Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:4088

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-05-2014
Datum publicatie
21-05-2014
Zaaknummer
444207
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 1:377a BW. Verzoek van grootouders tot omgang met de minderjarige. Grootouders zijn ontvankelijk in het verzoek. Sprake van een voldoende bestendige en betekenisvolle relatie tussen de grootouders en de minderjarige om tot het bestaan van een nauwe persoonlijke betrekking te kunnen concluderen. Verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling wordt aangehouden. De gezinsvoogd kan, in het kader van de ondertoezichtstelling, aandacht besteden aan de wenselijkheid om het contact tussen de minderjarige en de grootouders te herstellen en de wijze waarop dat dan mogelijk is. Aan de hand van de bevindingen van de gezinsvoogd zal de rechtbank in een later stadium zich opnieuw buigen over het door de grootouders gedane verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling. De stichting Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam zal dan ook worden aangemerkt als belanghebbende in onderhavige zaak.

De zaak is gelijktijdig behandeld met ECLI:NL:RBROT:2014:4061

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2014-0140
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd

Meervoudige kamer

Zaaknummer: C/10/444207 / FA RK 14-988

Beschikking van 19 mei 2014

in de zaak van

[naam grootouder1] en [naam grootouder2],

beiden wonende te[adres], Suriname,

verzoekers,

advocaat mr. A.M.C. van Bremen (Leiden),

tegen

[naam vader],

wonende te [adres],

verweerder,

advocaat mr. M.T.N. Whiterod (Utrecht).

Partijen worden hieronder aangeduid als de grootouders (moederszijde) respectievelijk de vader.

1 Het procesverloop

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende processtukken:

  • -

    het verzoekschrift van de grootouders, met bijlagen, ingekomen ter griffie op 05 februari 2014;

  • -

    een faxbericht van de zijde van de grootouders d.d. 11 april 2014, met bijlage;

  • -

    het verweerschrift van de vader, met bijlagen, ingekomen ter griffie op 11 april 2014;

  • -

    het F9-formulier van de zijde de vader d.d. 13 april 2014, met bijlagen.

De zaak is gelijktijdig behandeld met het verzoek van de raad voor de kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), strekkende tot ondertoezichtstelling van [naam minderjarige], verder ook te noemen: de minderjarige (bekend onder zaaknummer: C/10/444162 / JE RK 14-371).

De zitting is gehouden op 14 april 2014. Bij die gelegenheid zijn verschenen en gehoord:

  • -

    de advocaat van de grootouders, mr. A.M.C. van Bremen;

  • -

    de vader, bijgestaan door zijn advocaat mr. M.T.N. Whiterod;

  • -

    de raad, vertegenwoordigd door de heer[naam] en de heer [naam];

  • -

    de stichting Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam (hierna: de stichting), vertegenwoordigd door de heer [naam] en mevrouw [naam].

De advocaat van de grootouders heeft ter zitting pleitaantekeningen terzake het verzoek tot omgang overgelegd.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, alsmede op grond van de producties, voor zover niet betwist, staat het volgende tussen partijen vast.

2.1.

De vader van de minderjarige heeft een affectieve relatie gehad met mevrouw[naam moeder]. Tijdens deze relatie is op 20 september 2006 te Rotterdam geboren de minderjarige [naam minderjarige].

2.2.

De moeder was van rechtswege alleen belast met de uitoefening van het ouderlijk gezag over de minderjarige. De vader heeft de minderjarige op 25 september 2006 erkend. Daarbij heeft de minderjarige de geslachtsnaam [naam vader] verkregen.

2.3.

De moeder is op 28 augustus 2010 overleden.

2.4.

De minderjarige heeft van het moment van overlijden van de moeder tot aan oktober 2013 bij de grootouders in [adres], Suriname, gewoond. Vanaf oktober 2013 is de minderjarige woonachtig bij de vader in Nederland.

