelegd, wordt duidelijk dat dit ene [betrokkene 6] is geweest. Verder wordt in het faillissementsverslag vastgesteld, dat er geen administratie op de gebruikelijk wijze is gevoerd. [kerngetuige 1] heeft, aldus nog steeds dit verslag, geclaimd dat hij recht had op belastingrestitutie. Op 18 juni 2010 blijkt uit het faillissementsverslag16 evenwel het tegendeel. [kerngetuige 1] heeft na 2005 ten onrechte aanzienlijke belastingrestituties gevraagd én gekregen. Per saldo is er uiteindelijk de bovengenoemde belastingschuld blijven bestaan van ruim € 700.000,--. [kerngetuige 1] claim dat hij geen belastingschuld had, maar een vordering op de belastingdienst17, mag dus op zijn best wishfull thinking worden genoemd.

Een berekening van de hoogte van de bedragen, die [kerngetuige 1] aan de verdachten zou hebben betaald, afgezet tegen de omvang van de bedragen die [kerngetuige 1], ook naar eigen zeggen, zou hebben gekregen van diezelfde verdachten, levert de conclusie op dat [kerngetuige 1] per saldo waarschijnlijk wel geld heeft afgedragen, maar waarschijnlijk niet veel meer dan

€ 100.000,-- en in elk geval geen bedrag dat een zakelijk fiasco en een schuld van

€ 9.000.000,-- kan verklaren.

[kerngetuige 1] heeft op diverse momenten verklaard dat zijn zaken zijn misgelopen, omdat hij werd afgeperst door de verdachten in deze zaak. Bovenstaande bevindingen uit het faillissement en de berekening omtrent de afgeperste bedragen doen de vragen rijzen of, zo er al sprake is geweest van afpersing, er niet op zijn minst andere oorzaken van de zakelijke problemen zijn en of [kerngetuige 1] wel volledige openheid van zaken heeft gegeven.

Het voorgaande wordt nog eens versterkt door het gegeven dat van de bedragen die volgens [kerngetuige 1] van hem zouden zijn afgeperst door de verdachte en zijn medeverdachten bijna geen papierspoor voorhanden is. Uit het onderzoek op de zitting is op een enkel bankafschrift na niet gebleken van geschriften, boekhouding, reçuutjes, bonnetjes of wat dan ook dat de beweerde geldstromen van [kerngetuige 1] naar de verdachte en zijn medeverdachten zouden kunnen bevestigen.

De rechtbank heeft daarom nader onderzoek gedaan naar de zakelijke activiteiten van [kerngetuige 1]. Daaruit is gebleken dat hij in dienst is geweest van de rechtsvoorganger van [bedrijf 5], waarbij het hem financieel voor de wind is gegaan. Na zijn vertrek bij [bedrijf 5] heeft hij een serie bedrijven opgericht, voor projecten van allerlei soort. Eén van de eerste projecten, voor zover de rechtbank kan nagaan, is het project in [project 1] in de Verenigde Staten van Amerika geweest. In dat project is geïnvesteerd door de al eerder genoemde [betrokkene 6]. Het project werd een groot fiasco (paragraaf 2.2.1a.) en leverde [kerngetuige 1] een slepend conflict op met [betrokkene 6] (paragraaf 2.2.1b.), dat in het zojuist besproken faillissement is geëindigd.

2.2.1a. Fiasco [project 1]

In het project [project 1] heeft [kerngetuige 1] hfl. 3.000.000,-- geïnvesteerd van [betrokkene 7]. Dit bedrag is de vordering van [betrokkene 7] waarmee volgens de officier van justitie de zaak ‘Afpersing [kerngetuige 1]’ is begonnen.

In een van zijn verklaringen wordt op aangeven van de politie door [kerngetuige 1] een korte analyse gegeven van zijn financiële situatie en de oorzaak van de financiële ellende waarin hij verkeert.

‘M (…) je bent uiteindelijk begonnen met (geld: Rb) van [betrokkene 7]: Rb), daar is alle ellende mee begonnen eigenlijk.

G nou ik ben niet ‘[bedrijf 6]’ begonnen met dat geld van [betrokkene 7], [betrokkene 7] zijn geld is een onderdeel van het project in '[project 1]' daarna is er nog veel meer in ‘[bedrijf 6]’ gegaan. Er zijn tientallen miljoenen in ‘[bedrijf 6]’ gegaan.

M ja maar het geld van [betrokkene 7] wat op een bepaald moment terug moest,

G ja;

M dat is uiteindelijk begin van alle ellende geweest?

G ja.’18

In het vervolg van deze paragraaf zal duidelijk worden dat, anders dan de analyse van [kerngetuige 1] luidt, de oorzaak van al zijn financiële ellende niet, of in ieder geval niet helemaal, is gelegen in het terugbetalen van het geld aan [betrokkene 7], maar veel meer in het zakelijk fiasco [project 1] en de rol van - onder meer - [betrokkene 6] daarin.

2.2.1b. Opgelicht en/of oneerlijk spel

Toen [kerngetuige 1] was begonnen met het ontwerpen van een huis op de grond in [project 1], is hij in contact gekomen met [betrokkene 8]. Ook zij zou (laten) investeren in het vastgoedbedrijf van [kerngetuige 1]. [kerngetuige 1] heeft op verzoek van [betrokkene 8] een bedrag van

$ 85.000,-- als advance fee aan haar had overgemaakt om de beloofde financiering te krijgen. Later bleek dat het $ 85.000,-- waren verdwenen.

‘Achteraf ben ik in een advance fee scam gelopen. (…) Dat geld (was) weg en die financiering kreeg ik niet. (Ik) had meerdere grondposities in optie genomen dus. (…) Ik had nog een stuk grond in Aspen gekocht ik was de bouw begonnen bijna in [project 1] van het huis. En ik was volledig verrast dat die transactie niet doorging. Dat is dan december 2002/januari 2003. Dus ik krijg voor het eerst te maken met een grote tegenslag want ik moest wel die grondposities afnemen.’19

In maart 2003 is [kerngetuige 1] in contact gekomen met vermogensbeheerder [betrokkene 9], werkzaam bij [bedrijf 7] Eén van de klanten van [bedrijf 7] is [betrokkene 6]. [betrokkene 9] zou geïnteresseerd zijn in het concept [project 1] van [kerngetuige 1], die in die periode de wereld afreisde om dit concept te slijten.

[betrokkene 9] deed een toezegging dat [betrokkene 6] zou investeren. Later zou, aldus [kerngetuige 1], zijn gebleken dat [betrokkene 9] de toezegging had gedaan zonder rugdekking van [betrokkene 6]. Hoe dan ook heeft de investering door [betrokkene 6] tot grote vertraging geleid. Pas in februari 2004 heeft [betrokkene 6] de beloofde $ 5.000.000,-- betaald en pas nadat [kerngetuige 1] een advocaat in de arm had genomen.20 Vervolgens heeft, aldus [kerngetuige 1], [betrokkene 6] er alles aangedaan om [bedrijf 6] (lees: [kerngetuige 1]) onderuit te halen en zijn geld terug te krijgen.21

‘Ik heb het huis gedwongen moeten verkopen omdat ik door [betrokkene 6] en dergelijke financieel in de problemen kwam.’22

En omdat [kerngetuige 1] voor de projecten privé garant heeft gestaan, komt hij ook privé in de problemen.

‘Omdat ik vanaf 2004, 2005, zelf te maken kreeg met die persoonlijke garantie en dat er bij mij beslag gelegd werd. Dus vanaf 2004 had ik geen bankrekening meer. Ik had geen bezittingen meer eigenlijk.’23

De eerder genoemde financiële problemen hebben er toe geleid dat [kerngetuige 1] het personeel in een van zijn BV’s, [bedrijf 2], niet meer kon betalen. Twee personeelsleden hebben vervolgens het faillissement van [bedrijf 2] aangevraagd. Dat heeft het einde betekend van [bedrijf 6]24

[kerngetuige 1] heeft vervolgens besloten zijn verlies te nemen en de vastgoed projecten te verkopen.25 Dat bleek, in elk geval wat betreft [project 1], geen sinecure. Want behalve met mevrouw [betrokkene 8], [bedrijf 7] en [betrokkene 6], bleek [kerngetuige 1] ook problemen te hebben met de bouwer. Er zou bij de bouw voor $ 600.000,-- zijn gefraudeerd. Om het huis niet te verliezen, heeft [kerngetuige 1] zich genoodzaakt gezien een lening af te sluiten bij een bank. Maar ook dat ging niet goed.

‘De contracten die ik voorgeschoteld kreeg, waren in die tijd Predatory lending genoemd. Daar zat een hele hoge rente op, later is dit bij wet verboden. Ik moest 12 procent rente betalen maar het kwam neer op 33 procent. In de kleine lettertjes stonden verschillende clausules. Als je bijvoorbeeld zo'n lening wil verlengen moet je 5 procent extra betalen. Dat speelt in 2006 een belangrijke rol. Door die clausules trok die bank bijna de hele waarde van dat huis naar zich toe, ze hebben er 4,9 miljoen uitgetrokken. Ik ben een procedure begonnen tegen de bank en ik had volgens de advocaat kans om te winnen. Ik moest wel de advocaat betalen. (…) Ik ben de procedure gestart maar na verloop van tijd had ik er geen geld meer voor. Ik heb die papieren wel. Het geld van [betrokkene 7] zat in die grond waar dat huis op staat.26 (…)

De bank diende dus een fors hogere aflossing in dan overeengekomen. Ik nam een

advocaat in [project 1] die stuurde een brief naar de bank. (…) Toen hebben we besloten om een kort geding te voeren tegen de bank. Deze hebben we verloren.’27

Opgelicht en/of oneerlijk spel dus door [betrokkene 8], [betrokkene 6], [bedrijf 7], de bouwer en zelfs door de bank.

2.2.2.

Tussenconclusie

Kortom, [kerngetuige 1] is als zakenman in het project [project 1] mislukt. Dit heeft geleid tot het slepende conflict met [betrokkene 6] dat de oorzaak van de financiële ellende van [kerngetuige 1] is geweest en waaraan [kerngetuige 1] naar eigen zeggen ook nog meer dan een miljoen euro heeft uitgegeven aan advocaatkosten.28 Waar [kerngetuige 1] in zijn verklaringen wil doen voorkomen dat er een korrelatie, sterker nog, rechtstreeks causaal verband bestaat, tussen zijn financiële ellende en de eventuele afpersing door de verdachte en zijn medeverdachten, geeft hij duidelijk geen volledige openheid van zaken. Hiermee bewijst hij zijn (intrinsieke) betrouwbaarheid geen dienst.

2.3.

[kerngetuige 1] verdachte?

Uit het onderzoek op de zitting is gebleken dat een aantal verdenkingen van strafbare feiten als een donkere schaduw over [kerngetuige 1] heen hangt. Anders, formeler gezegd: in meer of in mindere mate is er sprake van een redelijk vermoeden van schuld dat [kerngetuige 1] voorafgaand aan en in de ten laste gelegde periode zich schuldig heeft gemaakt aan strafbare feiten.

Gedoeld wordt op:

  • -

    het aannemen van een bedrag van hfl. 3.000.000,-- van [betrokkene 7] dat [kerngetuige 1] heeft doorgeleid naar zijn Amerikaanse project (paragraaf 2.3.1.);

  • -

    de investering van een bedrag van € 250.000,-- ten behoeve van de aankoop van een pand, waarin een coffeeshop zou worden gevestigd (paragraaf 2.3.2.);

  • -

    het verduisteren van gelden van neef [betrokkene 10] (paragraaf 2.3.3.);

  • -

    het verduisteren van gelden van [broer kerngetuige 1] en van zijn ouders (paragraaf 2.3.4.);

  • -

    het informeren naar de mogelijkheden om tot een (bom)aanslag op [betrokkene 6] te komen (paragraaf 2.3.5.);

  • -

    de aangifte van bedrieglijke bankbreuk bij de afhandeling van faillissementen (paragraaf 2.3.6.).

Opgemerkt wordt dat het vervolgingsmonopolie bij de officier van justitie ligt en dit vonnis - mede daarom - niet de plek is voor een (hard) oordeel over de feiten en omstandigheden die [kerngetuige 1] als eventuele verdachte aangaan. De feiten en omstandigheden die aanleiding geven tot deze verdenkingen zullen daarom kort worden uiteengezet, met hier en daar een lichte duiding.

2.3.1.

Hfl 3.000.000,-- van [betrokkene 7]

Ten aanzien van de miljoenen van [betrokkene 7] die [kerngetuige 1] heeft doorgeleid naar een Amerikaans project moet het voor [kerngetuige 1] overduidelijk zijn geweest dat dit geld niet van iedere verdenking was ontbloot.

In 2001 heeft immers een strafrechtelijk onderzoek gelopen naar witwassen door [betrokkene 7]. In dat kader is, behalve [betrokkene 7], ook [broer kerngetuige 1] aangehouden. Volgens [kerngetuige 1] heeft hij naar aanleiding van dat onderzoek gesproken met zijn broer [broer kerngetuige 1] over het bedrag van hlf. 3.000.000,-- van [betrokkene 7], dat op een bankrekening in Zwitserland zou staan en in beheer was bij [broer kerngetuige 1].29 Een medewerker van de bank zou in november 2001 hebben verzocht het geld van de rekening op te nemen, omdat:

‘er een gerucht ging dat er een onderzoek werd gedaan naar [betrokkene 7]: Rb) en dat hij dat geld niet meer in zijn bank wilde hebben en of [broer kerngetuige 1] dus een oplossing wist.’30

[kerngetuige 1] was op verzoek van [broer kerngetuige 1] bij dat gesprek aanwezig. Hij was bezig met het opzetten van het hiervoor besproken project in [project 1]. [kerngetuige 1] heeft met [broer kerngetuige 1] besproken dat het geld in het project zou kunnen worden belegd. Dat geld is vervolgens, zonder overleg met [betrokkene 7] die toentertijd was gedetineerd, rechtstreeks door [kerngetuige 1] en dus niet door tussenkomst van een van zijn BV’s, naar Amerika overgeboekt.

‘Het is geen slechte investering het geld is in ieder geval beschermd want ik begon me wel af te vragen of mijn broer er zo verstandig aan had gedaan om iets met [betrokkene 7] te doen omdat hij steeds groter in de markt kwam als een crimineel of een zware crimineel zelfs.’31

Het leidt geen twijfel dat de boven geschetste omstandigheden waaronder het geld is overgedragen aan [kerngetuige 1] en diens broer en de twijfels over de herkomst van het geld, op zijn minst tot vermoedens van witwassen hadden kunnen leiden. Die vermoedens hadden kunnen worden versterkt, met de wetenschap dat de broers [kerngetuige 1] op nog meer manieren met de zaken van [betrokkene 7] waren verweven, zoals uit de volgende paragraaf kan blijken.

2.3.2.

De coffeeshop van de familie [betrokkene 7]

Op 14 september 2010 heeft [kerngetuige 1] verklaard over een lening die [betrokkene 7] bij hem zou zijn aangegaan. Het zou gaan om een bedrag van € 250.000,-- ten behoeve van de aankoop van een pand, waarin een coffeeshop zou worden gevestigd. Via de nodige omwegen van BV’s, waaronder [bedrijf 8], hebben [kerngetuige 1] en [broer kerngetuige 1] een bedrag van

€ 250.000,-- geleend aan [betrokkene 7] en diens familieleden, aldus [kerngetuige 1].32

Naar aanleiding van de aanvraag van de vergunning voor een coffeeshop door mevrouw [betrokkene 7] heeft de gemeente een Bibob-onderzoek gedaan. Het Bureau Bibob heeft, zo kan worden afgeleid uit het besluit van de gemeente Amsterdam d.d. 1 februari 2007, sterke aanwijzingen dat het geïnvesteerde geld eigenlijk afkomstig is van [betrokkene 11] en/of [betrokkene 7].33 Deze aanwijzingen worden gevoed door een eerder politieonderzoek in het jaar 2000 naar [betrokkene 7], waarbij het vermoeden is ontstaan dat [broer kerngetuige 1] bij de aankoop van een horecabedrijf gefinancierd werd door [betrokkene 7]. Dit laatste, zo blijkt uit deze zaak, is trouwens juist.34 De gevraagde vergunning werd niet verleend.

