Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:3112

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
17-04-2014
Datum publicatie
23-04-2014
Zaaknummer
10/700144-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

zaak Stormvogel; doodslag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3

Parketnummer: 10/700144-13

Datum uitspraak: 17 april 2014

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres

[adres],

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de

Penitentiaire Inrichting [naam inrichting],

raadsman mr. J. Peters, advocaat te Amersfoort.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 3 april 2014.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage A aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. D.N.G. Woei-A-Tsoi heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het impliciet subsidiair (als doodslag) ten laste gelegde feit;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaar, met aftrek van voorarrest.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het impliciet subsidiair ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

zij,

op of omstreeks 12 oktober 2012 te Hoogvliet, gemeente Rotterdam en/of

Oostvoorne, gemeente Westvoorne en/of Maasvlakte Rotterdam, gemeente

Rotterdam, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en),

opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon genaamd [slachtoffer] van

het leven heeft beroofd,

immers heeft/hebben verdachte en/of haar mededader(s) opzettelijk en na kalm

beraad en rustig overleg,

- genoemde [slachtoffer] meermalen (krachtig) met een (honkbal)knuppel en/of een

voorwerp op/tegen het hoofd en/of het gezicht en/of het lichaam geslagen

(met diverse (bot)breuken en fracturen tot gevolg) en/of (vervolgens)

- de mond/keelholte van die [slachtoffer] afgesloten/dichtgestopt en/of

(vervolgens)

- die [slachtoffer] met plastic omwikkeld en begraven,

waardoor de luchtwegen van die [slachtoffer] zodanig zijn belemmerd dat voornoemde

[slachtoffer] aan verstikking is overleden.

partiële vrijspraak

Hetgeen impliciet primair (als moord) aan de verdachte is ten laste gelegd, is niet wettig en overtuigend bewezen zodat de verdachte daarvan - overeenkomstig de eis - dient te worden vrijgesproken. Hetgeen overigens meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen, zodat de verdachte ook daarvan moet worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Deze bewijsmiddelen zijn vermeld op de aangehechte bijlage B, die deel uitmaakt van dit vonnis.

NADERE BEWIJSOVERWEGINGEN

De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak van de tenlastegelegde doodslag bepleit. Hij heeft, kort weergegeven, het volgende aangevoerd.

De [verdachte] heeft niet zelf klappen uitgedeeld met de honkbalknuppel aan het [slachtoffer]. Alleen haar medeverdachte [medeverdachte J] heeft [slachtoffer] met de knuppel geslagen. [verdachte] heeft hierbij geen enkele rol gespeeld; nadat zij in een worsteling met [slachtoffer] was geraakt heeft zij zich aan het gebeuren onttrokken. Er was niet een vooropgezet plan van [verdachte] en [medeverdachte J] om [slachtoffer] te doden. Uit de omstandigheid dat er een honkbalknuppel werd meegenomen naar de ontmoeting met [slachtoffer] mag niet worden opgemaakt dat er een aanmerkelijke kans bestond dat [slachtoffer] zou worden gedood, laat staan dat er sprake was van opzet op de dood van [slachtoffer].

De rechtbank overweegt over de tenlastegelegde doodslag als volgt.

Op 27 februari 2013 is het levenloze lichaam van [slachtoffer] aangetroffen, verpakt in plastic en begraven onder het zand op het strand van het Oostvoornse Meer.

Bij de sectie is vastgesteld dat de dood van [slachtoffer] is veroorzaakt door massale fracturering van de aangezichtsschedel, met breuken van de neus, de neusbijholten en boven- en onderkaak. Deze kunnen, aldus het sectierapport, het overlijden goed verklaren op grond van verstikkingsverschijnselen door belemmering van de luchtwegen. De aangetroffen letsels passen goed bij het meermalen slaan met een zwaar en hard voorwerp. Niet kan worden vastgesteld hoe vaak is geslagen.

Volgens de patholoog kan niet worden uitgesloten dat verstikkingsverschijnselen die zijn opgetreden door afsluiten van de mondkeelholte door de daarin aangetroffen massa van plantaardig materiaal vermengd met aarde het overlijden mede verklaren of daaraan hebben bijgedragen. Verder kan het volgens de deskundige niet worden uitgesloten dat [slachtoffer] ten tijde van het verpakken in plastic en/of het begraven in het zand nog in leven was.

