Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:3969

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-05-2014
Datum publicatie
20-05-2014
Zaaknummer
10/920005-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Ongeldigverklaring rijbewijs, in combinatie met alcoholslotprogramma (ASP), is 'criminal charge' in de zin van art 6 EVRM. Geen strijd met ne bis in idem beginsel. OM ontvankelijk in de vervolging. Oplegging ASP verdisconteerd in de strafoplegging.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 6
Wegenverkeerswet 1994 8
Wegenverkeerswet 1994 130
Wegenverkeerswet 1994 131
Wegenverkeerswet 1994 132
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2014/174
JWR 2014/62
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/920005-13

Datum uitspraak: 20 mei 2014

Tegenspraak

Verkort vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres:

[adres],

raadsman mr. A. Apistola, advocaat te Zwijndrecht.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 6 mei 2014.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. T.H. Slieker heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het onder 1. primair en 2. primair ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, een taakstraf voor de duur van 240 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid van drie jaren waarvan twee jaren voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs ingevorderd is geweest.

ONTVANKELIJKHEID OFFICIER VAN JUSTITIE

Namens de verdachte is aangevoerd dat de officier van justitie niet ontvankelijk is in de vervolging, omdat aan de verdachte reeds een alcoholslotprogramma (hierna: ASP) en ook een ongeldigverklaring van zijn rijbewijs is opgelegd. De raadsman heeft aangevoerd dat dit een ‘punitive charge’ is in de zin van artikel 6 van het EVRM en dat er derhalve sprake is van een dubbele bestraffing.

Daarom zou de vervolging door de officier van justitie strijd opleveren met het ne bis in idem beginsel zoals dat is neergelegd in artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een ‘criminal charge’ in de zin van artikel 6 EVRM en dat daarom de vervolging niet in strijd is met het ne bis in idem beginsel.

De rechtbank overweegt het volgende.

Op grond van artikel 132a, eerste lid, van het Reglement rijbewijzen wordt een alcoholslot, als bedoeld in artikel 132e, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna WVW1994), alleen ingebouwd in motorrijtuigen van de rijbewijscategorie B, met uitzondering van driewielige motorrijtuigen die onder deze rijbewijscategorie vallen.

Het opleggen van de verplichting tot het deelnemen aan een ASP aan houders van een rijbewijs voor uitsluitend het besturen van motorrijtuigen van de categorie B is geen maatregel gebaseerd op een ‘criminal charge’ in de zin van artikel 6 EVRM. Uit de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2008/09, 31 896, nr. 3, blz. 7-8 en 17) volgt dat het ASP niet ten doel heeft het met leedtoevoeging voorkomen van verwijtbare tekortkomingen, maar dat ermee is beoogd in het belang van de verkeersveiligheid motorrijtuigbestuurders die met een hoog alcoholgehalte worden aangehouden, bewust te maken van de grote gevaren van rijden onder invloed van alcohol en te leren een scheiding te maken tussen alcoholgebruik en het besturen van een motorrijtuig. De betrokkenen kunnen gedurende de deelname aan het ASP motorrijtuigen van de categorie B besturen, als hun aanvraag voor een rijbewijs met ASP-codering (code 103) is toegekend.

De wet- en regelgever heeft bewust de keuze gemaakt de kosten die aan het ASP zijn verbonden voor rekening van de betrokkene te brengen. Voor het oordeel dat de verplichting tot het betalen van de kosten van het ASP is gericht op een verdergaande benadeling dan noodzakelijk is om het opleggen en de uitvoering ervan mogelijk te maken bestaat geen grond.

De verdachte is voor het verkrijgen van werk en een inkomen afhankelijk van een rijbewijs voor motorrijtuigen van de categorie C. Door de deelname aan het ASP is zijn rijbewijs ook voor die categorie ongeldig verklaard en mag hij, als hem een rijbewijs met ASP-codering is toegekend, gedurende de deelname slechts motorrijtuigen van de categorie B besturen. Dit maakt dat ten aanzien van de verdachte de ongeldigverklaring van het rijbewijs voor alle categorieën waarvoor dat rijbewijs geldig was, in samenhang met de verplichting tot deelname aan het ASP, waarbij onder voorwaarden alleen een rijbewijs voor categorie B wordt toegekend, ‘punitief’ van aard is. In casu is de rechtbank daarom van oordeel dat sprake is van een ‘criminal charge’ in de zin van artikel 6 EVRM.

De rechtbank ziet zich thans voor de vraag gesteld of daardoor de vervolging in strijd is met het ne bis in idem beginsel.

Hieromtrent overweegt de rechtbank dat een algemeen beginsel dat in de weg staat aan een strafrechtelijke vervolging ten aanzien van een bepaald feit, indien op dat feit door de overheid (in casu het CBR) reeds is gereageerd op een wijze die punitief van aard is, naar Nederlands recht niet bestaat.

