Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:3975

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25-04-2014
Datum publicatie
05-10-2015
Zaaknummer
2490061 - CV EXPL 13-53911
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

privacy, camerasysteem, buren

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 2490061 \ CV EXPL 13-53911

uitspraak: 25 april 2014

vonnis van de kantonrechter, zittinghoudende te Rotterdam

in de zaak van

[eiser],

wonende te Vlaardingen,

eiser bij exploot van dagvaarding van 26 september 2013,

gemachtigde: mr. F.C.P. Zeeuw (Stichting Achmea Rechtsbijstand),

tegen

de stichting

Stichting Waterweg Wonen,

gevestigd te Vlaardingen,

gedaagde,

gemachtigde: mr. J.J.P.M. van Reisen.

Partijen worden hierna “ [eiser] ” en “Waterweg Wonen” genoemd.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter heeft kennis genomen.

  • -

    het exploot van dagvaarding van 26 september 2013, met producties;

  • -

    de incidentele vordering tot niet-ontvankelijkheid, tevens houdende conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    het vonnis van 27 november 2013 waarbij een comparitie van partijen is bepaald;

  • -

    de akte van rectificatie aan de zijde van [eiser] , met een productie;

  • -

    de akte overleggen stukken aan de zijde van [eiser] , met producties;

  • -

    het proces-verbaal van de op 5 februari 2014 gehouden comparitie van partijen.

1.2

De kantonrechter heeft de datum van het vonnis nader bepaald op heden.

2 De vaststaande feiten

De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten.

2.1

[eiser] huurt van Waterweg Wonen de woning aan de [adres] te Vlaardingen. De [familie B.] , die ook van Waterweg Wonen huurt, woont op [adres] . De verhouding tussen [eiser] en [familie B.] is niet goed. Er zijn in dat verband bemiddelingsgesprekken gevoerd die hebben geleid tot een aantal afspraken. Deze afspraken komen erop neer dat de buren elkaar met rust zullen laten.

2.2

In het seniorencomplex waarin [eiser] en [familie B.] wonen, heeft Waterweg Wonen alle woningen laten voorzien van een intercomsysteem met camera (hierna: het camerasysteem). Hierdoor kunnen bewoners onder andere zien wie erbij de eigen voordeur en de hoofdingang van het complex staat en wat zich in de gemeenschappelijke ruimten afspeelt. Het camerasysteem is bij de meeste woningen, waaronder die van Van den Bergh, geplaatst op de muur naast de toegangsdeur. Bij [eiser] is op zijn verzoek het camerasysteem geplaatst op de kopse kant van de woning.

3 Het geschil

3.1

[eiser] heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Waterweg Wonen te veroordelen binnen vier weken na vonnis het camerasysteem van [familie B.] zodanig te verplaatsen dat de voordeur van [eiser] niet via het camerasysteem kan worden bekeken en de persoonlijke gegevens van [eiser] uit het camerasysteem te verwijderen, een en ander op straffe van een dwangsom.

3.2

Aan zijn vordering legt [eiser] – zakelijk weergegeven – het volgende ten grondslag. Door de positie van het camerasysteem wordt een ongeoorloofde inbreuk gemaakt op de privacy van [eiser] , die niet wordt gerechtvaardigd door het doel van het camerasysteem, namelijk het vergroten van de veiligheid. Dit klemt temeer nu tussen de buren al de nodige conflicten zijn geweest. Subsidiair wordt aangevoerd dat de overlast van [familie B.] door het camerasysteem in stand wordt gehouden, terwijl Waterweg Wonen op grond van artikel 7:204 lid 3 BW juist tegen die overlast moet optreden.

3.3

Door Waterweg Wonen is verweer gevoerd. Zij bestrijdt – kort gezegd – dat sprake is van een ongeoorloofde inbreuk op de privacy van [eiser] of van een overlastsituatie.

