Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:2864

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
18-04-2014
Datum publicatie
06-05-2014
Zaaknummer
KTN-2222079_18042014
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Cliënten hebben een klacht tegen hun advocaat ingediend bij de Deken van de Orde van Advocaten. De advocaat stelt dat er door het indienen van de klacht sprake is van misbruik van bevoegdheid en vordert schadevergoeding van haar cliënten. Het indienen van de klacht was niet onredelijk, de vordering wordt afgewezen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 74
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2014/77

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 2222079 CV EXPL 13-34777

uitspraak: 18 april 2014

vonnis van de kantonrechter, zittinghoudende te Rotterdam

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres bij exploot van dagvaarding van 23 juli 2013,

in persoon,

tegen

[gedaagde sub 1],

en

[gedaagde sub 2],

beide wonende te [woonplaats],

gedaagden,

in persoon.

Partijen worden hierna aangeduid als “[eiseres]” “[gedaagde sub 1]” en “[gedaagde sub 2]”.

1 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken en proceshandelingen, waarvan de kantonrechter kennis heeft genomen:

  • -

    het exploot van dagvaarding met productie 1 tot en met 19;

  • -

    de van de zijde van [eiseres] nagezonden productie 20;

  • -

    de conclusie van antwoord;

  • -

    het tussenvonnis van 25 november 2013 waarin een comparitie van partijen is bepaald;

  • -

    de voorafgaand aan de comparitie van partijen van de zijde van [eiseres] in het geding gebrachte akte, tevens houdende een vermeerdering van eis, met vijf producties;

  • -

    het proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 13 januari 2014;

  • -

    de van de zijde van [eiseres] op de comparitie van partijen overgelegde uitspraak van de Deken van de Orde van Advocaten in het Arrondissement Rotterdam tussen partijen van 27 december 2012.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken staat tussen partijen – zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang – het volgende vast:

2.1.

Bij brief van 23 november 2001 heeft notaris mr. N.E. Lindeijer een voorstel gedaan voor de verdeling van de nalatenschappen van de heer [A] en mevrouw [B] (de vader en moeder van [gedaagde sub 1]) aan de heer [C] (de broer van [gedaagde sub 1]). [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] waren het niet eens met dit verdelingsvoorstel. Zij zijn vanaf 2004 in deze kwestie juridisch bijgestaan door [eiseres]. [eiseres] heeft onder meer een gerechtelijke procedure namens [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] gevoerd.

2.2.

Bij brief van 14 augustus 2012 heeft [gedaagde sub 2] een klacht ingediend tegen [eiseres] bij de Deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de Deken). Volgens [gedaagde sub 2] had [eiseres] [gedaagde sub 1] ten onrechte niet gewezen op de mogelijkheid van door de overheid gefinancierde rechtsbijstand. Deze klacht heeft [gedaagde sub 2] bij brief van 24 oktober 2012 ingetrokken. Op 8 september 2012 heeft [gedaagde sub 2] een tweede klacht tegen [eiseres] ingediend met de volgende omschrijving: “bij ontbreken van de art. 23 verklaring rekent ondergetekende erop dat dit brok ellende zo spoedig mogelijk van de lijst wordt geschrapt”. De Deken heeft deze klacht na bespreking van de zaak met partijen als volgt opgevat:

  • -

    [eiseres] heeft geen verklaring gevraagd van [gedaagde sub 1] waaruit blijkt dat zij afzag van de mogelijkheid van door de overheid gefinancierde rechtsbijstand;

  • -

    [eiseres] heeft de financiën niet nauwgezet en nauwkeurig behandeld en heeft het maken van onnodige kosten niet vermeden.

2.3.

De Deken heeft in zijn brief van 27 december 2012 de klacht als niet gegrond beoordeeld. Het niet vastleggen van het feit dat [gedaagde sub 1] geen gebruik wilde maken van gefinancierde rechtsbijstand heeft volgens de Deken geen consequenties, nu [gedaagde sub 1] op basis van de resultaatsbeoordeling hiervoor niet in aanmerking zou komen.

3 De vordering

3.1.

[eiseres] heeft na vermeerdering van eis gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk, met dien verstande dat als de een de vorderingen van [eiseres] betaalt de ander alsdan gekweten is, te veroordelen tot betaling aan [eiseres] van € 17.242,50 inclusief btw aan hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 juni 2013 tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in de proceskosten.

3.2.

Aan haar vordering heeft [eiseres] ten grondslag gelegd dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] onrechtmatig jegens haar hebben gehandeld door zonder redelijke grond twee klachten bij de Deken in te dienen. [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] waren er immers van op de hoogte dat zij niet in aanmerking zouden voor door de overheid gefinancierde rechtsbijstand. Zij hebben de klachten dan ook slechts ingediend om onder hun betalingsverplichting uit te komen. Hierdoor is sprake van misbruik van bevoegdheid. [eiseres] heeft als gevolg van dit onrechtmatig handelen schade geleden, welke bestaat uit de tijd die zij aan de klachtprocedure heeft moeten besteden. De hiermee gemoeide kosten bedragen € 14.250,00 exclusief btw (57 uur x het uurtarief van € 250,00), en dus € 17.242,50 inclusief btw.

3.3.

Hoewel [gedaagde sub 1] feitelijk als cliënte van [eiseres] aangemerkt moet worden, is [gedaagde sub 2] (die ook steeds de facturen van [eiseres] voor akkoord heeft getekend) als gevolmachtigde van [gedaagde sub 1] opgetreden. Hij is daarom medeverantwoordelijk voor het onrechtmatig handelen jegens [eiseres].

4 Het verweer

4.1.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben tegen de eis aangevoerd dat [gedaagde sub 1] in deze procedure niet aangesproken kan worden, nu [gedaagde sub 2] degene is geweest die de klachten tegen [eiseres] heeft ingediend. Voorts zijn zij van mening dat de kantonrechter niet bevoegd is van het geschil kennis te nemen, nu ten tijde van de comparitie van partijen de mogelijkheid nog bestond om de door de Deken behandelde klacht door te sturen aan de Raad van Discipline van de Orde van Advocaten in het arrondissement Rotterdam (hierna: de Raad van Discipline).

4.2.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zijn van mening dat er geen sprake is van onrechtmatig handelen door misbruik van bevoegdheid. Zij hadden van de mogelijkheid van een toevoeging gebruik willen maken. Hoewel deze naar alle waarschijnlijkheid later weer ingetrokken zou zijn, hadden zij de advocaatkosten in dat geval pas hoeven betalen op het moment dat zij over de erfenis zouden kunnen beschikken.

5 De beoordeling van het geschil

5.1.

Beoordeeld moet worden of het indienen van de klachten bij de Deken als misbruik van bevoegdheid – en daarmee als onrechtmatig handelen jegens [eiseres] – moet worden aangemerkt. Eerst moet echter een oordeel worden gegeven over de vraag of de kantonrechter bevoegd is over de zaak te oordelen en over de vraag of [gedaagde sub 1] als wederpartij van [eiseres] aangemerkt moet worden.

5.2.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben op de comparitie van partijen van 13 januari 2014 aangevoerd dat de kantonrechter niet bevoegd is om over de onderhavige vordering te oordelen, omdat zij voornemens waren de tweede klacht (van 8 september 2014) door te zenden aan de Raad van Discipline, waarvoor zij nog tot 23 januari 2014 de tijd hadden. Het is niet bekend of [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2], ondanks dat [gedaagde sub 2] [eiseres] op 2 augustus 2013 per e-mail heeft laten weten de klacht ‘met terugwerkende kracht’ in te trekken (productie 20 aan de zijde van [eiseres]), daadwerkelijk van deze mogelijkheid gebruik hebben gemaakt. Voor de bevoegdheid van de kantonrechter in deze zaak is dat echter niet relevant. Ter beoordeling ligt immers de vraag voor of het indienen van de klachten bij de Deken als misbruik van bevoegdheid moet worden aangemerkt, en niet zozeer of het handelen van [eiseres] als advocaat juist is geweest. De eerste vraag behoort tot de bevoegdheid van de civiele rechter (gelet op de hoogte van de vordering in dit geval de kantonrechter) en de tweede tot die van de Raad van Discipline (en in hoogste instantie het Hof van Discipline). Hoewel bij deze procedures inhoudelijk van enige overlapping sprake zal zijn, hebben beide een afzonderlijk beoordelingskader. Zij kunnen daardoor naast elkaar bestaan, zonder dat dit gevolgen heeft voor de bevoegdheid. Daarbij is voor de beoordeling van de vraag of een procedure op goede gronden is gestart niet vereist dat alle rechtsmiddelen in de als onrechtmatig aangemerkte procedure zijn uitgeput. De kantonrechter is dan ook bevoegd om over de zaak te oordelen.

5.3.

[gedaagde sub 2] heeft voorts aangevoerd dat [gedaagde sub 1] niet als partij in deze procedure kan worden aangemerkt, aangezien beide klachten door [gedaagde sub 2] zijn ingediend. Dit verweer slaagt niet. De door [eiseres] verleende rechtskundige bijstand betreft de aanspraken van [gedaagde sub 1] op de erfenis van haar ouders, waardoor er in de eerste plaats sprake is van de behartiging van de belangen van [gedaagde sub 1]. Zij moet daarom als cliënt van [eiseres] worden aangemerkt. Nu [gedaagde sub 2] onweersproken steeds namens zijn echtgenote is opgetreden, moeten ervan uit worden gegaan dat de klachten (mede) namens [gedaagde sub 1] zijn ingediend. Dat [gedaagde sub 2] zelf mogelijk niet als cliënt van [eiseres] kan worden aangemerkt, neemt niet weg dat zijn handelen als gevolmachtigde onrechtmatig kan zijn geweest.

5.4.

Thans moet beoordeeld worden of [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] misbruik van hun bevoegdheid hebben gemaakt door het indienen van de twee klachten bij de Deken tegen [eiseres]. Het misbruik maken van een processuele bevoegdheid kan misbruik van bevoegdheid als bedoeld artikel 3:13 BW opleveren, nu deze bepaling ingevolge artikel 3:15 BW ook buiten het vermogensrecht toepassing vindt.

5.5.

Met betrekking tot het instellen van een procedure (waartoe ook het indienen van een klacht bij de Deken kan worden gerekend) kan niet snel aangenomen worden dat er sprake is van misbruik van recht, ook niet als de ingestelde procedure weinig kansrijk is. Van misbruik van bevoegdheid zou sprake kunnen zijn als [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hun ‘vordering hadden gebaseerd op feiten en omstandigheden waarvan zij de onjuistheid kenden of hadden behoren te kennen of op stellingen waarvan zij op voorhand moesten begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden’ (zie ECLI:NL:HR:2007:BA3516). Hoewel [eiseres] heeft gesteld dat de klachten van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] met betrekking tot het niet aanvragen van een toevoeging ‘volstrekt onzinnig’ zijn, staat vast dat haar cliënt(en) wel voor door de overheid gefinancierde rechtsbijstand in aanmerking hadden kunnen komen (zoals ook in hoger beroep is gebeurd), met dien verstande dat deze toevoeging alsnog zou worden ingetrokken zodra [gedaagde sub 1] over de erfenis zou kunnen beschikken. [gedaagde sub 1] had de kosten dus uiteindelijk zelf moeten betalen, maar had gedurende de procedure gebruik kunnen maken van een toevoeging, hetgeen door [eiseres] tijdens de comparitie van partijen is bevestigd. Hierdoor kan niet gezegd worden dat de klacht iedere grond miste en dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] dit voorafgaand aan het indienen hiervan wisten of moesten weten.

5.6.

[eiseres] heeft voorts gesteld dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] de klacht hebben ingediend om onder hun betalingsverplichting uit te komen, dus met een ander doel dan waarvoor de klachtenprocedure is bedoeld. Een klacht bij de Deken heeft echter niet tot gevolg dat een cliënt de in rekening gebrachte declaraties niet langer verschuldigd is, waardoor op deze grond geen misbruik van bevoegdheid kan worden aangenomen. Evenmin is vast komen te staan dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] de klacht hebben ingediend met geen ander doel dan [eiseres] te schaden. Hoewel begrijpelijk is dat [eiseres] de tekst van de tweede klacht mogelijk persoonlijk heeft opgevat, komt deze klacht (al dan niet terecht) kennelijk voort uit onvrede over de dienstverlening van [eiseres]. In dat geval is de klachtenprocedure, die er onder meer op is gericht deze onvrede in der minne op te lossen (zie artikel 46d lid 1 van de Advocatenwet), de juiste weg. Er zijn geen aanwijzingen dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] er slechts op uit waren [eiseres] op kosten te jagen.

5.7.

Uit het voorgaande volgt niet dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in redelijkheid niet tot het indienen van de klachten hadden kunnen komen. Het indienen van deze klachten bij de Deken kan dan ook niet als misbruik van bevoegdheid door [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] worden aangemerkt. Dat leidt tot de conclusie dat zij niet onrechtmatig hebben gehandeld jegens [eiseres], waardoor haar vordering tot schadevergoeding zal worden afgewezen.

5.8.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben ter comparitie van partijen aangevoerd dat [eiseres] een beroepsfout heeft gemaakt, door er in eerste aanleg niet op te wijzen ‘dat er geen akte van scheiding van de VOF heeft plaatsgevonden’. Deze stelling, waarin zij in deze procedure overigens geen rechtsgevolgen hebben verbonden, is echter onderdeel van een andere procedure over de (hoogte van de) declaraties van [eiseres], zodat hieraan in deze procedure voorbij zal worden gegaan.

5.9.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. Nu zij geen verblijf- en/of verletkosten als bedoeld in artikel 238 Rv hebben opgegeven, worden de proceskosten aan de zijde van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] vastgesteld op nihil.

6 De beslissing

De kantonrechter:

wijst de vordering af;

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] vastgesteld op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.F.A. van Buitenen en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

600