Het ne bis in idem beginsel heeft, zoals dat in artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht vorm heeft gekregen, slechts betrekking op beslissingen van strafrechtelijke aard. De omstandigheid dat er al een sanctie van bestuursrechtelijke aard is geweest, is geen beletsel voor het Openbaar Ministerie om tot strafrechtelijke vervolging over te gaan.

De officier van justitie is dan ook ontvankelijk in de vervolging.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder 1. primair en 2. primair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1. primair)

hij op of omstreeks 26 augustus 2012 te Dordrecht als verkeersdeelnemer,

namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), zich zodanig

heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft

plaatsgevonden door met dat motorrijtuig zeer, althans aanmerkelijk,

onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam en/of met aanmerkelijke

verwaarlozing van de te dezen geboden zorgvuldigheid te rijden op de voor het

openbaar verkeer openstaande weg, de Rijksweg A16, welk genoemd rijgedrag

hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,

terwijl

-ter plaatse een maximumsnelheid voor motorvoertuigen gold van 100 km/uur,

en/of

-hij, verdachte, met het door hem bestuurde voertuig is gaan rijden na

zodanig gebruik van alcoholhoudende drank dat het alcoholgehalte van zijn

adem 790 microgram, in elk geval meer dan 220 microgram, alcohol per liter

uitgeademde lucht bedroeg en/of hij, verdachte, verkeerde in een toestand als

bedoeld in artikel 8, eerste lid of tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994,

en/of

-hij, verdachte, (mede) door het gebruik van alcoholhoudende drank verkeerde

in een toestand dat gevaar bestond voor het niet voortdurend onder controle

hebben van een door hem bestuurd voertuig en/of dat gevaar bestond dat hij als

bestuurder niet voortdurend in staat was handelingen te verrichten die van hem werden vereist,

met een veel hogere snelheid dan ter plaatse was toegestaan heeft gereden

en/of met die veel te hoge snelheid één of meer voertuigen rechts heeft

ingehaald en/of slingerend heeft gereden en/of

op het moment dat de bestuurster van een vóór hem, verdachte, rijdend voertuig

- door het zeer snel aan de achterzijde van haar voertuig naderen van

verdachte - zich genoodzaakt voelde van rijstrook te wisselen om een

aanrijding te voorkomen, hij, verdachte, (toen) naar dezelfde rijstrook is

gaan wisselen als die evengenoemde bestuurster en/of

hij, verdachte, (aldus rijdende) zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld

dat hij in staat was zijn voertuig af te remmen of tot stilstand te brengen

binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was

en/of

vervolgens (met een aanzienlijk snelheidsverschil) tegen de achterzijde van

dat vóór hem rijdende voertuig is aangebotst of aangereden,

waardoor de bestuursterder van die andere personenauto, genaamd [slachtoffer],

zwaar lichamelijk letsel (te weten een hoofdwond, meerdere kneuzingen en nek-

en schouderklachten) of zodanig (lichamelijk) letsel werd toegebracht, dat

daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale

bezigheden is ontstaan;

2. ( primair)

hij op of omstreeks 26 augustus 2012 te Dordrecht als bestuurder van een

motorrijtuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik

van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een

onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de

Wegenverkeerswet 1994, 790 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram,

alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.

NADERE BEWIJSOVERWEGING

Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van schuld aan het verkeersongeval in de zin van artikel 6 WVW 1994, komt het volgens vaste jurisprudentie aan op het geheel van de gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval.

De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is de rechtbank het volgende gebleken:

  • -

    De verdachte heeft met zijn voertuig met een veel hogere snelheid gereden dan de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 100 km/uur;

  • -

    De verdachte heeft andere voertuigen rechts ingehaald;

  • -

    De verdachte heeft slingerend gereden;

  • -

    De verdachte heeft zijn voertuig niet zodanig onder controle gehouden dat hij adequaat kon reageren op manoeuvres van zijn medeweggebruikers;

  • -

    De verdachte heeft de snelheid van zijn voertuig niet zodanig geregeld dat hij in staat was zijn voertuig af te remmen of tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was.

Bovendien is de rechtbank gebleken dat de verdachte met zijn voertuig is gaan rijden na gebruik van alcoholische drank (naar eigen zeggen ongeveer tien glazen bier), leidend tot een alcoholgehalte van 790 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht.

De rechtbank is op grond van deze omstandigheden van oordeel dat het causaal verband vaststaat en dat verdachte zich zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam heeft gedragen en dat het verkeersongeval en de gevolgen daarvan aan zijn schuld, in de zin van artikel 6 WVW 1994, te wijten zijn geweest.

