Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:2982

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
24-04-2014
Datum publicatie
06-05-2014
Zaaknummer
AWB-13_06133
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank vat het betoog van eiseres op als een beroep op het vertrouwensbeginsel. Volgens eiseres heeft verweerder door zijn handelwijze het gerechtvaardigde vertrouwen gewekt dat eiseres de keus had al dan niet een uitkering naar de gehuwdennorm aan te vragen en dat haar keus om dit niet te doen geen gevolgen zou hebben voor haar lopende uitkering.

Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt. Niet in geschil is dat eiseres tijdig melding heeft gemaakt van de samenwoning met haar toenmalige echtgenoot en dat zij de bij haar nieuwe gezinssituatie passende uitkering wilde aanvragen, maar zij heeft daarvan afgezien toen verweerder haar wees op de mogelijke gevolgen van die aanvraag en verweerder ondernam vervolgens geen actie. Eiseres stelt zich terecht op het standpunt dat verweerder hiermee het gerechtvaardigde vertrouwen heeft gewekt dat zij de vrije keus had om wel of geen aanvraag voor een bijstandsuitkering naar de gehuwdennorm in te dienen en dat het afzien van die aanvraag geen gevolgen zou hebben voor haar lopende uitkering. De rechtbank acht in dit verband van belang dat de uitkering die eiseres ontving lager was dan de gehuwdennorm, zodat eiseres in de veronderstelling kon verkeren dat zij verweerder door het niet indienen van de aanvraag niet benadeelde en dat zij handelde met medeweten en instemming van verweerder. Onder deze omstandigheden heeft verweerder gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel door het recht op bijstand in te trekken en de verleende bijstand over de periode van 26 oktober 2012 tot en met 30 april 2013 terug te vorderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 2

zaaknummer: ROT 13/6133

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 april 2014 in de zaak tussen

[eiseres], te Dordrecht, eiseres,

gemachtigde: mr. S. Kandemir,

en

het Drechtstedenbestuur, verweerder,

gemachtigde: C.A.M. Nusteling.

Procesverloop

Bij besluit van 21 mei 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder het recht van eiseres op een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand over de periode van 26 oktober 2012 tot en met 30 april 2013 ingetrokken en € 6.539,56 van haar teruggevorderd.

Bij besluit van 19 augustus 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 april 2014. Eiseres en haar gemachtigde zijn ter zitting verschenen. Ook verweerders gemachtigde is verschenen.

Overwegingen

1.

Volgens verweerder had eiseres in de periode van 26 oktober 2012 tot en met 30 april 2013 geen recht op een uitkering naar de norm voor een alleenstaande ouder, omdat zij toen samenwoonde met haar toenmalige echtgenoot. Verweerder erkent dat sprake is van een ongelukkige samenloop van omstandigheden, maar eiseres had kunnen weten dat zij geen recht meer had op een uitkering naar de norm voor een alleenstaande ouder en verweerder handelt dan ook niet onrechtmatig door de intrekking en terugvordering.

2.

Eiseres voert aan dat zij bij verweerder heeft gemeld dat haar toenmalige echtgenoot bij haar was komen wonen en dat zij een bijstandsuitkering naar de norm voor gehuwden wilde aanvragen. Verweerder heeft haar er toen op gewezen dat hij bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst melding zou maken van een dergelijke aanvraag en dat dit gevolgen kon hebben voor het verblijfsrecht van de echtgenoot van eiseres. Vervolgens heeft eiseres verweerder laten weten af te zien van het indienen van een aanvraag. Eiseres ging ervan uit dat zij vrijwillig had afgezien van een hogere uitkering om geen risico te nemen met betrekking tot het verblijfsrecht van haar echtgenoot en dat zij nog steeds recht had op bijstand. Zij vindt het niet redelijk dat verweerder een aantal maanden later opeens het recht op bijstand intrekt en de betaalde bijstand terugvordert.

3.

De rechtbank vat het betoog van eiseres op als een beroep op het vertrouwensbeginsel. Volgens eiseres heeft verweerder door zijn handelwijze het gerechtvaardigde vertrouwen gewekt dat eiseres de keus had al dan niet een uitkering naar de gehuwdennorm aan te vragen en dat haar keus om dit niet te doen geen gevolgen zou hebben voor haar lopende uitkering.

Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt. Niet in geschil is dat eiseres tijdig melding heeft gemaakt van de samenwoning met haar toenmalige echtgenoot en dat zij de bij haar nieuwe gezinssituatie passende uitkering wilde aanvragen, maar zij heeft daarvan afgezien toen verweerder haar wees op de mogelijke gevolgen van die aanvraag en verweerder ondernam vervolgens geen actie. Eiseres stelt zich terecht op het standpunt dat verweerder hiermee het gerechtvaardigde vertrouwen heeft gewekt dat zij de vrije keus had om wel of geen aanvraag voor een bijstandsuitkering naar de gehuwdennorm in te dienen en dat het afzien van die aanvraag geen gevolgen zou hebben voor haar lopende uitkering. De rechtbank acht in dit verband van belang dat de uitkering die eiseres ontving lager was dan de gehuwdennorm, zodat eiseres in de veronderstelling kon verkeren dat zij verweerder door het niet indienen van de aanvraag niet benadeelde en dat zij handelde met medeweten en instemming van verweerder. Onder deze omstandigheden heeft verweerder gehandeld in strijd met het vertrouwensbeginsel door het recht op bijstand in te trekken en de verleende bijstand over de periode van 26 oktober 2012 tot en met 30 april 2013 terug te vorderen.

4.

Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met het vertrouwensbeginsel.

5.

De rechtbank zal het geschil tussen partijen definitief beslechten door het bezwaar van eiseres gegrond te verklaren en het primaire besluit te herroepen.

6.

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres in beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 974,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 487,- en een wegingsfactor 1). In bezwaar heeft eiseres geen proceskosten gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond,

- vernietigt het bestreden besluit,

- verklaart het bezwaar gegrond,

- herroept het primaire besluit,

- veroordeelt verweerder in de door eiseres in beroep gemaakte proceskosten, vastgesteld op € 974,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Velzen, rechter, in aanwezigheid van C. Groenewegen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 april 2014.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.