Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:3805

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15-05-2014
Datum publicatie
15-05-2014
Zaaknummer
14/1742
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Schriftelijke weigering om tot vertaling van (onder meer) boeterapporten over te gaan een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb? Zo ja, verhindert artikel 6:3 Awb dat de weigering (afzonderlijk) voor bezwaar (en beroep) vatbaar is? Komt recht op vertaling toe aan de onderneming of aan de rechtspersoon?

Een voorlopige voorzieningenprocedure leent zich in beginsel niet voor beantwoording voor dergelijke principiële rechtsvragen. De voorzieningenrechter zal bevorderen dat een meervoudige kamer op relatief korte termijn het (rechtstreeks) beroep tegen de weigering van ACM ter zitting zal behandelen. Nu de voorzieningenrechter er voorts van uitgaat dat verzoeksters wel in enige mate op de hoogte zijn van hetgeen waarvan zij beschuldigd worden, zal de voorzieningenrechter het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afwijzen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 1:3 en 6:3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 14/1742

uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 mei 2014 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam 1], te [plaats],

[naam 2], te [plaats],

[naam 3], te[plaats], verzoeksters,

gemachtigden: prof. mr. P.H.L.M. Kuypers en mr. S. Verschuur,

en

Autoriteit Consument & Markt (ACM), verweerder,

gemachtigde: mr. R. Blaauboer en mr. A.J. Vossestein.

Procesverloop

Verzoeksters hebben ACM verzocht om vertaling in de Engelse taal van het in de zogenoemde meelzaak opgestelde rapport en het specifiek op hen betrekking hebbende aanvullend rapport (hierna: boeterapporten) alsmede een aantal stukken uit het dossier van ACM.

ACM heeft dit verzoek op 6 februari 2014 afgewezen.

Verzoeksters hebben hiertegen bezwaar gemaakt en ACM verzocht in te stemmen met rechtstreeks beroep op de voet van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). ACM heeft hiermee ingestemd en het bezwaarschrift doorgezonden aan de rechtbank ter behandeling als beroep (procedurenummer ROT 14/1897). Tevens hebben verzoeksters de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 april 2014. Voor verzoeksters zijn verschenen hun gemachtigden, vergezeld van door [naam 4].[naam 4] is bijgestaan door J.H. Reule, tolk Engels. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden.

Overwegingen

1.

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing op bezwaar of eventueel in de hoofdzaak.

2.

ACM heeft het verzoek om vertaling in de Engelse taal afgewezen omdat - kort gezegd - verzoeksters onderdeel uitmaken van de economische eenheid/groep[naam 5] en binnen de [naam 5]-groep volgens ACM meerdere personen werkzaam zijn die de Nederlandse taal machtig zijn. Verzoeksters worden dus geacht de boeterapporten alsmede de op de zaak betrekking hebbende stukken te begrijpen.

3.

De voorzieningenrechter laat in het midden of in dit geval artikel 59, vierde lid (oud) van de Mededingingswet (Mw) dan wel artikel 5:49, tweede lid, van de Awb van toepassing is. Beide artikelen zijn in de wet opgenomen in verband met artikel 6, derde lid, aanhef en onder a, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).

4.

Op grond van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

Op grond van artikel 6:3 van de Awb is een beslissing inzake de procedure ter voorbereiding van een besluit niet vatbaar voor bezwaar of beroep, tenzij deze beslissing de belanghebbende los van het voor te bereiden besluit rechtstreeks in zijn belang treft.

5.

De voorzieningenrechter staat allereerst voor de vraag of de schriftelijke weigering van ACM om tot vertaling over te gaan een besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb. In dit kader is van belang dat artikel 6, aanhef en onder a, van het EVRM de betrokkene het recht garandeert om onverwijld, in een taal die hij verstaat en in bijzonderheden, op de hoogte te worden gesteld van de tegen hem ingebrachte beschuldiging. Indien geoordeeld moet worden dat verzoeksters de Nederlandse taal niet machtig zijn, brengt de voorliggende weigering mogelijk mee dat verzoeksters dat recht ontzegd wordt. In zoverre is het denkbaar dat geoordeeld moet worden dat de weigering van ACM gericht is op enig rechtsgevolg.

