Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:4043

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
22-05-2014
Datum publicatie
23-05-2014
Zaaknummer
AWB-13_06176
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Wob-verzoek openbaarmaking namen oud-wethouders en de door hun ontvangen wachtgelden.

Er vindt herroeping plaats indien een ontvankelijk bezwaar leidt tot een intrekking of wijziging van het bestreden besluit. Verweerder heeft dan ook ten onrechte afgezien van vergoeding van de proceskosten in bezwaar.

Verweerder had over moeten gaan tot openbaarmaking van de namen van de oud-wethouders die wachtgeld ontvangen. Wethouders presenteren zich uit hoofde van hun functie in de openbaarheid en wanneer de functievervulling beëindigd wordt, is dit algemeen bekend. Ook de hoogte van zowel de salarissen van wethouders als de uitkering waarop na beëindiging van het wethouderschap recht bestaat, betreft openbare informatie. Voorts hangt het ontvangen van wachtgeld onverbrekelijk samen met de voormalige functievervulling. De mate waarin voormalige politieke ambtsdragers gebruik maken en gebruik moeten kunnen maken van wachtgeld-regelingen is bovendien regelmatig onderwerp van maatschappelijk debat. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer in redelijkheid niet zwaarder heeft kunnen laten wegen dan het belang van de openbaarheid van de namen van de oud-wethouders op wie de verstrekte documenten betrekking hebben.

Wetsverwijzingen
Wet openbaarheid van bestuur
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 13/6176

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 mei 2014 in de zaak tussen

[eiser], te[woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr.drs. J.M.C. Niederer,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Binnenmaas, verweerder,

gemachtigde: mr. H. Hoogwerf.

Procesverloop

Bij besluit van 12 april 2013 (primair besluit 1) heeft verweerder eiser naar aanleiding van zijn verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) een overzicht verstrekt van over de jaren 2006 tot en met (maart) 2013 per jaar totaal aan oud-bestuurders betaalde wachtgelden.

Bij besluit van 6 juni 2013 (primair besluit 2) heeft verweerder primair besluit 1 in die zin gewijzigd, dat over de jaren 2006 tot en met (maart) 2013 is uitgesplitst welke bedragen per (geanonimiseerde) persoon per jaar aan wachtgeld zijn betaald.

Bij besluit van 25 september 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de primaire besluiten ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 mei 2014. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

In geschil is allereerst of verweerder er bij het bestreden besluit terecht van heeft afgezien ingevolge artikel 7:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in bezwaar een kostenvergoeding toe te kennen. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend. Naar vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling; onder meer de uitspraak van 3 september 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BK4128) vindt herroeping plaats indien een ontvankelijk bezwaar leidt tot een intrekking of wijziging van het bestreden besluit. Door naar aanleiding van het gemaakte bezwaar bij primair besluit 2 alsnog niet alleen per persoon, maar ook per jaar uitgesplitste wachtgelden te verstrekken, heeft verweerder primair besluit 1 gewijzigd en daarmee herroepen. Nu eisers Wob-verzoek onmiskenbaar betrekking had op bedragen per persoon en per jaar, is sprake van een herroeping wegens aan verweerder te wijten onrechtmatigheid, zodat verweerder tot vergoeding van door eiser in bezwaar gemaakte kosten had moeten overgaan, op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht te begroten op 1 punt (bezwaarschrift) en, nu het een inhoudelijk geschil betrof, gewicht 1.

2.1.

Nu eiser ter zitting heeft verklaard dat het voor zijn onderzoek naar gemeentelijke wachtgelden volstaat om in aanvulling op de door verweerder in een staatje vermelde per persoon en per jaar uitgekeerde wachtgelden te weten of dit bruto- of nettobedragen zijn en verweerder, na telefonische navraag, heeft verklaard dat het brutobedragen zijn, hetgeen eiser voldoende duidelijkheid heeft gegeven, staat inhoudelijk nog slechts ter beoordeling of verweerder terecht geweigerd heeft de namen bekend te maken van de oud-bestuurders ten aanzien van wie op basis van documenten informatie over de hoogte van de ontvangen wachtgelden is verstrekt. Verweerder stelt zich op het standpunt dat ingevolge artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e en g, van de Wob verstrekking van de namen achterwege moet blijven omdat het belang daarvan niet opweegt tegen de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en het belang onevenredige benadeling van de bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen te voorkomen, gelet op de privacy-gevoeligheid van iemands inkomen.

