Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:3390

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
06-05-2014
Datum publicatie
08-05-2014
Zaaknummer
C-10-450204 - KG ZA 14-408
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Dagvaarding nietig. Verleend verlof ex art. 117 Rv strekt tot verkorting van de normale dagvaardingstermijn en niet tot verkorting van de termijn ex artikel 115 lid 2 Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2014/169
NJF 2014/367
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/450204 / KG ZA 14-408

Vonnis in kort geding van 6 mei 2014

in de zaak van

naamloze vennootschap WESTLANDUTRECHT BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

advocaat mr. T.J.P. Jager,

tegen

[gedaagde] ,

zonder bekende woon- of verblijfplaats,

gedaagde,

niet verschenen.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding d.d. 29 april 2014,

  • -

    de mondelinge behandeling ter openbare zitting van 1 mei 2014.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De beoordeling

2.1.

De inleidende dagvaarding is op 29 april 2014 te 13.33 uur op de in artikel 54 Rv bepaalde wijze betekend met bekendmaking in een landelijk verschijnend avondblad van 30 april 2014. Hiermee is gegeven dat de bij artikel 115 lid 2 Rv voor een gedaagde die geen bekende woon- of verblijfplaats heeft bepaalde dagvaardingstermijn van drie maanden niet in acht is genomen. Weliswaar is, zoals in het hoofd van de dagvaarding is vermeld, aan eiseres verlof verleend tot dagvaarding op verkorte termijn en voldaan aan de daarbij gestelde voorwaarden, maar dat verlof is verleend aan de hand van een concept dagvaarding waarin gedaagde met een woonplaats is vermeld. Daaruit volgt dat het verlof strekt tot verkorting van de normale dagvaardingstermijn van zeven dagen ex artikel 114 Rv en niet tot verkorting van de dagvaardingstermijn van drie maanden ex artikel 115 lid 2 Rv. Laatstbedoeld verlof is niet gevraagd en derhalve ook niet verkregen. Hieraan kan niet af doen dat, zoals eiseres ter zitting heeft toegelicht, gedaagde volgens haar gegevens woonachtig was op het in de concept dagvaarding vermelde adres en eerst bij de door de deurwaarder in het kader van de betekening van de dagvaarding uitgevoerde controle in de Gemeentelijke Basisadministratie is gebleken dat gedaagde was vertrokken van het adres en dat onbekend was waarheen. Waarom het vertrek van gedaagde uit de woning eiseres gelet op de geruime tijd dat hij niet op de aanschrijvingen heeft gereageerd en de betekening die in het kader van de aangezegde executie moet hebben plaatsgevonden eiseres niet eerder bekend was of kon zijn, heeft eiseres niet voldoende duidelijk gemaakt. Ook indien het gegaan is zoals eiseres stelt, had eiseres moeten begrijpen dat het verleende verlof ex artikel 117 Rv – gelet op de daarbij verstrekte informatie – niet strekte tot verkorting van de dagvaardingstermijn van artikel 115 lid 2 Rv en mocht zij er, zonder toestemming van de voorzieningenrechter, niet op vertrouwen dat het wel verleende verlof zonder meer mocht worden gebruikt.

2.2.

Uit het vorenstaande volgt dat de geldende dagvaardingstermijn niet in acht is genomen, zodat aan de dagvaarding een gebrek kleeft dat met nietigheid is bedreigd. Gelet op de uiterst korte termijn tussen de betekening en bekendmaking ex artikel 54 Rv en het tijdstip van de zitting (tussen publicatie in het avondblad en de zitting zitten circa 16 uren) is aannemelijk dat de dagvaarding gedaagde ten gevolge van dat gebrek niet heeft bereikt, zodat de dagvaarding nietig dient te worden verklaard.

2.3.

Eiseres zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van dit kort geding. Aan de zijde van gedaagde worden die kosten begroot op nihil.

3 De beslissing

De voorzieningenrechter

verklaart de dagvaarding nietig,

veroordeelt eiseres in de kosten van het geding aan de zijde van gedaagde tot op heden bepaald op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.D. Rentema en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2014.

2515/2477