Om te beginnen merkt de rechtbank op dat niet duidelijk is geworden hoe de aangetroffen massa van plantaardig materiaal en aarde in de mondkeelholte van [slachtoffer] is terecht gekomen. In ieder geval kan niet bewezen worden geacht dat deze holte aldus bewust is afgesloten of dichtgestopt door [verdachte] of [medeverdachte J], met de bedoeling de dood van [slachtoffer] te bewerkstelligen. Van dit onderdeel van de tenlastelegging zal de verdachte dan ook worden vrijgesproken.

Verder acht de rechtbank het, gelet op de omstandigheden die zich in dit geval voordoen en de afgelegde verklaringen, onaannemelijk dat [slachtoffer] nog leefde toen hij werd ingepakt in plastic en vervolgens werd begraven. [slachtoffer] heeft meerdere klappen gehad tegen zijn hoofd met een knuppel, ook toen hij al op de grond lag. Hij is in die situatie achtergelaten in het park, na in de bosjes te zijn gesleept. Uren later lag hij daar nog. [verdachte] heeft in haar verhoor bij de politie op 31 juli 2013 verklaard dat [slachtoffer] niet meer leefde toen zij de eerste keer terugkeerden naar de plaats waar zij hem hadden achtergelaten. [slachtoffer] is ingepakt in plastic en in de kofferbak van een auto gelegd. Vervolgens is hij begraven in een gat in de grond. Vanaf het moment dat [verdachte] en [medeverdachte J] terug gingen naar de plek in het park waar ze [slachtoffer] hadden achtergelaten, heeft [slachtoffer] kennelijk geen enkel teken van leven meer gegeven. Ook voor het onderdeel van de tenlastelegging dat betrekking heeft op het met plastic omwikkelen en begraven teneinde [slachtoffer] van het leven te beroven zal vrijspraak volgen.

Een en ander overziend komt de rechtbank tot de conclusie dat [slachtoffer] om het leven is gekomen als gevolg van klappen met een honkbalknuppel tegen het hoofd en het gezicht. Beoordeeld dient te worden in hoeverre de verdachte hiervoor verantwoordelijk is.

De rechtbank neemt aan, daarbij vooral afgaand op de verklaring die [medeverdachte J] op 13 maart 2013 tegenover de politie heeft afgelegd, dat de feitelijke gang van zaken op 12 oktober 2012 - in grote lijnen weergeven en voor zover van belang - als volgt is geweest.

  • -

    [verdachte] had die dag een afspraak gemaakt met [slachtoffer], haar ex-vriend.

  • -

    [verdachte] had meermalen gezegd tegen [medeverdachte J] dat ze helemaal gek werd van [slachtoffer]; hij viel haar lastig met dreigmails, sms’en en telefoontjes; [slachtoffer] had een tijd in de gevangenis gezeten voor het lastig vallen en bedreigen van [verdachte] en haar moeder; [verdachte] riep al een maand dat ze er helemaal gestoord van werd en dat ze [slachtoffer] ging afmaken.

  • -

    [medeverdachte J] ging mee naar de ontmoeting; [verdachte] en [medeverdachte J] wilden dit allebei; voordat ze vertrokken gaf [verdachte] een honkbalknuppel aan [medeverdachte J].

  • -

    [verdachte] is op de fiets en [medeverdachte J] met de auto naar de ontmoeting met [slachtoffer] gegaan; [verdachte] ging met [slachtoffer] praten in het Ruigeplaatbos in Hoogvliet; [medeverdachte J] bleef aanvankelijk op enige afstand; hij kon de beide anderen wel zien.

  • -

    Op enig moment ging [medeverdachte J] naar hen toe.

  • -

    [medeverdachte J] had op dat moment de honkbalknuppel in zijn hand; toen [slachtoffer] wilde wegrennen, werd hij door [verdachte] tegengehouden.

  • -

    [medeverdachte J] gaf [slachtoffer] een klap op zijn achterhoofd en riep daarbij “is de gevangenis niet genoeg geweest voor je”, of woorden van die strekking; [slachtoffer] viel door die klap op de grond.

  • -

    [verdachte] heeft een mes in haar hand genomen; dat had ze uit haar tas gehaald; [verdachte] stak [slachtoffer] met dat mes.

  • -

    [medeverdachte J] heeft [slachtoffer] ook nog met de knuppel geslagen toen [slachtoffer] op de grond lag; [slachtoffer] was toen nog bij kennis; hij huilde en riep “auw”.