2.5

Bij tussenbeschikking van 27 oktober 2010 heeft de kantonrechter te Paramaribo, naar aanleiding van het verzoek van de grootouders om een voorziening te geven in de voogdij en toeziende voogdij over de minderjarige, onder meer beslist dat de minderjarige hangende het geding bij de grootouders van moederszijde zou verblijven.

2.6.

Bij beschikking van 14 maart 2012 heeft de kantonrechter te Paramaribo het verzoek van de grootouders om met de (toeziende) voogdij over de minderjarige te worden belast, afgewezen.

2.7.

De grootouders zijn in hoger beroep gekomen van de beschikking van 14 maart 2012 van het kantongerecht te Paramaribo. Op dit hoger beroep is door het Hof van Justitie in Paramaribo nog niet beslist.

2.8.

Bij beschikking van de rechtbank Den Haag d.d. 12 januari 2011, is de vader uitvoerbaar bij voorraad, belast met de uitoefening van het gezag over de minderjarige.

2.9.

Bij beschikking van 1 april 2014 van het gerechtshof Amsterdam is de beschikking van de rechtbank Den Haag d.d. 12 januari 2011 bekrachtigd.

3 Het verzoek

3.1.

De grootouders verzoeken (primair), voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te bepalen:

  • -

    dat er een omgangsregeling zal zijn tussen hen en de minderjarige, bestaande uit jaarlijks (omgang; rb) gedurende de eerste drie weken van de zomer(school)vakantie en de eerste week van de (kerst)schoolvakantie;

  • -

    dat er sprake zal zijn van een regeling bestaande uit de mogelijkheid van dagelijks telefonisch contact op de maandagen tot en met de vrijdagen tussen 17.00 uur en 18.00 uur (Nederlandse tijd) en op de woensdagen, zaterdagen en zondagen de mogelijkheid van een video-/Skype gesprek tussen 17.00 uur en 18.00 uur (Nederlandse tijd); en

  • -

    dat de vader in de kosten van deze procedure wordt veroordeeld.

Ter zitting is namens de grootouders aanvullend verzocht om:

subsidiair

  • -

    een omgangsonderzoek te gelasten, te verrichten door een deskundige, bij voorkeur een (kinder)psycholoog / orthopedagoog;

  • -

    de benoeming van een bijzondere curator;

en meer subsidiair

- indien de rechtbank beslist om de minderjarige onder toezicht te stellen, het primaire verzoek van de grootouders aan te houden en opdracht te geven aan de gezinsvoogd zich nader uit te laten over de omgang binnen vier maanden na aanvang van de ondertoezichtstelling.

3.2.

De grootouders stellen dat zij in nauwe persoonlijke betrekking tot de minderjarige staan. Ter onderbouwing voeren zij aan dat zij van 30 mei 2010 (de dag waarop de moeder en de minderjarige bij de grootouders zijn ingetrokken) tot 4 oktober 2013 de dagelijkse zorg voor de minderjarige gedragen hebben. Hier is abrupt een einde aan gekomen doordat de minderjarige, tegen de wil van de grootouders in, op 4 oktober 2013 onvoorbereid is meegenomen door de vader, terwijl de zorg over de minderjarige (voorlopig) aan de grootouders was toevertrouwd door de kantonrechter te Paramaribo, Suriname.

3.3.

Voorts stellen de grootouders dat omgang en contact tussen hen en de minderjarige in het belang van de minderjarige is. De minderjarige heeft immers de belangrijkste (ontwikkelings)fase van zijn leven doorgebracht bij de grootouders. Derhalve is omgang met de grootouders van belang voor zijn verdere ontwikkeling en identiteitsvorming. Doordat de minderjarige op abrupte wijze is weggehaald bij de grootouders en de vader de omgang frustreert, zal de minderjarige sociaal wenselijk (loyaliteits)gedrag vertonen en aangeven dat hij geen omgang wenst met grootouders c.q. daarover niet spreken met de vader.

4 Het verweer

4.1.

