Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:3500

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-05-2014
Datum publicatie
30-06-2014
Zaaknummer
1414367 CV EXPL 13-3075
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

verbrekingsvergoeding, Colportagewet, reflexwerking, dwaling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2014/356
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Zaaknummer: 1414367 CV EXPL 13-3075

Uitspraak: 9 mei 2014

Vonnis van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] ,

tevens handelende onder de naam [xx],

gevestigd te Utrecht,

eiseres bij exploot van dagvaarding van 19 december 2012,

gemachtigde: Nouta Westland Gerechtsdeurwaarderskantoor B.V. te Wateringen,

gemeente Westland,

tegen

1. de vennootschap onder firma

[gedaagde]

gevestigd te Rotterdam,

2. [gedaagde 2],

wonende te Rotterdam,

vennoot van gedaagde sub 1, en

3. [gedaagde 3],

wonende te Rotterdam,

vennoot van gedaagde sub 1,

gedaagden,

gemachtigde: mr. S.R. Rense (DAS Rechtsbijstand) te Amsterdam.

Eiseres wordt hierna “[eiseres]” genoemd. Gedaagden worden hierna gezamenlijk aangeduid met “[gedaagde] c.s.”, en afzonderlijk met “[gedaagde]”, “[gedaagde 2]” en “[gedaagde 3]”.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het procesverloop blijkt uit de volgende processtukken:

  • -

    het exploot van dagvaarding, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    het tussenvonnis d.d. 11 maart 2013;

  • -

    de akte inbrengen producties van [eiseres];

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van partijen d.d. 12 april 2013;

  • -

    de conclusie van repliek, met producties;

  • -

    de conclusie van dupliek, met productie.

1.2

De datum van de uitspraak is (nader) bepaald op heden. Daarbij wordt opgemerkt dat, vanwege een herverdeling van werkzaamheden, dit vonnis wordt gewezen door een andere kantonrechter dan de kantonrechter die de comparitie heeft geleid.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, alsmede op grond van de in zoverre niet weersproken inhoud van de producties, staat tussen partijen het volgende vast:

2.1

Tussen [gedaagde] als opdrachtgever en [eiseres] als opdrachtnemer is op 28 juni 2011 een schriftelijke “Overeenkomst voor internet prestaties met een publicitair karakter” (hierna: “de Overeenkomst”) tot stand gekomen. De vier pagina’s tellende Overeenkomst is afgedrukt op briefpapier van [eiseres] waarop tevens alle contractvoorwaarden zijn vermeld. De Overeenkomst is namens [gedaagde] door [gedaagde 3] ondertekend. Juist boven haar handtekening staat gedrukt: “Gelezen en goedgekeurd, voor de 4 pagina’s van deze overeenkomst, omvattende 10 artikelen.

2.2

Blijkens de Overeenkomst neemt [eiseres] op zich: “Ontwikkeling van een website met CMS: incl. hosting, domeinnaam en e-mailadres” en “SEA: aanmaak, beheer en opvolging van de Search Engine Advertising campagne”. Dit product behelst dat [eiseres] ten behoeve van de kledingwinkel van [gedaagde] door middel van haar advertenties een campagne bij Google aanmaakt en dat zij de campagne beheert en opvolgt.

2.3

De tegenprestatie van [gedaagde] houdt in dat zij een eenmalig bedrag van € 90,- aan dossierkosten aan [eiseres] is verschuldigd. Dit bedrag is door [gedaagde] aan [eiseres] betaald. Verder dient [gedaagde] aan [eiseres] gedurende 48 maanden een bedrag van € 155,- exclusief BTW, oftewel € 184,45 inclusief BTW, te betalen. [gedaagde] heeft geen enkel maandelijks bedrag betaald aan [eiseres].

2.4

Bij brief van 7 juli 2011 heeft [gedaagde 3], namens [gedaagde], [eiseres] het volgende geschreven:

“(…)

Hierbij wil ik de overeenkomst onder boven vermelde klantnummer per direct beëindigen. (volgens de Nederlandse wet biedt het de mogelijkheid om des betreffende overeenkomst binnen het termijn van 8 dagen te beëindigen).

Dus bij deze de overeenkomst beëindigen.

(…)”.

2.5

Artikelen 10.1.1 en 10.1.2 van de Overeenkomst luiden als volgt:

10.1.1 De onderhavige overeenkomst is een duurovereenkomst van bepaalde tijd en is gesloten voor een duur van 48 MAANDEN. De abonnee kan evenwel besluiten de overeenkomst tussentijds op te zeggen mits de betaling van een opzeggingsvergoeding gelijk aan 40% van de nog niet vervallen maandelijkse bedragen voor de nog lopende periode.

In dat geval zal de overeenkomst pas als beëindigd worden beschouwd wanneer [xx] hiervan op de hoogte wordt gesteld d.m.v. een aangetekende brief met betalingsbewijs van de opzeggingsvergoeding en dat [xx] volledige betaling heeft verkregen van voornoemde vergoeding en alle nog openstaande vorderingen in het kader van deze overeenkomst.

10.1.2

In alle gevallen van contractbreuk door de abonnee, anders dan op grond van een toerekenbaar tekortschieten van [xx] in de nakoming van haar verbintenis is deze gehouden om aan [xx] de daaruit voor [xx] voortvloeiende schade te vergoeden. Deze schade wordt geraamd op een som die gelijk is aan minimum 40% van de nog niet vervallen maandelijkse bijdragen voor de nog lopende periode.”

3 Het geschil

3.1

[eiseres] heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] en haar vennoten [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hoofdelijk, des dat de een betalende de ander voor dat deel zal zijn bevrijd, te veroordelen aan haar te betalen € 4.438,64, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 3.588,22 vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening, en hen, eveneens hoofdelijk, te veroordelen in de kosten van de procedure.

Aan die vordering heeft [eiseres] -samengevat en voor zover thans van belang- ten grondslag gelegd dat [gedaagde] c.s. ondanks herhaalde aanmaning in gebreke zijn gebleven met betaling van de door hen ingevolge de Overeenkomst maandelijks verschuldigde bedragen, reden voor [eiseres] deze bij brief van 13 juli 2012 buitengerechtelijk te ontbinden. Dientengevolge zijn zij, naast de op dat moment vervallen (vijf) maandelijkse bedragen ad € 922,25, [eiseres] op de voet van artikel 10 van de Overeenkomst een verbrekingsvergoeding gelijk aan 43 maanden (de resterende looptijd) maal € 155,- exclusief BTW per maand maal 40%, oftewel € 2.666,- verschuldigd. Op de dossierkosten ad € 90,- na (zie hiervoor 2.3) hebben [gedaagde] c.s. echter niets aan [eiseres] betaald.

Derhalve zijn zij thans € 3.588,22 in hoofdsom aan [eiseres] verschuldigd, vermeerderd met de wettelijke rente daarover, door [eiseres] tot aan 11 december 2012 berekend op € 250,42, en dienen zij [eiseres] € 600,- aan buitengerechtelijke kosten te vergoeden.

3.2

[gedaagde] c.s. hebben de vordering betwist. Daartoe hebben zij -eveneens samengevat en voor zover thans van belang- het volgende aangevoerd.

[gedaagde] heeft de Overeenkomst bij brief van 7 juli 2011 ontbonden (als bedoeld in artikel 25 van de Colportagewet). Nu [gedaagde] een vennootschap onder firma is, waarbij de vennoten hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door de vennootschap aangegane verbintenissen, kunnen [gedaagde] c.s. zich beroepen op reflexwerking van de Colportagewet.

Verder is het zo dat [eiseres] al zeer kort na het sluiten van de Overeenkomst wist dat zij geen prestatie (meer) hoefde te leveren en zij heeft ook geen prestatie geleverd. Reeds om die reden bestaat er geen rechtsgrond voor het vorderen van de volledige maandbedragen. [gedaagde] c.s. hebben aangeboden € 500,- aan [eiseres] te betalen tegen finale kwijting. Dat was een meer dan redelijk aanbod, te meer indien daarbij bedacht wordt dat [gedaagde] ook al € 90,- aan dossierkosten had betaald en dat de verbrekingsvergoeding het karakter van een boete heeft. [eiseres] heeft dat aanbod echter van de hand gewezen.

Evident is dat in dit geval, waarin alleen dossierkosten zijn gemaakt en duidelijk was dat nakoming van de Overeenkomst niet aan de orde zou zijn, de door [eiseres] gevorderde verbrekingsvergoeding ad € 2.666,- niet redelijk is. [gedaagde] c.s. wijzen er op dat in andere zaken de rechter het desbetreffende beding als onredelijk bezwarend heeft aangemerkt en [eiseres] heeft toegelaten de redelijkheid van het beding te bewijzen.

Verder stelt [gedaagde] dat zij heeft gedwaald. [gedaagde 3] was behoorlijk overrompeld bij het aangaan van de Overeenkomst; de verkoper ‘zat door te hameren’. [gedaagde 3] heeft toen de voorzijde van de Overeenkomst in het geheel niet gelezen; meteen werd verwezen naar de door haar te tekenen pagina 4 van de Overeenkomst. [gedaagde 3] zag pas achteraf dat er geen bedenk- of proeftijd was en dat de Overeenkomst voor 48 maanden werd aangegaan. Bij brief van 6 oktober 2011 van haar gemachtigde heeft [gedaagde] de vernietigbaarheid van de Overeenkomst wegens dwaling ingeroepen.

Daarnaast heeft [gedaagde] aangevoerd de Overeenkomst te hebben ontbonden wegens wanprestatie in verband met het feit dat de desbetreffende medewerker van [eiseres] niet is komen opdagen op 3 juli 2011 voor het maken van foto’s ten behoeve van de website. Na een paar uur belde die medewerker met de mededeling dat hij de afspraak vergeten was en dat hij een nieuw afspraak wilde maken, waarop [gedaagde] heeft geantwoord de Overeenkomst te beëindigen wegens wanprestatie en op grond dat zij achteraf toch niet geïnteresseerd was.

3.3

Op hetgeen partijen verder nog hebben aangevoerd, voor zover althans van belang voor de uitkomst van de procedure, wordt hierna teruggekomen.

4 De beoordeling

4.1

De diverse geschilpunten zullen hierna onderwerpsgewijs worden besproken.

dwaling

4.2

Op de voet van artikel 6:228 BW kan een overeenkomst die onder invloed van dwaling tot stand is gekomen en bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten, (onder meer) worden vernietigd indien de dwaling is te wijten aan een inlichting van de wederpartij (tenzij de wederpartij mocht aannemen dat de overeenkomst ook zonder deze inlichting zou worden gesloten) of juist aan haar zwijgen daar waar zij had moeten spreken.

[gedaagde] c.s. hebben in dit verband aangevoerd dat [gedaagde 3] als gevolg van het ‘doorhameren’ van de verkoper van [eiseres] pas achteraf, na het ondertekenen van de Overeenkomst, zag dat deze voor 48 maanden, zonder bedenk- of proeftijd, was aangegaan, hetgeen haar daarvoor niet duidelijk was omdat zij meteen werd verwezen naar de door haar te tekenen laatste (vierde) pagina van de Overeenkomst. Uit dat verweer begrijpt de kantonrechter dat [gedaagde] c.s. [eiseres] verwijten dat zij [gedaagde 3] niet voor het sluiten van de Overeenkomst heeft gewezen op de duur ervan en op de afwezigheid van een bedenktermijn. Niet gesteld of gebleken is in ieder geval dat de verkoper van [eiseres] [gedaagde 3] onder ontoelaatbare druk heeft gezet (hetgeen overigens een ander wilsgebrek dan dwaling zou impliceren).

Overwogen wordt dat uit het in het geding gebrachte afschrift van de Overeenkomst blijkt dat niet alleen op de eerste pagina maar ook op de vierde pagina daarvan, juist boven het vak waarin [gedaagde 3] heeft getekend, in ‘vette’ en onderstreepte hoofdletters is vermeld dat de Overeenkomst voor de duur van 48 maanden werd aangegaan. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, kan de kantonrechter [gedaagde] c.s. dan ook niet volgen in hun -kennelijke- standpunt dat [eiseres] hen niet heeft geïnformeerd over de duur van de Overeenkomst.

Overigens hebben [gedaagde] c.s. niet gesteld dat de verkoper van [eiseres] [gedaagde 3] voor het aangaan van de Overeenkomst heeft voorgehouden dat deze voor een andere (korte) duur zou gelden of dat er een bedenktermijn was, terwijl ook niet (zonder meer) valt in te zien op grond waarvan de verkoper van [eiseres] gehouden was [gedaagde 3], naast de hiervoor genoemde vette en onderstreepte tekst, nog eens (expliciet) te wijzen op de duur van de Overeenkomst en voorts op de afwezigheid van een bedenktermijn. Bij dat laatste merkt de kantonrechter nog op dat [gedaagde] c.s. ook niet hebben gesteld op grond waarvan zij, bij een zakelijke overeenkomst als deze, mochten verwachten dat er een bedenktermijn zou gelden.

Bovendien hebben [gedaagde] c.s. niets aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat ingeval [gedaagde 3] voor het sluiten van de Overeenkomst had geweten van de duur waarvoor deze werd aangegaan en van de afwezigheid van een bedenktermijn, zij de Overeenkomst niet, althans niet onder dezelfde voorwaarden, zou hebben gesloten, laat staan dat de verkoper van [eiseres] dit toen behoorde te weten, dit te minder nu [gedaagde 3] met het zetten van haar handtekening heeft verklaard (zie hiervoor 2.1) de vier pagina’s van de Overeenkomst te hebben gelezen en goedgekeurd.

Vorenstaande overwegingen leiden tot de slotsom dat het door [gedaagde] c.s. gedane beroep op dwaling wordt verworpen.

ontbinding op grond van de reflexwerking van de Colportagewet

4.3

Aangenomen dat [gedaagde] binnen de in artikel 25 van de Colportagewet genoemde bedenktijd aan [eiseres] heeft medegedeeld de Overeenkomst eenzijdig te ontbinden (als in dat artikel bedoeld), kan dit [gedaagde] c.s. echter niet baten.

Daartoe wordt vooropgesteld dat op grond van artikel 1 lid 1 sub d van die wet onder colporteur moet worden verstaan “degene die in de uitoefening van een beroep of bedrijf door persoonlijk bezoek (…) tracht een particulier te bewegen tot het sluiten van een overeenkomst, strekkende tot het aan deze verschaffen van het genot van een goed, het aan deze verlenen van een dienst (…)”. Vast staat dat [gedaagde] de Overeenkomst is aangegaan in de uitoefening van haar onderneming zodat zij niet kan worden aangemerkt als particulier in voormelde zin.

Voor het aannemen van de door [gedaagde] c.s. bepleite reflexwerking van de Colportagewet, in die zin dat ook aan hen, als kleine ondernemer (naar zij hebben gesteld), de bescherming van de Colportagewet (waaronder de mogelijkheid tot eenzijdige ontbinding binnen de in artikel 25 daarvan genoemde bedenktijd) zou toekomen, biedt de wetsgeschiedenis van de Colportagewet zelf geen aanleiding terwijl er ook geen wetsbepaling bestaat waarop die reflexwerking kan worden gegrond (Hof Arnhem-Leeuwarden d.d. 29 oktober 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:8111). Dit verweer mist dan ook doel.

ontbinding op grond van wanprestatie

4.4

Datzelfde geldt voor het door [gedaagde] c.s. gevoerde verweer dat de Overeenkomst buitengerechtelijk is ontbonden wegens wanprestatie van [eiseres], daarin bestaande dat haar medewerker, zonder af te bellen, op 3 juli 2011 niet is komen opdagen voor het maken van foto’s ten behoeve van de website.

Immers, op de voet van artikel 6:265 lid 2 BW was [gedaagde] eerst tot ontbinding bevoegd op het moment dat [eiseres] jegens haar in verzuim verkeerde en van verzuim is, behoudens in de artikel 6:83 BW genoemde gevallen (waarvan niet is gebleken dat een van die gevallen zich hier heeft voorgedaan), eerst sprake indien de schuldenaar ([eiseres]) schriftelijk in gebreke is gesteld door de schuldeiser ([gedaagde]) waarbij haar een redelijke termijn voor de nakoming wordt gesteld en vervolgens nakoming binnen die termijn uitblijft.

Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] c.s. deze weg hebben bewandeld. Derhalve wordt geconcludeerd dat [eiseres] niet (wegens de door [gedaagde] c.s. gestelde, door [eiseres] overigens nog bestreden, tekortkoming) in verzuim is komen te verkeren en [gedaagde] c.s. niet bevoegd waren de Overeenkomst buitengerechtelijk te ontbinden. Ook dit verweer faalt derhalve.

tussenconclusie

4.5

Het voorgaande betekent dat de Overeenkomst niet op initiatief van [gedaagde] c.s. (dat wil zeggen door middel van een geslaagd beroep op vernietiging wegens dwaling dan wel een rechtsgeldige ontbindingsverklaring op de voet van artikel 25 van de Colportagewet dan wel artikel 6:265 BW) is geëindigd. Evenmin is gebleken dat [gedaagde] c.s. aan [eiseres] kenbaar hebben gemaakt de Overeenkomst te willen opzeggen overeenkomstig de regeling van artikel 10.1.1 daarvan, dat wil zeggen onder verband van (vrijwillige) betaling van de zogenoemde verbrekingsvergoeding ad 40% van de resterende maandtermijnen.

Uit hetgeen partijen over en weer naar voren hebben gebracht en met stukken (met name correspondentie) hebben onderbouwd, blijkt dat [gedaagde] c.s. kort na het sluiten van de Overeenkomst, en ook nadien, aan [eiseres] kenbaar hebben gemaakt geen prijs (meer) te stellen op de overeengekomen prestatie, ook niet nadat [eiseres] zich bereid verklaarde de overeengekomen prestatie, met medewerking van [gedaagde] c.s., (alsnog) te leveren.

Het staat [gedaagde] c.s. weliswaar vrij af te zien van de door [eiseres] te leveren prestatie, maar dat bevrijdt hen nog niet van de ingevolge de Overeenkomst op hen rustende betalingsverplichtingen. Die blijven immers bestaan tot het moment dat de Overeenkomst (rechtsgeldig) is ontbonden (HR 19 februari 1988, NJ 1989, 343; Droog/Bekaert).

maandtermijnen ad € 922,45 in totaal

4.6

Als onbetwist staat vast dat [gedaagde] c.s. geen van de maandelijks verschuldigde bedragen -ad € 184,45 per maand- hadden betaald, toen [eiseres] de Overeenkomst wegens het uitblijven van die betalingen, bij brief van 13 juli 2012, buitengerechtelijk ontbond. Evenzo staat vast dat op dat moment vijf maandtermijnen vervallen waren, derhalve € 922,25 in totaal. Dat bedrag wordt dan ook toegewezen. Daaraan doet niet af dat, naar [gedaagde] c.s. hebben gesteld, geen prestatie van [eiseres] daartegenover heeft gestaan, nu dat het gevolg is van de door [gedaagde] c.s. betrokken stelling dat zij de Overeenkomst rechtsgeldig hadden vernietigd of ontbonden, waarin zij in deze procedure niet zijn gevolgd, en van het feit dat zij niet ingegaan zijn op het aanbod van [eiseres] de Overeenkomst (alsnog) gestand te doen, hetgeen hier voor hun rekening en risico komt.

verbrekingsvergoeding ad € 2.666,-

4.7

Niet gezegd kan worden dat [eiseres], gezien het uitblijven van die maandbedragen en het door [gedaagde] c.s. jegens [eiseres] ingenomen standpunt, zonder redelijke grond tot buitengerechtelijke ontbinding van de Overeenkomst is overgegaan. Dat hebben [gedaagde] c.s., afgezien van de hiervoor behandelde en verworpen verweren, ook niet (afzonderlijk) bestreden. Hierna wordt er dan ook vanuit gegaan dat de Overeenkomst wegens genoemde betalingsachterstand rechtsgeldig werd ontbonden, op het moment dat er nog 43 maanden van de overeengekomen duur resteerden.

4.8

Voor die situatie bepaalt artikel 10.1.2 van de Overeenkomst dat [gedaagde] c.s. dan een verbrekingsvergoeding ter grootte van 43 maanden (de resterende looptijd) maal € 155,- (de maandtermijn exclusief BTW) maal 40%, oftewel € 2.666,-, verschuldigd zijn. Genoemde bepaling betreft een boetebeding in de zin van artikel 6:91 BW, nu [gedaagde] c.s. ingeval van ‘contractbreuk’ gehouden zijn aan [eiseres] een (forfaitaire) schadevergoeding groot 40% van de resterende termijnen te voldoen. Nu uit het voorgaande volgt dat [gedaagde] c.s. jegens [eiseres] toerekenbaar tekortgeschoten zijn, zijn zij op basis van dit artikel(lid) en ook op grond van artikel 6:277 BW jegens haar tot schadevergoeding gehouden.

[gedaagde] c.s. hebben weliswaar aangevoerd dat genoemde bepaling onredelijk bezwarend in de zin van artikel 6:233 BW is, maar naar het oordeel van de kantonrechter is dat dit beding, dat ertoe strekt de hoogte van de ingeval van wanprestatie te betalen schadevergoeding te fixeren (juist om discussies over de hoogte van de daadwerkelijke schade te voorkomen), als zodanig niet onredelijk bezwarend, te minder nu het hier gaat om partijen die handelden in de uitoefening van een beroep of bedrijf en geen aanspraak wordt gemaakt op het totaal aan resterende maandbedragen maar (slechts) op 40% daarvan. Hierbij weegt ook mee dat de kantonrechter in het voorkomende geval bevoegd is, op verlangen van de schuldenaar, de hoogte van de volgens genoemd beding verschuldigde schadevergoeding te matigen, maar slechts in het geval de billijkheid dit klaarblijkelijk eist (artikel 6:94 lid 1 BW).

Uit het verweer van [gedaagde] c.s. begrijpt de kantonrechter dat zij (ook) een beroep doen op die matigingsbevoegdheid, met name om reden dat, volgens hen, [eiseres] te hunner behoeve de facto niet of nauwelijks kosten heeft gemaakt of werkzaamheden heeft verricht, zodat de gevorderde verbrekingsvergoeding daarmee niet in verhouding staat.

Overwogen wordt dat naar vaste jurisprudentie de kantonrechter zijn matigingsbevoegdheid terughoudend dient te hanteren; matiging is alleen dan aan de orde indien toepassing van het boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt. Daarbij zal niet alleen moeten worden gelet op de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, maar ook op de aard van de overeenkomst, de inhoud van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen. Verder is van belang dat het bedingen van een boete ter fixatie van schadevergoeding op zich geoorloofd is en dat het enkele uiteenlopen van schade en boete onvoldoende grond voor matiging is (MvA II, Parl. Gesch. 6, p. 325).

Uit hetgeen hierboven werd overwogen, blijkt dat, naar het oordeel van de kantonrechter, [gedaagde] c.s. zich na het sluiten van de Overeenkomst ten onrechte hebben beroepen op de vernietigbaarheid en de ontbinding daarvan en nakoming daarvan door [eiseres] hebben gefrustreerd door bij dat standpunt te blijven en hun vereiste medewerking aan de uitvoering van de Overeenkomst, ondanks verzoeken van [eiseres] daartoe, te (blijven) onthouden. Dit gedrag van [gedaagde] c.s. is de aanleiding voor de ontbinding van de Overeenkomst door [eiseres] geweest en vormt dan ook bepaald geen argument voor matiging van de hier gevorderde ‘verbrekingsvergoeding’.

Voorts hebben [gedaagde] c.s. weliswaar aangevoerd dat zij [eiseres] al in een (heel) vroeg stadium, voordat [eiseres] werkzaamheden van substantiële betekenis had verricht, duidelijk hebben gemaakt dat zij de overeengekomen prestatie niet hoefde te leveren en dat [eiseres] ook nadien niet zulke werkzaamheden heeft verricht, maar daarbij gaan zij eraan voorbij dat [eiseres], nu als gevolg van de opstelling van [gedaagde] c.s. geen nakoming maar ontbinding heeft plaatsgehad, geen mogelijkheid heeft gehad de door haar eerder, dat wil zeggen niet beperkt tot de met [gedaagde] c.s. gesloten overeenkomst, gedane (bedrijfs)investeringen terug te verdienen, laat staan ten aanzien van juist de door haar met [gedaagde] c.s. aangegane overeenkomst een positief resultaat (winst) te boeken.

Al het voorgaande in aanmerking genomen, en ook gelet op de aard van de Overeenkomst, kan niet gezegd worden dat toepassing van het onderhavige boetebeding, dat [eiseres] wegens de wanprestatie van [gedaagde] c.s. recht geeft op een gefixeerde schadevergoeding ter hoogte van 40% van de resterende maandtermijnen (exclusief BTW), onder de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt. Voor matiging bestaat hier dan ook geen aanleiding. Dit verweer mist derhalve doel.

Dat betekent dat de door [eiseres] gevorderde verbrekingsvergoeding ad € 2.666,-, die cijfermatig door [gedaagde] c.s. onbestreden is gelaten, wordt toegewezen.

rente en buitengerechtelijke kosten

4.9

Ook de door [eiseres] gevorderde wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten, welke nevenvorderingen door [gedaagde] c.s. niet afzonderlijk zijn bestreden en welke de kantonrechter ook niet ongegrond of onrechtmatig voorkomen, worden toegewezen.

proceskosten

4.10

[gedaagde] c.s. zijn hier de in het ongelijk gestelde partij. Zij worden daarom in de kosten van de procedure veroordeeld.

4.11

De door [eiseres] gevorderde informatiekosten zijn echter niet toewijsbaar, nu daarbij niet gehandeld is overeenkomstig artikel 9 Besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders (Btag).

5 De beslissing

De kantonrechter:

- veroordeelt [gedaagde], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hoofdelijk, des dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van € 4.438,64, vermeerderd met de wettelijke rente over € 3.588,22 vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt [gedaagde], [gedaagde 2] en [gedaagde 3], eveneens hoofdelijk in voormelde zin, in de kosten van de procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] vastgesteld op € 524,17 aan verschotten en € 500,- aan salaris voor haar gemachtigde;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het méér of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.J. van Rijen en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

525