2.3.3.

Verdwenen gelden van neef [betrokkene 10]?

Op 6 oktober 2011 heeft [betrokkene 10], een neef van [kerngetuige 1], tegenover de politie verklaard dat hij, op aandringen van [kerngetuige 1], de hypotheek op zijn huis had verhoogd en op 27 februari 2002 een bedrag van € 75.000,-- had overgemaakt naar [kerngetuige 1] om te investeren.35 In oktober 2004 heeft [betrokkene 10], blijkens zijn verklaring, nog eens een krediet afgesloten van € 45.000,-- en dat geld aan [broer kerngetuige 1] overgemaakt36, die hem later zou hebben verteld dat het een lening voor [kerngetuige 1] was geweest. [kerngetuige 1] heeft hem nimmer terugbetaald.37 In december 2009 heeft [betrokkene 10] tenslotte zijn auto aan [kerngetuige 1] ter beschikking gesteld. [betrokkene 10] heeft verklaard dat hij deze auto wilde verkopen, waarop [kerngetuige 1] zou hebben aangeboden de auto voor hem in te ruilen waardoor hij een hoger bedrag kon krijgen.

Uit de verklaringen van [betrokkene 10] leidt de rechtbank af dat hij zijn geld nooit van [kerngetuige 1] heeft teruggekregen.

‘Ik ben in december 2009 daarvoor bij [kerngetuige 1] thuis geweest. Ik heb deze auto uitgeleend en nooit weer wat ontvangen.’38

[betrokkene 10] is op 19 april 2012 bij de rechter-commissaris gehoord. Hij heeft verklaard:

‘Iedere keer in de periode 2007-2008 als ik [kerngetuige 1] aan de telefoon had of als ik daar was geweest, heb ik meerdere keren aan hem gevraagd om mijn geld. Ik kreeg dan iedere keer een lulverhaal te horen. (…) Ik ben vaak huilend bij [kerngetuige 1] weggelopen. Ik kreeg namelijk geen duidelijkheid. Hij vertelde zoveel verhalen en ik had daar echt verdriet om.’39

2.3.4. (

(Verdwenen) gelden van broer [broer kerngetuige 1]

Op 9 november 2011 hebben de verhorende rechercheurs aan [broer kerngetuige 1] gevraagd naar een door de belastingdienst bij [bedrijf 1] begin oktober 2008 gelegd beslag vanwege openstaande vorderingen voor een totaalbedrag van ongeveer € 400.000,--.

‘Ik wist niet beter dan dat [kerngetuige 1] de boekhouding deed en de betalingen had verricht. [kerngetuige 1] zou ook reserveringen voor de belastingdienst gedaan hebben. Ik had er dan ook geen idee van dat er geen geld naar de belastingdienst was gegaan.’40

[broer kerngetuige 1] heeft op 19 juni 2012 bij de rechter-commissaris verklaard dat hij aangifte heeft gedaan van oplichting en valsheid in geschrifte door [kerngetuige 1]. [kerngetuige 1] zou hem hebben benadeeld door zich de overwaarde van zijn hypotheek toe te eigenen. Verder heeft [kerngetuige 1], aldus nog steeds [broer kerngetuige 1], hun ouders benadeeld door geld te lenen en niet terug te betalen en door zich hun auto toe te eigenen.

‘Ik weet dat het spaargeld van mijn ouders is verdwenen en hun auto is verdwenen.’41

2.3.5.

De ‘(bom)aanslag’ op [betrokkene 6]

Op de zitting van 24 september 2013 heeft [betrokkene 12] als getuige verklaard:

‘Op een gegeven moment zei [kerngetuige 1] dat hij gehoord had dat ik een bom kon maken. Hij vroeg aan mij of ik die voor hem zou kunnen maken, wat hem dat zou kosten en of ik de bom onder een auto zou kunnen plaatsen. Ik heb daar geen direct antwoord op gegeven omdat ik met stomheid geslagen was. [kerngetuige 1] vertelde mij dat hij problemen had met iemand en dat die persoon een Nederlander was die in België woonde. De naam van die persoon is niet genoemd. (…) Ik ben naar mijn auto teruggegaan en heb in de auto een gesprek gehad met [medeverdachte 1]. Ik verweet hem dat hij mij in contact had gebracht met [kerngetuige 1] en dat hij [kerngetuige 1] had verteld dat ik een bom zou kunnen maken.’42

Op de zitting van 3 maart 2014 heeft [medeverdachte 1] als getuige verklaard dat hij achteraf van [betrokkene 12] in de auto van het verzoek van [kerngetuige 1] heeft gehoord.43

Op de zitting van 11 maart 2014 heeft [medeverdachte 3] verklaard:

‘Ik wist dat het foute boel was toen [kerngetuige 1] mij vroeg of ik [betrokkene 6] kon doen. Hij maakte daarbij een schietbeweging met zijn hand.’44

In een brief van [betrokkene 13] van 24 februari 201445 verklaart deze over ontmoetingen die hij heeft gehad met [kerngetuige 1]:

‘De tweede ontmoeting was meer een verdieping van het eerste gesprek en wat meer persoonlijke achtergronden over [kerngetuige 1] zijn verblijf in amerika waar die naar eigen zeggen zeer succesvol is geweest en veel geld had verdient en waarna hij besloten had om voor zichzelf te beginnen wat uiteindelijk geleid heeft tot het debacle met die in België

woonachtige Nederlandse investeerder in dat investeringsfonds ik merkte wel dat de nood hoog was en er een hele grote frustratie was naar de persoon die hij verantwoordelijk zag voor al zijn misere en dat die een ‘lesje’ nodig had en of ik geen mensen kon die eens bij

die man aan de deur daarover wat wilde gaan zeggen en wat indruk konden maken om zo die man te dwingen te stoppen claims te leggen bij [kerngetuige 1].’

Tenslotte wordt hier vermeld dat [betrokkene 14] aan de politie een uitdraai heeft overhandigd van een kopie van een e-mailbericht dat [kerngetuige 1] op 3 maart 2008 aan [betrokkene 6] heeft gestuurd.

‘Beste [betrokkene 6],

Ik heb de afgelopen jaren geconstateerd dat je graag een persoonlijk conflict

uitvecht. Ik heb wel eens begrepen dat je links en rechts zelfs praat over mensen ‘een

lesje leren’. Een dergelijke strijd ga ik volgaarne aan en we zullen wel zien wie aan

het eind van de dag nog over eind staat en wie wie uiteindelijk ‘een lesje leert’.

(…) Denk echter goed na over de gevolgen op korte, midden en ook lange

termijn. Ik zou het professioneel en zakelijk houden. Dat is slechts een advies. Wij

zullen nooit voor jou buigen. Onthou dat goed.’46

2.3.6.

Bedrieglijke bankbreuk

In het faillissementsverslag van 12 december 201147 staat vermeld:

‘In het onderhavige faillissement ([kerngetuige 1]: Rb) en in de gerelateerde faillissementen van [bedrijf 3] en [bedrijf 4] is door de curator tegen curandus aangifte gedaan van bedrieglijke bankbreuk.’

Bedrieglijke bankbreuk is strafbaar gesteld in artikel 341 Sr als een vorm van faillissementsfraude.

Het proces-verbaal van de officier van justitie van 16 april 2013 geeft ook blijk van deze verdenking van faillissementsfraude.48

2.3.7.

Tussenconclusie

Kort en goed rusten op [kerngetuige 1] (stevige) verdenkingen van (zeer) ernstige strafbare feiten die hun grondslag vinden in en rondom de feiten in de ten laste gelegde periode en die daarmee ook in meer of mindere mate een raakvlak hebben. Het behoeft geen betoog dat dergelijke verdenkingen [kerngetuige 1] als getuige niet betrouwbaarder maken.

2.4a. Conclusie ten aanzien van [kerngetuige 1]

is als getuige op de zitting niet volledig betrouwbaar gebleken. Als zakenman is hij mislukt en hij heeft daarover in zijn verklaringen niet altijd openheid van zaken gegeven. Zeer aannemelijk is dat de bron van alle financiële ellende van [kerngetuige 1] niet, of niet alleen, de gestelde afpersing door de verdachte en zijn medeverdachten is, maar dat [kerngetuige 1] grote zakelijke problemen en zijn daaruit voortvloeiende geschil met [betrokkene 6] hier de oorzaak van zijn. Ten slotte rusten er (stevige) verdenkingen van ernstige strafbare feiten op [kerngetuige 1] die zijn ontstaan, of hun oorsprong vinden, in of rondom de feiten in de ten laste gelegde periode.

Kortom, [kerngetuige 1] is intrinsiek niet de meest betrouwbare persoon gebleken. Als gezegd behoeft dit niet zonder meer te betekenen dat zijn verklaringen over de verdachte en de medeverdachten dan ook onbetrouwbaar en/of ongeloofwaardig zijn. Al hetgeen hiervoor is besproken werpt echter wel een schaduw vooruit over die betrouwbaarheid/ geloofwaardigheid. Een schaduw die mogelijk zou/had kunnen worden weggenomen door het toetsten van bovenstaande bevindingen bij [kerngetuige 1]. Daar is het niet van gekomen. Daarover zal hierna het een en ander worden overwogen. Voor nu kan de conclusie geen andere zijn dan dat de bovengenoemde bevindingen reeds op zichzelf moeten leiden tot gepaste terughoudendheid bij het gebruik van de verklaringen van [kerngetuige 1].

2.4b. Conclusie ten aanzien van [kerngetuige 2]

De verklaringen van [kerngetuige 2] zijn, gelet op haar positie als echtgenote van [kerngetuige 1] en gelet op het gegeven dat zij nauwelijks direct betrokken is geweest bij de ten laste gelegde feitelijkheden, voor het overgrote deel afkomstig van de bron [kerngetuige 1] of hangen daar heel dicht tegenaan. Daarbij komt dat haar keuzes in het gehele traject steeds de keuzes van [kerngetuige 1] lijken te volgen. Dit maakt dat de bovengenoemde conclusies ook te trekken zijn over haar verklaringen.

3.

Kroongetuige theorie

3.1.

Formeel géén kroongetuige

Het antwoord op de vraag of in deze zaak sprake is van één of meer kroongetuigen is even kort als eenvoudig: neen! Dat andere afspraken zijn gemaakt dan een getuigenbeschermingsovereenkomst is immers gesteld noch gebleken. Er is dus geen afspraak met getuigen in de zin van artikel 226g Sv. Aan het gebruik van de verklaringen van [kerngetuige 1] en [kerngetuige 2] kleven dan ook niet de beperkingen van de artikelen 344a lid 4 en 360 lid 2 Sv, respectievelijk een bewijsminimumregel en een nadere motiveringsverplichting.

3.2.

Materieel wel een kroongetuige?

De vraag die in deze zaak door velen, vele malen is opgeworpen en die bijna als rode draad door de zittingsdagen heeft gelopen, is of [kerngetuige 1] door zijn plek binnen het getuigenbeschermingsprogramma niet materieel te beschouwen is als kroongetuige. De volgende twee hoofdargumenten zijn hieraan ten grondslag gelegd:

  • -

    [kerngetuige 1] ontloopt door zijn gedwongen vertrek strafvervolging van meerdere strafbare feiten;

  • -

    [kerngetuige 1] ontloopt door zijn gedwongen vertrek vele schuldeisers.

Vastgesteld wordt dat uit het voorgaande is gebleken dat van [kerngetuige 1] vele schuldeisers heeft met aanzienlijke vorderingen en dat er stevige verdenkingen van ernstige strafbare feiten tegen hem bestaan.

3.3.

Conclusie

Het is niet goed mogelijk en gaat binnen dit vonnis ook te ver om op grond van die vaststellingen te constateren dat [kerngetuige 1] met zijn vertrek strafvervolging en/of zijn schuldeisers heeft willen ontlopen. Daarmee zou onvoldoende recht worden gedaan aan het primaire belang dat [kerngetuige 1] had bij zijn vertrek: zijn veiligheid. Bovendien zou [kerngetuige 1] dan hieromtrent dienen te worden bevraagd. Zoals al is gememoreerd, is het daar niet van gekomen.

Echter, gelet op al hetgeen hiervoor reeds is overwogen, kan met voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld dat het vertrek van [kerngetuige 1] voor hem niet vrij was van ieder subsidiair belang. Dit leidt ertoe dat ook om deze reden de verklaringen van [kerngetuige 1] met gepaste terughoudendheid dienen te worden gebruikt.

4.

Beperkte gelegenheid tot ondervraging

4.1.

Inleiding

Duidelijk is dat het toetsen van de betrouwbaarheid van de getuigen [kerngetuige 1] en [kerngetuige 2] en met name de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van hun verklaringen van eminent belang is en steeds is geweest. Dit is voor de rechtbank vanaf de eerste zittingsdag duidelijk geweest en dat belang is als zodanig steeds onderkend. Vervolgens is op dit uitgangspunt gedurende bijna veertig zittingsdagen geen duimbreed toegeven en is dit tot aan de laatste zittingsdag leidend geweest.

4.2.

Adequate and proper?

De vraag is, is dit toetsen gelukt en/of heeft de verdediging de ruimte gehad om - samen met de rechtbank en ook de officier van justitie - de vragen daartoe te stellen zodat er ten aanzien van de beide getuigen een ‘adequate and proper opportunity’ is geweest ‘to challenge the statements’? (zie o.m. EHRM 20 november 1989, appl. no. 11454/85 (Kostovski), § 41 en bijv. EHRM 15 december 2011 appl. nos. 26766/05 & 22228/06 (Al-Khawaja & Tahery)).

Vast staat dat bij beide getuigen de ‘opportunity’ heeft bestaan. De getuige [kerngetuige 1] is tijdens de zitting in mei 2013 gedurende vier dagen beschikbaar geweest om te worden gehoord. De getuige [kerngetuige 2] is op de zitting van maart 2014 gedurende twee dagen beschikbaar geweest om te worden gehoord. Op de beschikbare dagen zijn de getuigen steeds gedurende een aantal uur gehoord. Op de vierde respectievelijk tweede dag zijn de verhoren, om uiteenlopende redenen, vroegtijdig afgebroken en beëindigd. Daarnaast staat vast dat een ieder: de rechtbank, de officier van justitie, de verdediging en - opmerkelijk genoeg - ook de getuigen zelf, steeds van oordeel is geweest dat de getuigenverhoren niet waren afgerond.

Nominaal gezien is een periode van drie dagen respectievelijk een dag voor het horen van een getuige substantieel te noemen. Dat is het in het onderhavige geval echter niet. Daarvoor zijn in de eerste plaats de volgende argumenten te noemen:

  • -

    Het aantal en de omvang van de tenlastegelegde feiten zijn groot. Het betreft een reeks afpersingen in een periode van bijna vijf jaar met drieëndertig feitelijkheden, verdeeld over de verdachte en vijf van zijn medeverdachten.

  • -

    Het aantal en de lengte van de verklaringen van [kerngetuige 1] en [kerngetuige 2] zijn enorm. [kerngetuige 1] is vijfentwintig keer gehoord en [kerngetuige 2] negen keer. In totaal bijna 700 pagina’s schriftelijke weergave van de verklaringen.

  • -

    De verklaringen van [kerngetuige 1], en in mindere mate van [kerngetuige 2], vormen de ruggengraat of liever nog, het gehele skelet van de verdenkingen tegen de verdachte en zijn medeverdachten wat betreft de zaak ‘Afpersing [kerngetuige 1]’.

  • -

    Het aantal verdachten is groot. Vrijwel alle tien verdachten hadden (groot) belang bij het horen van [kerngetuige 1].

  • -

    De wijze van beantwoording van de vragen door [kerngetuige 1]. Niet zelden was met name [kerngetuige 1] wijdlopig in zijn antwoorden. Voor een deel lag dit probleem besloten in de door hem eerder afgelegde verklaringen, voor een ander deel in de persoon [kerngetuige 1] en voor een deel in het geschil dat [kerngetuige 1] heeft met de Staat over zijn getuigenbeschermingsovereenkomst.