De vader verzoekt primair de grootouders niet-ontvankelijk te verklaren in hun verzoeken. De vader betwist dat sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking tussen de minderjarige en de grootouders. Daartoe voert de vader aan dat de grootouders, in strijd met zijn (gezags)recht, de minderjarige gedurende drie jaar – te rekenen vanaf datum overlijden van de moeder – ontvoerd gehouden hebben. De vader stelt zich op het standpunt dat de grootouders hierdoor geen recht op omgang hebben kunnen verwerven.

4.2.

Subsidiair verzoekt de vader om afwijzing van het primaire verzoek van grootouders, nu er op dit moment bij de minderjarige (emotioneel gezien) geen ruimte is voor omgang met de grootouders. Na overleg met de betrokken hulpverlening (BB+-traject, Stek, de Opvoedpoli en het Centrum Internationale Kinderontvoering) stelt de vader zich op het standpunt dat geforceerd contact tussen de grootouders en de minderjarige thans niet in het belang van de minderjarige is. De vader meent dat de minderjarige eerst de rust en stabiliteit van het wonen en leven bij de vader moet gaan ervaren en alsdan bezien dient te worden hoe de minderjarige zich zal ontwikkelen. Bovendien zullen de grootouders de vader niet langer moeten diskwalificeren. Hoewel de vader zich kan voorstellen dat de minderjarige op enig moment behoefte krijgt om contact te hebben met de grootouders, heeft de minderjarige tot dusver geen signalen geuit waaruit volgt dat de minderjarige behoefte heeft om zijn grootouders te zien of te spreken. De minderjarige heeft zich zelfs hevig verzet tegen contact met de grootmoeder onder begeleiding van een raadsmedewerker gedurende het onderzoek van de raad voor de kinderbescherming. De vader benadrukt dat hij zich niet verzet tegen contacten tussen de minderjarige en de grootouders voor zover het belang van de minderjarige dit toelaat. Wel meent de vader dat het door de grootouders verzochte Skypeschema te veel is. Ook zal hij nimmer zijn medewerking verlenen aan omgangscontacten tussen de minderjarige en de grootouders buiten Nederland. Daartoe voert de vader aan dat hij vreest dat de grootouders de minderjarige opnieuw bij zich zullen houden.

4.3.

Voorts verzoekt de vader om afwijzing van de subsidiaire verzoeken van de grootouders. Het gelasten van een omgangsonderzoek acht de vader op dit moment niet in het belang van de minderjarige. Een extra onderzoek zal veel onrust geven terwijl de minderjarige juist gebaat is om te stabiliseren in de opvoedsituatie bij de vader.

Voor het benoemen van een bijzondere curator bestaat geen wettelijke grondslag.

5 De beoordeling

5.1.

Tussen partijen is in geschil het recht op omgang en daarmee het vaststellen van een omgangsregeling tussen de grootouders en voornoemde minderjarige.

5.2.

Het verzoek van de grootouders is gebaseerd op artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW). Ingevolge artikel 1:377a, lid 1 BW heeft het kind het recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Blijkens het tweede lid van dit artikel stelt de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen of van degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang. Blijkens het derde lid kan het recht op omgang slechts worden ontzegd indien in ieder geval een van de ontzeggingsgronden van toepassing is.

5.3.

Ter toetsing van de ontvankelijkheid van de grootouders in hun verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling ligt derhalve primair ter beoordeling voor of de grootouders in een nauwe persoonlijke betrekking tot de minderjarige staan. Op grond van vaste jurisprudentie betekent dit dat de grootouders, naast het zijn van grootouders, bijkomende omstandigheden moeten stellen waaruit voortvloeit dat er tussen hen en de minderjarige een nauwe persoonlijke betrekking bestaat of een band die kan worden aangemerkt als family life in de zin van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

5.4.

Tussen partijen staat vast dat de grootouders in ieder geval vanaf 28 augustus 2010 tot 4 oktober 2013 de dagelijkse verzorging en opvoeding van de minderjarige gedragen hebben. Ruim drie jaar is er sprake geweest van een gezinsband, ontstaan door het verrichten van exclusieve zorg- en opvoedingstaken wegens het ontbreken van de ouders als opvoeders. Dat de vader van meet af aan zijn bezwaren heeft geuit tegen het verblijf van de minderjarige bij de grootouders, daar hij de zorg voor de minderjarige zelf wenste te dragen, doet hieraan naar het oordeel van de rechtbank niet af. Er is dan ook een voldoende bestendige en betekenisvolle relatie tussen de grootouders en de minderjarige ontstaan om tot het bestaan van een nauwe persoonlijke betrekking te kunnen concluderen. Aldus zijn de grootouders ontvankelijk in hun verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling.

5.5.

Voorts ligt ter beoordeling voor of vaststelling van een omgangsregeling tussen de grootouders en de minderjarige thans in het belang van de minderjarige is.

Zowel partijen als de raad voor de kinderbescherming menen dat contact tussen de minderjarige en de grootouders in het belang van de minderjarige is. In geschil is echter de vraag wanneer en onder welke condities dat contact hersteld dient te worden.

5.6.

Gebleken is dat de minderjarige, thans zeven jaar oud, in zijn jonge leven al veel meegemaakt heeft. Vanaf de geboorte in 2006 woonde de minderjarige, samen met zijn ouders, in Nederland. Eind mei 2010 is het gezin vertrokken naar Suriname en na enkele weken is de vader alleen teruggekeerd naar Nederland. De minderjarige verbleef vanaf dat moment met de moeder in Suriname. Op 28 augustus 2010 is de moeder, die toen alleen belast was met het ouderlijk gezag, onverwacht overleden en hebben de grootouders in Suriname de verzorging en opvoeding van de minderjarige op zich genomen. Na het overlijden van de moeder werd niet meer in het gezag over de minderjarige voorzien. De rechtbank stelt vast dat kort daarna een hevige (juridische) strijd tussen de vader en de grootouders over het gezag over de minderjarige en over de verblijfplaats van de minderjarige is aangevangen en dat er verschillende procedures zijn gevoerd in zowel Nederland als Suriname. Gedurende de strijd van circa drieënhalf jaar heeft de minderjarige zijn vader slechts een keer gezien en is er via de telefoon beperkt contact tussen hen geweest. Begin oktober 2013 is de minderjarige, op initiatief van de vader en met hulp van het televisieprogramma ‘Ontvoerd’, plotseling en – voor hem – onvoorbereid vanuit Suriname naar Nederland overgebracht. Sindsdien is de minderjarige woonachtig bij de vader en is er nagenoeg geen contact geweest met de grootouders. Bij een door de raad georganiseerd contact tussen de minderjarige en zijn grootmoeder op 14 oktober 2013 bleek dat de minderjarige dat contact afhield en niet alleen wilde zijn met grootmoeder en raadsmedewerkers.

5.7.

De rechtbank concludeert dat de minderjarige op dit moment in een loyaliteitsconflict verkeert. Hoewel de vader en de grootouders stellen dat de minderjarige door hen niet is betrokken in hun geschil, kan het niet anders dan dat de minderjarige door de jaren heen belast is geraakt met die om hem draaiende strijd tussen de vader en de grootouders. Dat hiervan sprake is blijkt al uit het feit dat de minderjarige, in de periode dat hij bij zijn grootouders verbleef, zijn vader diskwalificeerde en nu hij in Nederland is teruggekeerd ontwijkend gedrag vertoont ten aanzien van zijn periode in Suriname en sterk afwijzend reageert op het contact met zijn grootmoeder. Deze signalen van de minderjarige, wijzen erop dat hij op dit moment al problemen ervaart en op ernstige wijze klem zit tussen zijn vader en grootouders. Onder deze omstandigheden kan dan ook niet van de minderjarige worden verwacht dat hijzelf in staat is aan te geven dat hij behoefte heeft aan contact met zijn grootouders. De minderjarige ziet onvoldoende ruimte om op ongestoorde wijze contact te hebben met zowel zijn vader als zijn grootouders als gevolg van hun onderlinge strijd. Dit terwijl juist deze volwassenen degenen zijn die de minderjarige, elk op hun beurt, gedurende lange tijd (mede) hebben opgevoed en verzorgd. Het zijn ook deze volwassenen die hem, na het overlijden van zijn moeder, het meest na zijn. Derhalve is de rechtbank van oordeel dat contact met de grootouders in het belang van de verdere (identiteits)ontwikkeling van de minderjarige is, mits dit contact op een voor de minderjarige onbelaste wijze kan plaatsvinden.