3.4

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling van de vordering

4.1

Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag of de wijze waarop het camerasysteem bij de buren is geplaatst een ongeoorloofde inbreuk op de privacy van [eiser] maakt, zoals door hem betoogd. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft [eiser] naar voren gebracht dat met het camerasysteem de mogelijkheid tot bespieding door zijn buren is vergroot, dat zijn buren de voordeur van [eiser] continu in de gaten kunnen houden en dat er foto’s van zijn voordeur worden gemaakt als er bij de buren wordt aangebeld.

4.2

De kantonrechter overweegt als volgt. Over de werking van het camerasysteem heeft Waterweg Wonen aangevoerd dat het hoofdzakelijk is gericht op de voordeur van de bewoner zelf, dat het niet mogelijk is in de woning van de buren te kijken, dat het niet filmt, dat het automatisch een foto maakt van de bezoeker die aanbelt, maar dat de bewoner niet zelf foto’s kan maken. Nog daargelaten dus of de buren met het camerasysteem ook de voordeur van [eiser] goed kunnen zien, kan niet worden vastgesteld dat zij die voordeur daadwerkelijk in de gaten houden. [eiser] heeft in dat verband aangegeven dat het voorkomt dat de buurvrouw achter hem aangaat, zodra hij de woning heeft verlaten. In het midden latende of de buurvrouw dat inderdaad doet, hoeft het in ieder geval niet te betekenen dat zij hem via het camerasysteem heeft gezien. [eiser] heeft namelijk ook heeft aangegeven dat de buurvrouw het dichtdoen van zijn voordeur kan horen.

4.3

Voor het overige zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gekomen die naar het oordeel van de kantonrechter wijzen op een ongeoorloofde inbreuk op de privacy. Als daarvan al sprake zou zijn dan gaat het gelet op de hiervoor weergegeven en niet betwiste werking van het camerasysteem om een zodanig beperkte inbreuk dat het belang dat is gediend bij het plaatsen van het camerasysteem, namelijk het vergroten van veiligheid, moet prevaleren boven het gestelde en gemotiveerd weersproken belang van [eiser].

4.4

In de subsidiair aan zijn vordering ten grondslag gelegde stellingen kan de kantonrechter [eiser] niet goed volgen. Voor zover [eiser] heeft willen betogen dat Waterweg Wonen ten opzichte van [eiser] op de voet van artikel 7:204 lid 2 BW is gehouden de overlast van de buren aan te pakken en dat het camerasysteem die overlast nu juist verergerd, dan gaat dat betoog al niet op gelet op hetgeen hiervoor is overwogen. Daarbij komt nog dat zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet valt in te zien dat in de verhouding tussen beide buren sprake is van een situatie van overlast dat een gebrek in de zin van genoemde bepaling zou opleveren, laat staan dat Waterweg Wonen is gehouden dat gebrek te herstellen door verplaatsing van het camerasysteem. De grond en rechtsgevolgen van toepasselijkheid van artikel 7:204 lid 3 BW zijn naar het oordeel van de kantonrechter niet op te maken uit de ingenomen stellingen, zodat daaraan verder voorbij wordt gegaan.

4.5

[eiser] vordert verder verwijdering van zijn persoonlijke gegevens uit het camerasysteem. In dit verband heeft Waterweg Wonen, onder overlegging van de handleiding, aangevoerd dat indien [eiser] geen gebruik wil maken van de door het camerasysteem geboden mogelijkheid van video-bellen met medebewoners en ook niet wil dat zijn gegevens voor andere bewoners zichtbaar zijn, hij deze gegevens zelf eenvoudig uit het camerasysteem kan verwijderen. Nu [eiser] deze stellingname niet heeft weersproken, wordt uitgegaan van de juistheid daarvan. Dit brengt de kantonrechter tot het oordeel dat [eiser] geen belang heeft bij dit deel van de vordering, wat daarvan verder ook zij.

4.6

[eiser] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van deze procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Waterweg Wonen bepaald op

€ 350,00 aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x tarief € 175,00).

5 De beslissing

De kantonrechter:

wijst de vorderingen af;

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Waterweg Wonen vastgesteld op € 350,00 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. V.F. Milders en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

855