Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:3310

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
30-04-2014
Datum publicatie
26-08-2014
Zaaknummer
C-10-432504 - HA ZA 13-914
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

IPR. Wegvervoer. Samenloop CMR en Brussel I-Vo. Litispendentie en samenhangende vorderingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2015/79

Uitspraak

vonnis

IPR. Wegvervoer. Samenloop CMR en Brussel I-Vo. Litispendentie en samenhangende vorderingen.

----

RECHTBANK ROTTERDAM

Afdeling privaatrecht

Team haven en handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/432504 / HA ZA 13-914

Vonnis van 30 april 2014

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] ,

gevestigd te Valkenswaard,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

verweerster in het incident,

advocaat mr. W.M. van Rossenberg te Rotterdam,

tegen

1. de vennootschap naar het recht van de plaats harer vestiging

DHL EXEL SUPPLY CHAIN LIMITED,

gevestigd te Bedford, Verenigd Koninkrijk,

2. de vennootschap naar het recht van de plaats harer vestiging

EXEL EUROPE LIMITED,

gevestigd te Milton Keynes, Verenigd Koninkrijk,

gedaagden,

eiseressen in reconventie,

eiseressen in het incident,

advocaat mr. V.R. Pool te Rotterdam,

3 de vennootschap naar het recht van de plaats harer vestiging

BRITISH AMERICAN TOBACCO SWITZERLAND S.A.

gevestigd te Boncourt, Zwitserland,

4 de vennootschap naar het recht van de plaats harer vestiging

BRITISH AMERICAN TOBACCO (SUPPLY CHAIN WE) LIMITED,

gevestigd te Southampton, Verenigd Koninkrijk,

5. de vennootschap naar het recht van de plaats harer vestiging

B.A.T. (U.K. & EXPORT) LIMITED,

gevestigd te Londen, Verenigd Koninkrijk,

gedaagden,

eiseressen in het incident,

advocaat mr. T. van der Valk.

[eiseres] zal hierna “[eiseres]” genoemd worden, DHL Exel Supply Chain Limited “DHL”, Exel Europe Limited “Exel” en British American Tobacco Switzerland S.A., British American Tobacco (Supply Chain WE) Limited en B.A.T. (U.K. & Export) Limited tezamen in het enkelvoud “Batco”.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure is als volgt.

1.2.

Bij dagvaarding van 14 oktober 2011, waaraan gehecht een productie, heeft [eiseres] de gedaagden voor deze rechtbank gedagvaard.

DHL en Exel hebben een Conclusie van antwoord in conventie tevens houdende eis in reconventie genomen en daarbij 27 producties in het geding gebracht.

Bij tussenvonnis van 11 september 2013 heeft de rechtbank een comparitie van de tot dan toe verschenen partijen [eiseres], DHL en Exel gelast op 4 december 2013.

1.3.

Kort voor de comparitie van partijen heeft Batco het verstek gezuiverd.

Vervolgens deelden DHL, Exel en Batco mede dat zij incidenten tot aanhouding van de procedure wensten te openen wegens een of meer samenhangende vorderingen die eerder bij de rechter in het Verenigd Koninkrijk aanhangig waren gemaakt.

Na schriftelijk overleg met partijen heeft de rechtbank de zaak naar de rol verwezen voor het nemen van zodanige conclusies door gedaagden.

1.4.

Batco heeft een Incidentele conclusie houdende exceptie van niet-ontvankelijkheid, althans verzoek om aanhouding genomen en daarbij drie producties in het geding gebracht.

DHL en Exel hebben een Incidentele conclusie tot aanhouding genomen en daarbij een productie in het geding gebracht.

[eiseres] heeft een Conclusie van antwoord m.b.t. de door gedaagden voorgedragen exceptie van niet-ontvankelijkheid althans verzoek om aanhouding genomen.

1.5.

Vervolgens hebben partijen vonnis gevraagd.

2 De vorderingen

2.1.