In de tweede plaats moet worden bedacht dat al hetgeen hiervoor in de paragrafen 2 ‘Betrouwbaarheid [kerngetuige 1] en [kerngetuige 2] en geloofwaardigheid van hun verklaringen’ en 3 ‘Kroongetuige theorie’ is overwogen met de getuigen diende, of beter gezegd: dient, te worden besproken. Naast het gegeven dat de verdediging heeft aangegeven nog lang niet klaar te zijn geweest met de ondervraging van de getuigen geldt dit, gelet op het voren overwogene, in ieder geval ook voor de rechtbank en mogelijk ook voor de officier van justitie.

Kortom, de verhoren zijn dan ook geen ‘proper and adequate’ opportunity gebleken.

4.3.

Toetsingskader

Bij de beoordeling van de consequentie van het voorgaande geldt het toetsingskader dat hiervoor in de rechtspraak wordt gehanteerd als houvast. Dit toetsingskader is gebaseerd op de Europese rechtspraak en is betrekkelijk recent wederom aangepast aan de Straatsburgse ontwikkelingen.

Dit kader luidt:

‘In een geval waarin de verdediging niet in enig stadium van het geding de gelegenheid heeft gehad een persoon die een verklaring tegenover de politie heeft afgelegd te (doen)

ondervragen, staat art. 6 EVRM niet in de weg aan het gebruik tot het bewijs van het proces-verbaal van de politie met een dergelijke verklaring, indien de betrokkenheid van de verdachte bij het hem tenlastegelegde feit in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen. Reeds voldoende is als de betrokkenheid van de verdachte bij het hem ten laste gelegde feit wordt bevestigd door ander bewijsmateriaal. Dit steunbewijs zal betrekking moeten hebben op die onderdelen van de hem belastende verklaring die hij betwist.’49

4.4.

Tussenconclusie

Het onderhavige geval onderscheidt zich van het bovengenoemde toetsingskader in die zin dat niet gezegd kan worden dat de verdediging in het geheel geen gelegenheid heeft gehad tot ondervraging. De facto komt de situatie in de onderhavige zaak echter op hetzelfde neer, zeker wanneer dit in Europeesrechtelijk perspectief wordt bezien. De tussenconclusie kan dan ook geen andere zijn dan dat het in onvoldoende mate horen van de getuigen ook dient te leiden tot terughoudend gebruik van de verklaringen van [kerngetuige 1] en [kerngetuige 2].

5.

Eindconclusie

Zoals in de (tussen)conclusies in de paragrafen 2 tot en met 4 steeds is aangegeven, dwingt hetgeen aldaar is besproken omtrent a) de betrouwbaarheid van de getuigen [kerngetuige 1] en [kerngetuige 2] en de geloofwaardigheid van hun verklaringen b) de kroongetuige theorie en

c) de beperkte gelegenheid tot ondervraging van de getuigen tot terughoudend gebruik van die verklaringen.

Hoe dient dit terughoudende gebruik concreet te worden ingevuld?

Hetgeen in de paragrafen 2 ‘Betrouwbaarheid [kerngetuige 1] en [kerngetuige 2] en geloofwaardigheid van hun verklaringen’ en 3 ‘Kroongetuige theorie’ is verwoord heeft een directe relatie met hetgeen is besproken in paragraaf 4 ‘Beperkte gelegenheid tot ondervraging’. Deze drie paragrafen versterken elkaar over en weer.

Een en ander leidt ertoe dat de verklaringen van [kerngetuige 1] en [kerngetuige 2] over de betrokkenheid van de verdachte bij het hem ten laste gelegde feit, meer in het bijzonder de diverse aan de verdachte toegeschreven gedachtestreepjes, in voldoende mate steun moet vinden in andere bewijsmiddelen. Voldoende is als de betrokkenheid van de verdachte daarbij wordt bevestigd door ander bewijsmateriaal. Dit steunbewijs zal betrekking moeten hebben op die onderdelen van de hem belastende verklaring die de verdachte betwist.

Slechts als dergelijk steunbewijs voorhanden is, vinden de verklaringen in voldoende mate steun in andere bewijsmiddelen en kan op grond van die verklaring en dat steunbewijs gekomen worden tot bewezenverklaring van onderdelen van de ten laste gelegde afpersingen.

C. Getuigenbeschermingstraject

1.

Inleiding

Hiervoor zijn de feiten en omstandigheden rond de getuigen [kerngetuige 1] en [kerngetuige 2] uitvoerig besproken en beoordeeld. Ook zijn de rechtsgevolgen ten aanzien van het gebruik van hun verklaringen vastgesteld. Na deze laatste vooropstelling zullen deze rechtsgevolgen worden doorgetrokken in de bewijsbeoordeling en de bewijsbeslissing.

Het traject van de getuigenbescherming is tot nu toe zoveel mogelijk buiten beschouwing gebleven. De rechtbank heeft daarover immers in beginsel niet te oordelen. Dat neemt niet weg dat een groot deel van de - tientallen - pagina’s die zijn voorafgegaan, zijn oorsprong vindt in de positie en de rol van [kerngetuige 1] en [kerngetuige 2] binnen het getuigenbeschermingstraject. De wijze waarop dit traject is verlopen en het conflict waarin de getuigen, de TGB-officier van justitie en het team getuigenbescherming verzeild zijn geraakt, heeft onmiskenbaar zijn weerslag gehad op deze zaak.

Zonder een oordeel te geven over de inspanningen en rol van de TGB-officier van justitie en/of het team getuigenbescherming in deze zaak en zonder een nader oordeel te geven over de verplichtingen die op [kerngetuige 1] en [kerngetuige 2] als getuigen rus(t)ten, kan/moet over het getuigenbeschermingstraject - voor een deel in zijn algemeenheid - het volgende worden gezegd.

2.1.

Uitgangspunt bij inzet getuigenbescherming

Wanneer gebruik wordt gemaakt van een (bijzondere) getuige die bescherming behoeft in een getuigenbeschermingstraject - of dit nu een kerngetuige50, bedreigde getuige, kroongetuige of criminele burgerinfiltrant zal zijn - moet het getuigenbeschermingstraject zodanig worden ingericht dat het strafproces in het algemeen en de verdedigings- en vervolgingsbelangen daarbinnen in het bijzonder, niet in het gedrang komen.

2.2a. De beschermde getuige in het algemeen

Een getuige in een getuigenbeschermingstraject heeft naar zijn aard bijna altijd een cruciale rol in de bewijsvoering van de officier van justitie tegen een verdachte. Hij zal daarom ook vaak een belangrijke en dominante rol spelen in het voorbereidende onderzoek en/of het onderzoek op de zitting. Niet zelden speelt hij deze rol bovendien in grote zaken met grote belangen. De onderhavige zaak maar ook het Passageproces (ook wel liquidatieproces genoemd) zijn hier duidelijke voorbeelden van. Het is ter waarborging van bovengenoemde belangen essentieel, dat degenen die namens politie en justitie zijn belast met de getuigenbescherming, in zo een relatie tot de getuige staan dat deze relatie de basis kan vormen voor het vervullen van de rol die de getuige heeft. Voorkomen dient te worden, dat die relatie door de getuige en/of door zijn beschermers wordt gebruikt voor andere doelen, dan waar die relatie primair op gericht dient te zijn: het vervullen van de rol van getuige. Daarnaast zal het zo dienen te zijn, dat wanneer een getuige binnen de relatie uiteindelijk niet meer gebracht kan worden tot zijn verplichtingen, (altijd) dwangmiddelen kunnen worden toegepast en geëxecuteerd.

2.2b. De beschermde getuige(n) in de onderhavige zaak

Zonder een volledig beeld te hebben van de relatie tussen [kerngetuige 1] en [kerngetuige 2] enerzijds en de TGB-officier van justitie en/of het team getuigenbescherming anderzijds in de onderhavige zaak, heeft het er alle schijn van, dat in deze zaak het traject van getuigenbescherming op enig moment de belangen in het strafproces voor een deel is gaan overschaduwen. Dit heeft een zeer nadelige invloed gehad op de loop van het strafproces. De conclusie dringt zich op dat dit in de eerste plaats wordt veroorzaakt door de huidige rolverdeling waarbij de TGB-officier van justitie een hoofdrol heeft, naast de zaaksofficier van justitie die verantwoordelijk is voor het strafproces. In dit verband valt op dat [kerngetuige 1] en later ook [kerngetuige 2] op de zitting zijn verschenen, pas nadat de rechtbank de rechter-commissaris had belast met de organisatie van het verhoor van de getuigen tijdens het onderzoek op de zitting van mei 2013. In de tweede plaats lijkt dit overschaduwen van de strafvorderlijke belangen van het strafproces door het getuigenbeschermingstraject te worden veroorzaakt, door de wijze waarop de geschilbeslechting tussen de getuige en zijn beschermers door middel van arbitrage is georganiseerd. De arbitrageprocedure die in déze zaak bij voortduring op de achtergrond speelde, vormde vaak een barrière in het strafproces en stond niet - in ieder geval voor een groot deel niet - in het teken van het afmaken van waar het allemaal om begonnen is: het vervullen van de rol van getuige.

3.

Toekomstmuziek

Voor een goed verloop van een zaak waarin een getuige die is opgenomen in het getuigenbeschermingstraject een zeer wezenlijke rol speelt, is het noodzakelijk dat zo veel als mogelijk wordt voorkomen, dat het gevaar van de hiervoor geschetste overschaduwing van het strafproces door het beschermingstraject zich realiseert. In het verlengde hiervan zal een voorziening dienen te worden getroffen voor het geval dat zich (toch) problemen voordoen.

Gelet op de ervaringen in deze zaak zou een oplossing kunnen worden gevonden in het toekennen van een belangrijkere rol aan de rechter-commissaris bij - de totstandkoming van - het getuigenbeschermingstraject en in de daaronder liggende relatie tussen openbaar ministerie (TGB-officier van justitie en team getuigenbescherming) en de beschermde getuige. Een goed geoutilleerde rechter-commissaris, of een andere strafrechter, zou bovendien een rol kunnen spelen in de geschillen, die voortvloeien uit de (thans civielrechtelijke) overeenkomst tussen de beschermde getuige en het openbaar ministerie. Zeker voor de periode van het strafproces omdat in die fase de rechtsbetrekkingen tussen de betrokkenen dan immers toch voor groot deel strafrechtelijk van kleur zijn.

4.

Conclusie

Kortom, rechterlijke betrokkenheid in het hart van de getuigenbescherming als de sleutel om het strafproces - in een tijd waarin het voornemen bestaat om de mogelijkheden tot gebruik van de kroongetuige uit te breiden en de criminele burgerinfiltrant weer in te voeren - in lijn te houden met het van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Het is zeker niet ondenkbaar dat binnen een kader als hiervoor als toekomstmuziek geschetst, de gang van zaken met [kerngetuige 1] en [kerngetuige 2] een andere geweest zou zijn.

Conclusie

De bewijsbeslissing in de zaak ‘Afpersing [kerngetuige 1]’ zal worden genomen tegen de achtergrond van hetgeen bij de vooropstellingen A, B en C is overwogen.

VRIJSPRAAK

Feit 2: afpersing [kerngetuige 1]

Het onder 2 ten laste gelegde feit is niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

Voor zover de verklaringen van [kerngetuige 1] al een basis bieden voor een bewezenverklaring van (het medeplegen van) een afpersing door de verdachte en (één van) zijn medeverdachten dan wordt die basis in onvoldoende mate ondersteund door andere bewijsmiddelen, op een wijze als in paragraaf 5 van vooropstelling B. ‘Bruikbaarheid verklaringen [kerngetuige 1] en [kerngetuige 2]’ is beschreven.

Feit 3: afpersing [slachtoffer 2]/[slachtoffer 1]

1.

Standpunt officier van justitie

1.1.

Ter zake afpersing [slachtoffer 2]

Het bewijs van de afpersing van [slachtoffer 2] volgt uit vastgestelde ontmoetingen tussen [slachtoffer 2] enerzijds en de verdachte en [medeverdachte 3] anderzijds en daarbij waargenomen lichaamshouding alsmede uit sms-jes en telefoongesprekken.

Die ontmoetingen zijn bedoeld om [slachtoffer 2] grote geldbedragen te laten betalen dan wel om met [slachtoffer 2] te praten over zijn financiële verplichtingen en hem erop te wijzen dat hij op dat punt tekort schiet.

Die sms-jes en telefoongesprekken betreffen contacten tussen [medeverdachte 3] en [slachtoffer 2] en tussen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1]. In het bijzonder gaat het om:

  • -

    een sms van 12 februari 2010 waaruit volgt dat [slachtoffer 2] op dat moment in drie keer € 325.000,-- heeft betaald;

  • -

    de omstandigheid dat [slachtoffer 2] in maart 2010 bezig is om € 10.000,-- uit zijn coffeeshop te halen om aan de verdachte en [medeverdachte 3] te betalen;

  • -

    contacten tussen [medeverdachte 3] en [slachtoffer 2] in september 2010 waarin [slachtoffer 2] zich beklaagt over zijn te zware verplichtingen tegenover [medeverdachte 3] en zegt dat hij het gevoel heeft dat hem een te zware deal door de strot wordt geduwd;

  • -

    gesprekken tussen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] van 30 augustus, 3 en 8 september 2010;

  • -

    een ontmoeting van 24 september 2010 tussen [slachtoffer 2] enerzijds en de verdachte en [medeverdachte 3] anderzijds, in aanwezigheid van [betrokkene 15] en het daarop volgende telefoongesprek van dezelfde dag tussen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1];

  • -

    maatregelen, die na de gesprekken van september 2010 door [slachtoffer 2] worden genomen om zichzelf min of meer onzichtbaar te maken (zoals wegblijven bij Ajax, in een andere auto gaan rijden, zijn huis in Spanje laten overschrijven, het te koop zetten van zijn boot en van kunstwerken);

  • -

    telefoontaps waaruit volgt, dat in november 2010 de druk op [slachtoffer 2] wordt opgevoerd doordat [betrokkene 16] naar de coffeeshops van [slachtoffer 2] wordt gestuurd met de dringende opdracht dat [slachtoffer 2] contact moet zoeken met [medeverdachte 3];

  • -

    een gesprek tussen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] van 24 februari 2011 waaruit volgt dat de arrestatie van [medeverdachte 3] hen een hoop geld scheelt.

1.2.

Ter zake afpersing [slachtoffer 1]

Uit (telefoon)gesprekken blijkt dat [slachtoffer 1] slachtoffer van afpersing is geweest:

  • -

    telefoongesprekken van 3 en 24 september 2010 tussen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2];

  • -

    telefoongesprekken van 24 en 25 september 2010 tussen [slachtoffer 1] en [betrokkene 17];

  • -

    OVC-gesprekken van 15 december 2010 en 31 januari 2011 tussen [slachtoffer 1] en [betrokkene 17];

  • -

    de verklaring van [kerngetuige 1] dat [medeverdachte 3] van het afgeperste bedrag van 7,5 miljoen zijn woonboerderij heeft gekocht.

1.3.

Ter zake afpersing [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1]

Uit de aangehaalde gesprekken die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] met elkaar en met hun omgeving voeren, volgt dat zij zwaar onder druk gezet worden of zijn gezet om te betalen en dat zij ervoor gekozen hebben dat te doen, maar in het geheel niet vrijwillig. Zij ervaren geen andere keus te hebben.

De omstandigheid dat er geen verklaringen zijn afgelegd door de slachtoffers en de getuigen is typerend voor dit soort afpersingen. [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] zijn zo terughoudend omdat zij bang zijn, zwaar onder druk gezet worden en veel te verliezen hebben, want zij zitten zelf tot ver over hun oren in de winstgevende en lucratieve criminaliteit.

2.

. Beoordeling

2.1.

Ter zake afpersing [slachtoffer 2]/[slachtoffer 1]

Vooropgesteld wordt dat [slachtoffer 2] tegenover de politie heeft verklaard niet te zijn afgeperst door de verdachte en [medeverdachte 3], alsmede dat hij de verdachte kent op een vriendschappelijke basis. [slachtoffer 1] heeft verklaard geen aangifte van afpersing te willen doen. De omstandigheid dat degene die zou zijn afgeperst, verklaart niet te zijn afgeperst door de vermeende afpersers, respectievelijk geen aangifte daarvan wenst te doen, draagt niet bij aan het bewijs dat sprake is geweest van afpersing. Sterker nog, het levert in bewijstechnische zin een contra-indicatie op.

Voorts is bij de beoordeling van belang dat de tap- en OVC-gesprekken zoals deze hierboven onder het kopje ‘standpunt officier van justitie’ zijn aangehaald onder meer door onverstaanbare delen en het gebruik van versluierd taalgebruik, niet zo eenduidig zijn, dat hieruit maar één conclusie kan worden getrokken wat betreft de strekking van deze gesprekken. Derhalve dient mede aan de hand van de overige inhoud van het dossier de strekking te worden vastgesteld. Daarbij wreekt zich dat het overgrote deel van het door de officier van justitie gepresenteerde bewijsmateriaal nu juist uit dit soort gesprekken bestaat. Gesprekken die in veel gevallen slechts flarden van een groter geheel lijken te bevatten.

Met inachtneming van het voorgaande zal hieronder zowel wat betreft de afpersing [slachtoffer 2] als wat betreft de afpersing [slachtoffer 1] nader worden ingegaan op de vraag of afpersing door de verdachte en zijn medeverdachten bewezen kan worden verklaard.

2.1.1.

Ter zake afpersing [slachtoffer 2]

Ten laste gelegde bedragen onder 1 tot en met 3

Wat betreft de ten laste gelegde afgeperste bedragen onder 1 tot en met 3 (€ 200.000,--,

€ 50.000,-- en € 50.000,--) in de periode van 1 juni 2009 tot en met februari 2010 volgt uit het dossier op geen enkele wijze dat [slachtoffer 2] door geweld en/of bedreiging met geweld is gedwongen om deze bedragen te betalen, als hij al heeft betaald. Dit bewijs wordt ook niet geleverd door de sms-jes tussen [slachtoffer 2] en [medeverdachte 3] van 12 februari 2010 waarnaar de officier van justitie verwijst. In deze sms-jes lijkt het uitsluitend te gaan om de betaling van bedragen zonder enige uiting van bedreiging met geweld.

Ten laste gelegde bedrag onder 4

De officier van justitie leidt, zo begrijpt de rechtbank, uit een verslag van een ontmoeting op 24 september 2010 tussen [slachtoffer 2], de verdachte, [medeverdachte 3] en [betrokkene 15], een tapgesprek van diezelfde dag op een later tijdstip tussen [slachtoffer 2] en een werknemer van zijn koffieshop, een en ander in combinatie met tapgesprekken tussen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] van 24 september 2010, af dat [slachtoffer 2] door geweld of bedreiging met geweld gedwongen is om een bedrag van € 21.000,-- te betalen.

Op basis van deze stukken noch op basis van andere stukken uit het dossier kan worden vastgesteld dat [slachtoffer 2] een bedrag van € 21.000,-- aan de verdachte en/of [medeverdachte 3] heeft moeten betalen en, als dat al vast zou komen te staan, ook daadwerkelijk (via [betrokkene 15]) heeft betaald.

Het tapgesprek van 24 september 2010 tussen [slachtoffer 2] en een werknemer van zijn coffeeshop met de enkele tekst ‘16. Morgen middag. Halen we net gelukkig. 21 lukt ook wel.’ is volstrekt onvoldoende als bewijs hiervoor. Als dit tapgesprek al gaat over betaling van € 21.000, is het nog maar zeer de vraag of het een betaling aan de verdachte en/of [medeverdachte 3] betreft. Dit wordt niet anders in combinatie met de overige door de officier van justitie in dit verband genoemde bewijsmiddelen en de overige inhoud van het dossier. In dit verband is ook relevant dat [betrokkene 15] tegenover de politie heeft ontkend € 21.000,-- aan de verdachte te hebben gebracht met als motivering dat hij zich er niet voor laat lenen om spullen van A naar B te brengen.

Ten laste gelegde bedrag onder 5

De officier van justitie heeft in haar requisitoir geen bewijsmiddelen genoemd waaruit zou volgen dat [slachtoffer 2] omstreeks 24 december 2010 een bedrag van € 14.000,-- via NN (waarmee [betrokkene 15] bedoeld zou zijn) aan de verdachte en/of [medeverdachte 3] heeft betaald. De stukken in het dossier die in aanmerking zouden kunnen komen als bewijs voor betaling van dit bedrag zijn een tapgesprek van 21 december 2010 tussen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1], een tapgesprek van 23 december 2010 tussen [slachtoffer 2] en zijn werknemer [M.] en een observatieverslag van een ontmoeting tussen [slachtoffer 2], [betrokkene 15] en een onbekende man op 24 december 2010. Op basis van deze stukken kan op geen enkele wijze worden vastgesteld dat een betaling van € 14.000,-- is gedaan aan de verdachte en/of [medeverdachte 3], al dan niet via [betrokkene 15].

Ten laste gelegde bedrag/bedragen onder 6

Het in de tenlastelegging genoemde bedrag van € 645.000,-- komt als zodanig niet voor in het dossier en de officier van justitie heeft in haar requisitoir hierop zelfs geen toelichting gegeven. De periode waarin betaling van dit bedrag of deze bedragen volgens de tenlastelegging zou hebben plaatsgevonden, strekt zich uit over een lange tijd, namelijk van 1 januari 2008 tot en met 4 oktober 2011. De officier van justitie heeft in haar requisitoir niet concreet aangegeven wanneer welk (deel van het) bedrag is betaald en waar dit uit volgt.

Voor zover de officier van justitie als bewijs voor dit onderdeel van de tenlastelegging het oog heeft gehad op het tapgesprek van 24 september 2010 tussen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] waaruit zou kunnen worden afgeleid dat wordt gesproken over betaling van een bedrag van € 680.000,-- door [slachtoffer 2] en degenen die hij kort daarvoor heeft gesproken, alsmede op de daaraan voorafgaande tapgesprekken en ontmoetingen en daarop volgende maatregelen, overweegt de rechtbank als volgt.

De inhoud van de genoemde tapgesprekken is niet zo duidelijk dat hieruit zonder twijfel kan worden afgeleid wat er precies wordt bedoeld. Zo worden de gesprekspartners van [slachtoffer 2] niet met naam genoemd, wordt niet duidelijk benoemd wat er betaald moet worden en waarom en aan wie en wordt er geen melding gemaakt van gebruikt geweld of bedreiging met geweld. Datgene dat mogelijk zou kunnen worden aangemerkt als dreigement dat zou zijn geuit door de gesprekspartners van [slachtoffer 2], namelijk ‘als vriend adviseer ik je dan om maar te vertrekken’ is voor meerdere uitleg vatbaar, ondanks het feit dat dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] dit in het telefoongesprek als dreigement benoemen.

Dat er toch sprake van (dreiging met) geweld zou zijn, kan niet worden gevonden in het observatieverslag van de ontmoeting van 24 september 2010, nu hieruit geen geweldshandelingen volgen of handelingen die op enige bedreiging met geweld duiden. Evenmin volgt dit uit hetgeen [betrokkene 15] heeft verklaard over deze ontmoeting. Integendeel. Hij heeft verklaard dat hij niet weet of tijdens die ontmoeting over afpersing is gesproken maar dat de sfeer van het gesprek zo vriendelijk was dat het meer leek op een knuffelclub.

Dit volgt evenmin uit de gestelde maatregelen die volgens de officier van justitie na de gesprekken van september 2010 door [slachtoffer 2] zijn genomen om zichzelf min of meer onzichtbaar te maken (zoals wegblijven bij Ajax, in een andere auto gaan rijden, zijn huis in Spanje laten overschrijven, het te koop zetten van zijn boot en kunstwerken). Met onvoldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat deze maatregelen door [slachtoffer 2] zijn genomen om zich onzichtbaar te maken en, als dat al zo zou zijn, dat dit te maken heeft met de gestelde afpersing door de verdachte en zijn medeverdachten.

De officier van justitie heeft in haar requisitoir, mogelijk ter onderbouwing van dit onderdeel van de tenlastelegging, gewezen op stukken waaruit volgt dat in november 2010 de druk op [slachtoffer 2] wordt opgevoerd doordat [betrokkene 16] naar de coffeeshops van [slachtoffer 2] wordt gestuurd met de dringende opdracht dat [slachtoffer 2] contact moet zoeken met [medeverdachte 3], alsmede op een gesprek tussen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] van 24 februari 2011 waaruit zou volgen dat de arrestatie van [medeverdachte 3] hen een hoop geld scheelt. De inhoud van deze tapgesprekken is onvoldoende duidelijk om (mede) op basis daarvan afpersing van de wel ten laste gelegde bedragen aan te nemen.

De officier van justitie heeft in haar requisitoir, eveneens mogelijk ter onderbouwing van dit onderdeel van de tenlastelegging, ook nog gewezen op de omstandigheid dat [slachtoffer 2] in maart 2010 bezig is geweest om € 10.000,-- uit zijn coffeeshop te halen om aan de verdachte en/of zijn medeverdachte(n) te betalen.

Deze omstandigheid leidt zij blijkbaar af uit een telefoongesprek van 4 maart 2010 tussen [slachtoffer 2] en [betrokkene 18]. Op basis van het dossier kan niet worden vastgesteld dat deze € 10.000,-- is bedoeld voor de verdachte en/of [medeverdachte 3], laat staan dat is komen vast te staan dat [slachtoffer 2] door geweld of bedreiging met geweld gedwongen was dit bedrag te betalen.

Ten laste gelegde onroerend goed in Spanje onder 7

De officier van justitie heeft over dit onderdeel van de tenlastelegging niets gezegd in haar requisitoir. De rechtbank begrijpt de tenlastelegging aldus dat de verdachte en de mede-verdachten [slachtoffer 2] hebben gedwongen door geweld en/of bedreiging met geweld om zijn onroerend goed in Spanje over te schrijven op naam van [betrokkene 17] en/of [slachtoffer 1]. Voor zover als bewijs voor dit onderdeel van de tenlastelegging het tapgesprek van 1 oktober 2010 tussen [betrokkene 17] en [slachtoffer 1] en het OVC-gesprek van 17 november 2010 dienen, is dit volstrekt onvoldoende om tot een bewezenverklaring van het voorgaande te kunnen concluderen. Ander bewijs hiervoor heeft de rechtbank niet in het dossier aangetroffen.

2.1.2.

Ter zake afpersing [slachtoffer 1]

Blijkens het requisitoir van de officier van justitie wordt het bewijs voor de afpersing van

€ 7.500.000,-- nagenoeg uitsluitend gevormd door tap- en OVC-gesprekken.

De aangehaalde gesprekken zijn als gezegd, onder meer door onverstaanbare delen en het gebruik van versluierd taalgebruik, niet zo eenduidig dat hieruit maar één conclusie kan worden getrokken wat betreft de strekking van deze gesprekken. Zo worden de personen over wie zij het hebben niet bij naam genoemd en wordt er weliswaar gesproken over afpersing en een bedrag van 7,5 miljoen maar wordt dit niet in enig kader geplaatst qua tijd en plaats noch wordt aangegeven waaruit de afpersingshandelingen zouden hebben bestaan. De uitleg/duiding die de officier van justitie aan deze gesprekken geeft, dient derhalve onderbouwing te vinden in de overige inhoud van het dossier.

Deze onderbouwing volgt niet uit de verklaring van [kerngetuige 1] waarnaar de officier van justitie in dit verband verwijst. [kerngetuige 1] heeft verklaard over een afpersing van 7 à 7,5 miljoen euro in het Amsterdamse bos, maar naar eigen zeggen heeft hij deze informatie allemaal van [slachtoffer 2]. Nog daargelaten dat de bewijswaarde van een zogenoemde de-auditu verklaring gering is, is de verklaring van [kerngetuige 1] over deze afpersing fragmentarisch, onduidelijk en warrig en verklaart hij met name dat ene [betrokkene 19] voor genoemd bedrag is afgeperst terwijl onduidelijk blijft of en zo ja in hoeverre zijn verhaal ook betrekking heeft op [slachtoffer 1].

3.

Conclusie

Het onder 3 ten laste gelegde feit is niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

BEWIJS

Feit 1: witwassen [medeverdachte 4]/[verdachte]

1.

. Bewijsuitsluiting tapgesprekken

1.1.

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat de rechter-commissaris in redelijkheid niet tot het verlenen van een machtiging tot het tappen van de telefoon van [medeverdachte 4] in het onderzoek tegen de verdachte heeft kunnen beslissen. Dit levert een vormverzuim op dat onherstelbaar is en om die reden dienen de tapgesprekken van het bewijs te worden uitgesloten.

Ter onderbouwing van dit standpunt is primair aangevoerd dat de drie sms-berichten waarop de tapmachtiging is gebaseerd, niet in deze aanvraag hadden mogen worden gebruikt. In de eerste plaats omdat zij de vrucht zijn van onrechtmatig gebruik van de bevoegdheid om de telefoon van de verdachte uit te lezen na zijn aanhouding wegens verdenking van overtreding van de Wet Wapens & Munitie (hierna: WMM). In de tweede plaats omdat deze gegevens allang vernietigd hadden moeten zijn, op het moment dat zij voor de tapaanvraag werden gebruikt.

Subsidiair is aangevoerd dat, als de sms-berichten al hadden mogen worden gebruikt, zij onvoldoende grond opleveren voor het oordeel van de rechter-commissaris, dat het onderzoek tegen de verdachte het tappen van de telefoon van [medeverdachte 4] dringend vorderde.

1.2.

Beoordeling

Vooropgesteld wordt, dat het besluit van de rechter-commissaris tot het verlenen van een machtiging voor het tappen van de telefoon van [medeverdachte 4] slechts marginaal door de rechtbank kan worden getoetst. Beoordeeld dient te worden, of de rechter-commissaris gegeven de omstandigheden in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot het afgeven van de machtiging.

Voor de (eerste) stelling van de verdediging dat de drie sms-berichten de vrucht zijn van onrechtmatig gebruik van de bevoegdheid om de telefoon van de verdachte uit te lezen na zijn aanhouding wegens verdenking van overtreding van de WWM en daarom niet voor de aanvraag tot het verlenen van een tapmachtiging hadden mogen worden gebruikt, biedt het dossier geen enkele grondslag.

Ook de (tweede) stelling van de verdediging dat de drie sms-berichten zoals genoemd in de aanvraag niet daarvoor hadden mogen worden gebruikt, omdat deze gegevens allang vernietigd hadden moeten zijn op het moment dat zij voor de tapaanvraag werden gebruikt, treft geen doel. De hier aan de orde zijnde gegevens betreffen niet de resultaten van de in artikel 126cc Sv limitatief opgesomde opsporingsbevoegdheden, zodat dit artikel toepassing mist in de onderhavige situatie

Blijkens de ‘Aanvraag bevel onderzoek van telecommunicatie d.d. 18 januari 2011’ en de daarop volgende beschikking van de rechter-commissaris van 19 januari 2011 (p. 96 en

p. 110 van het bob-dossier van de verdachte) is naast de drie door de verdediging genoemde sms-berichten, die zijn gewisseld tussen de verdachte en [medeverdachte 4], veel meer informatie aan de aanvraag ten grondslag gelegd. Op grond van al deze informatie heeft de rechter-commissaris in redelijkheid tot het verlenen van de machtiging kunnen besluiten.

1.3.

. Tussenconclusie

De tapgesprekken kunnen derhalve worden gebruikt voor het bewijs.

2.

Financiële herkomst van het geld

2.1.

Standpunt verdediging

Aangevoerd is dat de verdachte beschikte over legale liquide middelen, zodat niet gesteld kan worden dat een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden voor de herkomst van de door de verdachte aan [medeverdachte 4] gegeven gelden en goederen.

2.2.

Beoordeling

Vooropgesteld wordt, dat op basis van het dossier en het onderzoek op de zitting niet is komen vast te staan, dat alle in de tenlastelegging genoemde gelden rechtstreeks uit misdrijf afkomstig zijn. Echter, indien uit feiten en omstandigheden blijkt van een vermoeden van witwassen van bepaalde gelden, kan van de verdachte worden gevergd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van dit geld. Die verklaring zal concreet moeten zijn en een min of meer verifieerbare en niet op voorhand als volslagen onwaarschijnlijk aan te merken herkomst van het geld dienen te noemen. Als de verdachte zo’n verklaring niet geeft, kan witwassen bewezen worden geacht omdat het (dan) op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn, dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is (HR 13 juli 2010, LJN BM0787 – Air Holland).

