Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:2646

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
23-01-2014
Datum publicatie
17-04-2014
Zaaknummer
C/10/439148 / FT EA 13/2830 en C/10/439146/ FT EA 13/2829
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek ex art. 287b Fw omdat schuldenaar niet bereid is om minnelijk traject uit te voeren zoals wetgever dat voorstaat.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 287b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Insolventie

verzoek gedwongen schuldregeling en verzoek toelating schuldsaneringsregeling

rekestnummer:[nummer](dwangakkoord)

rekestnummer: [nummer] (wsnp)

uitspraakdatum: 23 januari 2014

[naam] ,

wonende te [adres]

[woonplaats],

verzoeker.

1 De procedure

Verzoeker heeft op 25 november 2013, met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingediend om een of meer schuldeisers, te weten:

- Gemeente Hellevoetsluis, afdeling Sociale Zaken, gevestigd te Hellevoetsluis, hierna: de gemeente,

die weigert mee te werken aan een door verzoeker aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling, zulks uitvoerbaar bij voorraad.

Ter terechtzitting van 9 januari 2013 zijn verschenen en gehoord, verzoeker, bijgestaan door de heer J. Luysterburg, werkzaam bij PLANgroep Hellevoetsluis en, namens de gemeente,

mr. N.R.J. Wildeman en de heer K. Gangaran Panday.

Ter zitting heeft mr. Wildeman een pleitnota overgelegd en voorgedragen.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 Het verzoek

Verzoeker heeft volgens het ingediende verzoekschrift 26 schuldeisers, waarvan 1 preferente en 25 concurrente schuldeisers. Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van

€ 34.391,68 van verzoeker te vorderen.

Verzoeker heeft bij brief van 21 mei 2013 een schuldregeling aangeboden aan zijn schuldeisers, inhoudende een betaling van 9,08 aan de preferente schuldeiser en 4,04 % aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting.

Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond.

De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm.

De aangeboden regeling voorziet in uitkering van een prognosepercentage. Dat betekent dat de afloscapaciteit eventueel nog hoger of nog lager zal kunnen uitvallen.

Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat hij al het mogelijke heeft gedaan om het aangeboden percentage aan zijn schuldeisers aan te bieden. De vaste lasten van verzoeker worden inmiddels door zijn budgetbeheerder voldaan. Daarnaast is er ten aanzien van verzoeker tevens een beschermingsbewind ingesteld.

25 schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. De gemeente stemt hier niet mee in. Zij heeft een vordering van € 6.566,66 op verzoeker, welke 19 % van de totale schuldenlast beloopt.

Verzoeker stelt dat de gemeente Hellevoetsluis (afdeling sociale zaken) een bijzondere positie heeft. Ze zijn de opdrachtgever van PLANgroep en hebben hun vordering ingezet tijdens het voortraject van de schuldhulpverlening. Bij de verstrekking hebben ze ervoor gekozen om een bijzondere bijstand op basis van een lening toe te kennen, terwijl verzoeker geen nieuwe schulden mocht maken. Bovendien kon toen al verwacht worden, dat verzoeker het aan hem verstrekte geld niet volledig in een bepaalde termijn kon terugbetalen. De motivatie om te gaan voor een lening zit in de gedachte dat verzoeker zijn eigen verantwoording had om verzekerd te zijn voor de schade die door de brand is ontstaan.

De heer Luysterburg heeft voorts ter zitting aangevoerd dat uit de dossieraantekeningen kan worden afgeleid dat de gemeente in een eerder stadium met het aangeboden akkoord had ingestemd maar daar later op terug is gekomen. Vanwege personele mutaties bij PLANgroep kan over de eerdere instemming van de gemeente geen nadere informatie worden achterhaald.

3 Het verweer

Namens de gemeente heeft mr. Wildeman een pleitnota voorgedragen.

Ter zitting heeft mr. Wildeman verklaard dat wanneer de gemeente had kunnen voorzien dat verzoeker niet in staat zou zijn geweest om de op basis van de bijzondere bijstand verstrekte lening terug te betalen, de lening niet zou zijn verstrekt.

Namens de gemeente heeft mr. Wildeman volhard in de weigering om in te stemmen met het aangeboden akkoord.

De heer Gangaran Panday heeft namens de gemeente verklaard dat de gemeente een afweging heeft gemaakt om verzoeker te helpen met een lening ten behoeve van de inrichting van zijn woning. Omdat de gemeente van mening is dat sprake is van verwijtbaarheid aan de zijde van verzoeker heeft PLANgroep met de gemeente de afspraak gemaakt dat de lening wordt verstrekt en buiten het minnelijk traject wordt gehouden. Daarom is de gemeente ervan uitgegaan dat de lening na afronding van de wettelijke schuldsanering, geheel zal worden afgelost.

4 De beoordeling

Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van de gemeente vast.

De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of de gemeente in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling kon komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoeker of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.

