Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:3630

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
02-05-2014
Datum publicatie
16-05-2014
Zaaknummer
ROT 14/2720
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

sluiting woning, artikel 17 Woningwet

Wetsverwijzingen
Woningwet
Woningwet 1a
Woningwet 1b
Woningwet 17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JG 2015/33 met annotatie van M. Vols en J.P. Hof
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 3

zaaknummer: ROT 14/2720

uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 mei 214 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] te Vlaardingen, verzoeker,

gemachtigde: mr. R.S. Wijling,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vlaardingen, verweerder,

gemachtigde: mr. S.W. Boot.

Procesverloop

Bij besluit van 2 april 2014 (het bestreden besluit) heeft verweerder de woning van verzoeker gesloten voor de duur van zes maanden, ingaande per 1 mei 2014.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt. Tevens heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 mei 2014. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door mr. A. Wintjes, kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Tevens zijn verschenen aan de zijde van verzoeker J. de Jong, zijn begeleider, zijn moeder en zijn zuster. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens verweerder zijn verder verschenen L. Vermeer, veiligheidsmanager, E. Ottolini, ir. C. Kruyt, gemeentesecretaris, R. de Boer, bouwkundig inspecteur, S. Huizer, werkzaam bij de Brandweer, en R. Broekhuisen en A. Kuil, wijkagent.

Overwegingen

1.

Verzoeker is eigenaar van de woning aan de [adres]. Op 11 februari 2014 heeft verweerder spoedeisende bestuursdwang uitgeoefend. In de woning van verzoeker was een gevaarlijke situatie ontstaan, vanwege de opslag van allerlei goederen. Er was acuut brandgevaar vanwege kapotte leidingen en de aanwezigheid van brandgevaarlijke stoffen. De woning is ontruimd en de nutsvoorzieningen zijn afgesloten. Na herstel van de voorzieningen is verzoeker teruggekeerd in de woning.

2.

In het bestreden besluit heeft verweerder de sluiting van de woning gelast op basis van artikel 17 van de Woningwet. Verweerder heeft overwogen dat verzoeker overtredingen van de Woningwet heeft begaan als bedoeld in dit artikel en daartoe gewezen op de hiervoor bedoelde brandgevaarlijke situaties en de in verband daarmee uitgeoefende spoedeisende bestuursdwang. Daarnaast was de staat van verzoekers tuin door de overmaat aan ongerede goederen erin slecht voor de leefbaarheid van de omgeving Verweerder acht de kans op herhaling van deze overtredingen groot, omdat verzoeker al sinds 2006 meerdere keren is aangeschreven voor spullen op straat, in de woning of in de achtertuin. Verweerder heeft onvoldoende vertrouwen dat de begeleiding waarmee recent is begonnen ervoor zal zorgdragen dat verzoeker niet zal vervallen in oude gewoontes.

3.

Verzoeker stelt dat het besluit niet kan worden gebaseerd op artikel 17 van de Woningwet. Er is momenteel geen sprake van een overtreding als bedoeld in dat artikel. Dat blijkt ook niet uit het bestreden besluit. Voor zover verweerder eerdere overtredingen aan het besluit ten grondslag legt blijken die onvoldoende uit het bestreden besluit en de gedingstukken en is er dus geen sprake van een klaarblijkelijk gevaar op herhaling als bedoeld in artikel 17 van de Woningwet. Ook wordt er alles aan gedaan de woning op te knappen. Het besluit mist een deugdelijke belangenafweging. Verder wijst verzoeker erop dat verweerder in het bestreden besluit een opening heeft geboden door te overwegen dat de bereidheid bestaat om het besluit te heroverwegen als verzoeker zich wilde laten begeleiden. Verzoeker wordt thans begeleid door twee hulpverleners en twee mantelzorgers. Een eerste en een aanvullend behandelplan zijn overgelegd. Op 30 april 2014 heeft een eerste gesprek bij de psycholoog plaatsgevonden. Mede gelet daarop begrijpt verzoeker niet waarom de datum voor de behandeling van zijn verzoek om voorlopige voorziening, die aanvankelijk na overleg met de gemeente was bepaald op 20 mei 2014, tot welke datum geen uitvoering zou worden gegeven aan het bestreden besluit, opeens moest worden vervroegd naar 2 mei. Op 20 mei zou immers al meer duidelijkheid hebben kunnen bestaan over de uitvoering van het behandelplan. Naar de indruk van verzoeker wil verweerder met het bestreden besluit in feite de door hem veroorzaakte overlast tegengaan. Verzoeker erkent dat hij overlast veroorzaakt en dat dit om een oplossing vraagt – waarvoor het behandelplan mede is bedoeld – maar betwist dat artikel 17 van de Woningwet mede strekt ter bestrijding van overlast.