Van een dergelijk vermoeden is in deze zaak sprake. In de eerste plaats staat vast, dat de verdachte een deel van zijn vermogen uit misdrijf, namelijk door witwassen, heeft verkregen (zie de veroordeling van de verdachte van heden in de zaak [bedrijf 9]). In de tweede plaats vonden de betalingen die door de verdachte rechtstreeks aan [medeverdachte 4] werden gedaan, steeds contant plaats. In de derde plaats kan de financiële situatie en het financiële gedrag van de verdachte tot geen andere conclusie leiden, dan dat de verdachte een onbekende bron van inkomsten heeft gehad.

Uit het overzichtsproces-verbaal51 en de daarbij behorende bijlagen kan wat dit laatste betreft het volgende worden opgemaakt.

De verdachte is tot 23 november 2007 werkzaam geweest in dienstverband voor (laatstelijk) een gemiddeld maandsalaris van € 13.175,32 bruto.52 Aan het eind van dit dienstverband heeft hij een eenmalige betaling ontvangen van circa € 125.000,-- bruto,53 neerkomend op een bedrag van € 61.398,92 netto.54 In 2008 en 2009 heeft de verdachte geen inkomsten uit arbeid genoten.55 Sinds 1 november 2010 heeft de verdachte een dienstverband als directeur bij [bedrijf 9]56Uit de gegevens van de belastingdienst volgt weliswaar, dat hij in 2010 als inkomen een bruto bedrag van € 54.000,-- heeft ontvangen,57 maar uit de opgevraagde gegevens van de bankrekening van [bedrijf 9] volgt, dat uitsluitend in de maanden april tot en met juni 2011 aan de verdachte een loonbetaling vanuit [bedrijf 9] heeft plaatsgevonden van € 2.683,45 netto in april 2011 en € 2.883,45 netto in de maanden mei en juni 2011.58 Zoals volgt uit de bewezenverklaring van het feit onder 4 (witwassen [bedrijf 9]), betreft dit uit misdrijf verkregen geld.

De verdachte is vanaf 1 januari 2008 medevennoot van de vennootschap onder firma [bedrijf 10].59 Over het derde en vierde kwartaal 2008 is door deze vennootschap aan de belastingdienst een omzet exclusief omzetbelasting opgegeven van € 6.857,--.60 Voordien en nadien zijn geen aangiftes omzetbelasting gedaan, zodat het ervoor moet worden gehouden, dat via de vennootschap overigens geen omzet is gegenereerd.

De verdachte heeft over drie bankrekeningen beschikt, twee bij de Rabobank en een bij SNS.

De rekening bij SNS is in de periode van 1 mei 2006 tot 1 juli 2011 uitsluitend gebruikt voor de maandelijkse betaling van een bedrag van € 3.478,41 aan hypotheek.61 Van deze rekening zijn geen contante opnamen gedaan. De rekening werd aangevuld door betalingen van de Rabobankrekening met nummer [rekeningnummer 1].

Van de Rabobankrekening met nummer [rekeningnummer 1] hebben over de periode van 1 januari 2009 tot en met 1 oktober 2011 veertig geldopnames plaatsgevonden voor een totaal bedrag van € 13.400,--.62

De afschriften van de Rabobankrekening met nummer [rekeningnummer 2] laten in de periode 30 januari 2007 tot 17 november 2011 geen contante opnames en bijschrijvingen zien.63

De verdachte heeft twee creditcards. Beide zijn in de ten laste gelegde periode gebruikt. De betalingen aan het bedrijf dat de creditcards beheert, ICS, hebben hoofdzakelijk contant plaatsgevonden.64

De echtgenote van de verdachte beschikte in de ten laste gelegde periode over één bankrekening. Op de afschriften van deze rekening worden geen betalingen waargenomen voor eerste levensbehoeften, zoals voeding, kleding, brandstof en huur van de woning van de echtgenote op het adres [adres 2].65

2.3.

. Tussenconclusie

Bovenstaand overzicht van de financiële situatie en het financiële gedrag van de verdachte kan tot geen andere conclusie leiden, dan dat de verdachte in ieder geval voor het bekostigen van het dagelijks onderhoud van hemzelf en zijn gezin en ook voor de betalingen aan [medeverdachte 4] een andere bron van inkomsten moet hebben gehad. De omstandigheid dat de verdachte hierover geen enkele duidelijkheid heeft verschaft, wettigt de conclusie dat het niet anders kan zijn, dan dat de door de verdachte aan [medeverdachte 4] betaalde bedragen alsmede de door hem betaalde kosten van de drie reisjes uit misdrijf afkomstig zijn.

3.

Conclusie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen van geldbedragen door uit misdrijf verkregen gelden aan [medeverdachte 4] te betalen, onder meer voor de kosten van haar levensonderhoud en de huur van haar woning, alsmede door de kosten te voldoen van drie reizen van hen samen naar Parijs, Barcelona en Cannes.

Feit 4: witwassen [bedrijf 9]

1.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft zich ten aanzien van de bewijsbeslissing gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

2.

Beoordeling

2.1.

Witwasvermoeden

Vooropgesteld wordt dat op basis van het dossier en het onderzoek op de zitting niet is komen vast te staan dat de in de tenlastelegging genoemde gelden rechtstreeks uit misdrijf afkomstig zijn. Echter, indien uit feiten en omstandigheden blijkt van een vermoeden van witwassen van bepaalde gelden, kan van de verdachte worden gevergd, dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van dit geld. Die verklaring zal concreet moeten zijn en een min of meer verifieerbare en niet op voorhand als volslagen onwaarschijnlijk aan te merken herkomst van het geld dienen te noemen. Als de verdachte zo’n verklaring niet geeft, kan witwassen bewezen worden geacht omdat het (dan) op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn, dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is (HR 13 juli 2010, LJN BM0787 – Air Holland).

Van een dergelijk vermoeden van witwassen is in deze zaak sprake op grond van de volgende feiten en omstandigheden.

2.2.

Facturen 1020, 1021 en 1101

Deze facturen zijn gericht aan [bedrijf 11], waarvan [betrokkene 20] bestuurder is. Hij verklaart niets te weten van het bestaan van de facturen en de daarop vermelde bedragen. Bovendien volgt uit zijn verklaring dat de werkzaamheden, waarop de facturen betrekking zouden hebben, hem ook niets zeggen.

Volgens de verklaring van [betrokkene 21] was [betrokkene 20] binnen [bedrijf 11] degene die het bouwkundige werk deed, hetgeen logischerwijze zou moeten meebrengen dat juist hij op de hoogte moest zijn van de werkzaamheden. Ten aanzien van factuur 1020 verklaart [betrokkene 20] meer in het bijzonder, dat er volgens de beschrijving van de werkzaamheden aan hem een advies is gegeven door [bedrijf 9] maar dat hij nooit een advies van [bedrijf 9] heeft gehad. Hij verklaart zelfs nog nooit van de verdachte, de directeur van [bedrijf 9], te hebben gehoord.

Ten aanzien van de facturen 1020 en 1021 geldt voorts nog het volgende. Op de dagen dat er betaling van de facturen plaatsvond aan [bedrijf 9] door [bedrijf 11] (1 en 16 november 2010) zijn er bedragen van vergelijkbare omvang binnengekomen bij [bedrijf 11] die afkomstig waren van [bedrijf 12] Van laatstgenoemde vennootschap is [betrokkene 21] enig aandeelhouder en bestuurder. Op de rekening van [bedrijf 12] zijn eveneens op 1 en 16 november 2010 contante stortingen gedaan van respectievelijk in totaal € 20.000,-- (in 5 stortingen van € 4.000,--) en

€ 19.000,-- (in 2 stortingen van € 10.000,-- en € 9.000,--). Zonder deze stortingen hadden de betalingen aan [bedrijf 11] niet vanaf de gebruikte bankrekening kunnen plaatsvinden vanwege een saldo tekort.

Ten aanzien van factuur 1101 geldt ten slotte dat er twee facturen met dit nummer zijn aangetroffen op verschillende plaatsen, met dezelfde datum, omschrijving en factuurnummer maar een verschillend te betalen bedrag. Desgevraagd kon [betrokkene 21] als de financiële man van [bedrijf 11] hier geen verklaring voor geven.

2.3.

Factuur 1022

Deze factuur is gericht aan [bedrijf 13], waarvan [betrokkene 22], via [bedrijf 14], bestuurder/enig aandeelhouder is. Hij heeft verklaard dat hij de factuur niet kent. De bij de factuur behorende beschrijving van de werkzaamheden doet hij af als nonsens. Het zakelijk conflict waarop de werkzaamheden zouden zien, was namelijk allang opgelost in de gefactureerde periode. Deze werkzaamheden zijn dan ook nooit uitgevoerd door [bedrijf 9], aldus [betrokkene 22]. Ook [betrokkene 21] verklaart dat, terwijl de werkzaamheden wel in rekening zijn gebracht en de rekening ook is betaald door [betrokkene 21] als de financiële man van [bedrijf 13]

2.4.

Factuur 1019

Deze factuur is gericht aan [bedrijf 15], waarvan [betrokkene 23] via [bedrijf 16] bestuurder is.

Zowel [betrokkene 21] als [betrokkene 23] kunnen niet met zekerheid verklaren op welke werkzaamheden de factuur betrekking heeft, terwijl zij blijkens het dossier de enige betrokkenen zijn bij de vennootschap.

De factuur is wel betaald vanaf de rekening van [bedrijf 15], waarvan [betrokkene 21] de rekeninghouder is.

Bovendien valt op dat de factuur is gedagtekend op 1 november 2010 en pas is betaald op 20 april 2011 terwijl [bedrijf 15] per 9 november 2010 haar activiteiten heeft gestaakt.


3. Conclusie

Op basis van bovenstaande feiten en omstandigheden kan worden vastgesteld dat er door [bedrijf 9] facturen zijn opgemaakt voor niet bestaande/niet uitgevoerde werkzaamheden en deze facturen door/met behulp van [betrokkene 21] zijn voldaan door de vennootschappen waaraan zij waren gericht. Niet met zekerheid valt vast te stellen wat het achterliggende misdrijf is per ten laste gelegd bedrag. De feiten en omstandigheden duiden op oplichting terwijl in het bijzonder bij de facturen 1020 en 1021 (ook) het vermoeden rijst dat door middel van de contante stortingen op de rekening van [bedrijf 12] gelden uit een mogelijk ander misdrijf worden witgewassen.

Wat hier ook van zij, uit de feiten en omstandigheden volgt een vermoeden van witwassen en het lag op de weg van de verdachte als enige aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 9] om hier een verklaring voor te geven. Nu hij dit niet heeft gedaan, wettigt dit de conclusie dat het (dan) op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het geld uit enig misdrijf afkomstig is.

Bewezenverklaring

Op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande en de overige inhoud van de bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden (als bijlage II aan dit vonnis gehecht) is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 4 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

hij in de periode van 1 december 2010 tot en met 4 oktober 2011, te Amsterdam en te Haarlem en te Barcelona en te Parijs en te Cannes, zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen immers heeft verdachte meermalen geldbedragen:

- van 1500,- euro, huur woning [medeverdachte 4] en

- van 100,- euro, levensonderhoud verdachte [medeverdachte 4] en

- een geldbedrag van 1000,- euro stapel bankbiljetten en

- een substantieel geldbedrag kosten voor drie reizen naar Parijs, Barcelona en Cannes

overgedragen terwijl hij, verdachte, ten tijde van het overdragen van bovengenoemde geldbedragen wist, dat bovengenoemde geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren van enig misdrijf.

4.

hij in de periode van 1 oktober 2010 tot en met 20 april 2011 te Landsmeer en te Zwanenburg en te Broek op Langedijk en te Amsterdam en te Amstelveen en te Amersfoort,

zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen immers heeft verdachte geldbedragen van in totaal 60.118,- euro namelijk:

- op 2 november 2010 een bedrag van 15.410,00 euro (factuurnummer 1020 afkomstig van [bedrijf 11]);

- op 16 november 2010 een bedrag van 22.514,00 euro (factuurnummer 1021 afkomstig van [bedrijf 11]);

- op 3 februari 2011 een bedrag van 14.875,- euro (factuurnummer 1022 afkomstig van [bedrijf 13]);

- op 19 april 2011 een bedrag van 4.105,- euro (factuurnummer 1101 afkomstig van [bedrijf 11]);

- op 20 april 2011 een bedrag van 3.213,- euro (factuurnummer 1019 afkomstig van [bedrijf 15]);

verworven en/of voorhanden gehad en/of omgezet, terwijl hij, verdachte, ten tijde van het verwerven en/of het voorhanden krijgen en/of omzetten van bovengenoemde geldbedragen, wist dat bovengenoemde geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren van enig misdrijf.

STRAFBAARHEID FEITEN

Feit 1: witwassen [medeverdachte 4]/[verdachte]

1.

. Standpunt verdediging

Het overdragen van het geld door de verdachte aan [medeverdachte 4] verschilt niet substantieel van het enkele voorhanden hebben of verwerven van die bedragen, terwijl dit ook niet kan bijdragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst. Aldus kan dit overdragen niet kan worden gekwalificeerd als witwassen (vgl HR 25 maart 2014 ECLI:NL:HR:2014:714).

2.

Beoordeling

Het door de verdachte betalen van geldbedragen aan [medeverdachte 4] die zij gebruikt voor haar levensonderhoud en betaling van de huur van haar appartement, alsmede het voldoen van de kosten van drie reisjes, mede ten behoeve van [medeverdachte 4], kan worden aangemerkt als het overdragen van door misdrijf verkregen gelden. De omstandigheden waaronder dit overdragen plaatsvindt, verschillen wezenlijk van het verwerven of voorhanden hebben van door misdrijf verkregen omzetten (vgl HR 25 maart 2014 ECLI:NL:HR:2014:714).

3.

Conclusie

Het door de verdachte overdragen van geldbedragen aan [medeverdachte 4] rechtstreeks of in de vorm van het voldoen van de kosten van reisjes, kan worden gekwalificeerd als witwassen.

1.

witwassen, meermalen gepleegd;

4.

witwassen, meermalen gepleegd.

De feiten zijn strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De verdachte is strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan witwassen. In de eerste plaats door gedurende een periode van bijna een jaar geldbedragen, afkomstig van misdrijf, te betalen aan [medeverdachte 4] en de kosten van reisjes die hij met [medeverdachte 4] maakte voor hen beiden te voldoen. Daarnaast heeft de verdachte, door tussenkomst van zijn vennootschap [bedrijf 9], geldbedragen van verschillende bedrijven ontvangen door middel van het sturen van valselijk opgemaakte fictieve facturen.

Door het witwassen van crimineel vermogen wordt de onderliggende criminaliteit gefaciliteerd. Het vormt een aantasting van de legale economie en is, mede vanwege de ondermijnende invloed ervan op het legale handelsverkeer, een bedreiging voor de samenleving.

Vastgesteld wordt dat het in artikel 6 lid 1 EVRM gewaarborgde recht van de verdachte op behandeling van zijn strafzaak binnen een redelijke termijn is geschonden. De verdachte is op 4 oktober 2011 in verzekering gesteld en het onderzoek op de terechtzitting is op 2 juni 2014 gesloten. Hieruit volgt dat de redelijke termijn van twee jaren met acht maanden is overschreden. Gelet op de mate van overschrijding van de termijn, de ingewikkeldheid van de zaak - het verrichtte onderzoek; met name het horen van getuigen in het algemeen en de getuige [kerngetuige 1] en [kerngetuige 2] in het bijzonder - alsmede de gelijktijdige berechting van zaken tegen negen medeverdachten en van andere zaken tegen de verdachte wordt volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6 lid 1 EVRM (Hoge Raad 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578).

