Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:3332

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30-04-2014
Datum publicatie
30-04-2014
Zaaknummer
13/701192
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Negen maanden cel in zaak dood baby

De rechtbank Rotterdam heeft op 30 april 2014 uitspraak gedaan in de zaak van een 25 jarige vrouw inzake de dood van haar pasgeboren baby in juli 2013. De vrouw wordt veroordeeld tot 9 maanden gevangenisstraf, waarvan 3 maanden voorwaardelijk, voor het in hulpeloze toestand laten van haar baby, hetgeen de dood tot gevolg heeft gehad. De rechtbank acht niet bewezen dat de vrouw opzet heeft gehad op het doden van haar baby, of dat zij het plan had haar baby te doden. Zij heeft haar baby kort na de geboorte niet de benodigde lichamelijke verzorging, voeding en medische verzorging gegeven, maar ervoor gekozen om de baby gedurende een (uren)lange periode, zonder eten of drinken, in de kast te leggen en pas op een later moment naar het ziekenhuis te gaan. De verdachte heeft hiermee haar baby in een hulpeloze toestand gelaten als gevolg waarvan de baby is overleden, welk overlijden redelijkerwijs aan het nalaten van de verdachte is toe te rekenen. De baby is overleden als gevolg van een klaplong. Niet met zekerheid kan worden vastgesteld waardoor deze is ontstaan.

De rechtbank acht de vrouw verminderd toerekeningsvatbaar. Bij de vrouw is sprake van zwakbegaafdheid. Haar handelen lijkt met name te zijn ingegeven door paniek en verwarring na de plotselinge bevalling en de enorme angst voor ontdekking en de daaruit voortvloeiende gevolgen. Mede daarom heeft zij de gevolgen van haar daden niet volledig kunnen overzien.

Van de 9 maanden gevangenisstraf worden 3 maanden voorwaardelijk opgelegd. Ook zal de vrouw onder toezicht van Reclassering Nederland komen en als dat nodig wordt geacht ambulante psychische behandeling volgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/701192-13

Datum uitspraak: 30 april 2014

Tegenspraak

Verkort vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres [adres],

raadsman mr. W. Suttorp, advocaat te Rotterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 16 april 2014.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding zoals deze op de terechtzittingen van 14 januari 2014 en 16 april 2014 overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. J. Boender heeft gerekwireerd tot:

- vrijspraak van het primair ten laste gelegde;

- bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar en als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich zal gedragen naar de aanwijzingen van Reclassering Nederland, waaronder begrepen dat de verdachte zich gedurende 1 jaar zal melden bij Reclassering Nederland, zo vaak als deze instelling dat nodig acht, en zich onder behandeling laat stellen bij I-psy.

MOTIVERING VRIJSPRAAK

Het primair ten laste gelegde

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde feit, kindermoord, niet bewezen. Zij overweegt daartoe als volgt. Kenmerkend voor het misdrijf kindermoord, zoals bedoeld in artikel 291 van het Wetboek van Strafrecht, is dat sprake moet zijn van een onder de werking van vrees voor de ontdekking van de aanstaande bevalling genomen besluit. De verdachte ontkent dat zij een dergelijk besluit heeft genomen en dat zij wist van haar zwangerschap. De rechtbank is, met de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat uit het dossier noch uit het verhandelde ter terechtzitting wettig bewijs van het tegendeel blijkt. Overigens verwijst de rechtbank ook naar hetgeen zij hierna overweegt ten aanzien van de subsidiair ten laste gelegde kinderdoodslag. De rechtbank zal verdachte hierom vrijspreken van het primair ten laste gelegde feit.

Het subsidiair ten laste gelegde

De rechtbank acht het subsidiair ten laste gelegde feit, kinderdoodslag, evenmin bewezen. Zij overweegt daartoe als volgt.

Ten laste is gelegd dat de verdachte opzettelijk haar dochter van het leven heeft beroofd. Dit is uitgewerkt in een aantal opzettelijk door de verdachte verrichte feitelijke handelingen.

Uit de verslagen en de verklaring van de deskundige arts-patholoog A. Maes blijkt dat verdachtes dochter een spanningspneumothorax (klaplong) links had, met verplaatsing van het middenschot (met daarin het hart en de grote bloedvaten) naar rechts. Er is, aldus de deskundige, sprake geweest van mechanische belemmering van hart- en longfuncties en deze situatie is zonder medisch ingrijpen zonder meer fataal.

In verband met het ten laste gelegde (door verdachte opzettelijk) uitoefenen van (samen)drukkend en/of omsnoerend geweld op de borstkas en/of de romp en/of de hals van het pasgeboren kind en/of het smoren van dat kind en/of het (aldus) dat kind beletten en/of belemmeren adem te halen, overweegt de rechtbank het volgende. De deskundige kan niet aangeven waardoor de klaplong is ontstaan, anders dan dat zij een ziekelijke oorzaak of aanlegstoornis uitsluit. Dan resteert als mogelijke oorzaak, enerzijds, een mechanische belemmering van de bovenste luchtwegen, 'zoals' smoren en/of omsnoerend en/of samendrukkend geweld op de hals en/of romp, hetgeen - zoals geregeld voorkomt - niet gepaard hoeft te gaan met zichtbare letsels. En anderzijds een spontaan optredende klaplong in een situatie waarin geen ziekelijke afwijkingen bestaan en niet is gereanimeerd of beademd. Laatstgenoemde mogelijkheid kan de deskundige niet uitsluiten, zij is in de literatuur weinig beschreven en wordt door de deskundige als zeer zeldzaam betiteld. Volgens de deskundige is het zeer veel meer aannemelijk dat de klaplong en daarmee het overlijden het gevolg is van bij leven opgelopen uitwendig inwerkend geweld op het lichaam dan dat het is ontstaan door een spontaan opgetreden klaplong. De deskundige kan deze kwalificaties niet kwantificeren; over de door de verdediging aan medische literatuur ontleende 1 tot 2% van de gevallen voor spontane klaplongen merkt zij op dat de populatie in dat onderzoek een andere is dan hier aan de orde. De deskundige merkt ten slotte op dat het uitwendig inwerkende geweld ook accidenteel (per ongeluk) kan plaatsvinden.

De rechtbank is in de eerste plaats van oordeel dat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is voor (door verdachte) verrichte gedragingen die tot de fatale klaplong hebben geleid. De verdachte ontkent dat zij dergelijke gedragingen heeft verricht. Uit het dossier noch uit het verhandelde ter terechtzitting blijkt voldoende wettig en overtuigend bewijs van dergelijke gedragingen van de verdachte. Er zijn geen getuigenverklaringen waaruit dit blijkt en er is geen letsel bij verdachtes dochter vastgesteld. Bovendien kan de mogelijkheid van een spontane klaplong, al komt deze volgens de deskundige slechts in zeer zeldzame gevallen voor, niet worden uitgesloten. Een spontane klaplong met dodelijke afloop houdt geen verband met een gedraging van de verdachte. In de tweede plaats is de rechtbank van oordeel dat - wanneer op basis van de conclusie van de deskundige bewezen zou zijn geacht dat verdachte dergelijke gedragingen heeft verricht - er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat zij dit opzettelijk heeft gedaan, ook als het opzet in voorwaardelijke zin wordt opgevat. Hierbij let de rechtbank op de onduidelijke toedracht, de onmogelijkheid voor de deskundige haar waarschijnlijkheidsconclusies te kwantificeren en de mogelijkheid dat een dergelijke gedraging in de woorden van de deskundige, accidenteel plaatsvindt.

In verband met de ten laste gelegde opzettelijke levensberoving door het lostrekken van de navelstreng, onderkoeling, in doeken wikkelen, in een kast leggen, aan het lot overlaten, niet lichamelijk verzorgen, niet voeden, overweegt de rechtbank dat deze als doodsoorzaak geen basis vinden in de verslagen en verklaring van de deskundige. Haar conclusie is immers dat de klaplong de dood zonder meer heeft veroorzaakt. Haar conclusie dat hulpeloos achterlaten en onthouden van voedsel en verzorging door optreden van verhongering en/of onderkoeling aan het overlijden kan hebben bijgedragen, maakt dat naar het oordeel van de rechtbank niet anders. Des te minder nu niet blijkt van verhongering en/of onderkoeling. Over het lostrekken van de navelstreng, het wikkelen in doeken en het leggen in een kast laat de deskundige zich niet uit. In verband met het ten laste gelegde ontzeggen of onthouden van medische zorg overweegt de rechtbank dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat het aldus van het leven beroven opzettelijk heeft plaatsgevonden, ook als het opzet in voorwaardelijke zin wordt opgevat. Niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich van die als aanmerkelijk te beschouwen kans bewust is geweest, noch dat zij deze kans heeft geaccepteerd.

De rechtbank zal de verdachte hierom vrijspreken van het subsidiair ten laste gelegde feit.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

meer subsidiair,

zij op in of omstreeks de periode van 14 juli 2013 tot en met 15 juli 2013 te Rotterdam, in elk geval in Nederland,

opzettelijk een kind, zijnde haar pasgeboren baby (van het vrouwelijk geslacht), tot wier onderhoud, verpleging en verzorging zij, verdachte, als ouder krachtens de wet verplicht was,

in een hulpeloze toestand heeft gebracht en/of gelaten,

door voornoemde baby (direct en/of kort na) na dier geboorte (de vereiste/noodzakelijke/gebruikelijke) (adequate) lichamelijke verzorging en/of voeding en/of (inschakeling van) medische hulp en/of medische verzorging te onthouden,

terwijl dit/ de dood van die (pasgeboren) baby ten gevolge heeft/hebben gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist, worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.

NADERE BEWIJSMOTIVERING

Het meer subsidiair ten laste gelegde

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het meer subsidiair ten laste gelegde feit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte nooit heeft geconstateerd of heeft kunnen constateren dat haar kind een klaplong had en in levensgevaar verkeerde. Nu de verdachte geen gelegenheid heeft gehad om in te grijpen, heeft ze haar kind niet hulpeloos achtergelaten.

De rechtbank verwerpt het verweer en overweegt daartoe het volgende.

De beantwoording van de vraag of er een causaal verband bestaat tussen het handelen, of achterwege blijven daarvan, van de verdachte en de dood van haar baby, dient te geschieden aan de hand van de maatstaf van de redelijke toerekening. Voldoende is dat er een causaal verband aanwezig is tussen het laten voortduren van de hulpeloze toestand en de dood.

De verdachte heeft verklaard dat zij in de ochtend van 14 juli 2013 op het toilet / in de badkamer plotseling is bevallen van haar baby. Omdat de verdachte stond, is haar baby daarbij op de grond gevallen. Vervolgens heeft zij de baby schoongemaakt, in doeken gewikkeld en in een kast gelegd. Vaststaat dat haar baby op dat moment nog leefde. De verdachte heeft verklaard dat de baby twee keer heeft gehuild en de deskundige heeft vastgesteld dat de baby levend is geboren en buiten het moederlijk lichaam heeft geleefd. De verdachte heeft verklaard dat zij wilde wachten tot haar vader naar de moskee ging, uiteindelijk om zes (18.00) uur, dan zou zij met de baby naar het ziekenhuis gaan. Toen zij op dat moment bij de baby ging kijken, bleek de baby geen adem meer te halen en voelde zij koud aan. Aangenomen moet worden dat, wanneer iemand onder dergelijke omstandigheden een kind ter wereld brengt, medische hulp/verzorging en lichamelijke verzorging/voeding voor de baby geboden zijn. De verdachte heeft de baby echter geen enkele vorm van verzorging geboden, maar ervoor gekozen om de baby gedurende een (uren)lange periode, zonder eten of drinken, in de kast te leggen en pas op een later moment naar het ziekenhuis te gaan. De verdachte heeft hiermee haar baby, die volledig van haar afhankelijk was, in een hulpeloze toestand gelaten. Als gevolg daarvan is de baby overleden, welk overlijden redelijkerwijs aan het nalaten van de verdachte is toe te rekenen. Het meer subsidiair ten laste gelegde is dan ook wettig en overtuigend bewezen.

STRAFBAARHEID FEIT

Het bewezen feit levert op:

Opzettelijk iemand tot wiens verzorging zij krachtens de wet verplicht is, in een hulpeloze toestand laten, terwijl dit feit de dood ten gevolge heeft gehad.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het feit is dus strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

Psychische overmacht

De raadsman heeft een beroep gedaan op psychische overmacht. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de plotselinge geboorte van de baby een van buitenkomende drang opleverde waartegen de verdachte in haar omstandigheden geen weerstand behoefde te bieden.

De rechtbank verwerpt het beroep op psychische overmacht en overweegt daartoe het volgende. Wil een dergelijk beroep slagen, dan moet sprake zijn van een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. De rechtbank gaat ervan uit dat het handelen van de verdachte is ingegeven door paniek en angst. Maar de enkele gedachte, dat bij ontdekking van de bevalling, haar vader/ouders zichzelf of haar iets mogelijk zouden kunnen aandoen, is onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van een zodanige drang van buitenaf dat die het verwijtbare karakter aan haar handelen volledig ontneemt.

Er is ook geen andere omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte is bevallen van een baby zonder dat zij wist dat ze zwanger was. Ze heeft de baby vervolgens schoongemaakt, in doeken gewikkeld en in een kast gelegd. De baby heeft gedurende de hele dag zonder enige vorm van medische en/of lichamelijke verzorging in de kast gelegen, waardoor de baby uiteindelijk is komen te overlijden. Ondanks de moeilijke situatie waarin de verdachte zich bevond, had het zeker op haar weg gelegen om hulp te vragen en haar baby de juiste verzorging te bieden. Dat de verdachte dit heeft nagelaten is zeer kwalijk. Te meer omdat zij de enige was die dit had kunnen doen en het om een volstrekt hulpeloos kind ging.

Op een dergelijk feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van enige duur.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is in het voordeel van de verdachte in aanmerking genomen dat zij blijkens het op haar naam gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 5 maart 2014 niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Hierin wordt aanleiding gezien een gedeelte van de gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen.

De verdachte heeft voor een onderzoek naar haar geestesgesteldheid verbleven in het Pieter Baan Centrum, waarna over het onderzoek naar de geestvermogens van verdachte op 17 januari 2014 is gerapporteerd door E.A. Beld, psychiater, en G.M. Jansen, psycholoog. Dit rapport houdt het volgende in.

Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat er bij de verdachte sprake is van zwakbegaafdheid. De zwakbegaafdheid impliceert dat de verdachte in beperkte mate over vaardigheden beschikt om op adequate wijze met complexe (emotionele) problematiek in het leven om te gaan. Tevens kan zij de gevolgen van haar handelen in meer complexe situaties niet goed overzien. Haar persoonlijkheid maakt daarnaast een onrijpe indruk, wat zich vooral laat zien op het gebied van de geringe zelfstandigheid, afhankelijkheid van haar ouders, naïviteit en nagenoeg afwezig lijkende relationele en psychoseksuele ontwikkeling. Tevens is de socialisatie weinig op gang gekomen. Haar copingstijl is vermijdend. Naast de zwakbegaafdheid in gedragskundige zin kan niet gesproken worden van een gebrekkige ontwikkeling of een persoonlijkheidsstoornis, omdat de verdachte binnen deze beperkte (vooral cultureel bepaalde) kaders redelijk goed en aangepast functioneert en er op gedragsniveau geen problemen zijn. Zwakbegaafdheid is een chronische beperking. Ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde was deze gebrekkige ontwikkeling aanwezig.

In de aanloop tot het ten laste gelegde kan niet duidelijk worden vastgesteld of de verdachte haar zwangerschap feitelijk niet heeft opgemerkt, dan wel heeft geloochend voor zichzelf of dat zij de zwangerschap wel heeft onderkend maar heeft verzwegen voor haar omgeving.

Het geheel van verdachtes handelingen lijkt wel enige vorm van overdenken te bevatten, maar is naar de mening van onderzoekers vooral ingegeven door paniek en verwarring na de plotselinge bevalling en de enorme angst voor ontdekking en de daaruit voortvloeiende gevolgen. Het gelijktijdig samenvallen van zwakbegaafdheid, transculturele factoren en mogelijk ook ernstig bloedverlies lijken ertoe te hebben geleid dat de verdachte beperkt in staat was om binnen de geschetste situatie tot adequate oplossingen te komen. Geadviseerd wordt om de verdachte voor het ten laste gelegde als verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

Onderzoekers achten de kans op recidive laag. Vanuit de risicotaxatie zien onderzoekers geen reden voor een behandeling vanuit een strafrechtelijk kader. De meer cultureel bepaalde risico’s geven eveneens geen reden voor een behandeladvies. Mogelijk dat in het kader van een penitentiair programma gekeken zou kunnen worden in hoeverre de verdachte bij haar resocialisatie ondersteund kan worden om met de verwachte (cultureel bepaalde) problemen om te gaan.

Nu de conclusies van de psychiater en psycholoog gedragen worden door hun bevindingen en door hetgeen ook overigens op de terechtzitting is gebleken, neemt de rechtbank die conclusies over en maakt die tot de hare. De verdachte wordt dus in verminderde mate toerekeningsvatbaar geacht.

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt d.d. 18 februari 2014. Dit rapport houdt het volgende in.

De verdachte geeft aan dat ze behoudens de contacten op haar werk en haar familie geen andere contacten had. Ze had weinig tot geen omgang met leeftijdsgenoten, zowel jongens als meisjes. In de gesprekken heeft de verdachte een enigszins jong en naïef overkomen. De verdachte lijkt niet een persoon die snel vanuit impulsen handelt of nieuwe situaties op zoekt, wellicht juist het tegenovergestelde, waarbij zij kiest voor de veiligheid van vertrouwde mensen en situaties. Er is sprake van een vermijdende copingstijl ten aanzien van emoties, problemen in het dagelijks leven, maar ook ten opzichte van lichamelijke signalen. De verdachte heeft geen inzicht in haar delictgedrag en de totstandkoming ervan. De kans op herhaling wordt als laag ingeschat. Toezicht op bijzondere voorwaarden en interventies/behandelingen zijn geïndiceerd. De verdachte dient begeleid/ondersteund te worden bij het opstarten van haar leven na detentie op praktisch gebied, maar ook bij het verwerken van de gebeurtenissen voor, rond en na de delictpleging. Geadviseerd wordt een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met een proeftijd en bijzondere voorwaarden zoals een meldplicht bij de reclassering en een begeleidingsverplichting bij I-psy, indien geïndiceerd. Rapporteur acht een meldplicht voor de duur van een jaar voldoende om betrokkene te begeleiden met haar resocialisatie.

De rechtbank zal een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie geëist nu de verdachte wordt vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde. Wel is de rechtbank van oordeel dat een proeftijd van twee jaren i.p.v. een jaar zowel reclassering als verdachte meer ruimte biedt voor begeleiding hetgeen gelet op persoon en problematiek van de verdachte wenselijk lijkt te zijn.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 255 en 257 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte de primair en subsidiair ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte het meer subsidiair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) maanden;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 3 (drie) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt gesteld op 2 jaar, na te melden voorwaarden overtreedt;

stelt als algemene voorwaarden:

- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;

- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;

stelt als bijzondere voorwaarden:

- de veroordeelde zal zich melden bij Reclassering Nederland, zolang en frequent als die reclasseringsinstelling noodzakelijk vindt;

- de veroordeelde zal zich onder ambulante behandeling stellen van I-psy, of een soortgelijke instelling, voor haar problematiek, zolang als de reclassering dit noodzakelijk vindt;

geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.J. Bade, voorzitter,

en mrs. J. van der Groen en F. van Laanen rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.S. Beukema, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 april 2014.