  • -

    [medeverdachte J] heeft [slachtoffer] naar de bosjes gesleept.

Uit het voorgaande volgt dat de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte J] bewust naar een ontmoeting met de ex-vriend van de verdachte zijn gegaan waarvan zij konden verwachten dat deze uit de hand zou lopen en tot geweldpleging zou leiden. Zij besloten samen te gaan en [medeverdachte J] daarbij te voorzien van een wapen, een honkbalknuppel. Verder moet op grond van de verklaring van [medeverdachte J] worden aangenomen dat [verdachte] zichzelf had voorzien van een mes, dat ze in haar tas had meegenomen. Uit een en ander kan slechts worden geconcludeerd dat de verdachte en [medeverdachte J] - als ze al niet van plan waren om geweld te gaan gebruiken - in ieder geval rekening hielden met de mogelijkheid dat dit zou gebeuren.

Op enig moment gedurende het gesprek met [slachtoffer] kwam [medeverdachte J] erbij, die de knuppel in zijn hand had. [slachtoffer] wilde wegvluchten, maar [verdachte] heeft dit belet, waarna [medeverdachte J] [slachtoffer] met de knuppel op zijn achterhoofd heeft geslagen, terwijl uit het grote aantal fracturen moet volgen dat [slachtoffer] veelvuldig is geslagen. Hieruit blijkt het opzet op de dood van [slachtoffer]. [verdachte] heeft ook zelf een bijdrage aan het geweld tegen [slachtoffer] geleverd door een mes te pakken en daarmee te steken. Gebleken is dat [slachtoffer] steekwonden heeft opgelopen in zijn gezicht en nek, die overigens niet hebben bijgedragen aan het overlijden. Er zijn voorts aanwijzingen in het dossier dat de verdachte ook zelf [slachtoffer] met de honkbalknuppel heeft geslagen, maar deze handelingen van de verdachte zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende komen vast te staan. Maar ook zonder dat kan worden vastgesteld dat [verdachte] zelf ook klappen met de knuppel heeft gegeven, komt de rechtbank tot het oordeel dat er onder deze omstandigheden sprake is geweest van een zodanig nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en [medeverdachte J] bij de geweldpleging tegen [slachtoffer] die tot diens dood heeft geleid, dat [verdachte] als mededader van de doodsslag op [slachtoffer] moet worden beschouwd. Voor een zich distantiëren van de geweldpleging zoals door de raadsman gesteld, ontbreken voldoende concrete aanwijzingen.

Veelzeggend zijn in dit verband ook de wijze van optreden en uitlatingen van [verdachte] en [medeverdachte J] na het gebeuren. Ze zijn later die avond samen terug gegaan naar het Ruigeplaatbos, waar ze [slachtoffer] dood aantroffen. Ze hebben samen het lijk van [slachtoffer] vervoerd en begraven. Ze hebben daarbij de hulp ingeroepen van de moeder van [verdachte], tegenover wie ze hebben gesproken van een vechtpartij met z’n drieën eerder die avond. Bij die vechtpartij was [verdachte] gewond geraakt aan haar hand. Haar moeder zag dat [verdachte]’s hand helemaal dik was. [verdachte] heeft haar moeder verteld dat “ze [slachtoffer] hadden doodgemaakt”.

Alle omstandigheden overziend acht de rechtbank bewezen dat de verdachte, in nauwe en bewuste samenwerking met [medeverdachte J], [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, door deze meermalen met een honkbalknuppel tegen het hoofd en het gezicht te slaan.

STRAFBAARHEID FEIT

Het bewezen feit levert op:

medeplegen van doodslag.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich samen met de medeverdachte, haar nieuwe vriend, schuldig gemaakt aan doodslag van het slachtoffer, met wie zij eerder een relatie had.

Omdat het slachtoffer haar veelvuldig bleef lastig vallen en bedreigen heeft zij met hem afgesproken bij het Ruigeplaatbos te Hoogvliet, naar zij zegt om met hem te praten. Voordat de verdachte daar naar toe ging heeft zij de medeverdachte een honkbalknuppel gegeven. En zelf heeft zij een mes in haar tas meegenomen naar de afspraak.