6.

Indien de voorzieningenrechter tot het (voorlopige) oordeel zou komen dat sprake is van een besluit, ligt vervolgens de vraag voor of artikel 6:3 van de Awb verhindert dat de weigering (afzonderlijk) voor bezwaar (en beroep) vatbaar is.

Het boeterapport is het moment van het instellen van een vervolging als bedoeld in artikel 6 van het EVRM. Artikel 6, derde lid, aanhef en onder a, van het EVRM spreekt over het “onverwijld” recht hebben op een vertaling, zodat gezegd kan worden dat het door ACM afwijzen van het verzoek om vertaling verzoeksters rechtstreeks in hun belang treft. De voorzieningenrechter neemt daarbij voorts in aanmerking dat het instellen van de vervolging geschiedt door ACM en dat het daarom ook in de rede ligt dat - indien er recht is op vertaling - ACM zorgdraagt voor vertaling. In dit geval gaat het - anders dan in het door ACM ter zitting genoemde voorbeeld van een boete wegens een verkeersovertreding - om een complexe kwestie. In een complexe zaak ligt het minder in de rede om aan te nemen dat een louter mondelinge overdracht van het in een omvangrijk dossier neergelegd feitencomplex door de eigen gemachtigde toereikend moet worden geacht om aan de vereisten van artikel 6, derde, aanhef en onder a, van het EVRM te voldoen. Het feit dat verzoeksters nu worden bijgestaan door advocaten die het Nederlands beheersen maakt naar het oordeel van de voorzieningenrechter daarom niet dat verzoeksters reeds daarom al niet rechtstreeks in hun belangen zouden zijn getroffen.

7.

Mocht de voorzieningenrechter tot het oordeel komen dat de weigering reeds thans voor bezwaar en beroep vatbaar is, ligt vervolgens een volgende niet op voorhand te beantwoorden vraag voor, namelijk of het recht op vertaling toekomt aan de onderneming (standpunt ACM) of aan de rechtspersoon (standpunt verzoeksters). De Mw gaat weliswaar uit van een ruim ondernemingsbegrip, maar daar staat tegenover dat de Awb in artikel 5:1, derde lid, natuurlijke personen en rechtspersonen als mogelijke (te beboeten) overtreders benoemt en dat artikel 5:49, tweede lid, van de Awb bepaalt dat de overtreder het mogelijke recht op vertaling toekomt.

8.

In dat verband is de voorzieningenrechter voorts van oordeel op dat ACM - gelet op het door haar ingenomen standpunt over de onderneming waarop het aanvullend rapport betrekking heeft - in elk geval ook nog dient in te gaan op de stellingen van verzoeksters zoals in hun brief van 15 april 2014 en ter zitting naar voren gebracht betreffende de groepen van rechtspersonen waartoe zij behoren.

9.

Uit hetgeen onder 5, 6 en 7 is overwogen, volgt dat een aantal principiële vragen ter beantwoording voorligt. Een voorlopige voorzieningenprocedure leent zich in beginsel niet voor beantwoording voor dergelijke rechtsvragen. Dergelijke vragen dienen bij voorkeur aan bod te komen in een - door een meervoudige kamer te behandelen - bodemprocedure. De voorzieningenrechter zal bevorderen dat een meervoudige kamer op relatief korte termijn het (rechtstreeks) beroep tegen de weigering van ACM ter zitting - waarvan de datum vooralsnog op 11 juli 2014 wordt bepaald - zal behandelen, waarbij de voorzieningenrechter ACM wijst op hetgeen onder 8 is overwogen.

Nu de voorzieningenrechter er voorts van uitgaat dat verzoeksters wel in enige mate op de hoogte zijn van hetgeen waarvan zij beschuldigd worden, zal de voorzieningenrechter het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afwijzen.

10.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. de Wildt, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M. Traousis - van Wingaarden, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2014.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.