Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:3232

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24-04-2014
Datum publicatie
28-04-2014
Zaaknummer
10-651002-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak. Brandstichting. Artikelen 157 en 158 Wetboek van Strafrecht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 1

Parketnummer: 10/651002-14

Datum uitspraak: 24 april 2014

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]),

zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland, ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Rotterdam, locatie De Schie,

raadsman mr. H. Bijlsma, advocaat te Rotterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 15 april 2014.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. Kort gezegd wordt hem primair verweten dat hij opzettelijk brand heeft gesticht en subsidiair dat er door zijn schuld brand is ontstaan. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. A.S. Flikweert heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde;

- ontslag van alle rechtsvervolging en plaatsing van de verdachte in een psychiatrisch

ziekenhuis voor een termijn van een jaar.

BEWIJSWAARDERING

1.

De rechtbank gaat uit van de navolgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Op 2 augustus 2013 is in hotel [naam] te Rotterdam een man ingecheckt onder de naam van de verdachte. De man identificeerde zich met een Oostenrijks paspoort met nummer [[nummer]] dat op naam van de verdachte stond. Hij boekte voor één nacht en kreeg kamer 1 toebedeeld. Op 3 augustus 2013 is de boeking met één nacht verlengd.

1.2.

In de late avond van 3 augustus 2013 is in kamer 1 brand ontstaan; het brandalarm ging af om 22.04 uur. De brandhaard was gelegen aan het voeteneinde van het bed. Er is geen technische installatie aangetroffen die de brand kan verklaren.

1.3.

Op camerabeelden van het hotel is te zien dat om 21.57 uur een persoon de trap is afgegaan. Deze man droeg een jas/trui met capuchon, wat aansluit bij het signalement dat een medewerker van het hotel gaf van de gast uit kamer 1. Op de camerabeelden zijn vanaf 21.57 uur diverse personen te zien, maar geen van hen voldoet aan het door de getuige opgegeven signalement.

1.4.

Na de brand is in kamer 1 een paspoort aangetroffen. Daarin waren de persoonsgegevens verwijderd, maar was het hiervoor genoemde paspoortnummer nog te lezen. Verder is in de kamer een rugzak (met daarin een GSM van het merk Samsung zonder sim-kaart), een laptop, een iPod en een memorystick aangetroffen. Deze goederen waren door brand beschadigd.

1.5.

Aan de verdachte is op 26 juni 2013 een Oostenrijks paspoort voorzien met het nummer[[nummer]] afgegeven.

2.

Tot dus ver zijn de feiten en omstandigheden niet wezenlijk in geschil. Wel verschillen de officier van justitie en de verdediging van mening over de vraag of de verdachte de hotelgast van kamer 1 is en over de vraag of er sprake is van een opzettelijke brandstichting dan wel van brand door schuld.

2.1.

De officier van justitie stelt dat de verdachte de betreffende hotelgast is. De hotelkamer is met zijn paspoort geboekt, hij voldoet aan het opgegeven signalement, zijn paspoort is in de kamer aangetroffen en vaststaat dat de verdachte omstreeks de datum van de brand in Nederland is (hij is op 4 augustus 2013 om 00:15 uur aangehouden in Haarlem). Gegeven het feit dat hij zeer kort voordat het brandalarm afging, de kamer verliet en zijn persoonsgegevens waren verwijderd uit het paspoort, moet er volgens de officier van justitie verder vanuit gegaan worden dat de verdachte opzettelijk brand heeft gesticht.

2.2.

De verdachte verklaart dat hij een black-out heeft gehad gedurende een langere periode. Hij kan zich niet herinneren op 2 of 3 augustus 2013 te hebben overnacht in Rotterdam, laat staan in het hotel. Hij was op doorreis naar Engeland en in Engeland is hij er achter gekomen dat hij zijn paspoort en rugzak (met daarin een laptop, een iPad en een iPod) kwijt was geraakt. Waar en wanneer hij het paspoort en de andere zaken is kwijtgeraakt, kan de verdachte niet zeggen. Desgevraagd kon hij op zitting ook niet uitleggen hoe hij zonder paspoort in Engeland was gekomen, anders dan met de toelichting dat dat lastig moet zijn geweest. In aanvulling op het voorgaande heeft de raadsman aangevoerd dat er geen bewijs is van opzettelijke brandstichting dan wel van brand door schuld.