2.2.

Bij de beoordeling hiervan stelt de rechtbank onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 19 december 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BY6746) voorop dat wanneer het beroepshalve functioneren betreft, slechts in beperkte mate een beroep kan worden gedaan op het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Ook bij openbaarmaking van namen dient per geval het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer te worden afgewogen tegen het belang van de openbaarmaking. Bij die afweging dient het uitgangspunt van de Wob – openbaarheid is regel – zwaar te wegen. Daarnaast speelt bij deze afweging de functie van de betrokkene een rol.

2.3.

Het betreft in dit geval oud-bestuurders. Bestuurders presenteren zich uit hoofde van hun functie in de openbaarheid en wanneer de functievervulling beëindigd wordt, is dit algemeen bekend. Ook de hoogte van zowel de salarissen van bestuurders als de uitkering waarop na beëindiging van het bestuurderschap recht bestaat, betreft openbare informatie. Voorts hangt het ontvangen van wachtgeld onverbrekelijk samen met de voormalige functievervulling. De mate waarin voormalige politieke ambtsdragers gebruik maken en gebruik moeten kunnen maken van wachtgeldregelingen is bovendien regelmatig onderwerp van maatschappelijk debat. Mede in aanmerking genomen dat eiser ter zitting heeft verklaard zich erin te kunnen vinden als de namen en de wachtgelden apart en dus losgekoppeld van elkaar worden verstrekt, is de rechtbank daarom van oordeel dat verweerder de belangen van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en het voorkomen van onevenredige benadeling van de bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen in redelijkheid niet zwaarder heeft kunnen laten wegen dan het belang van de openbaarheid van de namen van de oud-bestuurders op wie de verstrekte documenten betrekking hebben.

3.

Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit in rechte geen stand kan houden en, onder gegrondverklaring van het beroep, vernietigd dient te worden voor zover daarbij is geweigerd de namen bekend te maken van de oud-bestuurders ten aanzien van wie op basis van documenten informatie over de hoogte van de ontvangen wachtgelden is verstrekt en voor zover daarbij is geweigerd door eiser in bezwaar gemaakte kosten te vergoeden. De rechtbank kan met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb zelf in de zaak voorzien als na te melden.

4.

Verweerder heeft ter zitting nog het vermoeden geuit dat sprake is van oneigenlijk gebruik van de Wob. Nog daargelaten de algemene bewoordingen waarin dit vermoeden eerst ter zitting is geuit, ziet de rechtbank bij de huidige stand van wetgeving in de omstandigheden van het geval geen grond waarop eiser het recht ontzegd kan worden gebruik te maken van zijn bevoegdheid ingevolge de Wob om bij verweerder het onderhavige informatieverzoek te doen, en van zijn bevoegdheden ingevolge de Awb om, toen die informatie zijns inziens in onvoldoende mate werd verstrekt, bezwaar te maken en beroep in te stellen.

5.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, dient verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht te vergoeden.

6.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten in bezwaar en beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.461,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 487,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond,

- vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij is geweigerd de namen bekend te maken van de oud-bestuurders ten aanzien van wie op basis van documenten informatie over de hoogte van de ontvangen wachtgelden is verstrekt, en voor zover daarbij is geweigerd door eiser in bezwaar gemaakte kosten te vergoeden,

- bepaalt dat bedoelde namen alsnog (losgekoppeld van de wachtgelden) worden verstrekt,

- bepaalt dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht van € 160,- vergoedt,

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.461,-, te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. dr. P.G.J. van den Berg, rechter, in aanwezigheid van mr. C.S. de Waal, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2014.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.