Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:3302

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
01-05-2014
Datum publicatie
02-06-2014
Zaaknummer
ROT_12-5356
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CBB:2016:281, Overig
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

afwijzing vrijstelling verplichte aansluiting bij bedrijfstakpensioenfonds

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2014/183
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 2

zaaknummer: ROT 12/5356

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 mei 2014 in de zaak tussen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HSPro Maastricht B.V., te Maastricht, eiseres,

gemachtigde: mr. Y.L.S. Schipper,

en

de stichting Stichting Pensioenfonds voor Personeelsdiensten, verweerster,

gemachtigde: mr. S. Leurink.

Procesverloop

Bij besluit van 24 mei 2012 heeft verweerster eiseres’ aanvraag om verlening van vrijstelling van verplichte deelneming in verweersters pensioenfonds op grond van een tijdige eigen pensioenregeling afgewezen.

Bij besluit van 2 november 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerster het door eiseres gemaakte bezwaar tegen de afwijzing ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2013. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, vergezeld door [a]. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om eiseres in de gelegenheid te stellen nadere stukken ten bewijze van haar stellingen over de totstandkoming van een eigen pensioenregeling in te dienen.

Eiseres heeft een nader geschrift (het nadere geschrift) met stukken ingediend en verweerster heeft daarop gereageerd.

Na van partijen verkregen toestemming voor het achterwege laten van een nadere zitting, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.

Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000 (de Wet Bpf 2000) kan onze Minister op aanvraag van het georganiseerde bedrijfsleven binnen een bedrijfstak, dat naar zijn oordeel een belangrijke meerderheid van de in die bedrijfstak werkzame personen vertegenwoordigt, deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds voor één of meer bepaalde groepen van personen die in de betrokken bedrijfstak werkzaam zijn, verplicht stellen.
Op grond van artikel 13, eerste en tweede lid, van de Wet Bpf 2000 heeft het bedrijfstakpensioenfonds tot taak het verlenen en het intrekken van vrijstellingen van de verplichtstelling. Het bedrijfstakpensioenfonds kan aan de vrijstelling voorschriften verbinden. Op grond van het derde lid worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld met betrekking tot de gevallen waarin en de voorwaarden waaronder het bedrijfstakpensioenfonds vrijstelling van de verplichtstelling verleent, kan verlenen, intrekt en kan intrekken alsmede met betrekking tot de voorschriften die het bedrijfstakpensioenfonds aan de vrijstelling kan verbinden.

1.1

Op grond van artikel 2, aanhef en onder a, van het in dit verband tot stand gebracht Vrijstellings- en boetebesluit Wet Bpf 2000 (het VBB) wordt op verzoek van een werkgever door een bedrijfstakpensioenfonds voor alle werknemers of een deel van de werknemers van die werkgever, met ingang van de dag dat de verplichtstelling in werking treedt vrijstelling verleend, indien die werknemers van die werkgever al deelnemen in een pensioenregeling die ten minste zes maanden voor het moment van indiening van de in behandeling genomen aanvraag tot verplichtstelling, van kracht was.

2.

Uit de Staatscourant van 3 november 1998 blijkt dat op 22 september en 22 oktober 1998 verzoekschriften zijn ontvangen van organisaties van werkgevers en van werknemers in de sector uitzendkrachten, daartoe strekkende dat deelneming in een bedrijfspensioenfonds van de Stichting Bedrijfspensioenfonds voor Langdurige Uitzendkrachten ingevolge de (toen geldende) Wet betreffende verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds verplicht wordt gesteld.

Bij besluit van de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 19 december 2003 (Stcrt. 2003, 251) is de deelneming in de Stichting Bedrijfspensioenfonds voor Langdurige Uitzendkrachten ingaande 1 januari 2004 verplicht gesteld (het verplichtstellingsbesluit).

3.

Het primaire betoog van eiseres dat verweerster ten onrechte heeft aangenomen dat zij onder de werkingssfeer van het verplichtstellingsbesluit valt, slaagt niet. Op grond van artikel 25 van de Wet Bpf 2000 is de kantonrechter aangewezen daarover te oordelen en niet de bestuursrechter. Bij ontstentenis van een andersluidend oordeel van de kantonrechter, dient de rechtbank uit te gaan van de rechtmatigheid van het oordeel van verweerster over de toepasselijkheid van de verplichtstelling (vgl. ECLI:NL:CBB:2014:113).

4.

