Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:3566

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
15-05-2014
Datum publicatie
02-06-2014
Zaaknummer
AWB-13_08027
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Brief met mededeling van AFM, dat zij afziet van het geven van een aanwijzing en volstaat met het geven van een waarschuwing, die aan het dossier wordt toegevoegd, is geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 2

zaaknummer: ROT 13/8027

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 mei 2014 in de zaak tussen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[a], te [b], eiseres,

gemachtigde: mr. M. Velsink,

en

de stichting Stichting Autoriteit Financiële Markten (AFM), verweerster,

gemachtigde: mr. N. Boonstra.

Procesverloop

Bij brief van 6 augustus 2013 heeft AFM aan eiseres meegedeeld dat zij afziet van het geven van een aanwijzing als bedoeld in artikel 1:75 van de Wet op het financieel toezicht (Wft).

Bij besluit van 31 oktober 2013 (het bestreden besluit) heeft AFM het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

AFM heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 mei 2014. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, in gezelschap van[x]. AFM heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.

Overwegingen

1.1. Bij brief van 1 augustus 2012 heeft AFM aan eiseres een voornemen tot het geven van een aanwijzing verzonden op de grond dat eiseres, zonder over een daartoe vereiste vergunning van AFM te beschikken, vanaf in ieder geval 7 april 2009 tot en met 1 augustus 2012 beleggingsobjecten[gronden] heeft aangeboden en daarmee artikel 2:55, eerste lid, van de Wft heeft overtreden.

1.2. Nadat eiseres bij haar zienswijze heeft verklaard dat zij haar werkwijze op onderdelen heeft aangepast, heeft AFM eiseres bij brief van 6 augustus 2013 meegedeeld dat eiseres in ieder geval over de periode vanaf 2 oktober 2009 tot 14 augustus 2012 beleggingsobjecten heeft aangeboden. Tevens heeft AFM meegedeeld dat zij, nu eiseres niet langer in overtreding is, afziet van het geven van een aanwijzing en volstaat met het geven van een waarschuwing met de toevoeging dat die waarschuwing aan het dossier wordt toegevoegd en bij toekomstige gevallen ten nadele van eiseres kan en zal meewegen.

2.

Bij het bestreden besluit heeft AFM eiseres niet-ontvankelijk verklaard in haar bezwaar, omdat de brief van 6 augustus 2013 niet is gericht op rechtsgevolg en daarom niet kwalificeert als een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het gevolg daarvan is dat geen mogelijkheid openstaat daartegen een bezwaarschrift in te dienen.

3.

Eiseres voert aan dat er sprake is van een op rechtsgevolg gerichte beslissing, omdat AFM de overtreding, die eiseres betwist en die zonder dat eiseres bezwaar maakt, vast komt te staan, bij toekomstige zaken in het nadeel van eiseres kan meewegen. Ook voert eiseres aan dat is gebleken dat AFM van het besluit van 6 augustus 2013 mededeling doet aan derden of dit op een andere wijze publiekelijk bekend maakt.

4.

Ter beoordeling staat of AFM de brief van 6 augustus 2013 terecht niet heeft aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.

5.

Met AFM is de rechtbank van oordeel dat de brief niet is aan te merken als een besluit, omdat de brief niet is gericht op enig rechtsgevolg. Deze legt geen rechtens bindende verplichting op aan eiseres of onthoudt haar van enig recht. De brief heeft immers geen wijziging in de rechtspositie van eiseres tot gevolg. AFM heeft dan ook terecht het standpunt ingenomen dat de brief niet als een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb kwalificeert en het bezwaar van eiseres terecht niet-ontvankelijk verklaard.

6.

De omstandigheid dat AFM in verband met de overtreding heeft volstaan met een waarschuwing maar deze overtreding wel kan betrekken bij de beoordeling van een toekomstig zaak, laat onverlet dat eiseres in voorkomend geval haar bezwaren tegen de feiten en bevindingen die aan de onderhavige overtreding ten grondslag zijn gelegd kan aanvoeren, voor zover deze overtreding wordt betrokken bij de besluitvorming. Van een verlies aan rechtsbescherming is dan ook naar het oordeel van de rechtbank geen sprake (zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 24 november 2009 (ECLI:BK:CRVB:2009:BK4582) en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 16 november 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BU4598)).

7.

Uit de door eiseres in geding gebrachte brief van de [bank] Budel van 20 november 2013 blijkt dat het hoofdkantoor van deze bank de aanvraag van eiseres en[bedrijf 2]. voor een spaarrekening in verband met een eerdere waarschuwing van AFM gericht aan eiseres niet wil accepteren. De rechtbank is - anders dan eiseres - van oordeel dat de eventuele kennisname door derden van de door AFM gegeven waarschuwing geen rechtsgevolg meebrengt, in die zin dat de rechtspositie van eiseres daardoor is gewijzigd. Het gaat in dit geval immers om een gevolg dat de derde, in dit geval [bank], verbindt aan een beslissing van AFM, waarbij geldt dat van de omstandigheden waaronder de [bank] kennis zou hebben gekregen van de onderhavige informatie niet is gebleken.

8.

Eiseres heeft ter zitting betoogd dat de waarschuwing moet worden gelijkgesteld met een besluit tot openbaarmaking als bedoeld in artikel 1:97 van de Wft, een volgens vaste jurisprudentie op zelfstandig rechtsgevolg gericht besluitonderdeel, waartegen bezwaar kan worden gemaakt en beroep ingesteld. Dit betoog faalt reeds omdat zoals hiervoor is overwogen geen sprake is van een besluit.

9.

Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A.C. van Nifterick, rechter, in aanwezigheid van

mr. E. Kleingeld-Top, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 mei 2014.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.