De medeverdachte is de verdachte en het slachtoffer tijdens hun wandeling in het Ruigeplaatbos gevolgd. Hij is op enig moment op het slachtoffer afgelopen en heeft het slachtoffer met de honkbalknuppel meerdere slagen tegen het hoofd en het gezicht gegeven, ook nog toen het slachtoffer al weerloos op de grond lag. De verdachte heeft tijdens het gebeuren het slachtoffer met een mes gestoken en zij heeft het slachtoffer verhinderd weg te lopen toen de medeverdachte met de knuppel op het slachtoffer af liep.

Het slachtoffer is aan de door het slaan met de knuppel opgelopen verwondingen aan het hoofd en het gezicht overleden. Vastgesteld moet worden dat het slachtoffer op een gruwelijke wijze om het leven is gebracht.

De verdachte heeft vervolgens samen met haar moeder en de medeverdachte het stoffelijk overschot verpakt in plastic in een auto geladen om dit nabij het Oostvoornse Meer te begraven. Ruim vier maanden later is het ontzielde lichaam van het slachtoffer bij toeval door een passant aangetroffen.

De verdachte heeft met het plegen van deze doodslag één van de zwaarste misdrijven die de Nederlandse strafwet kent begaan. Dit feit is onherroepelijk en op geen enkele wijze meer ongedaan te maken. Het slachtoffer is door de verdachte het meest fundamentele recht, namelijk het recht op het leven, ontnomen.

Verdachtes turbulente voorgeschiedenis met het slachtoffer kan op geen enkele wijze de handelwijze van de verdachte en de medeverdachte rechtvaardigen.

Ook de nabestaanden is groot en onherstelbaar onrecht aangedaan. De schriftelijke slachtofferverklaringen getuigen hiervan. Ook alle anderen met wie het slachtoffer een band had, zullen de diepe sporen van dit onverwachte en veel te vroege verlies voor altijd met zich mee moeten dragen.

Dergelijke feiten leiden begrijpelijkerwijs tot grote verontwaardiging en onrust in de maatschappij.

De ernst van het gepleegde feit gebiedt de oplegging van een gevangenisstraf van lange duur

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is in aanmerking genomen dat de verdachte blijkens het op haar naam gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 14 maart 2014 niet eerder is veroordeeld en voorts wordt rekening gehouden met haar betrekkelijk jonge leeftijd.

Bij het bepalen van de strafmaat moet anderzijds de houding van de verdachte na het plegen van het feit in aanmerking genomen worden. Het verbergen van het lijk getuigt niet alleen van gebrek aan respect voor het slachtoffer en de nabestaanden, maar ook van gedrevenheid om de ware toedracht te verbergen. Na haar aanhouding heeft de verdachte lange tijd gezwegen en ze heeft pas na lange tijd een beperkte verklaring afgelegd. Zij zegt geen herinnering te hebben aan het slaan met de knuppel. De rechtbank acht dit niet geloofwaardig. Voor het ontbreken van herinneringen aan het feit is ook volgens de rapporterende deskundigen geen aannemelijke verklaring vanuit gedragskundig oogpunt. Door het innemen van een weloverwogen positie heeft de verdachte geen enkele blijk gegeven van empathie met de nabestaanden van het slachtoffer.

De rechtbank heeft kennis genomen van het onderzoek naar de geestvermogens van de verdachte door drs. T. 't Hoen, gezondheidspsycholoog en J.M.J.F. Offermans, psychiater d.d. 24 januari 2014.

Volgens de deskundigen is er bij de verdachte niet sprake van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Evenmin komen zij tot een vaststelling van een persoonlijkheidsstoornis, maar zij willen toch de mogelijkheid van een gebrekkige ontwikkeling op basis van de narcistische, borderline en in mindere mate antisociale trekken niet geheel uitsluiten, omdat de verdachte zeker niet op alle punten een volledig inzicht in haar persoonlijkheid heeft kunnen/willen geven en de neiging had eventuele persoonlijkheidsproblematiek zowel te minimaliseren als te bagatelliseren.