Eiseres betoogt subsidiair tevergeefs dat verweerster heeft miskend dat zij, althans haar rechtsvoorganger, Intertec Resource B.V. (Intertec), al vóór 22 maart 1998 (de peildatum) voor haar werknemers een eigen pensioenregeling (de pensioenregeling) had getroffen, zodat verweerster de gevraagde vrijstelling in strijd met artikel 2, aanhef en onder a, van het VBB heeft geweigerd. Ter onderbouwing van haar stelling dat de pensioenregeling, neergelegd in een overeenkomst gesloten tussen het Kantoor voor Nederland van de Zwitserse Maatschappij van Levensverzekering en Lijfrente (ZwitserLeven) en Intertec, voor de peildatum van kracht was, heeft eiseres stukken overgelegd waaruit volgens haar blijkt dat de wilsovereenstemming tussen ZwitserLeven en Intertec over de pensioenregeling dateert van 20 maart 1998 en dat daarna ook daadwerkelijk uitvoering is gegeven aan de pensioenregeling.

4.1

De rechtbank leidt uit de door eiseres overgelegde stukken af dat de pensioenregeling niet eerder dan vanaf mei 1998 van kracht werd in de zin van artikel 2, aanhef en onder a, van het VBB. Wat er zij van de gestelde eerdere wilsovereenstemming tussen ZwitserLeven en Intertec, beslissend acht de rechtbank in dit verband vanaf welke datum daadwerkelijk uitvoering is gegeven aan de pensioenregeling. Uit de brief van ZwitserLeven aan Intertec van 8 april 1998 blijkt dat in ieder geval op dat moment de daarvoor benodigde aanmeldingsformulieren van de werknemers nog niet waren ingestuurd en dat nog geen premies waren ingelegd. Dat stemt overeen met een door eiseres overgelegde salarisspecificatie van [a] over de periode 18 mei 1998 tot 15 juni 1998, waaruit voor het eerst blijkt van inhouding van pensioenpremie in het kader van de pensioenregeling. Uit de overgelegde offerte van ZwitserLeven van 6 februari 1998 blijkt ook dat die alleen gestand zal worden gedaan als bij aanvang ten minste vijf werknemers deelnemen in de voorgestelde pensioenregeling. Eiser heeft verder geen stukken overgelegd waaruit opgemaakt zou kunnen worden dat al eerder uitvoering is gegeven aan de pensioenregeling, zodat geoordeeld moet worden dat die op de peildatum nog niet van kracht was. Overigens kan uit de door eiseres overgelegde stukken ook niet worden afgeleid dat de pensioenregeling voor alle werknemers, dan wel voor alle tot een welbepaalde groep behorende werknemers, gold, zoals op grond van artikel 2 van het VBB is vereist voor de verlening van een vrijstelling (vgl. ECLI:NL:RBROT:2013:8822). De slotsom is dan ook dat verweerster zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij voldeed aan de voorwaarde van een tijdige eigen pensioenregeling, zodat artikel 2, aanhef en onder a, van het VBB aan verlening van de gevraagde vrijstelling in de weg stond.

5.

Het meer subsidiaire betoog van eiseres dat verweerster in strijd met het vertrouwensbeginsel de afwijzing van de aanvraag bij het bestreden besluit heeft gehandhaafd, slaagt evenmin. De constatering van een pensioenconsulent van verweerster dat eiseres een tijdige eigen pensioenregeling had getroffen, zoals daarvan blijkt uit de door eiseres overgelegde email van 19 januari 2012, biedt geen grondslag voor het oordeel dat verweerster daarmee bij eiseres het rechtens te beschermen vertrouwen heeft gewekt dat de vrijstelling verleend zou worden. Uit die email blijkt niet van een onvoorwaardelijke toezegging dat de vrijstelling zou worden verleend, en overigens zou eiseres ook hebben moeten begrijpen dat de betrokkene niet bevoegd was een dergelijke verstrekkende toezegging namens verweerster te doen.

6.

Hetgeen eiseres in het nadere geschrift anders dan ter zake van de totstandkoming van de pensioenregeling naar voren heeft gebracht, laat de rechtbank buiten beschouwing, omdat de goede procesorde er zich tegen verzet in die fase van de procedure nog nieuwe stellingen naar voren te brengen, waarvan niet valt in te zien dat die niet eerder naar voren hadden kunnen worden gebracht.

7.

De slotsom is dat het beroep ongegrond moet worden verklaard en het bestreden besluit in stand kan worden gelaten.

8.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Haan, rechter, in aanwezigheid van

mr. E. Kleingeld-Top, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2014.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.