De jongste rechter is wegens afwezigheid buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bij vonnis van 30 april 2014:

TEKST GEWIJZIGDE TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

zij in of omstreeks de periode van 14 juli 2013 tot en met 15 juli 2013 te Rotterdam, in elk

geval in Nederland,

als moeder, ter uitvoering van een onder de werking van vrees voor de ontdekking van

haar aanstaande bevalling genomen besluit, opzettelijk haar kind (van het vrouwelijk

geslacht) bij of kort na de geboorte van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte

met dat opzet,

(direct nadat zij in de badkamer en/of op de wc van dat/een kind was bevallen)

- de navelstreng van dat pasgeboren kind losgetrokken en/ of

- (samen)drukkend en/of omsnoerend geweld uitgeoefend op de borstkas en/of de romp

en/of de hals van dat pasgeboren kind en/of dat pasgeboren kind gesmoord en/ of (aldus)

dat pasgeboren kind belet en/ of belemmerd adem te halen en/ of

- dat pasgeboren kind aan onderkoeling blootgesteld en/ of

- dat pasgeboren kind in (een) laken(s)/doek(en) gewikkeld en/of

- ( daarna) dat pasgeboren kind in een kast gelegd en/of (daarna) de deur van die kast

dicht gedaan en/ of

- ( aldus) dat pasgeboren kind na de geboorte aan haar lot overgelaten en/of de

vereiste/nodige/noodzakelijke/ gebruikelijke lichamelijke en/ of medische zorg en/ of

voeding ontzegd en/ of onthouden,

tengevolge waarvan dat pasgeboren kind is overleden;

(artikel 291 Wetboek van Strafrecht)

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

zij in of omstreeks de periode van 14 juli 2013 tot en met 15 juli 2013 te Rotterdam, in elk

geval in Nederland,

als moeder, onder de werking van vrees voor de ontdekking van haar bevalling,

haar kind (van het vrouwelijk geslacht) bij of kort na de geboorte opzettelijk van het

leven heeft beroofd,

immers heeft verdachte met dat opzet,

(direct nadat zij in de badkamer en/of op de wc van dat/een kind was bevallen)

- de navelstreng van dat pasgeboren kind losgetrokken en/ of

- (samen)drukkend en/of omsnoerend geweld uitgeoefend op de borstkas en/of de romp

en/of de hals van dat pasgeboren kind en/of dat pasgeboren kind gesmoord en/of (aldus)

dat pasgeboren kind belet ent of belemmerd adem te halen en/of

- dat pasgeboren kind aan onderkoeling blootgesteld ent of

- dat pasgeboren kind in (een) laken(s)/doek(en) gewikkeld en/of

- ( daarna) dat pasgeboren kind in een kast gelegd en/of (daarna) de deur van die kast

dicht gedaan ent of

- ( aldus) dat pasgeboren kind na de geboorte aan haar lot overgelaten en/of de

vereiste/nodige/noodzakelijke/ gebruikelijke lichamelijke ent of medische zorg ent of

voeding ontzegd en/of onthouden,

tengevolge waarvan dat pasgeboren kind is overleden;

(artikel 290 Wetboek van Strafrecht)

meer subsidiair, voor zover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij in of omstreeks de periode van 14 juli 2013 tot en met 15 juli 2013 te Rotterdam, in elk geval in Nederland,

opzettelijk een kind, zijnde haar pasgeboren baby (van het vrouwelijk geslacht), tot wier onderhoud, verpleging en verzorging zij, verdachte, als ouder krachtens de wet verplicht was,

in een hulpeloze toestand heeft gebracht en/of gelaten,

door voornoemde baby (direct en/of kort na) na diens geboorte (de vereiste/noodzakelijke/gebruikelijke) (adequate) lichamelijke verzorging en/of voeding en/of (inschakeling van) medische hulp en/of medische verzorging te onthouden,

terwijl dit/deze feit(en) de dood van die (pasgeboren) baby ten gevolge heeft/hebben gehad;

(artikel 255 jo 257 lid 2 Wetboek van Strafrecht)