[eiseres] vordert dat de rechtbank bij vonnis voor recht zal verklaren dat gedaagden, althans een of meer hunner in een vordering tot schadevergoeding jegens [eiseres] niet-ontvankelijk zijn, althans dat [eiseres] niet, subsidiair beperkt, aansprakelijk is jegens gedaagden of een of meer hunner ter zake van transportschade op een zending van 960 dozen sigaretten met een gewicht van 14.295,30 kg vervoerd van Boncourt, Zwitserland, naar Rotterdam in of omstreeks september 2011.

2.2.

Daartoe stelt [eiseres] – samengevat weergegeven – het volgende.

2.2.1.

H. [bedrijf] Logistcs B.V. (hierna: [bedrijf]) heeft in of omstreeks september 2011 opdracht aanvaard van DHL of Exel voor het vervoer over de weg van een zending van 960 dozen sigaretten met een gewicht van 14.295,30 kg van Boncourt, Zwitserland, naar Rotterdam. Die zending was afkomstig van c.q. bestemd voor Batco. [eiseres] heeft de zending sigaretten op of omstreeks 2 september 2011 ten vervoer in ontvangst genomen. Voor het vervoer is de bij de dagvaarding gevoegde vrachtbrief opgesteld. Op het vervoer is de CMR van toepassing.

2.2.2.

Op of omstreeks 3 september 2011 is de zending sigaretten tijdens een gewapende overval ontvreemd. [eiseres] is voor de schade wegens die diefstal niet aansprakelijk omdat deze een gevolg is van omstandigheden die zij niet heeft kunnen vermijden en waarvan zij de gevolgen niet heeft kunnen verhinderden.

2.2.3.

Indien [eiseres] aansprakelijk is voor de diefstalschade, dan is haar aansprakelijkheid beperkt op basis van artikel 23 en 25 CMR.

2.3.

In reconventie vorderen DHL en Exel dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis [eiseres] zal veroordelen om aan schade te vergoeden een bedrag van € 107.009,-, een bedrag van € 2.280.924,32 of een schadebedrag op te maken bij staat en de bedragen € 6.422,- en € 41.519,84, met nevenvorderingen.

2.4.

Daartoe stellen DHL en Exel – samengevat weergegeven – het volgende.

2.4.1.

Exel had het onderhavige vervoer aangenomen van gedaagde sub 4, British American Tobacco (Supply Chain WE) Limited. Exel heeft (als afzender) de opdracht tot het onderhavige vervoer aan [bedrijf] gegeven in het kader van een vaste vervoersrelatie tussen deze partijen. [bedrijf] heeft naar eigen zeggen de opdracht tot vervoer doorgegeven aan [eiseres]. [eiseres] of [bedrijf] heeft het vervoer feitelijk bewerkstelligd. DHL heeft niets met het onderhavige vervoer te maken.

2.4.2.

[eiseres] noch [bedrijf] heeft de zending ter bestemming afgeleverd. Geen van hen beide heeft feiten of omstandigheden aangevoerd die haar van aansprakelijkheid ontheffen, zodat zij aansprakelijk is/zijn voor de schade ten gevolge van de niet-aflevering. Bij onderzoek naar de verdwijning van de zending is de conclusie getrokken dat ernstig wordt getwijfeld aan de integriteit of betrouwbaarheid van de door [eiseres] of [bedrijf] ingezette chauffeur [persoon1] “te meer [omdat] de heer [persoon1] al vaker vanuit zijn functie van (inter)nationaal chauffeur het ‘slachtoffer’ van ladingdiefstal is geweest” en de door deze over de verdwijning van de zending sigaretten afgelegde verklaringen. Chauffeur [persoon1] was betrokken bij de diefstal, zodat hem opzet of schuld als bedoeld in artikel 29 CMR te verwijten valt, welke aan [eiseres] kan worden toegerekend. Daarom is [eiseres] onbeperkt aansprakelijk voor de schade ten gevolge van de diefstal.

2.4.3.

De schade wegens het verlies van de zending sigaretten, afgezien van belastingen, accijnzen en heffingen, bedraagt ten minste € 107.009,-. Aan belastingen, heffingen en accijnzen heeft de belastingdienst al een bedrag van € 2.280.924,32 opgelegd, maar dat schadebedrag kan nog wijzigen. Onderzoek naar de diefstal, de schade en aansprakelijkheid heeft Exel € 41.519,84 aan expertisekosten en € 6.422,- aan advocaatkosten gekost.

2.5.

In haar Incidentele conclusie houdende exceptie van niet-ontvankelijkheid, althans verzoek om aanhouding concludeert Batco dat de rechtbank primair [eiseres] in haar vorderingen niet-ontvankelijk zal verklaren, althans die vorderingen zal afwijzen, subsidiair de zaak zal aanhouden totdat de rechter in het Verenigd Koninkrijk bij onherroepelijke uitspraak zal hebben beslist primair over de bevoegdheid van de Engelse rechter ten aanzien van de aansprakelijkheid van [eiseres], althans over de aansprakelijkheid van [eiseres], met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten en van de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

2.6.

Daartoe voert Batco – samengevat weergegeven – het volgende aan.

2.6.1.

Batco heeft bij ‘claim form’ van 8 september 2011, aangepast op 9 september 2011 een vordering tegen [eiseres] en anderen aanhangig gemaakt bij de rechter in het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot het verlies, dan wel de niet-aflevering van de zending sigaretten. Die zaak betreft hetzelfde onderwerp als dat van de onderhavige procedure. Bij exploot van 12 september 2011 heeft Batco het aanhangig maken van die vorderingen aan [eiseres] betekend. Derhalve zijn de vorderingen van Batco tegen [eiseres] eerder bij de rechter in het Verenigd Koninkrijk aanhangig gemaakt dan die van [eiseres] tegen Batco in de onderhavige procedure.

2.6.2.

Ingevolge artikel 31 lid 2 CMR kan [eiseres] daarom niet worden ontvangen in haar vorderingen in de onderhavige procedure.

2.6.3.

Bij beslissing van 30 oktober 2013 heeft de Court of Appeal, met vernietiging van de beslissing van de High Court of Justice, Commercial Court van 23 maart 2012, de Engelse rechter bevoegd verklaard om kennis te nemen van de vorderingen van Batco tegen [eiseres].

2.6.4.

Subsidiair dient de rechter in Nederland de zaak aan te houden totdat de rechter in het Verenigd Koninkrijk onherroepelijk zal hebben beslist over diens bevoegdheid ten aanzien van [eiseres], althans over aansprakelijkheid van [eiseres], teneinde tegenstrijdige uitspraken te vermijden.

2.7.

In hun Incidentele conclusie tot aanhouding concluderen DHL en Exel dat de rechtbank de zaak dient aan te houden totdat de rechter in het Verenigd Koninkrijk bij onherroepelijke uitspraak zal hebben beslist primair over de aansprakelijkheid van [eiseres] of [bedrijf] ten opzichte van Batco, subsidiair over diens bevoegdheid ten aanzien van zodanige aansprakelijkheid van [eiseres] of [bedrijf], met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten van het incident.

2.8.

Daartoe voeren DHL en Exel – samengevat weergegeven – het volgende aan.

2.8.1.

Batco heeft op 8, dan wel 12 september 2011, derhalve eerder dan [eiseres] de onderhavige vordering aanhangig maakte, een vordering tot schadevergoeding tegen [eiseres], Exel en een of meer anderen aanhangig gemaakt bij de bevoegde rechter in het Verenigd Koninkrijk met betrekking tot hetzelfde onderwerp als de onderhavige, namelijk de niet-aflevering van de zending sigaretten vervoerd door [eiseres].

2.8.2.

Derhalve dient de later geadieerde rechter in Nederland de zaak aan te houden totdat de rechter in het Verenigd Koninkrijk bij onherroepelijke uitspraak zal hebben beslist over de vordering van Batco, althans zal hebben beslist over zijn bevoegdheid ten aanzien van de vordering van Batco tegen [eiseres].

2.8.3.

Ook DHL en Exel voeren aan dat de Court of Appeal, met vernietiging van de beslissing van de High Court of Justice van 23 maart 2012, de Engelse rechter bevoegd heeft verklaard om kennis te nemen van de vorderingen van Batco tegen [eiseres].

2.9.

[eiseres] voert tegen de vorderingen in incident – samengevat weergegeven – de volgende verweren aan.

2.9.1.

DHL en Exel hadden een vordering tot aanhouding moeten doen vóór of gelijktijdig met het nemen van de conclusie van antwoord. Dat hebben zij niet gedaan; zij hebben eerst een conclusie van antwoord en eis in reconventie genomen. Daardoor zijn zij niet-ontvankelijk in hun vordering tot aanhouding.

2.9.2.

De rechter in het Verenigd Koninkrijk is niet bevoegd tot kennisneming van de vordering van Batco tegen [eiseres], omdat niet aan de vereisten van artikel 31 lid 1 CMR is voldaan. [eiseres] is doende beroep in te stellen tegen de beslissing van de Court of Appeal van 30 oktober 2013.

2.9.3.

Bij de rechter in het Verenigd Koninkrijk is geen procedure aanhangig tussen DHL en Exel enerzijds en [eiseres] anderzijds, maar slechts een procedure tussen Batco als eiser en [eiseres] en Exel en anderen als verweerders, zodat de onderlinge verhouding tussen [eiseres] enerzijds en DHL en Exel anderzijds niet bij de rechter in het Verenigd Koninkrijk voorligt.

2.9.4.

DHL en Exel hebben door een uitgebreide conclusie van antwoord en eis in reconventie te nemen kenbaar gemaakt dat zij het nuttig en nodig vinden dat de zaak in Nederland wordt uitgeprocedeerd.

3 De beoordeling

De vorderingen in incident van DHL en Exel

3.1.

Aan [eiseres] kan worden toegegeven dat het niet van een efficiënte procesvoering getuigt dat DHL en Exel pas na het nemen van hun conclusie van antwoord en eis in reconventie en nadat de rechtbank bij tussenvonnis een comparitie van partijen had gelast, het incident tot aanhouding openden. Echter, het incident tot aanhouding vormt niet een exceptie als bedoeld in artikel 128 lid 3 Rv, zodat er geen formeel beletsel bestaat om het incident na het indienen van het eerste processtuk te openen. Kennelijk speelt voor de rechter in het Verenigd Koninkrijk vanaf het begin de vraag naar bevoegdheid ten aanzien van [eiseres] en hebben DHL en Exel met hun incident gewacht totdat in hoger beroep over de bevoegdheid is geoordeeld.

De omstandigheid dat DHL en Exel een (omvangrijke) conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie hebben genomen, blokkeert hun vordering tot aanhouding niet.

3.2.

Er is sprake van een internationale zaak, omdat [eiseres] in Nederland is gevestigd en DHL en Exel in het Verenigd Koninkrijk.

3.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat deze rechtbank bevoegd is om van de vorderingen in conventie en in reconventie kennis te nemen.

3.4.

Tussen partijen is – terecht – niet in geschil dat op de vorderingen in de hoofdzaak (in conventie en in reconventie) de CMR van toepassing is. Nederland en het Verenigd Koninkrijk zijn partij bij de CMR. De CMR heeft in Nederland rechtstreekse werking.

3.5.

De CMR bevat in artikel 31 bepalingen betreffende internationale rechterlijke bevoegdheid en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen. Dat artikel luidt voor zover voor deze beoordeling van belang als volgt:

1. Alle rechtsgedingen, waartoe het aan dit Verdrag onderworpen vervoer aanleiding geeft, kunnen door de eiser behalve voor de gerechten van de bij dit Verdrag partij zijnde landen, bij beding tussen partijen aangewezen, worden gebracht voor de gerechten van het land op het grondgebied waarvan:

a. a) de gedaagde zijn gewone verblijfplaats, zijn hoofdzetel of het filiaal of agentschap heeft, door bemiddeling waarvan de vervoerovereenkomst is gesloten, of

b) de plaats van inontvangstneming der goederen of de plaats bestemd voor de aflevering der goederen, is gelegen;

zij kunnen voor geen andere gerechten worden gebracht.

2. Wanneer in een rechtsgeding, bedoeld in het eerste lid van dit artikel, een vordering aanhangig is voor een volgens dat lid bevoegd gerecht, of wanneer in een zodanig geding door een zodanig gerecht een uitspraak is gedaan, kan geen nieuwe vordering omtrent hetzelfde onderwerp tussen dezelfde partijen worden ingesteld, tenzij de uitspraak van het gerecht, waarvoor de eerste vordering aanhangig is gemaakt, niet vatbaar is voor tenuitvoerlegging in het land, waarin de nieuwe vordering wordt ingesteld.

3. Wanneer in een rechtsgeding, bedoeld in het eerste lid van dit artikel, een uitspraak, gedaan door een gerecht van een bij het Verdrag partij zijnd land, in dat land uitvoerbaar is geworden, wordt zij eveneens uitvoerbaar in elk ander bij het Verdrag partij zijnd land, zodra de aldaar terzake voorgeschreven formaliteiten zijn vervuld. Deze formaliteiten kunnen geen hernieuwde behandeling van de zaak meebrengen.

4. De bepalingen van het derde lid van dit artikel zijn van toepassing op uitspraken op tegenspraak gewezen, op uitspraken bij verstek en op schikkingen, aangegaan ten overstaan van de rechter, maar zij zijn niet van toepassing op uitspraken die slechts bij voorraad uitvoerbaar zijn, noch op veroordelingen tot vergoeding van schaden en interessen, welke boven de kosten zijn uitgesproken tegen een eiser wegens de gehele of gedeeltelijke afwijzing van zijn vordering.

[..].

3.6.

Gesteld noch gebleken is dat enige vordering in de hoofdzaak in conventie of in reconventie een verhaalsvordering is als bedoeld in artikel 37 tot en met 40 CMR.

Kennelijk heeft [eiseres] haar vorderingen in de hoofdzaak voor deze rechtbank aanhangig gemaakt omdat zij op grond van de vervoerovereenkomst de zending sigaretten in Rotterdam diende af te leveren (artikel 31 lid 1 aanhef en onder b CMR).

3.7.

De CMR bevat geen regeling betreffende het aanhouden van een zaak hangende de behandeling en beslissing van een zaak voor een rechter in een ander land.

3.8.

Gelet op de vestigingsplaatsen van partijen, de aard van de vorderingen over en weer (handelszaken) en het tijdstip van aanhangig maken van die vorderingen, is naast de CMR de Brussel I-Vo van toepassing.

Voor de beoordeling van de vorderingen in het incident zijn de volgende bepalingen van de Brussel I-Vo van belang:

Artikel 27

1. Wanneer voor gerechten van verschillende lidstaten tussen dezelfde partijen vorderingen aanhangig zijn, die hetzelfde onderwerp betreffen en op dezelfde oorzaak berusten, houdt het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht zijn uitspraak ambtshalve aan totdat de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, vaststaat.

2. Wanneer de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, vaststaat, verklaart het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, zich onbevoegd.

Artikel 28

1. Wanneer samenhangende vorderingen aanhangig zijn voor gerechten van verschillende lidstaten, kan het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, zijn uitspraak aanhouden.

2. Wanneer deze vorderingen in eerste aanleg aanhangig zijn, kan dit gerecht, op verzoek van een der partijen, ook tot verwijzing overgaan mits het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht bevoegd is van de betreffende vorderingen kennis te nemen en zijn wetgeving de voeging ervan toestaat.

3. Samenhangend in de zin van dit artikel zijn vorderingen waartussen een zo nauw verband bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van deze zaken onverenigbare beslissingen worden gewezen.

Artikel 71

1. Deze verordening laat onverlet verdragen waarbij de lidstaten partij zijn en die, voor bijzondere onderwerpen, de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen regelen.

2. Teneinde de eenvormige uitlegging van lid 1 te waarborgen wordt dat lid als volgt toegepast:

a. a) deze verordening belet niet dat een gerecht van een lidstaat die partij is bij een verdrag of overeenkomst over een bijzonder onderwerp, overeenkomstig dat verdrag of die overeenkomst kennisneemt van een zaak, ook indien de verweerder zijn woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat die geen partij is bij dat verdrag of die overeenkomst. Het gerecht past in ieder geval artikel 26 van deze verordening toe;

b) beslissingen die een gerecht van een lidstaat heeft gegeven uit hoofde van rechterlijke bevoegdheid die ontleend wordt aan een verdrag of overeenkomst over een bijzonder onderwerp, worden in de andere lidstaten overeenkomstig de onderhavige verordening erkend en ten uitvoer gelegd.

Indien een verdrag of overeenkomst over een bijzonder onderwerp, waarbij zowel de lidstaat van herkomst als de aangezochte lidstaat partij is, voorwaarden vaststelt voor de erkenning of de tenuitvoerlegging van beslissingen vinden die voorwaarden toepassing. In elk geval kunnen de bepalingen van deze verordening betreffende de procedures voor de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen worden toegepast.

3.9.

In zijn beslissingen van 6 december 1994 (C‑406/92, Jurispr. blz. I‑5439) – ‘Tatry’, 4 mei 2010 (C‑533/08, Jurispr. blz. I‑4107) – TNT en 19 december 2013 (C-452/12; nog niet opgenomen in de Jurisprudentie) - Nipponkoa, heeft het HvJEU de verhouding tussen de Brussel I-Vo en de CMR nader gedefinieerd als volgt:

Artikel 71 Brussel I-Vo moet aldus worden uitgelegd:

a. a) dat het zich ertegen verzet dat een verdrag, zoals de CMR, wordt uitgelegd op een manier die de eerbiediging van de doelstellingen en beginselen, zoals die van het vrije verkeer van beslissingen en van het wederzijdse vertrouwen in de rechtsbedeling, die aan de Brussel I-Vo ten grondslag liggen, niet waarborgt onder ten minste even gunstige voorwaarden als die waarin deze verordening voorziet;

b) dat het zich verzet tegen een uitlegging van artikel 31, lid 2 CMR volgens welke een vordering tot verkrijging van een negatieve verklaring voor recht of een negatief declaratoir vonnis in een lidstaat niet hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde oorzaak berust als een regresvordering die in een andere lidstaat naar aanleiding van dezelfde schade is ingesteld tussen dezelfde partijen of hun rechtsopvolgers.

3.10.

Toepassing van deze maatstaven op de onderhavige zaak brengt de rechtbank tot de volgende overwegingen.

3.10.1.

Zoals gezegd, bevat de CMR geen regeling betreffende aanhouding.

3.10.2.

Gesteld noch gebleken is dat bij de rechter in het Verenigd Koninkrijk een of meer vorderingen eerder dan de onderhavige aanhangig zijn “tussen dezelfde partijen” als bedoeld in artikel 27 Brussel I-Vo of artikel 31 lid 2 CMR. In de onderhavige zaak staan enerzijds [eiseres] en anderzijds DHL en Exel tegenover elkaar; gesteld noch gebleken is dat die situatie zich in het Verenigd Koninkrijk voordoet. De gevorderde aanhouding kan daarom niet op artikel 27 Brussel I-Vo worden gegrond.

3.10.3.

Artikel 28 Brussel I-Vo geeft de rechter bij wie een samenhangende vordering het laatst is aangebracht de mogelijkheid (“kan”) de zaak aan te houden; de rechter is daartoe niet verplicht.

Uit de hiervoor besproken rechtspraak van het HvJEU volgt dat artikel 28 Brussel I-Vo ook van toepassing is in door de CMR beheerste gevallen.

3.10.4.

Het onderwerp van de onderhavige vorderingen in conventie en in reconventie is hetzelfde als het onderwerp van de vorderingen van Batco tegen [eiseres] en Exel en anderen in de procedure in het Verenigd Koninkrijk, namelijk de vraag of [eiseres] (al dan niet tezamen met Exel of anderen) aansprakelijk is voor de niet-aflevering van de zending sigaretten en in bevestigend geval of [eiseres] al dan niet beperkt aansprakelijk is. Op het eerste gezicht lijkt dan ook sprake te zijn van “samenhangende vorderingen” in de zin van artikel 28 Brussel I-Vo.

