Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:4341

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
14-04-2014
Datum publicatie
04-06-2014
Zaaknummer
C/10/447207 / KG ZA 14-270
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

voorlopige ordemaatregelen in afwachting procedure over bindend advies, ontbinding vennootschap

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/447207 / KG ZA 14-270

Vonnis in kort geding van 14 april 2014

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. P.W.H.M. Dijkmans te Bladel

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats2],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. A.A.T. Werner te Utrecht.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 21 maart 2014, met producties 1 tot en met 26

  • -

    de eis in reconventie, met producties 1 tot en met 14

  • -

    de aanvullende producties van [eiser], genummerd 26(a) tot en met 29

  • -

    de mondelinge behandeling van 31 maart 2014

  • -

    de pleitnota van [eiser]

  • -

    de pleitnota van [gedaagde]

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] en [gedaagde] zijn broers en houden ieder 50% van de aandelen van [BV](hierna: de BV). Zij zijn tevens gezamenlijk bestuurder van de BV. De BV exploiteert een agrarische (akkerbouw)onderneming.

2.2.

[eiser], [gedaagde] en [vader] (de vader van [eiser] en [gedaagde]: hierna de vader) zijn eveneens maten in de Maatschap[maatschap] (hierna: de maatschap). De maatschap exploiteert gronden ten behoeve van de fruitteelt.

2.3.

Zowel de BV als de maatschap hebben meerdere percelen van de vader en van [ooms], ooms van [eiser] en [gedaagde] (hierna: de ooms), tegen vergoeding in gebruik in Sommelsdijk en Dirksland. Ook wordt een aantal percelen gepacht van derden, al dan niet via (de gebruiksrechten van de) vader en/of de ooms. De vader en de ooms willen de percelen zij in eigendom hebben in de toekomst overdragen aan [eiser] en [gedaagde].

2.4.

Als gevolg van onenigheid tussen [eiser] en [gedaagde] wensen beiden de samenwerking in de BV en de maatschap te beëindigen en zowel de BV als de maatschap te ontbinden. [eiser] en [gedaagde] hebben hierover in het verleden (met behulp van eigen adviseurs) overlegd, maar zij hebben geen overeenstemming bereikt.

2.5.

Bij brief van 28 november 2012 hebben de toenmalige wederzijdse adviseurs van [eiser] en [gedaagde] gezamenlijk voorgesteld dr.[arbiter] te benoemen tot arbiter om een tussen partijen bindende beslissing over de beëindiging van de samenwerking te geven. Vanwege de eigendoms- en de pachtrechten van de vader en de ooms, is het voorstel voor benoeming van [arbiter] tot arbiter ook voorgelegd aan de vader en de ooms. Het voorstel van 28 november 2012 is door [eiser], [gedaagde], de vader en de ooms voor akkoord getekend.

2.6.

Bij inhoudelijk gelijkluidende brief van 8 februari 2013 aan zowel [eiser] als aan [gedaagde] is door [arbiter] en [arbiter2] (hierna gezamenlijk: de bindend adviseurs en afzonderlijk [arbiter] of [arbiter2]) het volgende geschreven:

“ Volgend op uw instemming met de brief van 28 november 2012 (..) inzake de bedrijfsoverdracht van het landbouw- en fruitteeltbedrijf van de familie Van Es, zenden wij u hierbij de opdrachtbevestiging voor de door ons te verrichten diensten als arbiters. (..)

Wij zijn onze werkzaamheden inmiddels gestart en verzoeken u een exemplaar van deze opdrachtbevestiging voor akkoord getekend terug te sturen.

Prof. Dr. [arbiter] Consulting B.V. en HALDT Consult B.V. zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van de werkzaamheden en hebben als opdracht een bindend voorstel te doen ter oplossing van de voorliggende bedrijfsoverdracht. Namens beide vennootschappen zullen respectievelijke de heer [arbiter] en de heer [arbiter2] de werkzaamheden uitvoeren (…)

Over de uitkomsten van de werkzaamheden zal gerapporteerd worden in de vorm van een bindend voorstel aan betrokkenen, als vastgelegd in de brief van 28 november 2012 (..).”

Zowel [eiser] als [gedaagde] hebben deze brief voor akkoord ondertekend.

2.7.

Bij brief van 15 juli 2013 hebben de adviseurs het volgende aan [eiser],[gedaagde], de vader en de ooms geschreven:

“Geachte heren,

In het kader van onze opdracht berichten wij u dat onze eerste – tussentijdse – uitspraak gereed is en aan u toegezonden kan worden. Wij wijzen u echter op het volgende:

Op basis van de benoemingsbrief van 28 november 2012 hebben wij de voorliggende situatie en vragen beoordeeld. Ons stellig oordeel is dat deze situatie en vragen zich naar hun aard slecht of zelfs geheel niet lenen voor het uitspreken van een arbitraal vonnis, zoals geregeld in het burgerlijk recht. De belangrijkste reden daarvoor is dat in de voorliggende situatie geen sprake is van één of meerdere eisende en verwerende partijen, maar dat veeleer sprake is van de wens een reeds lang bestaande, edoch ongewenste situatie te doen beëindigen. Wij hebben dan ook na bestudering van de situatie onze taak zo opgevat dat een bindend advies moet worden uitgebracht waaraan alle betrokkenen zich gehouden weten.

Teneinde ons advies bindend te laten zijn in haar werking jegens u allen is het van belang de opdracht ook als zodanig te formuleren. Wij verzoeken u deze brief voor akkoord getekend te retourneren waarmee u instemt met de benoeming van de heren [arbiter] en [arbiter2] tot bindend adviseurs te rekenen vanaf 1 januari 2013 en voor de duur van hun opdracht.”

Alle adressanten van de genoemde brief hebben deze voor akkoord getekend.

2.8.

Na ontvangst van deze akkoordverklaring, hebben de bindend adviseurs een op 15 juli 2013 gedateerd ‘Tussentijds bindend advies beëindiging samenwerking [BV]’ (hierna: het bindend advies van 15 juli 2013) verzonden. In dit bindend advies is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:

“ Het geschil behelst de vraag op welke wijze de door ieder van u, individueel of in gezamenlijkheid, gehouden of gebruikte percelen en overige aan het landbouw- en fruitteeltbedrijf dienstige roerende zaken verdeeld kunnen worden, zodanig dat sprake is van een rechtvaardige verdeling en een definitieve beëindiging van de samenwerking tussen (de ondernemingen van) de heren [eiser/gedaagde].

Wij hebben deze vraag opgesplitst in vier deelvragen, te weten:

  • -

    Welke verdeling van percelen kan worden vastgesteld in het licht van de gewenste oplossing?

  • -

    Welke verdeling van roerende zaken (machines en materieel) is passend bij de gekozen verdeling, als bedoeld bij vraag 1.

  • -

    Welke verdeling geldt voor de financiële resultaten van de bestaande samenwerkingsverbanden (maatschap en vennootschap)?

  • -

    Welke overige (juridische en fiscale) stappen dienen te worden gezet om bovenstaande verdeling en de beëindiging van de samenwerking te bewerkstelligen?

(…)

De adviseurs stellen zich op het standpunt dat de verdeling van de gronden dient te geschieden conform de door de gebroeders[vader/ooms] geuite uitdrukkelijke wens te komen tot een redelijke en billijke verdeling van het gebruik van de bij hen in bezit zijnde gronden. Wij hebben daarbij geen verschil willen maken bij de toedeling die gegund zou kunnen worden (zoals door de heer[gedaagde] is aangevoerd) op basis van de werk- en aandachtsverdeling over de verschillende activiteiten in de gezamenlijke exploitatie van zowel de heren [vader/ooms], alsmede [eiser/gedaagde], te weten de akkerbouw en de fruitteelt. Immers beide broers, [eiser/gedaagde] bezitten de vereiste kwalificaties om een agrarisch bedrijf te leiden. Het enkele feit dat de verdeling van aandacht en werkzaamheden tussen de beide broers [eiser/gedaagde] over de akkerbouw en de fruitteelt in de praktijk is ontstaan, vormt onvoldoende grond om tot een verdeling van de gebruiksrechten te komen anders dan een zo evenredig mogelijke, zowel naar waarde als naar oppervlakte.

(…)

In deze brief is een bindend advies opgenomen over de verdeling van de percelen. Een tijdige uitspraak is van belang vanwege de naderende oogst waarna gronden blootschoofs in gebruik genomen kunnen worden door partijen. Ten aanzien van de beantwoording van de overige deelvragen zal later uitspraak volgen

(..)

Voorts is vastgesteld dat de uitspraak in deze kwestie vooraleerst betrekking heeft op de gebruiksrechten van de gronden en niet op het eigendom ervan. (..)

Wij verwachten de conclusies van de taxaties van de roerende zaken op korte termijn in definitieve vorm te ontvangen. Volgens informatie van [persoon1] zijn de heren [eiser/gedaagde] in de gelegenheid gesteld te reageren op de door Mol uitgevoerde taxatie. Een reactie daarop van de heer [eiser] is reeds ontvangen, van de heer[gedaagde] wordt nog een reactie verwacht. Daaraan volgend zal u de procedure voor wat betreft de verdeling van de roerende zaken worden meegedeeld en worden geëffectueerd. (…).”

2.9.

Bij brief van 9 oktober 2013 hebben de bindend adviseurs aan [eiser], [gedaagde], de vader en de ooms het volgende geschreven:

“ In het kader van onze opdracht om een bindend advies uit te brengen inzake de door u uit te voeren bedrijfsoverdracht, berichten wij u als volgt. Per 15 juli 2013 hebben wij een bindend advies uitgebracht over de verdeling ter gebruik van de in het advies benoemde percelen. Deze verdeling dient geldigheid te krijgen nadat de oogst van deze zomer (2013) van het land is gehaald. Wij verzoeken u bij het maken van het bouwplan voor het komende groeiseizoen de door ons geadviseerde verdeling aan te houden en op die basis eventueel voorbereidende werkzaamheden ter hand te nemen.

(..)

Het streven is om te komen tot een tweetal volwaardige landbouwbedrijven in de vorm van eenmanszaken op naam van de heren [eiser/gedaagde]. In dat kader verzoeken wij beide heren op korte termijn een inschrijving te doen (in het Handelsregister) van een landbouwbedrijf op ieders naam afzonderlijk (..). ”

2.10.

[eiser] heeft de eenmanszaak ‘[eenmanszaak]’ ingeschreven in de Kamer van Koophandel.

2.11.

[gedaagde] heeft de eenmanszaak ‘[eenmanzaak2]’ ingeschreven in de Kamer van Koophandel.

2.12.

Op 1 november 2013 heeft taxateur [persoon1] een taxatierapport uitgebracht ter zake van de handelswaarde van machines van de BV en de maatschap bij niet gedwongen verkoop.

2.13.

Bij brief van 24 december 2013 heeft [persoon2] namens notaris [notaris], werkzaam bij Van der Straaten Notarissen te Mijnsheerenland, [eiser] en [gedaagde] uitgenodigd om voor 10 januari 2014 een bieding uit te brengen ten aanzien van de machines die zijn getaxeerd door [persoon1]. In deze brief heeft [persoon2] aangekondigd dat de machines zullen worden gegund aan de hoogste bieder, met dien verstande dat het betreffende object alleen wordt gegund als het bod hoger of gelijk is aan de getaxeerde waarde.

2.14.

Bij brief van 9 januari 2014 aan [arbiter] heeft mr. G.M.F. Snijders, raadsman van [gedaagde] in de ontbindingsprocedure (hierna: mr. Snijders), de adviseurs verzocht om hun werkzaamheden te schorsen en de termijn voor bieding ten aanzien van de machines op te schorten, totdat antwoord is gegeven op bij hem levende vragen.

2.15.

Bij brief 23 januari 2014 hebben de adviseurs aan mr. Snijders een antwoord gezonden. Daarnaast is de eindtermijn voor een bieding verlengd naar 12 februari 2014, 12.00 uur, zodat de veiling op 13 februari 2014 gehouden zou kunnen worden.

2.16.

Bij brief van 12 februari 2014 heeft mr. Snijders aan de adviseurs onder meer verzocht om van de veiling af te zien.

2.17.

Bij e-mail van 14 februari 2014 heeft [arbiter2] namens de bindend adviseurs aan [eiser] en [gedaagde] gemeld dat naar aanleiding van de brief van 12 februari 2014 van mr. Snijders de wijze van veilen van de objecten zal worden gewijzigd, waarbij, kort samengevat, iedere partij op de taxatielijst aangeeft welke machines hij tegen de taxatieprijs wenst over te nemen, waarna alleen een bieding zal volgen voor machines die door zowel [eiser] als [gedaagde] worden gewenst. Uiterlijk op 25 februari 2014 te 14.00 uur kunnen partijen hun lijst indien bij Van Der Straaten Notarissen.

2.18.

Bij brief van 27 februari 2013 hebben de bindend adviseurs aan [eiser], [gedaagde], de vader en de ooms het volgende, voor zover hier van belang, geschreven:

“ hierbij delen wij u de uitkomst van de veiling van de inventaris van de B.V. en de Maatschap mede, volgens de procedure die is vastgelegd in onze brief van 14 februari 2014. Wij hebben van de notaris, als genoemd in de bedoelde brief, begrepen dat slechts van één partij, te weten de heer [eiser], een biedingslijst per aangetekende brief in gesloten enveloppe is ontvangen vóór afloop van de gestelde termijn, te weten 25 februari 12:00 uur. Ook nadien is geen andere bieding bij de notaris binnen gekomen volgens de gestelde procedure noch op andere wijze heeft de notaris of ons enig bericht van belangstelling van de andere partij te weten de heer[gedaagde] bereikt.

Wij stellen voorts vast dat bij ons geen reactie is binnen gekomen inhoudende enig bezwaar tegen de in de brief van 14 februari 2014 vervatte procedure. Derhalve achten wij niet in de weg staan om thans de biedingenlijst van de heer [eiser] als enige te laten honoreren door de notaris. Dit houdt in dat de in de lijst van de heer [eiser] aangegeven objecten tegen de getaxeerde waarde kunnen worden gegund. Deze lijst is bijgevoegd.

Tevens is hiermee het veilingproces beëindigd en kan worden overgegaan tot levering van de aangegeven objecten in de biedingenlijst van [eiser]. Zulks zal onder toezicht van de notaris en in aanwezigheid van één der bindende adviseurs en de taxateur geschieden op maandagmiddag 3 maart 2014 te 15:00 uur ter plaatse waar de objecten zijn opgeslagen. (..)”

2.19.

Bij brief van 28 februari 2014 heeft mr. Snijders de adviseurs gesommeerd hun werkzaamheden op te schorten, nu [gedaagde] voornemens is een vordering in te dienen tot vernietiging van de tot dusverre door de adviseurs genomen beslissingen.

2.20.

In een e-mailbericht van 4 maart 2014 heeft notaris mr. [notaris] aan [arbiter] laten weten dat [gedaagde] hem heeft meegedeeld het niet eens te zijn met de veiling en de daaraan verbonden verplaatsing van de diverse goederen naar [eiser].

3 Het geschil in conventie

3.1.

[eiser] vordert – zakelijk weergegeven – dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, op alle dagen en uren en op de minuut:

  1. [gedaagde] verbiedt om na de betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis, de percelen te betreden, zulks met machtiging van [eiser] om bij overtreding van dit verbod, dit verbod te handhaven met behulp van de sterke arm van politie en justitie op kosten van [gedaagde], een en ander op verbeurte van een dwangsom van € 50.000,- dan wel een in goede justitie te bepalen dwangsom, voor iedere keer dat voornoemd verbod wordt overtreden;

  2. [gedaagde] gebiedt om, na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis, de toegangswegen naar de percelen vrij te houden teneinde [eiser] in staat te stellen de percelen ongehinderd te betreden met het door [eiser] gewenste materieel, zulks met machtiging van [eiser] om bij overtreding van dit gebod, dit gebod te handhaven met behulp van de sterke arm van politie en justitie op kosten van [gedaagde], een en ander op verbeurte van een dwangsom van € 50.000,- dan wel een in goede justitie te bepalen dwangsom, voor iedere keer dat dit gebod wordt overtreden;

  3. [gedaagde] gebiedt om – binnen 24 uur na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis – alle machines en inventaris vermeld op productie 3, alsmede alle toegebehoren, voor zover deze niet op productie 3 staan vermeld, aan [eiser] te leveren conform het uitgebrachte bindend advies, althans al het voornoemde aan hem exclusief ter beschikking te stellen ten behoeve van het exclusieve gebruik dat hij daarvan wenst te maken, onder andere, maar niet uitsluitend door:

- de toegangswegen c.q. inrit(ten) naar het erf van [gedaagde] vrij te houden, op een dusdanige wijze dat [eiser] dan wel een of meer door hem aan te wijzen derden voornoemde machines en inventaris ongehinderd van het erf van [gedaagde] kunnen ophalen;

- [eiser] dan wel een of meer door hem aan te wijzen derden de ongehinderde toegang te verlenen tot het erf van [gedaagde] en tot de ruimtes waarin de machines en inventaris zijn opgeslagen;

- de toegang van deze ruimtes tot aan de openbare weg volledig vrij te houden op een dusdanige wijze dat de machines en inventaris ongehinderd van het erf van [gedaagde] kunnen worden weggevoerd;

- eventuele contact(sleutels), kentekenpapieren en alle overige bij de machines en inventaris c.a. behorende documenten te overhandigen;

- de ruimtes vooraf op een zodanige manier in te richten dat de machines en inventaris daaruit ongehinderd kunnen worden meegenomen,

zulks met machtiging van [eiser] om bij overtreding van dit gebod, de machines en inventaris in bezit te nemen met behulp van de sterke arm van politie en justitie op kosten van [gedaagde], op straffe van een dwangsom van € 50.000,- althans een in goede justitie te bepalen bedrag, per dag, voor iedere dag dat hij in gebreke blijft om aan het gevorderde onder c volledig te voldoen;

[gedaagde] te veroordelen in de werkelijke kosten van deze procedure.

3.2.

[gedaagde] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 Het geschil in reconventie

4.1.

[gedaagde] vordert – zakelijk weergegeven – dat de voorzieningenrechter, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

Primair:

- [eiser] gebiedt, per datum van het wijzen van het vonnis, in afwachting van een door de rechter in hoogste instantie te geven beslissing ter zake de vordering tot vernietiging van de bindende beslissingen, de percelen, machines en inventaris te blijven gebruiken zoals dat voorheen gebeurde (voor wat betreft de percelen tot het tussentijds bindend advies van 15 juli 2013) en voor wat betreft de machines en inventaris tot de veiling en derhalve

- bepaalt dat dat [eiser] – bij wijze van voorlopige maatregel – bij voorrang gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de voor de fruitteelt bestemde percelen, machines en inventaris ten behoeve van de exploitatie van de maatschap, althans primair de onderneming van de maatschap zal exploiteren;

- bepaalt dat [gedaagde] – bij wijze van voorlopige maatregel – bij voorrang gerechtigd zal zijn tot het gebruik van percelen, machines en inventaris bestemd voor de akkerbouw ten behoeve van de exploitatie van de B.V., althans primair de onderneming van de B.V. zal exploiteren

- een en ander zoals voortvloeit uit het overzicht van percelen dat als productie 13 in het geding is gebracht en het taxatierapport van [persoon1] dat als productie 14 aan de dagvaarding is gehecht.

Subsidiair en slechts voor zover de conventionele vordering van [eiser] wordt toegewezen:

  1. [eiser] verbiedt om, na de betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis, de percelen te betreden die op basis van de bindende beslissingen aan [gedaagde] zijn toegewezen, een en ander op verbeurte van een dwangsom van € 50.000,- dan wel een in goede justitie te bepalen dwangsom, voor iedere keer dat het verbod wordt overtreden;

  2. [eiser] gebiedt om, na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis, de toegangswegen naar de aan [gedaagde] toegewezen percelen vrij te houden, teneinde [gedaagde] in staat te stellen deze percelen ongehinderd te (laten) betreden en te (laten) bewerken, een en ander op verbeurte van een dwangsom van € 50.000,- dan wel een in goede justitie te bepalen dwangsom, voor iedere keer dat het verbod wordt overtreden

Primair en subsidiair:

- [eiser] te veroordelen in de kosten van de procedure in conventie en reconventie.

4.2.

[eiser] voert verweer.

4.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling in conventie en in reconventie

5.1.

Gelet op de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie, zullen deze in het navolgende gezamenlijk worden behandeld.

5.2.

In de kern ziet het geschil tussen partijen op de vraag of de tot nu toe gegeven en de nog te geven bindend adviezen partijen binden cq of zij (ver)nietig(baar) zijn. In dat verband vorderen partijen ieder voor zich het gebruik van percelen c.q. machines/zaken, waarbij zij met name verschillen over het gebruik van percelen c.q. machines/zaken ten behoeve van de akkerbouw.

5.3.

Vaststaat dat partijen overeengekomen zijn hun geschil bij wege van bindend advies te beslechten en er een eerste bindend (deel)advies is gegeven. [gedaagde] stelt zich onder meer op het standpunt dat de bindend adviseurs buiten hun opdracht zijn getreden en de bindend adviseurs wezenlijke beginselen van ‘hoor en wederhoor’ en ‘onafhankelijkheid en onpartijdigheid’ hebben geschonden. Beantwoording van de vraag of het bindend advies aantastbaar is, gaat het kader van een kort geding te buiten, nu daarvoor nader feitelijk onderzoek nodig zal zijn, bij voorbeeld omtrent de werkwijze van de bindend adviseurs. Over de houdbaarheid van het bindend advies zal derhalve in een bodemprocedure beslist moeten worden.

5.4.

Gelet op de ernstig verstoorde verhoudingen tussen partijen zoals gebleken is uit de stukken en uit het verhandelde ter zitting, kan worden vastgesteld dat aan de samenwerking tussen partijen – hoe dan ook – een einde dient te komen. Partijen zijn het daarover ook eens. Die vaststelling – gegeven ook de noodzakelijke continuïteit van de agrarische werkzaamheden – rechtvaardigt een ordemaatregel, zodat partijen voor zover en voor zoveel thans mogelijk ieder hun eigen weg kunnen gaan. Gelet op de tot dusverre bestaande nauwe verwevenheid van de bedrijfsactiviteiten en van partijen ziet de voorzieningenrechter zich genoodzaakt een gedetailleerde regeling te treffen.

5.5.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat, onder meer gelet op de door beide partijen reeds gedane aankopen en reeds verrichte werkzaamheden, als uitgangpunt bij het treffen van voorlopige maatregelen de ter zitting bestaande situatie heeft te gelden, die voortbouwt op de in het bindend advies gemaakte verdeling. Dit betekent dat partijen voorlopig dienen te berusten in de verdeling van percelen zoals vastgesteld in het tussentijds bindend advies van 15 juli 2013 (genoemd in overweging 2.8). Voor de door [gedaagde] voorgestelde voorlopige werkverdeling, die inhoudt dat hij met uitsluiting van [eiser] de werkzaamheden in opdracht van de BV zal verrichten en [eiser] met uitsluiting van [gedaagde] werkzaamheden in opdracht van de maatschap, ziet de voorzieningenrechter geen grond. Gelet op de onenigheid van partijen bij het vaststellen van de jaarrekeningen van de BV en de maatschap over de afgelopen jaren, valt niet in te zien dat een dergelijke werkverdeling (die immers ook zal moeten leiden tot geldelijke verrekening van de voor 2014 reeds gedane aankopen en verrichtte werkzaamheden door [eiser]) tot minder problemen zal leiden dan in het geval dat uitgegaan wordt van de thans bestaande situatie. Deze voorlopige maatregel zal blijven gelden totdat in een bodemprocedure uitspraak is gedaan over de rechtsgeldigheid van het bindend advies.

5.6.

Gelet op de verwachting dat ontbinding van de BV en de maatschap eerst over geruime tijd zal plaatsvinden, dienen de werkzaamheden van de afzonderlijke eenmanszaken zo te worden begrepen dat de BV dan wel (voor zover zich dit zal voordoen) de maatschap opdracht geeft aan de eenmanszaken van [eiser] en [gedaagde] tot exploitatie van de ieder bij deze uitspraak voorlopig toebedeelde percelen, met alle lusten en lasten daarvan. Ieder is bij de ontbinding te zijner tijd gehouden de door zijn bedrijf in opdracht van de BV, dan wel de maatschap, verrichte werkzaamheden naar (bij ontbinding vast te stellen) evenredigheid te verrekenen met die van de ander. Partijen zijn elkaar dus bij de ontbinding van de BV en de maatschap rekening en verantwoording verschuldigd. Zij dienen daar in hun wijze van bedrijfsvoering rekening mee te houden.

5.7.

Nu ieder voor zich bij de exploitatie van de (voorlopig) hem toebedeelde percelen over machines/zaken van de BV, dan wel de maatschap, moet beschikken en ter zitting gebleken is dat partijen deels dezelfde machines/zaken (zoals opgesomd in het in overweging 2.12 genoemde rapport, produktie 16 bij de dagvaarding) wensen te gebruiken, terwijl niet gewenst is dat partijen voor het gebruik van deze machines/zaken moeten samenwerken, zal de voorzieningenrechter de voorlopige verdeling voor het gebruik van machines/zaken tussen partijen hierna in het dictum vaststellen. Als gevolg hiervan zullen de machines/zaken, voor zover deze in de macht van de ander zijn, ter beschikking moeten worden gesteld aan degene aan wie ze voorlopig ten gebruike zijn gegeven. Deze voorlopige maatregel zal eveneens blijven gelden totdat in een bodemprocedure uitspraak is gedaan over de rechtsgeldigheid van het bindend advies. Gedurende de werkingsduur van deze voorlopige maatregel zal ieder zelf verantwoordelijk zijn voor de wijze van gebruik, de afschrijving, eventuele schade, verzekering en alle andere kosten voor het in stand houden van de hem voorlopig in gebruik gegeven machines/zaken. De BV en de maatschap blijven de eigenaar van de desbetreffende machines/zaken.

5.8.

[gedaagde] heeft gesteld geen gebruik te willen maken van de machines/zaken van de maatschap, zoals omschreven op pagina 21 in het in overweging 2.12 genoemde rapport. Deze machines/zaken zullen derhalve voorlopig in gebruik worden gegeven aan [eiser]. Voor zover deze machines/zaken zich in de macht van [gedaagde] bevinden, wordt [gedaagde] veroordeeld tot afgifte van deze machines/zaken aan [eiser].

5.9.

Ten aanzien van de machines/zaken die van de BV zijn, zoals omschreven op de pagina’s 13 en 14 van het in overweging 2.12 genoemde rapport, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Uit praktische overweging volgt de voorzieningenrechter de toebedeling van de machines/zaken, zoals door de adviseurs is vastgesteld bij brief van 27 februari 2014. Dit betekent dat aan [eiser] de machines/zaken ter beschikking zullen moeten worden gesteld, die staan vermeld op de door hem bij notariskantoor Van Der Straaten ingeleverde biedingslijst, terwijl de overige machines/zaken aan [gedaagde] ten beschikking moeten worden gesteld.

5.10.

Voor zover [gedaagde] dan wel [eiser], als gevolg van de toebedeling aan de ander, machines/zaken zal moeten huren of anderszins kosten moet maken om over de nu aan de ander toebedeelde machines/zaken te beschikken in afwachting van de definitieve beëindiging van de samenwerking, dient dit te geschieden ten laste van de BV, dan wel de maatschap.

5.11.

Als prikkel tot nakoming van de opgelegde verplichting tot afgifte van de in overweging 5.9 en 5.10 genoemde machines/zaken aan [eiser], c.q [gedaagde], ziet de voorzieningenrechter aanleiding een dwangsom op te leggen als hierna onder 6 gemeld. De dwangsom zal worden gemaximeerd. Geen dwangsom wordt opgelegd voor de onder 5.8 bedoelde machines/zaken, nu de voorzieningenrechter er vanuit gaat dat deze machines/zaken reeds in het bezit zijn van [eiser].

5.12.

Gelet op de al eerder genoemde ernstig verstoorde verhoudingen tussen partijen ziet de voorzieningenrechter eveneens aanleiding om zowel [eiser] als [gedaagde] een verbod op te leggen om de percelen te betreden, die voorlopig aan de ander in gebruik zijn gegeven. Eveneens is er aanleiding om zowel [eiser] als [gedaagde] te gebieden de toegangswegen tot de percelen in gebruik bij de ander, vrij te houden. Ter zake van dit wederzijdse gebod zal een (gemaximeerde) dwangsom worden opgelegd als hierna onder 6 vermeld, terwijl aan [eiser] de gevraagde machtiging om de tenuitvoerlegging van het vonnis te bewerkstelligen met behulp van de sterke arm, zal worden verleend.

5.13.

Ter zitting heeft [eiser] verzocht om toestemming om met enige regelmaat de percelen van [gedaagde] te betreden voor het ophalen van fruit ten behoeve van de handel van de vader. Gelet op de ter zitting over dit verzoek gevolgde discussie tussen partijen wijst de voorzieningenrechter dit verzoek af om verdere escalatie van het conflict tussen [eiser] en [gedaagde] te voorkomen. Voor zover als gevolg van deze beslissing kosten moeten worden gemaakt om het fruit ten behoeve van de handel van de vader op te laten halen door een derde, moeten deze kosten ten laste van de maatschap worden gebracht.

5.14.

De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om [gedaagde] te veroordelen in de werkelijke kosten van deze procedure. [gedaagde] heeft onderbouwd waarom hij niet wenst mee te werken aan de uitvoering van een bindend advies van 15 juli 2013 en zich beroept op de (ver)nietig(baar)heid daarvan. Gelet op dit onderbouwde standpunt kan niet worden gesproken van een zodanig laakbare houding en/of zodanig procesgedrag van [gedaagde] dat een veroordeling in de werkelijke kosten van de procedure op zijn plaats zou zijn.

5.15.

Gelet op de aard van het geschil, de familierechtelijke verhoudingen en het feit dat beide partijen gedeeltelijk in het (on)gelijk zijn gesteld zullen de proceskosten in conventie en reconventie tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

6 De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

6.1.

verbiedt [gedaagde] om, na de betekening van dit vonnis, de percelen te betreden, die bij het bindend advies van 15 juli 2013, genoemd in overweging 2.8 van dit vonnis, aan [eiser] zijn toebedeeld, totdat in een nog te entameren bodemprocedure uitspraak zal zijn gedaan over de rechtsgeldigheid van het bindend advies,

6.2.

gebiedt [gedaagde] om, na betekening van dit vonnis, de toegangswegen naar de voorlopig aan [eiser] in gebruik gegeven percelen vrij te houden teneinde [eiser] in staat te stellen de percelen ongehinderd te betreden met het door [eiser] gewenste materieel, totdat in een nog te entameren bodemprocedure uitspraak zal zijn gedaan over de rechtsgeldigheid van het bindend advies,

6.3.

gebiedt [gedaagde] om binnen een week na betekening van dit vonnis alle machines/zaken zoals vermeld op de biedingenlijst die door [eiser] in 2014 is ingediend bij notariskantoor Van Der Straaten en alle machines/zaken die in het in overwegingen 2.12 genoemde rapport als eigendom van de maatschap zijn vermeld, alsmede alle toebehoren daarvan, voor zover de genoemde machines/zaken in zijn macht zijn, aan [eiser] ter beschikking te stellen ten behoeve van het exclusieve gebruik door [eiser], totdat in een nog te entameren bodemprocedure uitspraak zal zijn gedaan over de rechtsgeldigheid van het bindend advies,

6.4.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 10.000,- - voor iedere keer dat hij niet aan de in 6.2 opgenomen veroordeling voldoet;

- voor iedere dag dat hij niet aan de in 6.3. opgenomen veroordeling voor wat betreft de machines/zaken die eigendom zijn van de BV en die zijn vermeld op de biedingslijst die door [eiser] in 2014 is ingediend bij notariskantoor Van Der Straaten, voldoet;

alles met een maximum van € 500.000,-.

6.5.

machtigt [eiser] om met behulp van de sterke arm van justitie en politie de tenuitvoerlegging van dit vonnis te bewerkstelligen, indien [gedaagde] in gebreke blijft aan het onder 6.2 en 6.3 van dit vonnis bepaalde te voldoen,

6.6.

verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

6.7.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

6.8.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

6.9.

verbiedt [eiser] om na de betekening van dit vonnis, de percelen te betreden, die bij het bindend advies van 15 juli 2013, genoemd in overweging 2.8, aan [gedaagde] zijn toebedeeld, totdat in een nog te entameren bodemprocedure uitspraak zal zijn gedaan over de rechtsgeldigheid van het bindend advies,

6.10.

gebiedt [eiser] om, na betekening van dit vonnis, de toegangswegen naar de voorlopig aan [gedaagde] in gebruik gegeven percelen vrij te houden teneinde [gedaagde] in staat te stellen de percelen ongehinderd te (laten) betreden en te (laten) bewerken, totdat in een nog te entameren bodemprocedure uitspraak zal zijn gedaan over de rechtsgeldigheid van het bindend advies,

6.11.

gebiedt [eiser] om binnen een week na betekening van dit vonnis alle machines/zaken die niet vermeld staan op de biedingenlijst die door [eiser] in 2014 is ingediend bij notariskantoor Van Der Straaten en die blijkens het in overweging 2.12 genoemde rapport eigendom zijn van de BV, alsmede alle toebehoren daarvan, voor zover deze in zijn macht zijn, aan [gedaagde] ter beschikking te stellen ten behoeve van het exclusieve gebruik door [gedaagde], totdat in een nog te entameren bodemprocedure uitspraak zal zijn gedaan over de rechtsgeldigheid van het bindend advies,

6.12.

veroordeelt [eiser] om aan [gedaagde] een dwangsom te betalen van € 10.000,- voor iedere keer dat hij niet aan de in 6.10 opgenomen veroordeling voldoet, en voor iedere dag dat hij niet aan de in 6.11. opgenomen veroordeling voldoet, met een maximum van € 500.000,-.

6.13.

verklaart dit vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

6.14.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

6.15.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.F.L. Geerdes en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2014.2567/1734/676