5.8.

Duidelijk is dat de verhouding tussen de vader en de grootouders ernstig verstoord is en dat het hen niet lukt omwille van de minderjarige die strijd te staken. Vader en grootouders lijken daarbij elk gesteund door hun achterban. Ook inzet van cross border mediation heeft er niet toe mogen leiden dat de verhouding verbeterd is. Gelet op de wijze waarop partijen zich in de kwestie opstellen, is het een illusie te veronderstellen dat deze strijd alleen door rechterlijke beslissingen kan worden beëindigd. Beëindiging is pas mogelijk als beide partijen inzien dat [naam minderjarige] onlosmakelijk is verbonden met de ander, dat hij recht heeft op invulling en beleving van die band met de ander en dat hij, als de strijd doorgaat, daardoor ernstig wordt belemmerd in een evenwichtige groei naar volwassenheid. Dit geldt eens te meer nu de vader gezien het loyaliteitsconflict dat bij de minderjarige bestaat, zelf onderdeel is geworden van de problematiek van de minderjarige. Aannemelijk is dat de minderjarige, vanuit zijn loyaliteit richting de vader, niet aan de vader zal kunnen laten blijken dat hij de grootouders mist en dat hij mogelijk enige vorm van contact met hen wenst. Voorts is aannemelijk dat de vader op zijn beurt niet altijd in staat zal zijn de signalen die voortvloeien uit genoemd loyaliteitsconflict te herkennen.

5.9.

Het voorgaande heeft er mede toe geleid dat de rechtbank bij beschikking van heden een ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar heeft uitgesproken. Een gezinsvoogd kan, in het kader van de ondertoezichtstelling, aandacht besteden aan de wenselijkheid om het contact tussen de minderjarige en de grootouders te herstellen en de wijze waarop dat dan mogelijk is. Daarbij kan de rechtbank zich voorstellen dat er op (korte) termijn en onder begeleiding van een gezinsvoogd gestart wordt met een contactmoment via Skype. Daarbij dient de minderjarige door de gezinsvoogd en de vader op positieve wijze voorbereid te worden op dat contact en dienen de grootouders geïnstrueerd te worden door de gezinsvoogd over hetgeen zij wel en niet kunnen zeggen tegen de minderjarige. Zoals door de raad ter zitting naar voren is gebracht is het van belang dat de grootouders, met name in het begin van de contacten, zich tegenover de minderjarige in positieve zin uitlaten over de verhuizing van de minderjarige naar Nederland en dat zij hun gemis van de minderjarige niet met hem bespreken.

5.10.

Het verzoek van de grootouders om vaststelling van een omgangsregeling zal, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, worden aangehouden voor een periode van zes maanden. In die periode kan de gezinsvoogd met de vader en de grootouders in overleg treden over de mogelijkheden van contact tussen de minderjarige en zijn grootouders, de wijze van uitvoering daarvan en kan de gezinsvoogd met de minderjarige in gesprek gaan – al dan niet ondersteund door andere deskundigen – om hem op dat contact voor te bereiden. Mogelijk kan ook een begin worden gemaakt met het doen plaatsvinden van contacten via telecommunicatie-voorzieningen. Aan de hand van de bevindingen van de gezinsvoogd zal de rechtbank in een later stadium zich opnieuw buigen over het door de grootouders gedane verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling.

5.11.

De rechtbank zal bepalen dat de stichting Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam met ingang van heden wordt aangemerkt als belanghebbende in onderhavige zaak, nu de minderjarige onder toezicht is gesteld. Ook zal de stichting worden verzocht om twee weken voorafgaand aan een nog nader te bepalen zittingsdatum te rapporteren terzake de (recente) ontwikkelingen omtrent de omgangscontacten tussen de grootouders en de minderjarige.

5.12.

Gelet op de aard van deze procedure zal de zaak ter verdere behandeling worden verwezen naar de enkelvoudige familiekamer.

Deskundigenonderzoek

5.13.

Het subsidiaire verzoek van de grootouders om een omgangsonderzoek te gelasten, te verrichten door een deskundige, bij voorkeur een (kinder)psycholoog / orthopedagoog, zal worden afgewezen. Mede gelet op hetgeen hiervoor overwogen is, de reeds beschikbare informatie, de met een onderzoek te verwachten belasting van de minderjarige en het gegeven dat thans in het kader van de ondertoezichtstelling mogelijk vorm gegeven kan worden aan herstel van de contacten, ziet de rechtbank op dit moment onvoldoende aanleiding tot een dergelijk onderzoek.

Bijzondere curator

5.14.

Artikel 1:250 BW bepaalt dat wanneer in aangelegenheden betreffende diens verzorging en opvoeding, dan wel het vermogen van de minderjarige, de belangen van de met het gezag belaste ouders of een van hen dan wel van de voogd of de beide voogden in strijd zijn met die van de minderjarige, de rechtbank, (…), indien hij dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk acht, daarbij in het bijzonder de aard van deze belangenstrijd in aanmerking genomen, op verzoek van een belanghebbende of ambtshalve een bijzondere curator benoemt om de minderjarige ter zake, zowel in als buiten rechte, te vertegenwoordigen. Hoewel dit niet zo is gesteld, sluit de rechtbank niet uit dat er sprake zou kunnen zijn van een strijd tussen de belangen van de met het gezag belaste vader en die van de minderjarige. Voor zover daar evenwel al sprake van zou zijn acht de rechtbank de thans gekozen weg, de benoeming van een gezinsvoogd, vooralsnog adequaat en voldoende om de belangen van de minderjarige te waarborgen.

6 De beslissing

De rechtbank:

6.1.

bepaalt dat de grootouders kunnen worden ontvangen in hun verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling tussen hen en de minderjarige;

6.2.

wijst af het (subsidiaire) verzoek van de grootouders strekkende tot het gelasten van een deskundigenonderzoek;

6.3.

wijst af het (subsidiaire) verzoek van de grootouders strekkende tot het benoemen van een bijzondere curator;

6.4.

bepaalt dat de stichting Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam met ingang van heden wordt aangemerkt als belanghebbende in onderhavige zaak, nu de minderjarige onder toezicht is gesteld, en verzoekt de stichting om twee weken voorafgaand aan een nog nader te bepalen zittingsdatum te rapporteren terzake de (recente) ontwikkelingen omtrent de omgangscontacten tussen de grootouders en de minderjarige;

6.5.

houdt de behandeling van het verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling aan tot 14 oktober 2014 pro forma en verwijst de zaak, in de stand waarin deze zich bevindt, naar de enkelvoudige familiekamer van de rechtbank Rotterdam teneinde een nieuwe zittingsdatum te bepalen;

6.6.

verzoekt de advocaten van partijen om op voornoemde pro forma datum een overzicht met verhinderdata te overleggen over de periode november 2014 tot en met januari 2015.

Deze beschikking is gegeven door mr. J. van Driel, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. M.A. van der Laan-Kuijt en mr. S.C.C. Hes-Bakkeren, rechters tevens kinderrechters, in bijzijn van M. van Doesburg-van Eijken, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting

Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.

Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden voor het instellen van hoger beroep.