De rechtbank stelt allereerst vast dat de vordering van de gemeente slechts een klein aandeel vormt in de totale schuldenlast (te weten 19 % daarvan). Een ruime meerderheid van de schuldeisers, namelijk 25 van de 26 schuldeisers, is met de aangeboden regeling akkoord gegaan.

De rechtbank stelt vast dat het voorstel is getoetst door een deskundige en onafhankelijke partij, te weten PLANgroep. Voorts is het voorstel naar het oordeel van de rechtbank goed en controleerbaar gedocumenteerd. Voldoende aannemelijk is dat het voorstel het uiterste is waartoe verzoeker in staat moet worden geacht.

Door de heer Luysterburg is ter zitting verklaard dat er is voldaan aan alle waarborgen, die ervoor moeten zorgen dat verzoeker het maximale ten behoeve van zijn schuldeisers zal afdragen. Verzoeker zit in budgetbeheer en staat onder beschermingsbewind. Het ontstaan van nieuwe schulden ligt niet in de rede. Verzoeker is weer beschikbaar voor de arbeidsmarkt en solliciteert aldus de heer Luysterburg volop.

Naar verwachting zal de uitwerking van het voorstel een gunstiger resultaat hebben voor de schuldeisers dan in de situatie dat de schuldsaneringsregeling op verzoeker van toepassing zou zijn, zoals subsidiair verzocht, nu vast staat dat binnen de schuldsaneringsregeling vanuit de boedel in ieder geval een bedrag van – in totaal circa € 3.500,00 aan kosten voldaan zal moeten worden. Bij het verzochte dwangakkoord worden geen kosten in rekening wordt gebracht, zodat de netto-opbrengst aan de schuldeisers zal worden uitgekeerd.

Ten aanzien van het namens de gemeente gevoerde verweer merkt de rechtbank het volgende op. Kennelijk is voorafgaand aan de door de gemeente verstrekte lening tussen PLANgroep en de gemeente afgesproken dat de lening niet zou worden betrokken bij een minnelijke regeling. PLANgroep werkt voor rekening en in opdracht van de gemeente. Omdat achteraf is gebleken dat de afspraak juridisch niet houdbaar is, weigert de gemeente thans om in te stemmen met het door verzoeker aangeboden akkoord.

Verder blijkt uit de pleitnota (onder 4.) dat de gemeente van mening is dat de verstrekte lening niet onder de schone lei werking van de wettelijke schuldsaneringsregeling valt.

De rechtbank stelt vast dat de gemeente ten aanzien van de door haar verstrekte lening zowel ten aanzien van het minnelijk schulphulpverleningstraject als het wettelijke traject een onjuist standpunt inneemt. Immers in beide gevallen doorbreekt de gemeente de wettelijk voorgeschreven gelijkheid van schuldeisers. De gemeente heeft niet aangevoerd waarom dat wettelijk uitgangspunt in onderhavig verzoek niet zou hebben te gelden. Dit leidt dan ook tot de slotsom dat het niet instemmen van de gemeente louter en alleen is gelegen in het feit dat de gemeente een onjuist juridisch standpunt heeft ingenomen ten aanzien van de wettelijke voorschriften geldend bij een schuldsanering. Gelet ook op de aan de gemeente opdragen taak in het kader van schuldsanering, had de gemeente naar het oordeel van de rechtbank op de hoogte dienen te zijn van het wettelijk kader.

Op basis van de aan de rechtbank overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is de rechtbank gelet op het hier voren overwogene van oordeel dat voldoende duidelijk is dat het aanbod van verzoeker thans het uiterste is waartoe verzoeker financieel in staat moet worden geacht. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat het belang van verzoeker die vanuit een stabiele situatie zijn schuldenproblematiek wil oplossen en van de alle overige schuldeisers die instemmen met het aanbod, zwaarder wegen dan die van de weigerende schuldeiser.

Het verzoek om de gemeente te bevelen in te stemmen met de schuldregeling, zoals deze is aangeboden in de brief van 21 mei 2013 wordt daarom toegewezen.

De gemeente zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Nu voor het onderhavige verzoekschrift geen griffierecht verschuldigd is en verzoeker niet is bijgestaan door een advocaat, worden de kosten begroot op nihil.

De rechtbank stelt vast dat er thans een gedwongen schuldregeling is afgekondigd, welke in de plaats komt van de vrijwillige instemming van de schuldeisers. Hieruit volgt dat verzoeker zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn en dat hij niet verkeert in de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen zodat het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling dient te worden afgewezen.

5 De beslissing

De rechtbank:

- wijst toe het verzoek om een schuldregeling te bevelen;

- veroordeelt de gemeente in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verzoeker

begroot op nihil;

- bepaalt dat dit vonnis in plaats treedt van de vrijwillige instemming;

- wijst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. van Spengen, rechter en in aanwezigheid van E.J. van Gruijthuijsen de griffier in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2014. 1

1 Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat, binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van de zaak kennis moet nemen.