STRAFBAARHEID FEITEN

De bewezen feiten leveren op:

1 primair

OVERTREDING VAN ARTIKEL 6 VAN DE WEGENVERKEERSWET 1994, TERWIJL HET EEN ONGEVAL BETREFT WAARDOOR EEN ANDER LICHAMELIJK LETSEL WORDT TOEGEBRACHT EN TERWIJL DE SCHULDIGE VERKEERDE IN DE TOESTAND, BEDOELD IN ARTIKEL 8, TWEEDE LID, VAN DE WEGENVERKEERSWET 1994

2 primair

OVERTREDING VAN ARTIKEL 8 VAN DE WEGENVERKEERSWET 1994.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft op 26 augustus 2012, na het gebruik van alcoholhoudende drank, als bestuurder van een personenauto gereden over de rijksweg A16, vanuit Breda richting Rotterdam. Hij is daarbij kort voor de Drechttunnel te Dordrecht met een aanzienlijke snelheid tegen de achterzijde van een vóór hem rijdende auto aangebotst of aangereden. Als gevolg van dit ongeval heeft de bestuurster van de andere auto lichamelijk letsel opgelopen, waar zij enige tijd last van heeft gehad. Het is een geluk bij een ongeluk geweest, dat het bij dit relatief beperkte letsel is gebleven. De aanrijding had evengoed fataal kunnen aflopen voor de bestuurster.

Op verkeersdeelnemers rust een zorgplicht en verdachte is in dit opzicht ernstig tekort geschoten in zijn verkeersgedrag. Het verwijt dat verdachte vooral te maken valt, is dat hij met een veel te hoge snelheid en slingerend heeft gereden en dat hij andere auto’s rechts heeft ingehaald. Bovendien is hij met zijn auto aan het verkeer gaan deelnemen nadat hij tijdens een avondje stappen in Breda een aanzienlijke hoeveelheid alcoholhoudende drank had gebruikt. De verdachte heeft dus zijn verantwoordelijkheid ten opzichte van de veiligheid van zijn medeweggebruikers volstrekt niet in acht genomen.

Volgens de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht wordt, voor iemand die voor het eerst met de strafrechter in aanraking komt vanwege een grove verkeersfout en het veroorzaken van een verkeersongeval met lichamelijk letsel tot gevolg, een uitgangspunt van drie maanden gevangenisstraf en twee jaren ontzegging van de rijbevoegdheid gehanteerd. Hierbij is het alcoholgebruik in aanmerking genomen.

Blijkens het op zijn naam gestelde uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 1 mei 2014 is de verdachte eerder met justitie in aanraking gekomen, onder meer voor het rijden onder invloed van alcohol. In 2007 en 2004 heeft hij daarvoor een transactie betaald. Omdat dit al langere tijd is geleden zal de rechtbank deze omstandigheid niet in strafverzwarende zin laten meewegen bij het bepalen van de strafmaat.

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt d.d. 3 maart 2014. Dit rapport houdt onder meer in dat bij de verdachte geen probleemgebieden zijn gesignaleerd waarop een interventie van toepassing wordt geacht. Het recidiverisico wordt laag ingeschat. Volgens BoumanGGZ heeft een training gericht op alcoholproblematiek weinig nut, omdat het alcoholgebruik in combinatie met het deelnemen aan verkeer als een incident kan worden beschouwd. Bijzondere voorwaarden aan een eventueel voorwaardelijk op te leggen straf zijn volgens de reclassering niet nodig.

De rechtbank zal er bij het bepalen van de strafmaat in verregaande mate rekening mee houden dat het rijbewijs van de verdachte ongeldig is verklaard, hem deelname aan een alcoholslotprogramma is opgelegd en dat hij dientengevolge geen werkzaamheden als beroepschauffeur kan verrichten. Deze bestuursrechtelijke sanctie heeft forse financiële consequenties voor de verdachte met zich meegebracht en daarnaast wordt de kans op herhaling aanzienlijk beperkt. Voorts acht de rechtbank van belang dat de verdachte zijn reeds aangevangen deelname aan het alcoholslotprogramma kan voortzetten. De rechtbank vindt hierin aanleiding om in het voordeel van de verdachte af te wijken van het hiervoor geformuleerde uitgangspunt en de eis van de officier van justitie. De rechtbank zal de verdachte dan ook een ontzegging van de rijbevoegdheid opleggen, waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de periode dat het rijbewijs hem op strafrechtelijke titel ontnomen is geweest.

Daarnaast wordt aan de verdachte de maximale taakstraf van 240 uren opgelegd en voorts, teneinde de verdachte ervan te weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan rijden onder invloed, een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf.

Alles afwegend worden na te noemen straffen passend en geboden geacht.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 8, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1. primair en 2. primair ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden;

ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 24 (vierentwintig) maanden;

bepaalt dat de gevangenisstraf en een gedeelte van de ontzegging, groot 18 (achttien) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 jaar, na te melden voorwaarde overtreedt;

stelt als algemene voorwaarde:

- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

bepaalt dat de duur van de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, wordt verminderd met de duur van de invordering en inhouding van het rijbewijs op grond van artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M. van Mourik, voorzitter,

en mrs. G.M. Munnichs en D.L. Spierings, rechters,

in tegenwoordigheid van D.J. Boogert, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 mei 2014.

De voorzitter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.