De deskundigen hebben gerapporteerd:

“Daar betrokkene zich grote delen van het ten laste gelegde niet zegt te kunnen herinneren en haar medeverdachte zich op zijn zwijgrecht beroept, waar het over het ten laste gelegde en het aandeel van betrokkene gaat, is het niet mogelijk geweest om te komen tot een volledig delict-scenario en delict-analyse. Wel is duidelijk geworden dat de relatie tussen betrokkene en het slachtoffer met enige ups en vele downs verlopen is, maar betrokkene zich toch maar uiterst moeilijk of niet van hem heeft kunnen losmaken. Daar er echter geen ziekelijke stoornis van de geestvermogens bij betrokkene aangetoond kon worden, evenmin als een persoonlijkheidsstoornis, is de meest voor de hand liggende conclusie met betrekking tot de mate van toerekeningsvatbaarheid een volledig toerekeningsvatbare verdachte, wat ook nog eens onderstreept wordt door de handelingen (bijvoorbeeld begeleiding [medeverdachte J] op afstand) voorafgaand aan het onderhavige ten laste gelegde. Slechts indien (nog) meer bekend zou zijn over de toedracht van het ten laste gelegde en uitgegaan zou worden van een gebrekkige ontwikkeling op basis van genoemde narcistische, borderline en antisociale persoonlijkheidskenmerken, dan zou betrokkene als enigszins verminderd toerekeningsvatbaar beschouwd kunnen worden.”

De rechtbank constateert dat van de voor een dergelijk oordeel benodigde feiten en omstandigheden niets is gebleken.

De conclusies van de psychiater en psycholoog worden gedragen worden door hun bevindingen en door hetgeen ook overigens op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt die conclusies over en maakt die tot de hare. De verdachte wordt op grond van het voorgaande volledig toerekeningsvatbaar geacht.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat alles afwegend na te noemen straf passend en geboden is.

VORDERING BENADEELDE PARTIJ / SCHADEVERGOEDINGSMAATREGEL

Namens de benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd als gemachtigde namens de benadeelde partij [zuster van het slachtoffer], mr. A.C. Zonneveld, advocaat te Delft, ter zake van het ten laste gelegde.

De benadeelde partij vordert een bedrag van totaal € 1.266,00 aan materiële schade bestaande uit kosten voor een grafmonument ten bedrage van € 819,00 en kosten voor grafrechten ten bedrage van € 447,00.

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde strafbare feit, rechtstreeks schade is toegebracht en de gevorderde schadevergoeding de rechtbank ook overigens niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, zal de vordering worden toegewezen.

Nu de verdachte het strafbare feit, ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededader de benadeelde partij betalen, is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd.

Het vorenstaande laat onverlet dat de verdachte en zijn mededader onderling voor gelijke delen in de schadevergoeding moeten bijdragen, tenzij de billijkheid een andere verdeling vordert.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 36f, 47 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het impliciet subsidiair ten laste gelegde feit (doodslag), zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van TIEN (10) JAREN;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

wijst toe de vordering van de benadeelde partij [zuster van het slachtoffer] Delft tot een bedrag van € 1.266,00 en veroordeelt de verdachte dit bedrag tegen kwijting aan de benadeelde partij te betalen, met dien verstande dat indien en voor zover haar mededader betaalt de verdachte in zoverre van deze verplichting is bevrijd;

bepaalt dat dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van onherroepelijkheid van dit vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [zuster van het slachtoffer] te betalen € 1.266,00 (hoofdsom twaalfhonderdzesenzestig euro);

beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van

€ 1.266,00 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 22 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door haar mededader, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.W. Klein Wolterink, voorzitter,

en mrs. M. van Kuilenburg en K. Helmich, rechters,

in tegenwoordigheid van J. Nederlof, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 april 2014.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage A TEKST TENLASTELEGGING

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

zij,

op of omstreeks 12 oktober 2012 te Hoogvliet, gemeente Rotterdam en/of

Oostvoorne, gemeente Westvoorne en/of Maasvlakte Rotterdam, gemeente

Rotterdam, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en),

opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon genaamd [slachtoffer] van

het leven heeft beroofd,

immers heeft/hebben verdachte en/of haar mededader(s) opzettelijk en na kalm

beraad en rustig overleg,

- genoemde [slachtoffer] meermalen (krachtig) met een (honkbal)knuppel en/of een

voorwerp op/tegen het hoofd en/of het gezicht en/of het lichaam geslagen

(met diverse (bot)breuken en fracturen tot gevolg) en/of (vervolgens)

- de mond/keelholte van die [slachtoffer] afgesloten/dichtgestopt en/of

(vervolgens)

- die [slachtoffer] met plastic omwikkeld en begraven,

waardoor de luchtwegen van die [slachtoffer] zodanig zijn belemmerd dat voornoemde

[slachtoffer] aan verstikking is overleden;

Bijlage B

bij het vonnis van in de strafzaak tegen de verdachte: