Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:2720

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
09-04-2014
Datum publicatie
04-06-2014
Zaaknummer
402653- HA ZA 12-476
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tekortkoming nakoming koopovereenkomst oude auto gelet op te verwachten staat van restauratie. Gevolgen ontbinding; geen recht op vergoeding voor gebruik.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Afdeling privaatrecht

Team Handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/402653/ HA ZA 12-476

Vonnis van 9 april 2014

in de zaak van

[eiser]

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. R.R.F. van der Mark te Amsterdam,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats2],

gedaagde,

advocaat mr. W. Th. Van Dijk te Spijkenisse

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 3 oktober 2012 en de daarin genoemde stukken

- het proces-verbaal van comparitie van 22 maart 2013 en de daarin genoemde stukken.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] en [gedaagde] zijn liefhebbers van oldtimers. [gedaagde] is, althans was in de periode waarin dit geschil ontstond, voorzitter van het Jensen Genootschap Holland.

2.2.

[gedaagde] was eigenaar van een oldtimer van het merk Jensen (bouwjaar 1957, type 541, kenteken [kenteken]). Hij heeft deze auto gedurende de jaren 2002 tot 2006 gerestaureerd. Daarna heeft hij ongeveer 7.000 km met de auto gereden.

2.3.

[gedaagde] heeft de auto op gegeven moment te koop aangeboden. [eiser] heeft interesse getoond en heeft de auto in januari 2010 bezichtigd. Hij heeft die toen niet gekocht.

2.4.

Daarna heeft [gedaagde] de auto te koop gezet via Lex Classics B.V.. De vraagprijs bedroeg €39.500,=. In een Engelstalige advertentie van 4 november 2010 staat onder meer:

This special and remarkable Jensen 541 is in very good to excellent condition and the car drives impressive. (…) The automobile was extensively and body off restored in the past.“

2.5.

Op 10 november 2010 heeft [eiser] de auto opnieuw bezichtigd en een proefrit gemaakt.

2.6.

[eiser] heeft de auto vervolgens van [gedaagde] gekocht. De koopprijs bedroeg
€ 33.875,=.

2.7.

Op 20 november 2010 hebben partijen een koopcontract (“Vertrag”) getekend. Dit was opgesteld door [eiser]. Daaraan is een, eveneens door [eiser] opgestelde, bijlage gehecht (Anlage I). In het Vertrag staat onder meer:

Bei der aktuellen Besichtigung und Probefahrt entsprach der Wagen den von Herrn [gedaagde] (unter www.lexclassics.nl und www.carandclassics.co.uk) gemachten Angaben.

en

“Es wurden über den in Anlage 1 dargestellten Bericht hinaus gehend keine Mängel festgestellt.”

2.8.

In Anlage I staat onder meer:

Kaufer/Verkäufer stellen auf der Grundlage der gelisteten Ergebnissen für den Jensen gemeinsam eine Zustandnote 2 fest, die die Grundlage ihrer Preisverhandlung bildete, die letztendlich zum vereinbarten Kaufpreis führte.

2.9.

Op 20 november 2010 heeft [eiser] de auto meegenomen naar Duitsland.

2.10.

Bij brief van 28 november 2010 heeft Classic Car Workshop GmbH (verder: CCW) een aantal gebreken van de auto opgesomd.

2.11.

Bij brief van 29 november 2010 heeft [eiser] aan [gedaagde] een termijn gesteld tot 31 december 2010 om de auto te herstellen. De Duitse advocaat van [eiser] heeft de koopovereenkomst daarna buitengerechtelijk ontbonden.

2.12.

Op 22 februari 2011 heeft de Nederlandse gemachtigde van [eiser] per fax de ontbinding van de koopovereenkomst aan [gedaagde] bevestigd.

2.13.

Op 28 april 2011 heeft [eiser] bij deze rechtbank een verzoek ingediend tot een voorlopig deskundigenonderzoek. Bij beschikking van 10 oktober 2011 heeft de rechtbank een onderzoek bevolen en de heer [persoon1] van de ANWB (verder: de deskundige) als deskundige benoemd.

2.14.

Op 28 maart 2012 heeft de deskundige een deskundigenbericht uitgebracht waarin onder meer staat:

“ 6.1. Onder een body-off restoration wordt in de handel een volledige restauratie verstaan. Van een volledige restauratie is sprake wanneer de auto volledig wordt gedemonteerd, motor, versnellingsbank, wielophanging en assen verwijderd, etc. De carrosserie wordt dan “kaal”gemaakt, dat wil zeggen oude lak- en of plamuurlagen worden verwijderd. Alle slechte plaatwerkdelen vervangen of gerepareerd en er wordt een nieuw laksysteem aangebracht. As- en wielophangingdelen worden gestraald, gepoedercoat en voorzien van nieuwe rubbers, lagers, etc. Motor, versnellingsbak en differentieel indien nodig gereviseerd.

6.2. (…)

In de handel wordt meer gebruik gemaakt van “InterClassic”. Dit is een jaarlijkse uitgave van Eurotaxglass’s International AG met Europese en Amerikaanse marktprijzen van klassiekers en oldtimers. Daarin wordt de volgende indeling naar (restauratie) toestand gehanteerd. (…)

2) Zeer goede originele staat, of op professionele wijze gerestaureerd, geen technische gebreken, alleen geringe gebruikssporen. Minimale concessies met betrekking tot de leeftijd van de auto, geen ontbrekende delen.(…)

3) Goede algemene staat, eventueel eerder gerestaureerd. Kleine gebreken, geheel rijdbaar. Geen noemenswaardige roetschade. Gebruiksklaar voor registratie.

6.3.

Bij een body-off restoration, een volledige restauratie mag men ervan uitgaan dat de auto in een zeer goede tot uitmuntende originele staat verkeert, Er zijn echter meerdere, technische gebreken en onvolkomenheden aan ondermeer motor en carrosserie vastgesteld. Daarom kan gesteld worden dat niet van een in 2006 afgesloten body-off restoration uitgegaan kan worden. Van een in 2006 afgesloten body-off restoration kan ook niet worden uitgegaan wanneer in aanmerking wordt genomen dat inmiddels vier jaren zijn verstreken en ca. 6.000 km met de auto is gereden.

6.4.

De huidige toestand van de auto komt het meest in de buurt van een goede algemene staat (3)

6.5.

Een restauratietoestand “body-off restoration”zoals onder 6.1 genoemd en die van 6.2 “restauratietoestand 2”zijn niet zondermeer met elkaar vergelijkbaar. Om een restauratietoestand van 2 te bereiken dienen minimaal de volgende werkzaamheden/reparaties uitgevoerd worden (aan);

- het chroomwerk

- de carburateurs

- sloten/sleutels

- lakwerk motorkap

- ophanging uitlaat

- (sierlijsten,afwerking) portieren

- diverse delen onderzijde auto behandelen met een roetwerend middel

- de stroomverdeler

- elektrische installatie

- olielekkages

- (rubbers) Panhardstang

- instrumentenverlichting

- hemelbekleding

Het bedrag wat daarmee gemoeid zal zijn is vooraf niet exact te bepalen en kan alleen op basis van nacalculatie worden vastgesteld. De offertes van Classic Car Workshop (productie 4) en Holf Fahrzeuge kunnen (bijlage) daarbij als uitgangspunt dienen. Naar schatting zal er globaal ca € 6.000,00 mee gemoeid zijn.”

2.15.

In november 2011 heeft [gedaagde] op een internetforum berichten geplaatst over het geschil met [eiser] en tevens foto’s en een link naar een filmpje waarop [gedaagde] zichtbaar is.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert samengevat, het volgende (bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad),.

Primair:

- verklaring van recht dat de koopovereenkomst is ontbonden, althans de ontbinding uit te spreken;

- (terug) betaling van € 33.875,= met wettelijke rente vanaf 1 januari 2011;

Subsidiair:

- betaling van schadevergoeding van €7.140,= met wettelijke rente vanaf 1 januari 2011;

- betaling van schadevergoeding van € 12.000,=, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag, met wettelijke rente vanaf 1 januari 2011;

En voorts:

- betaling van €1.158,= aan buitengerechtelijke incassokosten;

- vergoeding van kosten inclusief honoraria van deskundige en advocaat, in verband met het verzoek voorlopig deskundigenbericht;

- verbod tot het doen van mededelingen over dit geschil buiten de kring van procespartijen en hun advocaten, met dwangsom;

- bevel om alle op internet geplaatste uitingen, beelden en opnames te (doen) verwijderen, met dwangsom;

- proceskosten met wettelijke rente vanaf 14 dagen na vonnis;

- nakosten.

3.2.

[gedaagde] concludeert tot niet ontvankelijk verklaring, althans tot ontzegging van de vordering, kosten rechtens met veroordeling van [eiser] in de nakosten.

3.3.

Op de stellingen en verweren van partijen wordt hieronder, zover nodig, nader in gegaan.

4 De beoordeling

4.1.

In deze beoordeling komen achtereenvolgens aan de orde (A) de vraag naar de rechtsmacht en het toepasselijke recht, (B) de vorderingen met betrekking tot de auto, (C) de vorderingen met betrekking tot de uitlatingen op internet, (D) de kosten en (E) het vervolg van de procedure.

A. Rechtsmacht en toepasselijk recht

4.2.

[eiser] heeft woonplaats in Duitsland, [gedaagde] in Nederland. Het geschil heeft dus een internationaal karakter. Daarom moet allereerst de vraag worden beantwoord of de Nederlandse rechter bevoegd is van de vorderingen kennis te nemen en zo ja, welk recht op de vorderingen van toepassing is.

4.3.

Rechtsmacht.

Op grond van artikel 2 EEX-Verordening is de Nederlandse rechter bevoegd van de vorderingen kennis te nemen, omdat gedaagde partij [gedaagde] woonplaats heeft in Nederland.

4.4.

Toepasselijk recht.

Het Nederlandse recht is van toepassing op grond van de volgende overwegingen.

4.5.

[eiser] baseert zijn vorderingen betreffende de auto (ontbinding/schade) op zijn stelling dat [gedaagde] is tekort geschoten in de nakoming van de koopovereenkomst. Op grond van de toepasselijke EG-verordening Nr. 593/2008 (‘Rome I’), art. 4 lid 1 sub a is het recht van toepassing van het land waar de verkoper zijn gewone verblijfplaats heeft. [gedaagde] is de verkoper, en hij woont in Nederland. Nederlands recht is dus van toepassing.

4.6.

[eiser] baseert zijn vorderingen betreffende de internet publicaties (verbod, verwijdering, schade) op zijn stelling dat [gedaagde] toerekenbaar is tekort geschoten in de nakoming van de koopovereenkomst, althans onrechtmatig heeft gehandeld. Voor beoordeling van de grondslag toerekenbare tekortkoming geldt het zelfde als hiervoor is overwogen: Nederlands recht is van toepassing.

4.7.

Voor beoordeling van de grondslag onrechtmatige daad geldt het volgende. Het verwijt van [eiser] houdt in dat Weinands naam als verkoper is beschadigd doordat [gedaagde] mededelingen en herkenbare afbeeldingen van [eiser] op internet heeft gezet. Dit verwijt komt er dus in feite op neer dat [gedaagde] inbreuk heeft gemaakt de persoonlijke levenssfeer van [eiser]. Nu het gaat om een (gestelde) inbreuk op de persoonlijke levenssfeer in november 2011, wordt het toepasselijke recht aangewezen door de Wet conflictenrecht onrechtmatige daad (WCOD). Volgens artikel 5 WCOD kan, als een onrechtmatige daad nauw verbonden is met een tussen dader en benadeelde bestaande of gewezen rechtsverhouding, het recht worden toegepast dat die andere rechtsverhouding beheerst. Dat doet zich hier voor. Het verwijt dat [eiser] aan [gedaagde] maakt is immers nauw verbonden met de tussen partijen bestaande rechtsverhouding betreffende de koop van de auto en de gevolgen daarvan. Daarom is Nederlands recht van toepassing.

B. Vorderingen m.b.t. de auto

4.8.

De vraag die moet worden beantwoord is of [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van de koopovereenkomst, zoals [eiser] stelt. Het criterium voor de beantwoording van deze vraag is: ten tijde van de levering moet de zaak aan de overeenkomst beantwoorden. De zaak beantwoordt niet aan de overeenkomst als deze, mede gelet op de aard van de zaak en de mededelingen die de verkoper over de zaak heeft gedaan, niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten. Of dit het geval is moet worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval.

Wat mocht [eiser] verwachten?

4.9.

Naar het oordeel van de rechtbank mocht [eiser] verwachten dat de auto voldeed aan de omschrijving van de auto in Anlage I. Voorts mocht hij verwachten dat de auto overeenstemde met de door InterClassic gehanteerde restauratietoestand 2. Het verweer van [gedaagde] dat [eiser] slechts een goede algemene staat mocht verwachten (restauratietoestand 3) wordt dus verworpen. De rechtbank baseert dit op de volgende overwegingen.

4.10.

Anlage I maakt onderdeel uit van de koopovereenkomst. In Anlage I is een lijst opgenomen met een omschrijving van de auto op 55 punten. Dat reflecteert de eigenschappen die door partijen zijn vastgelegd en die [eiser] dus mocht verwachten. [gedaagde] heeft dit bevestigd (conclusie van antwoord alinea 14).

4.11.

Partijen hebben voorts expliciet in de koopovereenkomst opgenomen dat zij de auto waardeerden met restauratietoestand 2. [gedaagde] heeft dit erkend, maar voegt daaraan toe dat achteraf moet worden betwijfeld of allen daarbij wel dezelfde classificatie voor ogen hadden. Hij laat echter na aan te geven welke andere classificatie hen dan voor ogen heeft gestaan of heeft kunnen staan bij cijfer 2 dan die van InterClassic, die volgens de deskundige in de praktijk goed bruikbaar is en meer wordt gebruikt dan de andere door hem genoemde classificatie (van “De onschatbare klassieker”). De classificatie van InterClassic zal daarom door de rechtbank als uitgangspunt worden genomen.

In die classificatie duidt 2 op “Zeer goede originele staat, of op professionele wijze gerestaureerd, geen technische gebreken, alleen geringe gebruikssporen. Minimale concessies met betrekking tot de leeftijd van de auto, geen ontbrekende delen. Hoewel dit geen officiële classificatie is, is dit de toestand die [eiser] mocht verwachten nu partijen dat in de overeenkomst hebben vastgelegd.

4.12.

Hierbij is mede van belang dat [gedaagde] de auto heeft aangeprezen met “very good to excellent condition” en “extensively and body off restored in the past” (advertentie 4 november 2010). Zelfs als juist zou zijn- zoals [gedaagde] stelt – dat body-off slechts betekent dat de auto volledig uit elkaar is geweest en niets zegt over de kwaliteit van de restauratie, geeft het geheel van deze aanprijzing een zeer goede tot excellente staat aan. Het verwachtingsniveau dat door die aanprijzing wordt gewekt, stemt overeen met het verwachtingsniveau dat door restauratietoestand 2 en dat volgens de deskundige ook met de term body-off wordt gewekt: men mag er bij een body-off restauratie van uit aan dat de auto in een zeer goede tot uitmuntende originele staat verkeert.

4.13.

[eiser] wist weliswaar dat [gedaagde] de auto zelf heeft gerestaureerd en dat [gedaagde] geen professional is, en tevens dat het een 50 jaar oude oldtimer betrof. Dat doet echter niet af aan het voorgaande. Zeker nu tevens in aanmerking moet worden genomen dat [gedaagde] er voorafgaand aan de koop op heeft gewezen dat hij voorzitter was van het Jensen Genootschap, zoals [eiser] stelt en niet is betwist door [gedaagde]. Van de voorzitter van het Jensen Genootschap gaat een grotere deskundigheid uit dan van een gemiddelde hobbyist.

Beantwoordde de auto ten tijde van de levering aan de koopovereenkomst?

4.14.

[gedaagde] heeft een verslag van de restauratie gepubliceerd in het clubblad van het Jensen Genootschap (welk verslag hij overigens niet aan [eiser] heeft gegeven). In dat verslag beschrijft [gedaagde] hoe hij de auto volledig uit elkaar heeft gehaald, dat hij daar zeer veel tijd in heeft gestoken en dat hij er, zoals hij het zelf noemt, zijn “ziel en zaligheid” in heeft gelegd. Dit alles leidt echter niet noodzakelijk tot de conclusie dat de auto ten tijde van de levering voldeed aan de koopovereenkomst. De rechtbank is van oordeel dat dit laatste niet het geval was. Dat oordeel wordt hieronder toegelicht.

4.15.

[eiser] verwijst naar het deskundigenrapport. De deskundige heeft de auto in aanwezigheid van partijen onderzocht. Hij stelde vast dat de toestand van de auto het meest in de buurt kwam van een goede algemene staat (d.w.z. restauratietoestand 3). In zijn rapport heeft hij onder 6.5 een lijst opgenomen met werkzaamheden die volgens hem “minimaal” nodig zijn om de auto in restauratietoestand 2 te brengen. Daar is volgens zijn schatting en uitgaande van de offertes van CCW en Hoff Fahrzeuge globaal € 6.000 mee gemoeid.

4.16.

[gedaagde] betwist dat tijde van de levering sprake was van gebreken. Volgens hem zijn eventuele mankementen ontstaan na de koop. Hij acht het niet uitgesloten dat een aantal door eigen ondeskundig gebruik van [eiser] is ontstaan of dat modificaties zijn aangebracht. Voorts voert hij aan dat deze punten bekend waren bij [eiser] en door hem zijn beschreven in de koopovereenkomst. Hij wijst tevens op het feit dat de auto in november 2010 TUV gekeurd is, en volgens hem heeft de deskundige geen rekening gehouden met het feit dat hij na de restauratie 7.000 km met de auto heeft gereden. Deze verweren slagen niet vanwege het volgende.

4.17.

Tijdens een TUV keuring wordt niet getoetst aan restauratietoestand 2. Dat de auto door de keuring kwam betekent dus niet dat deze conform de koopovereenkomst was.

4.18.

Uit het antwoord (6.3) van de deskundige op vraag 2.3 blijkt dat hij rekening heeft gehouden met het feit dat na de restauratie vier jaren waren verstreken en dat de auto in die periode ca 6.000 km heeft gereden.

4.19.

De deskundige heeft de auto weliswaar ruim een jaar na de levering onderzocht, maar de meeste door hem onder 6.5 genoemde mankementen waren reeds aanwezig in november 2010. Dat blijkt uit vergelijking van het rapport onder 6.5 met de in de brief van 28 november 2010 van CCW genoemde mankementen. [gedaagde] heeft niets aangevoerd dat de conclusie rechtvaardigt dat deze mankementen tussen 20 en 28 november 2010 door toedoen van [eiser] en/of CCW zijn ontstaan. [eiser] heeft juist, onweersproken, gesteld dat hij de auto op 20 november 2010 op een aanhanger heeft vervoerd en uit de brief van CCW blijkt dat de auto daar op die dag is afgeleverd en dat CCW ten behoeve van de TUV keuring de banden heeft verwisseld en een knipperlichtinstallatie heeft ingebouwd. Van andere ‘modificaties’ blijkt niet.

4.20.

Hieronder worden de mankementen uit 6.5 van het deskundigenrapport afzonderlijk beoordeeld.

4.21. 1)

1) het chroomwerk. Volgens de deskundige verkeert het chroomwerk in een matige staat, laat deze plaatselijk los en is er sprake van oxidatievorming. Meer specifiek noemt hij de matige staat van de chromen bumpers, sierstrips en embleem op de motorkap en de sierlijsten van de portieren en handgreep(knop) (punt 28 onder 5.2). In Anlage I is het chroom van deze onderdelen als goed omschreven.
[gedaagde] voert aan dat een lakprocedé is toegepast en dat dit bekend was bij [eiser]. De rechtbank is van oordeel dat, zelfs als [eiser] wist – wat hij betwist - dat niet is verchroomd, hij niet hoefde te verwachten dat het chroom dat in Anlage I ten tijde van de levering als goed is omschreven, een jaar later – tijdens de inspectie van de deskundige - reeds losliet en van matige kwaliteit is. Bovendien merkt de deskundige op dat verchromen hoort bij een klassieker en heeft CCW ook opgemerkt dat het chroom van diverse onderdelen vernieuwd moet worden.

4.22. 2)

2) de carburateurs. Volgens de deskundige verkeren de carburateurs in een matige staat. CCW constateerde in november 2010 ook al dat de carburateurs sterk versleten waren. Dat dit bij [eiser] bekend was tijdens de levering kan niet als vaststaand worden aangenomen. [gedaagde] voert geen feiten aan waarop hij dat baseert. Dat staat ook niet in Anlage I. [gedaagde] voert aan dat dit bij normaal onderhoud tegen geringe kosten te verhelpen is. De rechtbank passeert dit, nu de deskundige opmerkt dat dit niet tot normaal onderhoud hoort, en CCW de herstelkosten in 2010 begrootte op bijna € 1.000,= (excl).

4.23. 3)

3) sloten/sleutels. De deskundige stelt vast dat de sleutels van de kofferbak en het rechterportier ontbreken en dat de sloten mogelijk vervangen moeten worden. Dit strookt met de bevindingen van CCW in november 2010. [gedaagde] erkent dat hij dit was vergeten en voert aan dat hij daarvoor excuus heeft aangeboden aan [eiser]. Dat neemt niet weg dat [eiser] dergelijke sloten niet hoefde te verwachten.

4.24. 4)

4) lakwerk motorkap. De rechtbank begrijpt dat de deskundige hiermee bedoelt dat de motorkap is beschadigd, “vulmiddel (plamuur) is plaatselijk bij de haken ten behoeve van de vergrendeling gebarsten, eraf gesprongen” (punt 21 onder 5.2 en 6.14). Dat dit bij de aflevering door [eiser] zou zijn afgedaan als “Kein Problem” – zoals [gedaagde] aanvoert - wordt niet bevestigd door Anlage I (punt 21).

4.25. 5)

5) ophanging uitlaat. De rechtbank begrijpt dat de deskundige hiermee bedoelt dat de uitlaat de reservewielhouder raakt (punt 51 onder 5.2). [gedaagde] betwist dat in 2010 sprake was van een gescheurde uitlaatophanging. CCW constateerde dit ook al in haar brief van 28 november 2010. Dat dit bij [eiser] bekend was blijkt niet uit Anlage I.

4.26. 6) (

6) (sierlijsten, afwerking) portieren. De rechtbank begrijpt dat de deskundige hiermee doelt op de chromen sierlijst van het achterraam dat in de hoeken gerimpeld is (punt 25 onder 5.2). Blijkens Anlage I punt 25 was dit echter bekend bij [eiser].

4.27. 7)

7) diverse delen onderzijde auto behandelen met een roetwerend middel. [gedaagde] voert hier geen specifiek verweer tegen. De rechtbank heeft geen reden om aan de opmerking van de deskundige te twijfelen. Daarom staat de juistheid daarvan tussen partijen vast.

4.28. 8)

8) de stroomverdeler. De deskundige doelt hiermee op zijn constatering dat de stroomverdeleras overmatige speling heeft en dat de stroomverdeler daarom in matige staat verkeert (punt 16 onder 5.2 en 6.6). Soortgelijke constatering deed CCW ook in november 2010. Dat dit ten tijde van de levering bekend was bij [eiser] blijkt niet. [eiser] voert aan dat een auto van deze leeftijd altijd last kan krijgen van speling tussen componenten. De vaststelling van de deskundige betreft echter overmatige speling (andere door hem geconstateerde spelingen betitelt hij als normaal). [gedaagde] voert aan dat dit bij normaal onderhoud tegen geringe kosten te verhelpen is. Dat verweer slaagt niet. De deskundige merkt immers op dat dit niet tot normaal onderhoud hoort, en CCW heeft de herstelkosten in 2010 begroot op ongeveer € 350,= (excl).

4.29. 9)

9) elektrische installatie. Volgens de deskundige is met de knijpkabelverbindingen en kabelschoentjes met blauwe plastic isolatie een concessie gedaan ten aanzien van de leeftijd. Die zijn niet origineel en daarom niet conform body-off restauratie. Dat ze technisch gezien gebrekkig zijn stelt hij niet. Volgens [gedaagde] is het een verbetering wat de betrouwbaarheid van de auto betreft, hetgeen niet is weersproken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiser] zelf geconstateerd, althans had hij redelijkerwijs kunnen constateren dat de betreffende kabelverbindingen zijn gebruikt. Als deze niet origineel zijn heeft hij dat - ervaren in de koop van oldtimers - geaccepteerd.

4.30. 10)

10) olielekkages. De deskundige doelt hiermee op zijn constatering dat de motor met versnellingsbak en overdrive sporen van olielekkage vertonen (punt 12 onder 5.2). Volgens [gedaagde] is olielekkage typisch Engels en heeft hij daarvoor € 175 betaald. In Anlage I staat dat er destijds een geringe olielekkage was. Volgens de deskundige is evenwel sprake van meer dan gering olieverlies. Naar het oordeel van de rechtbank hoefde [eiser] dat niet te verwachten.

4.31. 11) (

11) (rubbers) Panhardstang. De deskundige doelt hiermee op zijn constatering dat de rubbers van de Panhardstang (achteras) gescheurd zijn en in slechte staat verkeren. [gedaagde] betwist dat dit in 2010 het geval was. CCW constateerde dat echter ook al in november 2010 “Die Montagegummis der Panhardstabes fehlen teilweise komplett und müssen ersetzt werden”.

Dat dit bij [eiser] bekend was blijkt niet uit Anlage I.

4.32. 12)

12) instrumentenverlichting De deskundige constateert dat de instrumentenverlichting slechts ten dele werkt (punt 38 onder 5.2). CCW constateerde hetzelfde in november 2010. Dat dit bij [eiser] bekend was blijkt niet uit de koopovereenkomst, in tegendeel daarin staat “Die Originalinstrumente sind vorhanden und funktionieren alle.

4.33. 13)

13) hemelbekleding. De deskundige doelt hiermee op zijn constatering dat het interieur in een behoorlijke staat verkeert, maar dat de hemelbekleding los hangt bij het linker portier/raamstijl (punt 34 onder 5.2). [gedaagde] voert aan dat van loszittende bekleding in 2010 geen sprake was. Dat vindt steun in Anlage I, waarin niks over loslatende hemelbekleding wordt opgemerkt. Naar het oordeel van de rechtbank hoefde [eiser] echter niet te verwachten dat de bekleding korte tijd later los zou laten.

4.34.

Ten tijde van de levering waren dus 11 van de in totaal 13 door de deskundige genoemde mankementen aanwezig. De rechtbank heeft geen reden om af te wijken van de bevinding van de deskundige, inhoudende dat reparatie van minimaal deze mankementen nodig is om de auto in restauratietoestand 2 te brengen. Dit alles rechtvaardigt de conclusie dat de auto niet beantwoordde aan de koopovereenkomst.
Het feit dat [eiser] twee van de gebreken kende of had kunnen kennen (elektrische installatie en (sierlijsten, afwerking) portieren) is onvoldoende om tot een andere conclusie te komen. De schatting van de globale herstelkosten zal wegens dit laatste wel iets naar beneden moeten worden bijgesteld. De rechtbank gaat uit van een schatting ergens tussen de € 3.390,= (CCW) en € 6.000,=.

Ontbinding

4.35.

Nu [gedaagde] een auto heeft geleverd die niet beantwoordde aan de koopovereenkomst is hij tekort gekomen in de nakoming van de overeenkomst. Hij is voorafgaand aan de ontbinding tot herstel in staat gesteld maar hij heeft geweigerd te herstellen.
Deze tekortkoming gaf aan [eiser] de bevoegdheid om de overeenkomst te ontbinden, zoals zijn Duitse advocaat – onbetwist - kort na de koop buitengerechtelijk heeft gedaan. [eiser] stelt niet op welke datum de ontbinding plaatsvond ([gedaagde] ook niet). Maar dat moment moet zijn geweest voor 22 februari 2011. Op die dag heeft de Nederlandse advocaat van [eiser] de eerdere ontbinding immers bevestigd.

4.36.

Het recht op ontbinding staat voorop. De bevoegdheid tot ontbinding kwam [eiser] alleen niet toe als de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigde. Het lag op de weg van [gedaagde] daartoe het nodige aan te voeren.

4.37.

[gedaagde] voert aan dat de gebreken niet ernstig zijn en dat de auto na reparatie geschikt is voor [eiser]. [gedaagde] betwist weliswaar dat de reparatiekosten globaal geschat € 6.000,= bedragen, maar hij heeft niets aangevoerd om die betwisting te onderbouwen. Mankementen waarvan herstel naar schatting een bedrag tussen € 3.390,= en € 6.000,= kost, kunnen niet worden betiteld als “van geringe betekenis”, mede gezien de koopprijs van de auto. Voorts doet de vraag of de auto na reparatie geschikt is voor [eiser] niet terzake. Gezien een en ander heeft [gedaagde] onvoldoende aangevoerd om te oordelen dat [eiser] niet mocht ontbinden.

4.38.

De primair gevorderde verklaring van recht dat de koopovereenkomst is ontbonden zal worden toegewezen.

Ongedaanmaking

4.39.

De ontbinding heeft als gevolg dat partijen de reeds ontvangen prestaties ongedaan moeten maken. Dat wil zeggen dat [gedaagde] in beginsel de koopprijs moet terugbetalen en dat [eiser] de auto weer in eigendom moet overdragen aan [gedaagde].

4.40.

[gedaagde] voert aan dat de ongedaanmakingsplicht niet met zich kan brengen dat hij de hele koopprijs moet terugbetalen, omdat [eiser] de auto in gebruik heeft gehad. Volgens [gedaagde] moet de ongedaanmakingsverbintenis worden gecorrigeerd met een in redelijkheid door de rechtbank vast te stellen gebruiksvergoeding. De rechtbank begrijpt dat hij zich op verrekening beroept. Hij merkt ook op dat hij er geen zicht op heeft wat [eiser] sinds de levering met de auto heeft gedaan en hoe hij deze heeft behandeld. Dit verweer wordt als volgt beoordeeld.

4.41.

Een gekochte zaak is vanaf de aflevering voor risico van de koper. De zaak blijft echter voor risico van de verkoper als de koper op goede gronden het recht op ontbinding inroept. In dat laatste geval is de achteruitgang van de zaak door toedoen van de koper – zoals door gebruik van de zaak - ook voor rekening van de verkoper. De koper moet wel van het ogenblik af dat hij redelijkerwijs rekening moet houden met het feit dat hij de zaak zal moeten teruggeven, als een zorgvuldig schuldenaar voor het behoud ervan zorgen; artikel 78 van Boek 6 is van overeenkomstige toepassing. Dit alles is bepaald in artikel 7:10 BW.

4.42.

Welnu, [eiser] heeft de koopovereenkomst op goede gronden ontbonden. Gevolg is dus dat de auto vanaf de levering (20 november 2010) voor risico van [gedaagde] bleef en dat een eventuele achteruitgang van de auto door toedoen van [eiser] – zoals eventuele waardevermindering door gebruik ervan - ook voor risico van [gedaagde] komt. [eiser] kan de auto daarom teruggeven aan [gedaagde] zonder dat hij een gebruiksvergoeding hoeft te betalen.

4.43.

[eiser] is ingevolge artikel 7:10 lid 4 BW tot schadevergoeding gehouden voor zover hij:
- met inachtneming van de regels van ongerechtvaardigde verrijking voordeel heeft genoten (artikel 6:78 BW), of

- hij van het ogenblik af dat hij redelijkerwijs rekening moest houden met het feit dat hij de auto zou moeten teruggeven niet als een zorgvuldig schuldenaar voor het behoud ervan heeft gezorgd.

4.44.

De stelplicht rust op [gedaagde]. Hij heeft de auto op 24 januari 2012 tijdens het deskundigenonderzoek gezien. [gedaagde] heeft geen feiten en/of omstandigheden aangevoerd die de conclusie rechtvaardigen dat [eiser] voor de tussen 20 november 2010 en 24 januari 2012 verstreken periode op grond van de hierboven weergegeven regels tot schadevergoeding is gehouden. Zijn stelling dat [eiser] in die periode met de auto heeft gereden is daartoe onvoldoende. Waardevermindering door gebruik komt immers voor risico van [gedaagde]. Daarom staat vast dat [eiser] in ieder geval geen schadevergoeding is verschuldigd wat betreft de periode tot 24 januari 2012.

4.45.

Daarna is inmiddels echter ruim 2 jaar verstreken en [gedaagde] wijst er terecht op dat hij niet weet wat er in die tijd met de auto is gebeurd.

4.46.

Partijen zullen in de gelegenheid worden gesteld om zich bij akte uit te laten over de gevolgen van de toepassing van artikel 7:10 lid 4 BW in dit geval. De rechtbank geeft partijen daarbij in overweging om de auto in ieder geval gezamenlijk te bekijken, waarna [gedaagde] als eerste een akte kan nemen.

C. Vorderingen m.b.t. uitlatingen op internet

4.47.

[eiser] heeft niet betwist dat [gedaagde] de link naar het filmpje en de publicaties heeft verwijderd na verzoek daartoe van [eiser]. [eiser] heeft niets gesteld waaruit blijkt, en de rechtbank heeft geen aanleiding om aan te nemen dat [gedaagde] een en ander nu nog terug zal plaatsen. Daargelaten de vraag of [gedaagde] de eerdere plaatsing in strijd met de koopovereenkomst of onrechtmatig was, heeft [eiser] daarom geen belang bij toewijzing van het gevorderde verbod en bevel.

D. Kosten

Buitengerechtelijke incassokosten

4.48.

[eiser] stelt dat hij buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt en terzake daarvan vordert hij een bedrag groot €1.158,= . Niet is gebleken dat de door hem gestelde werkzaamheden meer hebben omvat dan een enkele (eventueel herhaalde) sommatie of het enkel doen van een niet aanvaard schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De daarop betrekking hebben kosten moeten, nu een geding is gevolgd, worden aangemerkt als betrekking hebbende op verrichtingen waarvoor de artikelen 237 e.v. Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten. De rechtbank zal de betreffende vordering dan ook afwijzen.

Kosten deskundige

4.49.

Het deskundigenhonorarium, voor zover voorgeschoten door de winnende partij, hoort tot de proceskosten. [gedaagde] zal worden veroordeeld tot betaling van die kosten aan [eiser], nu het deskundigenrapport de stelling van [eiser] dat [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van de koopovereenkomst heeft bevestigd.

4.50.

De verdere beoordeling van de vraag wie in de proceskosten moet worden veroordeeld en de beslissing daarover zal worden aangehouden tot het eindvonnis.

E. Vervolg van de procedure


4.51. Partijen worden in de gelegenheid gesteld zich uit te laten, zoals hierboven is overwogen, over de gevolgen van de toepassing van artikel 7:10 lid 4 BW. [gedaagde] als eerste.

4.52.

Alle beslissingen worden aangehouden.

5 De beslissing

De rechtbank:

stelt partijen in de gelegenheid zich uit te laten over de gevolgen van de toepassing van artikel 7:10 lid 4 BW;

verwijst de zaak naar de openbare terechtzitting van 7 mei 2014 voor het nemen van akte, eerst door [gedaagde] en vervolgens door [eiser];

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J.M. Diekman, rechter-plaatsvervanger, en uitgesproken door mr. R.P. Broeders ter openbare terechtzitting van 9 april 2014, in tegenwoordigheid van de griffier.

2502/1974