4.1.

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing op bezwaar of eventueel in de hoofdzaak.

4.2.

Artikel 17, eerste lid van de Woningwet luidt als volgt.

Indien overtreding van de bij of krachtens hoofdstuk I, II, of III gegeven voorschriften met betrekking tot de staat of het gebruik van een gebouw, open erf of terrein gepaard gaat met een bedreiging van de leefbaarheid of een gevaar voor de veiligheid of de gezondheid, en er een klaarblijkelijk gevaar is op herhaling van de overtreding, kan het bevoegd gezag besluiten dat gebouw, open erf of terrein te sluiten. De artikelen 5:24, eerste en tweede lid, en 5:25 tot en met 5:28 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing. Het bevoegd gezag kan van de overtreder de ingevolge artikel 5:25 van de Algemene wet bestuursrecht verschuldigde kosten invorderen bij dwangbevel.

5.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

5.1.

Ter onderbouwing van de gestelde overtredingen van de Woningwet heeft verweerder in het bestreden besluit gewezen op een bijgevoegde bestuursdwangbrief. Daarmee doelt verweerder kennelijk op de brief van 18 februari 2014, die hij als productie 3 heeft overgelegd. Daarin staat als overtreding genoemd ‘het niet naleven van de voorschriften die zijn opgenomen in artikel 1b, van de Woningwet’. Een dergelijke algemene verwijzing naar dit artikel maakt onvoldoende duidelijk om welke overtredingen het gaat. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd toegelicht dat het er ook gaat dat verzoeker zijn verplichting als bedoeld in artikel 1a van de Woningwet niet is nagekomen. Ingevolge die bepaling, voor zover van belang, draagt de eigenaar van een open erf of gebouw er zorg voor dat als gevolg van het gebruik ervan geen gevaar voor de veiligheid ontstaat dan wel voortduurt. Gelet op de door verweerder overgelegde en door verzoeker niet bestreden fotoreportage van de ontruiming van het pand als in overweging 1 bedoeld, kan verweerder in bezwaar de overtreding van artikel 1a van de Woningwet genoegzaam aannemelijk maken.

5.2.

Ter onderbouwing van het klaarblijkelijk gevaar van herhaling is door verweerder overwogen dat verzoeker sinds 2006 meerdere keren is aangeschreven vanwege opslag van goederen op straat, in de woning of in de achtertuin. Tevens staat vermeld dat geconstateerd is dat verzoeker na terugkeer in zijn woning weer spullen heeft verzameld. In de door verweerder overgelegde gedingstukken bevindt zich één besluit van eerdere datum, de aanzegging bestuursdwang van 28 februari 2012, gebaseerd op artikel 7b, tweede lid, sub c, van de Woningwet. Ter zitting heeft verweerder nader toegelicht dat het gaat om overtredingen in 2006, 2008, 2012 en 2014. Nu daarvan geen onderbouwing is gegeven, behoudens het besluit van 28 februari 2012, dat is gebaseerd op een andere wettelijke grondslag, is het bestreden besluit onvoldoende onderbouwd, zoals verzoeker terecht heeft aangevoerd. De stelling van verweerder dat uit de wetsgeschiedenis volgt dat het slechts hoeft te gaan om de redelijke kans op herhaling, maakt dat niet anders, alleen al nu in dit geval ook onvoldoende informatie voorhanden is om te beoordelen of aan dat criterium is voldaan. Ook de verwijzing van verweerder naar het aanhangige wetsvoorstel tot wijziging van artikel 17, eerste lid van de Woningwet baat niet. Het voorstel zegt dat de term ’klaarblijkelijk gevaar op herhaling’ in de praktijk als lastig is ervaren omdat dit tot op zekere hoogte voorspelling van toekomstig gedrag nodig maakt. Het constateren van herhaaldelijke overtredingen is concreter en maakt het niet langer noodzakelijk om voorspellingen te doen, aldus het voorstel. Die concrete vaststelling ontbreekt nu juist in dit geval, althans in het dossier.

5.3.

Gebreken in de motivering kunnen in beginsel in de bezwaarfase worden gerepareerd. Evenwel is vooralsnog onvoldoende informatie voorhanden om te kunnen beoordelen of het besluit in bezwaar kan standhouden.

5.4.

De voorzieningenrechter zal dan ook overgaan tot een belangenafweging.

Daarbij wordt vooropgesteld dat in de bezwaarfase ook nieuwe ontwikkelingen in de afweging kunnen worden betrokken.

Tegenover het algemeen belang van de omwonenden bij een veilige leefomgeving en een goed leefmilieu staan de belangen van verzoeker bij het kunnen wonen in zijn eigen huis en het aldaar leren omgaan met zijn problemen.

De voorzieningenrechter heeft, in het licht van de door verweerder geschetste problematiek rond verzoeker en de in verband daarmee verrichte inspanningen, begrip voor de door verweerder gevoelde noodzaak het belang van een veilige woonomgeving en een goed leefmilieu thans met verdere juridische daadkracht te ondersteunen. De voorzieningenrechter kan zich thans evenwel niet zonder meer aan de indruk onttrekken dat verweerder bij (de voorbereiding van) het bestreden besluit onvoldoende scherp het onderscheid voor ogen heeft gehouden tussen het belang van een veilige woonomgeving en een goed leefmilieu als bedoeld in de Woningwet en als bedoeld in het kader van andere wetgeving, in het bijzonder betreffende de openbare orde. Dit laatste naar aanleiding van meldingen van door verzoeker erkende overlast als gevolg van klussen in de nacht en ander geluid.

De voorzieningenrechter stelt vast dat met de ontruiming van de woning het directe gevaar voor de buurt is geweken. Het belang voor de buurt is dan ook in de eerste plaats gelegen in het niet opnieuw ontstaan van datzelfde gevaar. De stelling van verweerder dat verzoeker opnieuw is begonnen met verzamelen, wordt gesteund door de verklaring van de wijkagent. Evenwel heeft de wijkagent ook verklaard dat de spullen later, na zijn opmerkingen daarover tegen verzoeker, weer zijn verdwenen.

Uit het dossier komt naar voren dat er aan de zijde van verzoeker inspanningen worden verricht om herhaling te voorkomen. Verzoeker heeft zich onder behandeling van een psycholoog gesteld en er zijn twee begeleiders en twee mantelzorgers bij de zorg voor verzoeker betrokken. Verweerder heeft in het bestreden besluit aangegeven dat indien voor 24 april 2014 een behandelplan zou worden overgelegd voor de behandeling van de problematiek van verzoeker, waarbij is aangegeven hoe de uitvoering en de behandeling van verzoeker zou zijn gewaarborgd, verweerder bereid is op basis daarvan zijn besluit te heroverwegen. In de brief van 17 april 2014 heeft verweerder aangegeven dat het stuk van

9 april 2014 daartoe te summier is. Bij brief van 29 april 2014 heeft verzoeker een aangepast behandelplan ingezonden en medegedeeld dat verzoeker op 30 april 2014 een eerste gesprek bij een psycholoog zou hebben. Ter zitting is een verklaring van de psycholoog overgelegd, dat verzoeker ook daadwerkelijk is verschenen. Tevens zijn foto’s overgelegd waaruit blijkt dat veel inspanningen zijn gedaan om de woning weer op te knappen.

Het thans daadwerkelijk sluiten van de woning zou deze initiatieven doorkruisen. Mede omdat verweerder zelf in het bestreden besluit heeft aangegeven onder voorwaarden tot een heroverweging te kunnen komen – waarvoor de bezwaarfase bij uitstek is bedoeld – slaat de belangenafweging door de voorzieningenrechter thans nog door in het voordeel van verzoeker.

5.5.

Uit het voorgaande volgt dat er aanleiding is voor het treffen van een voorlopige voorziening, in die zin dat het besluit van 2 april 2014 wordt geschorst tot zes weken na het nemen van de beslissing op bezwaar. Daarbij wijst de voorzieningenrechter er nadrukkelijk op dat, indien verzoeker zich thans opnieuw aan mantelzorg, begeleiding of therapie zal onttrekken en er duidelijkere aanwijzingen zijn die een klaarblijkelijk gevaar op herhaling als bedoeld in artikel 17 van de Woningwet kunnen onderbouwen, verweerder om opheffing kan vragen van de getroffen voorziening als bedoeld in artikel 8:87 van de Awb.

5.6.

Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

5.7.

De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 974,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 487, - en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe en schorst het bestreden besluit tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op het bezwaar van verzoeker,

- bepaalt dat verweerder aan verzoeker het betaalde griffierecht van € 165,- vergoedt,

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 974,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.M.P.M. Weerdesteijn, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. I.M.L.J. Spierings, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 mei 2014.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.