Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:2647

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
02-04-2014
Datum publicatie
17-04-2014
Zaaknummer
C/10/444901 / FT EA 14/421
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Moratorium afgewezen, proceskosten veroordeling verzoekster.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 287b, geldigheid: 2014-04-08
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Insolventie

moratorium

rekestnummers: [nummer]

uitspraakdatum: 2 april 2014

[naam][naam]

wonende te [adres]

[woonplaats],

verzoekster.

1 De procedure

Op 14 februari 2014 heeft verzoekster, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw) wederom een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.

Bij vonnis van deze rechtbank van 14 februari 2014 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 26 maart 2014.

Ter terechtzitting van 26 maart 2014 zijn verschenen en gehoord:

- Mr. I.J. van Meggelen werkzaam bij Schipper-de Bruijn Advocatenkantoor, advocaat van verzoekster;

- Mevrouw Kaptein, werkzaam bij Stichting Maasdelta Groep;

- Mr. R.W.F. Heijmeriks, werkzaam bij Heijmeriks Advocaten B.V. (gemachtigde) namens Stichting Maasdelta Groep, gevestigd te Spijkenisse.

Verzoekster is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet ter terechtzitting verschenen.

Mr. R.W.F. Heijmeriks heeft namens verweerster voorafgaand aan de zitting aan de rechtbank een verweerschrift toegezonden.

De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2 Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 20 september 2013, welk vonnis is hersteld bij vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 18 oktober 2013, tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen.

De advocaat van verzoekster heeft voorafgaand aan de zitting telefonisch contact gehad met verzoekster. Verzoekster heeft haar advocaat medegedeeld dat zij niet ter terechtzitting zal verschijnen omdat zij in Purmerend verblijft. Tevens heeft verzoekster haar advocaat medegedeeld dat zij voornemens is om niet langer in Spijkenisse te blijven wonen.

De advocaat van verzoekster kan niet aantonen dat verzoekster haar medewerkingsplicht tijdens het minnelijk traject is nagekomen.

3 Het verweer

De gemachtigde van verweerster heeft primair gesteld dat verzoekster wederom niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening. Een eerder verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is bij vonnis van 23 januari 2014, onder andere, afgewezen omdat onvoldoende aannemelijk was geworden dat het minnelijk traject een kans van slagen had. De schuldbemiddelingsinstantie van de Gemeente Spijkenisse heeft geen aanbod gedaan aan de crediteuren omdat verzoekster verzuimd heeft de gegevens aan te leveren die benodigd zijn voor het aanbod. Derhalve is er geen onderzoek gedaan naar een eventuele buitengerechtelijke oplossing. Daarnaast is de huurachterstand sinds de vonnissen van 20 september 2013 en 18 oktober 2013 uitsluitend toegenomen. De huurachterstand is inmiddels opgelopen tot een bedrag van € 6.520,41.

4 De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekster een kopie van het vonnissen van de Rechtbank Rotterdam van 20 september 2013 en 18 oktober 2013 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster en een kopie van het exploot van 28 januari 2014 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 18 februari 2014 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.

De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.

Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekster enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.

Het belang van verzoekster bestaat erin dat zij in de huurwoning kan blijven wonen, naar de rechtbank begrijpt: in ieder geval tot zij een andere woonruimte heeft, en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekster kan worden doorlopen.

Het belang van verweerster bestaat erin dat zij de vonnissen van 20 september 2013 en

18 oktober 2013 ten uitvoer kan leggen.

De rechtbank stelt vast dat de huurachterstand sinds de vonnissen van 20 september 2013 en 18 oktober 2013 uitsluitend is toegenomen en dat verzoekster tot op heden de lopende huurtermijnen niet voldoet.

Daarnaast is een eerder verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening bij vonnis van 23 januari 2014 door deze rechtbank afgewezen. Dit verzoek is, onder andere, afgewezen omdat het onvoldoende aannemelijk was dat minnelijk traject een kans van slagen had. De schuldhulpverlening had immers verklaard dat er geen minnelijk akkoord was aangeboden aan de schuldeisers omdat verzoekster de benodigde gegevens nooit had aangeleverd. Verzoekster heeft ter terechtzitting van 16 januari 2014 betwist dat zij haar medewerkingsplicht gedurende het minnelijk traject niet was nagekomen.

Op 14 februari 2014 heeft verzoekster, met een verzoekschrift ex artikel 284 Fw wederom een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad. Uit dit verzoekschrift blijkt niet dat het minnelijk traject opnieuw zal worden opgestart. Verzoekster heeft evenmin een verklaring van de Gemeente Spijkenisse meegestuurd waaruit blijkt dat verzoekster wel aan haar medewerkingsplicht in het kader van het minnelijk traject heeft voldaan. Het had op de weg van verzoekster gelegen om ter terechtzitting aan te tonen dat de verklaring van de Gemeente Spijkenisse onjuist is. Dit heeft verzoekster nagelaten. Feitelijk is daarmee het onderhavige verzoekt wezenlijk niet anders dat het eerdere, afgewezen verzoek.

Derhalve is de rechtbank van oordeel dat het belang van verweerster zwaarder dient te wegen dan het belang van verzoekster. De verzochte voorziening zal dan ook worden afgewezen.

Nu niet is gebleken dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard.

Verweerster heeft de rechtbank verzocht om verzoekster te veroordelen in de kosten van deze procedure. Gelet op het uitgebreide verweerschrift van verweerster zal de rechtbank het verzoek van verweerster om verzoekster te veroordelen in de kosten van deze procedure toewijzen. Van belang daarbij is dat het onderhavige verzoek nagenoeg gelijk is aan het eerder afgewezen verzoek en verzoekster door haar handelen verweerster nodeloos op (advocaat)kosten jaagt. De rechtbank zal de kosten van deze procedure vaststellen conform het liquidatietarief voor rechtbanken en hoven en zal het meerdere of anders door verweerster gevorderde afwijzen.

5 De beslissing

De rechtbank:

- wijst het verzoek ex artikel 287b Fw af;

- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw;

- bepaalt de kosten door Stichting Maasdelta Groep gemaakt op € 904,- en brengt dit bedrag ten laste van [naam];

- wijst af het meerdere of anders door Stichting Maasdelta Groep gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. V.M. de Winkel rechter, en in aanwezigheid van S. Somers, griffier, in het openbaar uitgesproken op 2 april 2014.