3.

De rechtbank oordeelt hierover als volgt.

3.1.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de verdachte de persoon is die kamer 1 heeft geboekt en gebruikt. Zijn paspoort is gebruikt bij de boeking en is gevonden in de kamer en hij voldoet aan het signalement. De lezing dat een ander mogelijk met zijn paspoort zou hebben gehandeld, is onaannemelijk.

3.2.

De verdachte moet minst genomen op enigerlei wijze betrokken zijn geweest bij het ontstaan van de brand. De brandhaard bevond zich aan het voeteneinde van het bed van de hotelkamer, er is op het bed geen technische installatie aangetroffen die de brand zou kunnen hebben veroorzaakt en de verdachte is vlak voor het afgaan van het brandalarm vertrokken (dit laatste blijkt uit de camerabeelden in combinatie met het feit dat hij zich kennelijk ook niet meer bij het hotel heeft gemeld). Dit sluit redelijkerwijs uit dat de brand toevallig is ontstaan na zijn vertrek.

3.3.

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat niet bewezen kan worden dat er sprake is van opzettelijke brandstichting. Uit het onderzoek naar de brand blijkt dat een ongeluk met een brandende sigaret niet valt uit te sluiten en er is te veel onduidelijk over het ontstaan van de brand om te kunnen vaststellen dat de verdachte opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, had op het ontstaan van brand. Dat zijn paspoort is achtergebleven zonder persoonsgegevens, bevreemdt weliswaar, maar is onvoldoende voor bewijs van opzet.

3.4.

Brand door schuld valt evenmin te bewijzen. ‘Schuld’ aan brand is meer dan alleen het veroorzaken of toelaten dat de brand op enigerlei wijze ontstaat, bijvoorbeeld door een brandende sigaret (onbewust, maar wel aanmerkelijk onvoorzichtig) te laten liggen bij het verlaten van de kamer. Schuld omvat ook een verwijt: de verdachte had anders, beter, kunnen handelen en hij had anders moeten handelen. Een dergelijk verwijt kan niet gemaakt worden wanneer de verdachte door een psychische stoornis tot zijn daad is gekomen en hij voor dat handelen volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden geacht.

Over de verdachte is door psycholoog[naam] en psychiater [naam] gerapporteerd. De psycholoog concludeert dat de verdachte leidt aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, te weten schizofrenie van het gedesorganiseerde type en dat dit ook zo was ten tijde van de brand. In zijn visie kan gesteld worden dat de verdachte louter handelde op basis van psychotisch bepaalde impulsen en dat hij geen idee had over de gevolgen van zijn gedrag. De psycholoog adviseert tot volledige ontoerekeningsvatbaarheid.

De psychiater trekt minder vergaande conclusies. Hij concludeert dat het gedrag van de verdachte in enige mate werd beïnvloed door bizarre wanen, te weten zijn overtuiging dat hij bekend is in Europa en achterna gezeten wordt door mensen die een geniaal plan van hem hadden gestolen. Er is vrijwel zeker sprake van een psychotische pathologie ten tijde van de brand, maar de ernst daarvan en de doorwerking in het feit kan de psychiater niet vaststellen. Dit laatste komt enerzijds door een gebrek aan nadere informatie over het functioneren van de verdachte voor en na de brand en diens (psychotische) motieven bij de brand en anderzijds door het tijdsverloop tussen de brand en het onderzoek van de psychiater. Het advies van de psychiater is om de verdachte tenminste verminderd toerekeningsvatbaar te achten. De psychiater sluit niet uit dat hij bij meer informatie tot sterk verminderde, zelfs tot ontoerekeningsvatbaarheid had geadviseerd. Behandeling is in ieder geval ook volgens de psychiater vereist.

Net als de officier van justitie volgt de rechtbank het advies van de psycholoog dat de verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden geacht. Deze onderbouwde conclusie weegt zwaarder dan wat meer terughoudende benadering van de psychiater, die op zijn beurt volledige ontoerekeningsvatbaarheid ook niet uitsluit. Dat betekent dat de verdachte geen rechtens relevant verwijt gemaakt kan worden van de brand. Brand door schuld kan dus niet bewezen worden.

3.5.

De slotsom is dat de verdachte voor zowel het primaire feit (opzettelijke brandstichting) als het subsidiaire feit (brand door schuld) vrijgesproken zal worden.

GEEN STRAF EN GEEN VRIJHEIDSBENEMENDE MAATREGEL

Ten overvloede wordt nog als volgt overwogen. Uit de psychologische en psychiatrische rapportages blijkt klip en klaar dat de verdachte behandeling behoeft en dat hij dit bij gebrek aan ziekteinzicht- en besef niet vrijwillig zal ondergaan. Nu de verdachte wordt vrijgesproken van het tenlastegelegde, kan er echter geen straf (met bijzondere voorwaarden) of strafrechtelijke vrijheidsbenemende maatregel worden opgelegd. Een plaatsing in een psychiatrische inrichting ex artikel 37 Sr, zoals door de officier van justitie gevorderd en door de psycholoog geadviseerd, kan dan ook niet bevolen worden. Indien de verdachte in Nederland zou blijven, laat dit de mogelijkheid van een civielrechtelijke plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis open, maar een dergelijke plaatsing ligt thans niet aan deze rechtbank voor.

VOORLOPIGE HECHTENIS

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de voorlopige hechtenis opheffen en de onmiddellijke invrijheidstelling van de verdachte bevelen.

BESLISSING

De rechtbank:

- verklaart niet bewezen, dat de verdachte het (primair en subsidiair) ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

- heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van heden en beveelt de onmiddellijke invrijheidstelling.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. F.W. van Lottum, voorzitter,

en mrs. N. Doorduijn en B.A. Cnossen, rechters,

in tegenwoordigheid van A.C. de Sain, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 april 2014.

Bijlage bij vonnis van 24 april 2014.

TEKST TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

hij

op of omstreeks 03 augustus 2013 te Rotterdam opzettelijk brand heeft gesticht

in een (hotel)kamer in/van het hotel [naam], gelegen aan[naam],

immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk (open) vuur in aanraking

gebracht met een bed en/of een matras en/of een deken en/of laken, althans een

goed, althans met (een) brandbare stof(fen), aanwezig in die (hotel)kamer,

ten gevolge waarvan brand is ontstaan en/of (een deel/onderdeel van) een bed

en/of een wand en/of (een deel van) het plafond in/van voornoemde (hotel)kamer

geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor

de in voornoemd hotel aanwezige goederen, in elk geval gemeen gevaar voor

goederen en/of levensgevaar voor de in het voornoemde hotel aanwezige gasten

en/of (hotel)medewerkers, in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen,

te duchten was;

(Art. 157 Wetboek van Strafrecht

art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 157 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht)

subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij

op of omstreeks 03 augustus 2013 te Rotterdam, in een (hotel)kamer in/van het

hotel [naam], gelegen aan [naam], grovelijk, althans aanmerkelijk

onvoorzichtig en / of onoplettend en / of onachtzaam (open) vuur in aanraking

heeft gebracht met een bed en/of een matras en/of een deken en/of laken,

althans een goed, althans met (een) brandbare stof(fen), aanwezig in

voornoemde hotelkamer, ten gevolge waarvan het aan zijn schuld te wijten is

geweest, dat er brand is ontstaan en/of dat (een deel/onderdeel van) een bed

en/of een wand en/of (een deel van) het plafond in/van voornoemde (hotel)kamer

geheel of gedeeltelijk is / zijn verbrand, terwijl daardoor gemeen gevaar voor

de in voornoemd hotel aanwezige goederen, in elk geval gemeen gevaar voor

goederen en/of levensgevaar voor de in het voornoemde hotel aanwezige gasten

en/of (hotel)medewerkers, in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen,

te duchten was;

(Art. 158 Wetboek van Strafrecht)

art 158 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 158 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht