Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:3254

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24-04-2014
Datum publicatie
28-04-2014
Zaaknummer
C/10/443413 / FT EA 14/230
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dwangakkoord toegewezen, proceskosten veroordeling weigerende schuldeiser, niet verschenen, waarheidsgehalte van de schuldhulpverlening in twijfel getrokken.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 287a, geldigheid: 2014-04-28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Insolventie

rekestnummer:[nummer]

uitspraakdatum: 24 april 2014

in de zaak van:

[naam verzoekster],

wonende te [adres]

[woonplaats],

verzoekster.

1 De procedure

Verzoekster heeft op 27 januari 2014, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet ingediend om een schuldeiser, te weten Royal Bank of Scotland, die weigert mee te werken aan een door verzoekster aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.

Ter zitting van 17 april 2014 zijn verschenen en gehoord:

  • -

    Verzoekster voornoemd;

  • -

    Mevrouw I. Muller, werkzaam bij Kredietbank Rotterdam (hierna te noemen schuldhulpverlening).

De schuldeiser is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 Het verzoek

Verzoekster heeft volgens het ingediende verzoekschrift dertien schuldeisers, waarvan één preferente en twaalf concurrente schuldeisers. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 58.521,19 van verzoekster te vorderen.

Verzoekster heeft bij brief van 23 september 2013 een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers, inhoudende een betaling van 9,25% aan de preferente schuldeisers en 4,62% aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting.

Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond. De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm. De aangeboden regeling is gebaseerd op de afloscapaciteit die verzoekster heeft op basis van haar dienstbetrekking. Verzoekster werkt parttime en heeft een arbeidscontract voor (on)bepaalde tijd. De aangeboden regeling voorziet in uitkering van een prognosepercentage. Dat betekent dat de afloscapaciteit eventueel nog hoger of nog lager zal kunnen uitvallen. Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat zij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan haar schuldeisers aan te bieden.

Verzoekster heeft sinds de aanmelding bij schuldhulpverlening geen nieuwe schulden of achterstanden meer laten ontstaan en haar vaste lasten worden inmiddels door haar budgetbeheerder voldaan.

Twaalf schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. Royal Bank of Scotland stemt hier niet mee in. Zij heeft een vordering van € 8.275,67 op verzoekster, welke 14,14% van de totale schuldenlast beloopt.

3 Het verweer

Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft de weigerende schuldeiser geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunten ter zitting toe te lichten.

4 De beoordeling

Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van Royal Bank of Scotland bij haar weigering vast.

De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of Royal Bank of Scotland in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoekster of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.

De rechtbank stelt allereerst vast dat de vordering van Royal Bank of Scotland slechts een klein aandeel vormt in de totale schuldenlast (te weten 14,14% daarvan). Een ruime meerderheid van de schuldeisers, namelijk twaalf van de dertien schuldeisers, is met de aangeboden regeling akkoord gegaan.

De rechtbank stelt vast dat het voorstel is getoetst door een deskundige en onafhankelijke partij, te weten de Kredietbank Rotterdam. Voorts is het voorstel naar het oordeel van de rechtbank goed en controleerbaar gedocumenteerd. Voldoende aannemelijk is dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoekster in staat moet worden geacht.

Door schuldhulpverlening is ter zitting verklaard dat er is voldaan aan alle waarborgen, die ervoor moeten zorgen dat verzoekster het maximale ten behoeve van haar schuldeisers zal afdragen. Verzoekster zit in budgetbeheer. Het ontstaan van nieuwe schulden ligt niet in de rede.

Naar verwachting zal de uitwerking van het voorstel een gunstiger resultaat hebben voor de schuldeisers dan in de situatie dat de schuldsaneringsregeling op verzoekster van toepassing zou zijn, zoals subsidiair verzocht. De toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling zou aanzienlijke kosten met zich meebrengen, bestaande in salaris voor de bewindvoerder en griffierecht, welke in mindering komen op hetgeen verzoekster zou kunnen afdragen in de schuldsaneringsregeling. Dat betekent dat toepassing van de schuldsaneringsregeling de schuldeisers minder zou opleveren dan bij het akkoord dat wordt aangeboden.

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat de belangen van verzoekster die vanuit een stabiele situatie haar schuldenproblematiek wil oplossen en van de overige schuldeisers die hebben ingestemd met het aanbod, zwaarder wegen dan die van Royal Bank of Scotland, die geweigerd heeft in te stemmen. Het verzoek om Royal Bank of Scotland te bevelen in te stemmen met de schuldregeling wordt daarom toegewezen.

De Royal Bank of Schotland heeft in haar contacten met de schuldhulpverlening allereerst aangegeven dat zij niet akkoord gaat met de aangeboden regeling omdat het aanbod te laag is. Ten tweede heeft de Royal Bank of Scotland als reden voor haar weigering aangegeven dat zij het waarheidsgehalte van de mededelingen van de Kredietbank Rotterdam in twijfel trekt. Dit laatste argument is naar het oordeel van de rechtbank een ernstige aantijging jegens de Kredietbank Rotterdam, temeer nu de Kredietbank Rotterdam voldoet aan de NVVK-normen. De Royal Bank of Scotland heeft haar aantijgingen schriftelijk niet nader toegelicht en is evenmin ter terechtzitting verschenen teneinde hierop een toelichting te geven. De rechtbank zal daarom de Royal Bank of Scotland veroordelen in de kosten van de procedure. De rechtbank zal de kosten van deze procedure vaststellen conform het liquidatietarief voor rechtbanken en hoven en zal het meerdere of anders gevorderde afwijzen.

De rechtbank stelt vast dat er thans een gedwongen schuldregeling is afgekondigd, welke in de plaats komt van de vrijwillige instemming van de schuldeisers. Hieruit volgt dat verzoekster zal kunnen voortgaan met het betalen van haar schulden en dat zij niet verkeert in de toestand dat zij heeft opgehouden te betalen zodat het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling dient te worden afgewezen.

5 De beslissing

De rechtbank:

- beveelt Royal Bank of Scotland om in te stemmen met de door verzoekster aangeboden schuldregeling;

- veroordeelt Royal Bank of Scotland in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verzoekster begroot op € 904,- en wijst af het meer of anders gevorderde;

- bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de vrijwillige instemming;

- wijst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. V.M. de Winkel, rechter en in aanwezigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op 24 april 2014. 1

1 Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.