Daar staat tegenover dat in de onderhavige procedure de eventuele aansprakelijkheid van [eiseres] als vervoerder ten opzichte van Exel (en DHL) als afzender(s) ter beoordeling voorligt en in de zaak of zaken in het Verenigd Koninkrijk niet. Noch in de beslissing van 30 oktober 2013 van de Court of Appeal, noch in die van de High Court of Justice van 23 maart 2012 wordt over de verhouding tussen [eiseres] en Exel (en DHL) geoordeeld. In de zaken voor de rechter in het Verenigd Koninkrijk gaat het – zoals gezegd – om de aansprakelijkheid van [eiseres] en Exel en anderen ten opzichte van Batco.

Weliswaar is de CMR ook van toepassing op de verhouding tussen Batco enerzijds en [eiseres] en Exel en anderen anderzijds, maar volgens Exel en DHL gelden tussen Exel en [eiseres] naast de CMR diverse contractuele bepalingen, waarvan niet valt uit te sluiten dat die tussen Batco en Exel (en DHL) niet van toepassing zijn. In de genoemde uitspraken van de Engelse rechters blijkt van toepasselijkheid tussen Batco en Exel (en DHL) van andere contracten dan die waarop Exel (en DHL) zich ten opzichte van [eiseres] beroept (beroepen). Tussen Batco en [eiseres] bestaat kennelijk geen contractuele rechtsverhouding. Er lijkt dan ook geen sprake te zijn van dezelfde feitelijke situatie of dezelfde situatie rechtens. De mogelijkheid bestaat dan ook dat de beoordeling van de zaak tussen Batco en Exel en [eiseres] in de procedure in het Verenigd Koninkrijk een andere zal zijn dan die tussen partijen in de onderhavige procedure.

Het oordeel van de rechter in het Verenigd Koninkrijk over de rechtsverhouding tussen Batco en [eiseres] is in beginsel niet van invloed op de rechtsverhouding tussen [eiseres] enerzijds en Exel en DHL anderzijds.

Een en ander afwegende concludeert de rechtbank dat tussen de vorderingen niet een zo nauw verband bestaat dat een goede rechtsbedeling vraagt om hun gelijktijdige behandeling en berechting, teneinde te vermijden dat bij afzonderlijke berechting van deze zaken onverenigbare beslissingen worden gewezen. Er is dus geen sprake van samenhangende vorderingen in de zin van artikel 28 Brussel I-Vo.

3.10.5.

Aanhouding op grond van de regeling van artikel 28 Brussel I-Vo komt dus niet in aanmerking.

3.11.

Het vorenstaande brengt mee dat de vorderingen van DHL en Exel in het incident dienen te worden afgewezen.

3.12.

De rechtbank zal DHL en Exel als de in het ongelijk gestelde partijen in de aan de zijde van [eiseres] gevallen proceskosten in het incident veroordelen. De rechtbank zal de proceskosten begroten op één punt in Liquidatietarief II, derhalve op € 452,-.

In de hoofdzaken tussen [eiseres] en DHL en Exel

3.13.

De rechtbank had bij vonnis van 11 september 2013 een comparitie van partijen in de hoofdzaak gelast. De rechtbank blijft daarbij. De rechtbank zal een nieuwe datum voor de comparitie bepalen.

De vorderingen in incident van Batco

3.14.

De rechtbank verwijst naar hetgeen zij heeft overwogen onder 3.2 tot en met 3.9, welke overwegingen hier mutatis mutandis ingelast dienen te worden beschouwd voor de zaak van [eiseres] tegen Batco, waarin Batco nog geen conclusie ten gronde heeft genomen.

3.15.

Toepassing van die ingelaste overwegingen op de zaak tussen [eiseres] en Batco brengt de rechtbank tot de volgende overwegingen.

3.15.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat ook bij de rechter in het Verenigd Koninkrijk een of meer vorderingen van Batco tegen [eiseres] (en anderen) aanhangig zijn. Dat zijn dus vorderingen “tussen dezelfde partijen” als bedoeld in artikel 27 Brussel I-Vo of artikel 31 lid 2 CMR. Die vorderingen betreffen “hetzelfde onderwerp” als bedoeld in artikel 27 Brussel I-Vo en artikel 31 lid 2 CMR, namelijk de vraag naar aansprakelijkheid van [eiseres] ten opzichte van Batco wegens de verdwijning van de zending sigaretten.