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is wel in aanmerking genomen dat de verdachte blijkens het op zijn naam gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 28 februari 2014 niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

In aanmerking nemende dat twee van de vier feiten niet bewezen zijn verklaard, terwijl dit de zwaarste feiten op de dagvaarding waren, alsmede dat de bewezenverklaarde periode van feit 1 veel korter is dan door de officier van justitie als uitgangspunt is genomen bij haar vordering, zal aan de verdachte een aanzienlijk lagere straf worden opgelegd dan door de officier van justitie is gevorderd.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart de dagvaarding geldig;

verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 4 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

heft op het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.H. Janssen, voorzitter,

en mrs. J.F. Koekebakker en J.L.M. Boek, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. W.A.J.A. Welten, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 2 juni 2014.

Bijlage I bij vonnis van 2 juni 2014.

TEKST GEWIJZIGDE TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot

en met 4 oktober 2011, te Landsmeer en/of te Amsterdam en/of te Haarlem en/of te Barcelona en/of te Parijs en/of te Cannes, althans in Nederland en/of Spanje en/of Frankrijk, althans in Europa,

(telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

Van het plegen van witwassen een gewoonte heeft/ hebben gemaakt, althans zich schuldig heeft/hebben gemaakt aan (schuld)witwassen, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s), toen en aldaar (telkens) (krachtens die gewoonte) meermalen van (een) (grote) geldbedrag(en),

te weten van een of meerdere (grote) geldbedragen, althans enig(e) geldbedrag(en), en/of een horloge en/of een substantieel geldbedrag (kosten voor drie reizen naar Parijs, Barcelona en Cannes), namelijk:

- 18 maal een bedrag van 1500,- euro, althans een of meer bedrag(en) van 1500,- euro, althans een of meer geldbedrag(en) (huur woning [medeverdachte 4])

- 182 maal een bedrag van 150,- euro, althans een of meer bedrag(en) van 150,- euro, althans een of meer geldbedrag(en) (levensonderhoud verdachte [medeverdachte 4])

- Een bedrag van 1000,- euro (stapel bankbiljetten van verdachte [verdachte])

- Een horloge, althans een bedrag van 2100,- euro

- Een substantieel geldbedrag (kosten voor drie reizen naar Parijs, Barcelona en Cannes)

de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) was/waren van genoemd(e) geldbedrag(en) en/of genoemd(e) geldbedrag(en) voorhanden heeft/hebben gehad terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat voornoemd(e) geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

en/of

bovengenoemde geldbedrag(en) verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of overgedragen en/of omgezet, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven en/of het voorhanden krijgen en/of overdragen en/of omzetten van bovengenoemd(e) geldbedrag(en), wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat bovengenoemd(e) geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit de opbrengst van de handel in verdovende middelen, in elk geval afkomstig was/waren van enig misdrijf;

(artikel 420ter/bis/quater Wetboek van Strafrecht)

((gewoonte)(/)(schuld)witwassen)

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 augustus 2005

tot en met 22 februari 2010, te [plaats 1] en/of te Heemstede Aerdenhout en/of te Haarlem en/of te Almere en/of te [plaats 4] en/of te Amsterdam en/of te Purmerend, althans (elders) in Nederland,

tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen,

(telkens) met het oogmerk om zich en/of één of meer anderen wederrechtelijk te bevoordelen, door geweld en/of bedreiging met geweld [kerngetuige 1] en/of [broer kerngetuige 1] heeft gedwongen tot de afgifte van één of meer geldbedragen en/of één of meer voertuig(en), te weten:

1.

op of omstreeks 30 augustus 2006 een bedrag van 200.000,- euro (overboeking door [kerngetuige 1] naar [bedrijf 17]) en/of

2.

op of omstreeks 30 augustus 2006 een bedrag van 20.000,- euro (contant door [broer kerngetuige 1] aan [betrokkene 7] ) en/of

3.

op of omstreeks 7 september 2006 drie, althans één of meer voertuigen (Mini Cooper(s)) toebehorende aan [kerngetuige 1] en/of [broer kerngetuige 1] en/of [kerngetuige 2]) overgedragen aan [medeverdachte 1] en/of verkocht en/of de opbrengst van de verkoop van deze voertuigen afgedragen aan [medeverdachte 1] en/of

4.

op of omstreeks oktober 2006 een bedrag van 75.000,- euro (door [kerngetuige 1] en/of [broer kerngetuige 1] aan [betrokkene 7] ) en/of

5.

op of omstreeks oktober 2006 en/of februari 2008 telkens een of meermalen een bedrag van 7.500,- euro (door [kerngetuige 1] en/of [broer kerngetuige 1] contant afgedragen aan [medeverdachte 1]) en/of

6.

in of omstreeks de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2007 een bedrag van 300.000,- euro, namelijk een aflossing van 12 termijnbetalingen van 25.000,- euro (door [kerngetuige 1] en/of [broer kerngetuige 1] aan [betrokkene 7] ) en/of

7.

op of omstreeks november 2007 een bedrag van 42.500,- euro (door [kerngetuige 1] aan [medeverdachte 1]) en/of

8.

op of omstreeks maart 2007 een bedrag van 10.000,- euro (door [kerngetuige 1] aan [medeverdachte 1]) en/of

9.

op of omstreeks april 2008 een bedrag van 25.000,- euro (door [kerngetuige 1] aan [medeverdachte 1]) en/of

10.

op of omstreeks mei 2008 een bedrag van 30.000,- euro (door [kerngetuige 1] aan [betrokkene 7]) en/of

11.

op of omstreeks mei 2008 een bedrag van 15.000,- euro (door [kerngetuige 1] aan [medeverdachte 1]) en/of

12.

op of omstreeks juni 2008 een bedrag van 50.000,- euro (door [kerngetuige 1] aan [medeverdachte 3]) en/of

13.

op of omstreeks juli 2008 een bedrag van 150.000,- euro, namelijk een aflossing van 6 termijnbetalingen van 25.000,- euro (door [kerngetuige 1] aan [medeverdachte 3]) en/of

14.

op of omstreeks augustus 2008 een bedrag van 200.000,- euro (door [kerngetuige 1] aan [verdachte]) en/of

15.

in de periode van 1 juli 2008 tot en met 31 oktober 2008 een bedrag van 25.000,- euro meermalen (maandelijks) (door [kerngetuige 1] en/of [broer kerngetuige 1] contant aan/via [medeverdachte 1] en/of aan/via [medeverdachte 5] en/of aan [medeverdachte 3]) en/of

16.

in of omstreeks de periode van 1 tot en met 30 september 2008 een bedrag van 100.000,- euro (door [kerngetuige 1] en/of [broer kerngetuige 1] aan/via [medeverdachte 3] en/of [verdachte]) en/of

17.

in of omstreeks de periode van 1 tot en met 30 september 2008 een bedrag van 125.000,- euro (door [kerngetuige 1] en/of [broer kerngetuige 1] aan/via [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 3] en/of [verdachte]) en/of

18.

op of omstreeks december 2008 een bedrag van 92.500,- euro (door [kerngetuige 1] aan [betrokkene 7]) en/of

19.

in of omstreeks de periode van 1 tot en met 31 januari 2009 een bedrag van 8.000,- euro (door [kerngetuige 1] aan [medeverdachte 3]) en/of

20.

in of omstreeks de periode van 15 tot en met 30 april 2009 een bedrag van 5.000,- euro (door [kerngetuige 1] aan [medeverdachte 2]) en/of

21.

in of omstreeks de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2009 een bedrag van 300.000,- euro (door [kerngetuige 1] aan [medeverdachte 3]) en/of

22.

op of omstreeks juli 2009 een bedrag van 47.500,- euro (door [kerngetuige 1] aan [betrokkene 7]) en/of

23.

op of omstreeks oktober 2009 een bedrag van 45.000,- euro (door [kerngetuige 1] aan [verdachte]) en/of

24.

op of omstreeks 4 februari 2010 een bedrag van 14.500,- euro (aan [medeverdachte 3]) en/of

25.

op of omstreeks 22 februari 2010 een bedrag van 45.000,- euro (aan [medeverdachte 5])

in ieder geval (telkens) enig geldbedrag en/of (enig) voertuig(en), (telkens) geheel of ten dele toebehorende aan die [kerngetuige 1] en/of aan die [broer kerngetuige 1], in ieder geval aan (een) ander(en) dan verdachte en/of zijn mededader(s),

bestaande dat geweld en/of die bedreiging met geweld hierin dat hij, verdachte, en/of (één of meer van) zijn mededader(s):

([betrokkene 7])

- ( op agressieve toon) tegen die [kerngetuige 1] en/of tegen die [broer kerngetuige 1] heeft gezegd dat hij, [betrokkene 7], het nu zat was, dat ze alles wat ze hadden - huizen, sieraden - moesten inleveren, dat daarvan het bedrag af gehaald zou worden waar hij, [betrokkene 7] recht op had en dat afspraak voor hem afspraak was en/of dat er nu sprake was van een nieuwe afspraak en dat hij, [betrokkene 7], ook afspraken met andere mensen had die hij moest nakomen en/of (met zware stemverheffing) tegen hem, [kerngetuige 1], heeft gezegd dat hij, [kerngetuige 1] nu de auto uit moest en dat [broer kerngetuige 1] moest blijven zitten en/of tegen hem, [broer kerngetuige 1], heeft gezegd dat ze die avond naar Haarlem moesten komen met een lijst met al hun bezittingen en dat als ze dat niet deden hij ze zou laten halen en in een kofferbak gooien en/of

([medeverdachte 1]/[betrokkene 7])

- ( op een voor hen agressieve toon) tegen die [kerngetuige 1] en/of tegen die [broer kerngetuige 1] heeft gezegd dat hij, [kerngetuige 1], zijn auto neer moest zetten en dat ze een stukje gingen lopen en/of gevraagd of ze het al geregeld hadden en/of gezegd dat de druk erg groot was en/of dat er zo spoedig mogelijk 3 ton moest komen want dat er anders problemen zouden komen en/of aan die [kerngetuige 1] gevraagd hoeveel het appartement van [broer kerngetuige 1] waard was en/of

([medeverdachte 1]/[betrokkene 7])

- die [broer kerngetuige 1] en/of die [kerngetuige 1] heeft ontboden te komen (op de

Busweg te [plaats 1]) en/of tegen die [kerngetuige 1] en/of tegen die [broer kerngetuige 1] heeft geschreeuwd dat afspraak afspraak is, dat er geen tijd meer is en dat hij, [betrokkene 7] en/of [medeverdachte 1], nu die 3 ton moet hebben en/of tegen die [kerngetuige 1] gezegd dat hij wist waar die [kerngetuige 1] en zijn vrouw op vakantie waren geweest (terwijl dat privé informatie was die alleen bij [kerngetuige 1] en/of zijn vrouw bekend was) en/of

([medeverdachte 1])

- tegen die [kerngetuige 1] heeft gezegd dat het absoluut belangrijk is dat die 3 ton betaald wordt en nog wel deze week en/of dat hij, [medeverdachte 1], in dat geval wat voor hem, [kerngetuige 1] kan betekenen en "het" kan oplossen en/of

([betrokkene 7])

- ( op agressieve toon) tegen die [kerngetuige 1] heeft gezegd dat hij, [betrokkene 7], het nu zelf ging doen, dat [medeverdachte 1] er niet meer mee te maken had en dat hij, [kerngetuige 1], vanaf dat moment 25.000,- moest gaan betalen en/of tegen die [broer kerngetuige 1] heeft gezegd dat hij, [broer kerngetuige 1], verantwoordelijk was en/of

([medeverdachte 1])

- die [kerngetuige 1] in het nauw heeft gebracht en gezegd dat hij, [kerngetuige 1], eerst aan hem, [medeverdachte 1] moest betalen en niet aan [betrokkene 7]

([betrokkene 7])

- meermalen die [broer kerngetuige 1] en/of die [kerngetuige 1] sms'jes heeft gestuurd waarin ze op agressieve en/of bedreigende toon op hun betalingsverplichting werden gewezen en/of

([medeverdachte 1])

- die [kerngetuige 1] heeft verteld dat hij, [medeverdachte 1], benaderd zou zijn door een Russisch incassoteam die geld kwamen opeisen en dat hij, [medeverdachte 1] een schuldbekentenis moest tekenen van een miljoen euro en zo doende bij die [kerngetuige 1] de indruk heeft gewekt dat de Russische maffia achter hem, [medeverdachte 1], aan zat en/of

([medeverdachte 3])

- bij hem, [kerngetuige 1], de indruk heeft gewekt dat hij, [medeverdachte 3], de beschikking had over een knokploeg en/of

([medeverdachte 1])

- bij hem, [kerngetuige 1], de indruk heeft gewekt dat er sprake zou zijn van een auto waar Joegoslaven met machinegeweren in zaten en door die [kerngetuige 1] naar buiten te vragen waar zich twee auto’s met inzittenden bevonden, waarbij die [medeverdachte 1] tegen [kerngetuige 1] heeft gezegd: “kijk maar niet in die auto want daar zitten een paar Joegoslaven in en die hebben machinegeweren bij zich”, althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of

- die [kerngetuige 1] naar een hotel in [plaats 1] heeft laten komen waar hij, [medeverdachte 1] met een onbekend gebleven man was welke voor die [kerngetuige 1] een vuurwapen zichtbaar aanwezig heeft gehad en/of de indruk heeft gewekt dat die onbekend gebleven man een hotelkamer aan het controleren was en/of tegen die [kerngetuige 1] gezegd dat die man al eens 9 jaar had gezeten en "een killer" was en/of

([medeverdachte 1])

- bij die [kerngetuige 1] de indruk heeft gewekt dat hij, [medeverdachte 1] en/of zijn mededader(s) de beschikking hadden over contacten in de luchtvaart en/of bij de politie (CIE) waardoor hij, [medeverdachte 1] en/of zijn mededader(s) vrijelijk de beschikking konden krijgen over door hen gewenste informatie en/of

- nadat die [kerngetuige 1] zijn telefoon niet opnam, tegen die [kerngetuige 1] heeft geschreeuwd dat hij dit niet kon maken, dat hij zijn telefoon altijd bij zich moest hebben en dat hij altijd terug moest bellen en/of

- tegen die [kerngetuige 1] heeft geschreeuwd dat hij, [medeverdachte 1], hem in elkaar zal stampen, hem kapot zal maken en/of

([medeverdachte 3])

- tegen die [kerngetuige 1] heeft gezegd over tapverslagen te beschikken waarin

gesprekken naar voren komen waarin hij, [kerngetuige 1], contact heeft met [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [broer kerngetuige 1] en [slachtoffer 2] en/of anderen zou hebben met verdachte en/of zijn mededader(s) en dat als zijn, [medeverdachte 3]’s, vrienden worden aangesproken door deze verslagen en daardoor al hun bezittingen verliezen, hij, [medeverdachte 3] en/of zijn mededader(s) dat bij hem, [kerngetuige 1], en zijn broer, [broer kerngetuige 1], komen ophalen en/of

- tegen die [kerngetuige 1] en/of die [broer kerngetuige 1] heeft gezegd: “dat je over de telefoon zegt dat je het nog niet hebt, je probeert me erin te hangen. Wil je dat er mee geluisterd wordt? Als je dat doet dan snij ik je in stukken”, althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of

([medeverdachte 2])

- tegen die [kerngetuige 1] gezegd dat [medeverdachte 3] en/of zijn mededader(s) verantwoordelijk waren voor alle belangrijke liquidaties van de afgelopen jaren en aldus bij die [kerngetuige 1] gevoelens van angst heeft veroorzaakt voor [medeverdachte 3], [medeverdachte 2] en/of zijn mededader(s) en/of

- tegen die [kerngetuige 1] (op geïrriteerde toon) gezegd dat hij te laat was met het betalen van zijn termijn en dat hij, [kerngetuige 1], niet moest denken dat verdachte of zijn mededader(s) dat zou doen, en dat hij het zelf moest regelen en/of

([verdachte])

- boos werd op die [kerngetuige 1] en/of tegen die [kerngetuige 1] heeft gezegd dat het zo dus niet werkte, dat hij, [kerngetuige 1], hen, [verdachte] en/of zijn mededader(s) in de maling nam en dat hij, [verdachte] en/of zijn mededader(s) deze afspraak gemaakt hebben voor hem, [kerngetuige 1] en dat hij [kerngetuige 1] die afspraak nu niet na kwam en/of

([verdachte]/[medeverdachte 3])