Tussen partijen is ook niet in geschil dat Batco haar vorderingen eerder bij de rechter in het Verenigd Koninkrijk aanhangig heeft gemaakt, dan [eiseres] haar vorderingen in de onderhavige procedure.

3.15.2.

De meest verstrekkende stelling van Batco houdt in dat [eiseres] ingevolge artikel 31 lid 2 CMR niet-ontvankelijk is in haar vorderingen tegen Batco, omdat Batco haar vorderingen eerder aanhangig had gemaakt.

Die stelling van Batco zou stand houden indien zou vast staan dat de rechter in het Verenigd Koninkrijk bevoegd is om van de vorderingen van Batco tegen [eiseres] kennis te nemen op grond van artikel 31 lid 1 CMR. Vooralsnog is, echter, niet vast komen te staan dat de rechter in het Verenigd Koninkrijk bevoegdheid heeft op grond van het bepaalde in artikel 31 lid 1 CMR. Weliswaar heeft de Court of Appeal de rechter in het Verenigd Koninkrijk bevoegd verklaard, maar die beslissing is nog aantastbaar en [eiseres] heeft gesteld het nodige te doen om daartegen in beroep te gaan.

Daarom kan in dit stadium niet de conclusie getrokken worden dat aan de vereisten van artikel 31 lid 2 CMR is voldaan. Daarop strandt de vordering tot niet-ontvankelijk verklaring van [eiseres].

3.15.3.

Zoals gezegd, bevat de CMR geen regeling betreffende aanhouding.

3.15.4.

Ingevolge de genoemde rechtspraak van het HvJEU dient de rechter ook in een door de CMR beheerste zaak de regeling van artikel 27 Brussel I-Vo toe te passen, indien aan de vereisten van die bepaling is voldaan.

Hiervoor is onder 3.15.1 al gezegd aan welke vereisten van artikel 27 Brussel I-Vo is voldaan. Onder 3.15.2 is overwogen dat de bevoegdheid van de rechter in het Verenigd Koninkrijk nog niet vast staat.

In het kader van artikel 27 Brussel I-Vo is voldoende dat de bevoegdheid van de buitenlandse rechter komt vast te staan; daarbij geldt niet het vereiste dat de bevoegdheid op artikel 31 lid 1 CMR moet zijn gegrond. Ingevolge de genoemde rechtspraak van het HvJEU kan de additionele eis van bevoegdheid op grond van artikel 31 lid 1 CMR niet gesteld worden bij de beoordeling in het kader van artikel 27 Brussel I-Vo.

Het vorenstaande brengt mee dat de rechtbank ingevolge artikel 27 lid 1 Brussel I-Vo de zaak van [eiseres] tegen Batco dient aan te houden totdat de bevoegdheid van de rechter in het Verenigd Koninkrijk vaststaat.

3.15.5.

Derhalve dient de betreffende vordering van Batco te worden toegewezen.

3.16.

De rechtbank zal [eiseres] als de in het ongelijk gestelde partij in de aan de zijde van Batco gevallen proceskosten in het incident veroordelen. De rechtbank zal de proceskosten begroten op één punt in Liquidatietarief II, derhalve op € 452,-.

4 De beslissing

De rechtbank

in het door DHL en Exel ingeleide incident

4.1.

wijst de vorderingen af;

4.2.

veroordeelt DHL en Exel in de aan de zijde van [eiseres] gevallen proceskosten, tot deze uitspraak begroot op € 452,-;

in de hoofdzaak tussen [eiseres] en DHL en Exel

4.3.

bepaalt als datum voor de comparitie van partijen: woensdag 11 juni 2014 om 14:00 uur;

in het door Batco ingeleide incident

4.4.

houdt de zaak van [eiseres] tegen Batco (gedaagden sub 3, 4 en 5) aan totdat de bevoegdheid van de rechter in het Verenigd Koninkrijk vaststaat en verwijst de zaak naar de parkeerrol;

4.5.

veroordeelt [eiseres] in de aan de zijde van Batco gevallen proceskosten, tot deze uitspraak begroot op € 452,-;

4.6.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.P. Sprenger en in het openbaar uitgesproken op 30 april 2014. 1928/1573