- die [kerngetuige 1] een of meermalen op dwingende toon opdracht heeft gegeven op een precies tijdstip aanwezig te zijn bij het Chinees restaurant op weg van [plaats 2] naar [plaats 3] heeft gestuurd dat hij precies om 11 uur bij het chinees restaurant moest zijn en/of

- tegen die [kerngetuige 1] heeft gezegd: "meneer [kerngetuige 1], wij krijgen nog heel veel geld van jou. Wij hebben 100 voorgeschoten aan die blauwe ([betrokkene 7]) en we hebben 175 voorgeschoten in mei, volgende week staat er alweer een termijn en we hebben ook jouw probleem met die meneer uit België opgelost. Daar heb ik nog een keer 100 voor moeten betalen. Dat is 375 duizend euro. Ik zeg tegen [medeverdachte 3] dit is van de gekke. Ik wil dit geld gisteren terug. Het maakt me niet uit. Je regelt het maar. Ik hoor het wel" althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of

([medeverdachte 2])

- die [kerngetuige 1] in Amsterdam heeft ontboden en op een voor die [kerngetuige 1] intimiderende wijze tegen die [kerngetuige 1] heeft gezegd dat ze een spel met hem, [kerngetuige 1], spelen en dat er dingen over zijn, [kerngetuige 1]'s, rug worden verrekend en dat hij, [kerngetuige 1] gewoon dat geld moet regelen en/of

([medeverdachte 1])

- tegen die [kerngetuige 1] heeft gezegd dat hij een fout heeft gemaakt door [verdachte] te beledigen en/of

([medeverdachte 2])

- tegen die [kerngetuige 1] (op boze en/of intimiderende toon) heeft gezegd dat hij bij [medeverdachte 1] weg had moeten blijven en dat nu hij, [medeverdachte 2] en/of zijn mededader(s) weer één van zijn, [kerngetuige 1]’s problemen moest oplossen en dat hij, [kerngetuige 1], het einde van de week niet zou halen als hij het niet goed zou regelen en/of (dreigend) aan die [kerngetuige 1] heeft gevraagd of hij nou echt wilde dat [kerngetuige 2] - echtgenote van [kerngetuige 1]) in een busje zou worden gegooid en verkracht zou worden door de Hell's Angels en of hij [kerngetuige 1] echt allemaal tatoeages op zijn kop wilde krijgen en/of

([medeverdachte 1]/[medeverdachte 3])

- tegen die [kerngetuige 1] heeft gezegd dat [verdachte] beledigd is en dat hij, [medeverdachte 3] en/of zijn mededader(s), geen gezeur van [verdachte] wil en dat [verdachte] zijn geld wil en dat [verdachte] nu 2 ton moet hebben en dat [verdachte] morgen zijn geld wil hebben en/of

([medeverdachte 2])

- tegen die [kerngetuige 1] (meermalen) heeft doen voorkomen dat hij hem zou helpen met het aflossen van de betalingstermijnen waardoor die [kerngetuige 1] in een (min of meer) afhankelijke positie van hem, [medeverdachte 2] en/of zijn mededader(s) werd gebracht en/of gehouden,en/of (uiteindelijk) in bijzijn van [medeverdachte 3] (op boze toon) tegen die [kerngetuige 1] heeft gezegd dat hij, [medeverdachte 2] ook nog geld van hem, [kerngetuige 1], krijgt en hem, [kerngetuige 1] niet helpt en dat hij, [kerngetuige 1], het zelf maar moet regelen en/of

- ( vervolgens) schreeuwend tegen die [kerngetuige 1] heeft geroepen: “wat wil je nou jongen, wil je mij er ook inhangen bij hun? Ik zal jou eens wat laten zien. Je ziet me wel verschijnen”, althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of

([medeverdachte 5])

- tegen die [kerngetuige 1] heeft gezegd dat hij iets aan haar moest geven en dat verdachte en/of zijn mededader(s) er niet was/waren op dat moment en dat zij wist dat hij iets zou komen brengen en/of

([medeverdachte 3])

- schreeuwend tegen die [kerngetuige 1] heeft gezegd dat hij, [kerngetuige 1], nu weer te laat was, dat hij [medeverdachte 3] er gek van wordt, dat hij, [kerngetuige 1] niet meer bij hem, [medeverdachte 3] en/of zijn mededader(s) hoeft te komen en dat hij, [medeverdachte 3] binnen 2,5 uur bij zijn, [kerngetuige 1]'s huis kan zijn en/of

([medeverdachte 1])

- tegen die [kerngetuige 1] heeft gezegd dat "ze" straks hetzelfde met die [kerngetuige 1] gaan doen als wat "ze" met Jules gedaan hebben, waardoor die [kerngetuige 1] in de veronderstelling werd gebracht dat het ging om een persoon die geliquideerd was en/of

([medeverdachte 1])

- gedurende enkele maanden vele malen per dag contact heeft opgenomen met die [kerngetuige 1] waarbij hij, [medeverdachte 1] de druk op die [kerngetuige 1] steeds verder opvoerde en/of bij die [kerngetuige 1] de indruk ontstond dat hij volkomen afhankelijk was van de bemiddelende rol van [medeverdachte 1] en/of

- tegen die [kerngetuige 1] heeft gezegd dat hij, [kerngetuige 1] een datum moest noemen waarop hij aan [medeverdachte 3] en/of zijn mededader(s) zou betalen en dat als hij dat niet kon doen hij geen respect toonde aan [medeverdachte 3] en deze nog bozer zouden worden en/of

([medeverdachte 3])

- tegen die [kerngetuige 1] heeft gezegd dat hij, [kerngetuige 1], altijd te laat was met betalen, dat hij, [medeverdachte 3] het zat was, dat hij een horloge had moeten verkopen om zijn, [kerngetuige 1]'s, schuld aan zijn vrienden te betalen, dat hij, [medeverdachte 3] dat geld terug wilde en dat hij, [kerngetuige 1], dat moest gaan betalen en dat hij, [medeverdachte 3] en/of zijn mededader(s) dat onmiddellijk terug wilde hebben en/of

([medeverdachte 2])

- meermalen aan die [kerngetuige 1] boze sms'jes heeft gestuurd en/of die [kerngetuige 1] eraan herinnerd dat hij, [medeverdachte 2] en/of zijn mededader(s) een groot probleem voor hem, [kerngetuige 1], heeft/hebben opgelost en/of (vervolgens) die [kerngetuige 1] ontboden en meermalen tegen hem geschreeuwd: “ik zou je het hele veld over moeten schoppen, ik maak je helemaal kapot, je had naar mij moeten luisteren. Nu ga je het maar met mij regelen. Hoe ga je mij betalen? Ik heb verder niks met hun te maken. Je hebt het nog gemakkelijk bij hun gehad. Denk je niet dat ik bij je aan de deur kom? Ik zie je zo meteen in Amsterdam en anders kom ik je ophalen. Of ik laat je ophalen” althans woorden van gelijke aard of strekking en/of

- tegen die [kerngetuige 1] op intimiderende toon heeft gezegd: “als je me ophangt bij hun, weet dan wel met wie je te maken hebt. Als ik ga, dan gaan jij en je hele familie ook. Die opdracht heb ik al gegeven, dat is al geregeld. Dus denk niet dat je hiermee weg komt”, althans woorden van gelijke aard en/of strekking en/of

([medeverdachte 3])

- tegen die [kerngetuige 1] heeft gezegd dat hij, [medeverdachte 3] het (probleem met

[medeverdachte 2]) zo voor hem zou oplossen en dat hij, [medeverdachte 3] er niet veel voor terugwilde en dat hij, [medeverdachte 3] er 100.000,- euro voor kon vragen, maar dat hij, [kerngetuige 1], alleen maar 15.000,- euro terug hoefde te betalen aan [medeverdachte 1] en dat anders [medeverdachte 2] 's nachts in zijn, [kerngetuige 1]’s slaapkamer zou staan en hem, [kerngetuige 1], door alle ramen heen zou gooien en/of

([medeverdachte 1])

- tegen die [kerngetuige 1] heeft gezegd dat hij, [kerngetuige 1] hem, [medeverdachte 1] en/of zijn mededader(s) liet vallen, dat hij naar [plaats 1] toe zou komen en hem, [kerngetuige 1], helemaal in elkaar zou trappen en/of

([medeverdachte 3]/[medeverdachte 2])

- tijdens een ontmoeting heeft hij, [medeverdachte 3] en/of zijn mededader(s) aan die [kerngetuige 1] gezegd dat er voor 4 januari 2010 uiterlijk een bedrag van 45.000,- moest zijn betaald en dat [broer kerngetuige 1] ingeschakeld moest worden om bij te dragen in de financiële verplichtingen en/of

- tijdens een ontmoeting heeft hij, [medeverdachte 2] tegen die [kerngetuige 1] gezegd dat hij, [kerngetuige 1], samen met [broer kerngetuige 1] nog diezelfde avond naar Drenthe moet rijden om te laten zien bereid te zijn alles te brengen wat zij, [kerngetuige 1] en [broer kerngetuige 1], op dat moment bezitten. Auto's, geld, sieraden, klokjes en alles wat maar enige waarde vertegenwoordigd, zodat [medeverdachte 3] tevreden wordt gesteld en ziet dat zij er alles aan doen en/of

- tijdens een ontmoeting heeft hij, [medeverdachte 3] tegen die [kerngetuige 1] gezegd dat [broer kerngetuige 1] moest komen en dat als hij, [broer kerngetuige 1] niet komt, hij ([medeverdachte 2]) hem zou laten halen en/of heeft hij, [medeverdachte 3] tegen die [kerngetuige 1] gezegd dat hij, [medeverdachte 3], zijn klokken ging verkopen waardoor [kerngetuige 1] zijn schulden bij [medeverdachte 2] en [verdachte] kon inlossen en dat die klokken 4 ton waard waren en dat dat het bedrag was waar [kerngetuige 1] met [broer kerngetuige 1] de tijd voor kreeg om na te denken, maar dat die [kerngetuige 1] niet weg mocht gaan tot hij en [broer kerngetuige 1] gingen vertellen hoe ze het gingen betalen en/of heeft hij, [medeverdachte 3] tegen die [kerngetuige 1] heeft gezegd dat als hij, [kerngetuige 1], niet in termijnen zou betalen aan [medeverdachte 3], hij, [kerngetuige 1], dan in één keer zou moeten terug betalen aan [verdachte] en/of

([medeverdachte 2])

- tegen die [kerngetuige 1] heeft gezegd dat hij, [medeverdachte 2] het geweest is die met een tas (inhoudende 340.000,- euro) bij [kerngetuige 1] is gekomen en [kerngetuige 1] zo "geholpen" heeft en/of

([medeverdachte 3]/[medeverdachte 2])

- op woedende toon tegen die [kerngetuige 1] heeft gezegd dat hij, [medeverdachte 3] er helemaal klaar mee was en afscheid nam en dat hij, [kerngetuige 1], maar langs moest komen en/of

- hij, [medeverdachte 3], 30 tot 40 keer heeft gebeld met [kerngetuige 1] en/of hem, [kerngetuige 1] te sommeren morgen te komen met [broer kerngetuige 1] en/of

- tegen die [kerngetuige 1] heeft gezegd dat hij, [medeverdachte 3] en/of zijn mededaders hun huis helemaal kort en klein zou slaan, en/of pas uit [plaats 1] weg zou gaan met de bierpomp in zijn handen en/of (vervolgens)

- heeft hij, verdachte en/of zijn mededaders, die [kerngetuige 1] bij de keel gegrepen en/of hem meegetrokken en/of

- ( vervolgens) heeft hij, [medeverdachte 3] die [kerngetuige 1] en/of die [broer kerngetuige 1] vastgepakt en/of dreigend gevraagd of ze wilden vechten en/of gezegd dat ze morgen 375.000,- euro kwamen brengen en dat hij anders alles kort en klein sloeg en/of

- ( vervolgens) heeft hij, [medeverdachte 3] tegen die [kerngetuige 1] gezegd dat hij die 375 in 1 keer wil hebben, dat hij zijn handen ervan af trekt, dat hij tegen zijn vrienden zegt dat hij geen geld meer krijgt en dat zijn vrienden dan 1 voor 1 op de stoep staan en/of

([medeverdachte 3])

- tegen die [kerngetuige 1] heeft geschreeuwd en gescholden en/of hem op zijn lichaam heeft geschopt en/of geslagen en/of tegen hem heeft geschreeuwd dat hij, [kerngetuige 1] dan maar zijn huis uit moest en/of dat hij nog wel ging bedenken wat voor straf hij, [kerngetuige 1] moest krijgen en/of dat hij, [kerngetuige 1] een schoft was en dat hij, [medeverdachte 3] en/of zijn mededader(s) een mes in zijn rug kreeg en/of

([medeverdachte 3]/[medeverdachte 2])

- die [kerngetuige 1] en/of die [broer kerngetuige 1] heeft ontboden te komen naar de woning van [medeverdachte 3] in [plaats 4] en/of

- ( vervolgens) tegen die [kerngetuige 1] en/of die [broer kerngetuige 1] de navolgende (zeer) dreigende woorden heeft geuit: "Ik ben het zat. Je hebt me in de maling genomen. Je bent je afspraak niet nagekomen dus ga ik vandaag beslissen of ik je ga begraven. Ik ga vandaag beslissen of ik jullie met zijn tweeën ga begraven. Als je niet met een oplossing komt dan steek ik je lek. Ik prik je lek. Ga mij tevreden stellen want anders ga ik afscheid van je nemen en dan ga je naakt naar huis. Dan zeg ik dat tegen iedereen en dan zien we wel wat er gebeurt", althans woorden van dergelijke dreigende aard en/of strekking en/of

(Conclusie)

- ( door één of meer en/of de combinatie van voornoemde handelingen) bij die [kerngetuige 1] en/of die [broer kerngetuige 1] gevoelens van angst en onvermijdelijkheid heeft laten toenemen en/of een zodanige druk heeft veroorzaakt dat die [kerngetuige 1] geen enkele uitweg meer zag en overwoog zelfmoord te plegen en/of

- aldus bij die [kerngetuige 1] gevoelens van onveiligheid en angst teweeg heeft/hebben gebracht en/of (door één of meer en/of de combinatie van voornoemde handelingen) bij die

[kerngetuige 1] en/of die [broer kerngetuige 1] het gevoel teweeg heeft/hebben gebracht dat er niet tegenin gegaan kon worden en/of

- ( door één of meer van voornoemde handelingen) een dermate dreigende situatie en/of sfeer voor die [kerngetuige 1] en/of voor die [broer kerngetuige 1] heeft/hebben gecreëerd en/of in stand gehouden, dat de vrees van die [kerngetuige 1] en/of van die [broer kerngetuige 1] voor geweld van de zijde van verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(s) jegens hen en/of hun familie, gerechtvaardigd was;

(artikel 48/317 Wetboek van Strafrecht)

(afpersing)

3.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot en met 4 oktober 2011, te Almere en/of te Nieuw-Buinen en/of te Amsterdam en/of (elders) in Nederland en/of in Spanje,

tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen,

(telkens) met het oogmerk om zich en/of één of meer anderen wederrechtelijk te bevoordelen, door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van één of meer (grote) geldbedrag(en), te weten (in elk geval) een groot geldbedrag van (in totaal vermoedelijk) 980.000,- euro ([slachtoffer 2]) en/of 7.500.000,- euro ([slachtoffer 1]) en/of één of meer pand(en) (in Spanje), te weten:

[slachtoffer 2]:

1.

in of omstreeks de periode van 1 juni 2009 tot en met 31 juli 2009 een bedrag van 200.000,- euro (contant aan [verdachte]) en/of

2.

op of omstreeks 9 februari 2010 een bedrag van 50.000,- euro en/of

3.

op of omstreeks 16 februari 2010 een bedrag van 50.000,- euro en/of

4.

in of omstreeks de periode van 24 tot en met 27 september een bedrag van 21.000,- euro (via [betrokkene 15] aan [verdachte] en/of [medeverdachte 3]) en/of

5.

op of omstreeks 24 december 2010 een bedrag van 14.000,- euro(via NN aan [verdachte] en/of [medeverdachte 3]) en/of

6.

in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot en met 4 oktober 2011 een bedrag van (in totaal) 645.000,- euro, althans een of meer andere geldbedragen en/of

7.

in of omstreeks de periode van 29 september 2010 tot en met 4 oktober 2011 één of meer pand(en), onroerend goed, in Spanje (overgeschreven op naam van [betrokkene 17] en/of [slachtoffer 1]) en/of [vrouw slachtoffer 1]:

8.

in of omstreeks de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2008 een bedrag van 7.500.000,- euro (contant aan [medeverdachte 3] en/of [verdachte]) en/of

in ieder geval (telkens) enig geldbedrag en/of enig goed, (telkens) geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 1], in ieder geval aan (een) ander(en) dan verdachte en/of zijn mededader(s),

bestaande dat geweld en/of die bedreiging met geweld hierin dat hij, verdachte, en/of (één of meer van) zijn mededader(s):

([medeverdachte 3]/[verdachte])

- meermalen die [slachtoffer 2] (middels sms’jes) heeft ontboden te komen en/of

- aan die [slachtoffer 2] gevraagd of hij het kan regelen want dat “ze” met hun rug tegen de muur staan en/of

- bij die [slachtoffer 2] door de stress van de betalingsverplichtingen zodanige spanning heeft doen ontstaan dat hij onder die omstandigheden zijn vriendin heeft mishandeld en/of

- aan die [slachtoffer 2] een sms’je heeft gezonden met de tekst “alles helpt maar heb daar niet genoeg aan dit vind ik echt kloote” en/of

- bij die [slachtoffer 2] zodanige druk heeft gelegd dat die [slachtoffer 2] zich genoodzaakt zag alles in het werk te stellen een geldbedrag van in totaal 50.000,- euro bij elkaar te krijgen, zodanig dat hij, [slachtoffer 2], van een zakelijk contact geld heeft gevraagd en/of geld uit de kassa van zijn bedrijf heeft laat halen en/of boos werd toen het erop leek dat dit laatste geld aan iemand anders was uitgegeven en/of ervoor heeft gezorgd dat dit laatste geld alsnog via hem, [slachtoffer 2], aan verdachte en/of zijn mededader(s) werd betaald en/of

([medeverdachte 5])

- ( daarbij zich voordoende als [medeverdachte 3]) een of meer sms’jes aan die [slachtoffer 2] heeft gestuurd (op 23 april en 26 april 2010) met de vraag of er voor morgen (24 april) een afspraak was gemaakt en/of om te melden dat er voor morgen (27 april) geen afspraak mogelijk was en/of

([medeverdachte 3]/[verdachte])

- in de periode van 14 mei 2010 tot en met 9 juli 2010 een of meer ontmoetingen heeft/hebben georganiseerd in korte tijd waarbij de druk om te betalen op die [slachtoffer 2] werd opgevoerd en/of

- ( vervolgens) op 23 augustus 2010 (weer) een ontmoeting heeft/hebben gehad met die [slachtoffer 2] en/of (vervolgens) die [slachtoffer 2] een sms’je heeft/hebben gestuurd met de vraag of [slachtoffer 2] er nu echt uit was in zijn hoofd en/of

- meerdere sms’jes heeft/hebben gestuurd naar die [slachtoffer 2] waarin hij, verdachte en/of zijn mededader(s) voorstelt/voorstellen elkaar te ontmoeten en erover te praten terwijl die [slachtoffer 2] naar hem, verdachte en/of zijn mededader(s) communiceert dat niet te willen, het er niet mee eens te zijn en het gevoel te hebben dat hem een deal door de strot wordt geduwd en/of

- door de combinatie van de hiervoor gememoreerde ontmoetingen en/of de besprekingen tijdens die ontmoetingen en/of de sms’jes bij die [slachtoffer 2] gevoelens van geïntimideerdheid en/of angst en/of onvermijdelijkheid heeft/hebben veroorzaakt, waardoor die [slachtoffer 2] zich genoodzaakt zag hulp/bemiddeling te zoeken bij die [slachtoffer 1] en/of

- ( waardoor) die [slachtoffer 2] zich genoodzaakt heeft gezien zijn telefoon uit te zetten om contact met hem, verdachte en/of zijn mededader(s) te vermijden, en/of overwogen heeft om zijn, [slachtoffer 2]’s vriendin te instrueren de deur niet open te doen en/of nadat hij, [slachtoffer 2], overwogen heeft weerstand te bieden welke overweging bij hem, [slachtoffer 2], teweeg heeft gebracht dat dit tot gevolg zou hebben dat hij, [slachtoffer 2], zijn leven niet meer zeker was (“dan kan je alleen maar achterom kijken”) en/of

- ( waardoor) die [slachtoffer 2] zich genoodzaakt heeft gezien op 13 september 2010 een hotel te boeken samen met zijn vriendin omdat hij zich zo bedreigd voelde dat hij geen enkel risico wilde lopen en/of

- ( vervolgens) op 24 september 2010 (weer) een ontmoeting heeft/hebben gehad met die [slachtoffer 2], al dan niet in gezelschap van een “bemiddelaar” en/of

- tijdens die ontmoeting de druk op [slachtoffer 2] verder heeft/hebben opgevoerd en/of bij die gelegenheid betalingsverplichtingen (waarvoor geen rationele grondslag was aan te voeren) heeft/hebben toegevoegd (waardoor het totaal te betalen bedrag op 680.000,- euro eindigde) en/of die [slachtoffer 2] heeft/hebben gezegd dat het betalen was of vertrekken, waardoor die [slachtoffer 2] in de veronderstelling kwam te verkeren dat het met hem zou zijn afgelopen als hij niet zou betalen, en/of de betalingstermijn voor het gehele bedrag op onrealiseerbaar korte tijd heeft/hebben gesteld, namelijk enkele dagen en/of

- ( als gevolg waarvan) die [slachtoffer 2] (kennelijk wanhopig) zei dat “zijn hele leven erdoor verkankerd werd” en/of

- door de druk op die [slachtoffer 2] en/of diens radeloosheid/onmogelijkheid met betrekking tot zijn mogelijkheden van betaling de druk heeft/hebben verlegd naar die [slachtoffer 1] waardoor deze [slachtoffer 1] zich genoodzaakt heeft gevoeld/gezien betalingen te verrichten en/of onroerend goed (in Spanje) als zekerheid te stellen en/of

- ( ondanks betalingen) bij die [slachtoffer 2] druk heeft/hebben laten bestaan waardoor deze maatregelen heeft genomen (andere auto en/of deze elders plaatsen en/of zich niet vrij in Amsterdam bewegen en/of bezoek aan een wedstrijd van Ajax annuleren) die hem in zijn vrijheid van bewegen beperkten en/of

([medeverdachte 1])

- meermalen heeft/hebben gepoogd telefonisch contact te leggen met die [slachtoffer 2] en/of

- ( waardoor) die [slachtoffer 2] een nieuw telefoonnummer heeft genomen en/of

([medeverdachte 3]/[verdachte])

- een “tussenpersoon” ([betrokkene 16]) heeft/hebben gestuurd naar die [slachtoffer 2] waarbij tegen die [slachtoffer 2] (via zijn vriendin) werd gezegd dat hij, [slachtoffer 2] moest reageren omdat er anders weer consequenties aan zouden zitten en/of

(NN)

- bij gelegenheid van het overhandigen van een kleiner geldbedrag (14.000,- euro in plaats van 20.000,- euro) aan NN met bestemming verdachte en/of diens mededader(s) dreigementen en/of scheldwoorden heeft geuit naar die [slachtoffer 2] en/of

- ( door één of meer en/of de combinatie van voornoemde handelingen) bij die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 1] druk en/of gevoelens van angst en onvermijdelijkheid heeft laten toenemen en/of

- ( door één of meer en/of de combinatie van voornoemde handelingen) bij die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 1] het gevoel teweeg heeft/hebben gebracht dat er niet tegenin gegaan kon worden en/of

- ( door één of meer van voornoemde handelingen) een dermate dreigende situatie en/of sfeer voor die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 1] heeft/hebben gecreëerd en/of in stand gehouden, dat de vrees van die [slachtoffer 2] en/of die [slachtoffer 1] voor geweld van de zijde van verdachte en/of (één of meer van) zijn mededader(s) jegens hen en/of hun vriendin en/of hun familie, gerechtvaardigd was;

(Artikel 48/317 Wetboek van Strafrecht)

(Afpersing)

4.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 oktober 2010 tot en met 4 oktober 2011 te Landsmeer en/of te Zwanenburg en/of te Schagen en/of te Broek op Langedijk en/of te Amsterdam en/of te Amstelveen en/of te Amersfoort elders in Nederland,

(telkens) tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

van het plegen van witwassen een gewoonte heeft/hebben gemaakt, althans zich schuldig heeft/hebben gemaakt aan (schuld)witwassen, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s), toen en aldaar (telkens) (krachtens die gewoonte) meermalen van (een) (grote) geldbedrag(en),

te weten van een of meerdere (grote) geldbedragen van in totaal 60.118,- euro althans enig(e) geldbedrag(en), namelijk:

- op 2 november 2010 een bedrag van 15.410,00 euro (factuurnummer 1020 afkomstig van [bedrijf 11]);

- op 16 november 2010 een bedrag van 22.514,00 euro (factuurnummer 2021 afkomstig van [bedrijf 11]);

- op 3 februari 2011 een bedrag van 14.875,- euro (factuurnummer 1022 afkomstig van [bedrijf 13]);

- op 19 april 2011 een bedrag van 4.105,- euro (factuurnummer 1101 afkomstig van [bedrijf 11]);

- op 20 april 2011 een bedrag van 3.213,- euro (factuurnummer 1019 afkomstig van [bedrijf 15]);

de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans heeft/hebben verdachte en of zijn mededader(s) verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(en) was/waren van genoemd(e) geldbedrag(en) en/of genoemd(e) geldbedrag(en) voorhanden heeft/hebben gehad terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat voornoemd(e) geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

en/of

bovengenoemde geldbedrag(en) verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of overgedragen en/of omgezet, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven en/of het voorhanden krijgen en/of overdragen en/of omzetten van bovengenoemd(e) geldbedrag(en), wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat bovengenoemd(e) geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit de opbrengst van de handel in verdovende middelen, in elk geval afkomstig was/waren van enig misdrijf;

[artikel 420ter/bis/quater Wetboek van Strafrecht]

((gewoonte)(/)(schuld)witwassen)

1 Het begrip kerngetuige is in deze zaak geïntroduceerd voor de getuigen [kerngetuige 1] en [kerngetuige 2] gelet op hun cruciale rol in de gehele zaak, maar met name in de bewijsvoering.

2 Pagina 8 van het requisitoir.

3 Pagina 9 van het requisitoir.

4 Pagina 10 van het requisitoir.

5 Proces-verbaal van de zitting van mei 2013, p. 12.

6 Proces-verbaal van de zitting van september 2013, bijlage 7.

7 Proces-verbaal van de zitting van mei 2013, p. 12.

8 Proces-verbaal van de zitting van mei 2013, p. 13.

9 Proces-verbaal van de zitting van mei 2013, p. 22 en p. 29.

10 Proces-verbaal van de zitting van mei 2013, p. 13.

11 Processen-verbaal van vrijwel alle zittingen.

12 Proces-verbaal van de zitting van april 2013, p. 25.

13 Proces-verbaal van de zitting van maart en april 2014, bijlage 38, p. 3 van het openbaar faillissementsverslag van [kerngetuige 1], d.d. 8 juni 2009.

14 Proces-verbaal van de zitting van maart en april 2014, bijlage 38, p. 1 van het eindverslag faillissement [kerngetuige 1], d.d. 30 juli 2013.

15 Proces-verbaal van de zitting van maart en april 2014, bijlage 38, p. 2 van het openbaar faillissementsverslag van [kerngetuige 1], d.d. 8 juni 2009.

16 Proces-verbaal van de zitting van maart en april 2014, bijlage 38, p. 2 van het openbaar faillissementsverslag van [kerngetuige 1], d.d. 18 juni 2010.

17 Zaaksdossier 1, pagina 515.

18 Zaaksdossier 1, p. 509.

19 Zaaksdossier 1, p. 238.

20 Zaaksdossier 1, p. 243.

21 Zaaksdossier 1, p. 244.

22 Zaaksdossier 1, p. 243.

23 Zaaksdossier 1, p. 517.

24 Zaaksdossier 1, p. 246.

25 Zaaksdossier 1, p. 248.

26 Zaaksdossier 1, p. 657.

27 Zaaksdossier 1, p. 658.

28 Zaaksdossier 1, p. 253.

29 Zaaksdossier 1, p. 232-233 en het proces-verbaal van verhoor, opgemaakt door de rechter-commissaris op 20 maart 2012, inhoudende als verklaring van [broer kerngetuige 1], p. 5.

30 Zaaksdossier 1, p. 233.

31 Zaaksdossier 1, p. 234.

32 Zaaksdossier 1, p. 650-651.

33 Zaaksdossier 1, p. 1093 e.v.

34 Zaaksdossier 1, p. 231.

35 Zaaksdossier 1, p. 3647.

36 Zaaksdossier 1, p. 3648.

37 Zaaksdossier 1, p. 3648.

38 Zaaksdossier 1, p. 3647.

39 Proces-verbaal van verhoor, opgemaakt door de rechter-commissaris op 19 april 2012, inhoudende als verklaring van [betrokkene 10], p. 5-6.

40 Zaaksdossier 1, p. 2424.

41 Proces-verbaal van verhoor, opgemaakt door de rechter-commissaris op 19 juni 2012, inhoudende als verklaring van [broer kerngetuige 1], p. 3.

42 Proces-verbaal van de zitting van september 2013, p. 22.

43 Proces-verbaal van de zitting van maart en april 2014, p. 8.

44 Proces-verbaal van de zitting van maart en april 2014, p. 54.

45 Proces-verbaal van de zitting van maart en april 2014, bijlage 8.

46 Zaaksdossier 1, p. 3687.

47 Proces-verbaal van de zitting van maart en april 2014, bijlage 38, p. 2 van het openbaar faillissementsverslag van [kerngetuige 1], d.d. 12 december 2011.

48 Proces-verbaal van de zitting van april 2013, bijlage 20.

49 Zie o.m. HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:1020.

50 Zie voor de omschrijving van het begrip kerngetuige voetnoot nummer 1.

51 In de hierna volgende voetnoten wordt met proces-verbaal bedoeld het relaasproces-verbaal in zaaksdossier 8 (Witwassen [medeverdachte 4]/[verdachte]) met nummer PL 2672/29-607962, gedateerd 24 februari 2012. De in de voetnoten genoemde bijlagen zijn bijlagen bij dat proces-verbaal. Dit relaasproces-verbaal is opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Indien en voor zover als bijlagen ook processen-verbaal zijn opgenomen, geldt hiervoor hetzelfde. Indien en voor zover de bijlagen geen processen-verbaal zijn, betreffen het andere geschriften.

52 Bijlage 18.2, p. 1162, bijlage 22.2, p. 1249 e.v., bijlage 23, p. 1256 e.v.

53 Bijlage 18.2, p. 1162, bijlage 23, p. 1268.

54 Bijlage 24.3, p. 1438.

55 Proces-verbaal p. 71 t/m 73, bijlage 22.1, p. 1246, bijlage 22.2, p. 1251 e.v., bijlage 23, p. 1269 en 1270.

56 Bijlage 22.2, p. 1251 e.v.

57 Bijlage 23.2, p. 1329 en 1334.

58 Bijlage 24.3, p. 1488, 1489, 1490.

59 Proces-verbaal p. 71, bijlage 21.2, p. 1239.

60 Proces-verbaal p. 74.

61 Proces-verbaal p. 77, bijlage 24.7, p.1553 e.v.

62 Proces-verbaal p. 75 en 76, bijlage 24.3, p. 1398 e.v.

63 Proces-verbaal p. 76, bijlage 24.4, p. 1500 e.v.

64 Proces-verbaal p. 81 en 82, bijlage 27.1, p. 1750 e.v. en bijlage 27.2, p. 1755 e.v.

65 Proces-verbaal p. 79 t/m 81, bijlage 26.2, p. 1663 e.v.