Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:2546

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
20-01-2014
Datum publicatie
03-04-2014
Zaaknummer
10/690017-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft opzettelijk brand gesticht in haar kamer in een woonvoorziening voor personen met een (verstandelijke) beperking. Door de handelwijze van de verdachte is een felle uitslaande brand ontstaan. Aldus heeft de verdachte levens van anderen serieus in de waagschaal gesteld.

De verdachte wordt sterk verminderd toerekeningsvatbaar geacht. Aan de verdachte wordt, ondanks haar blanco strafblad, de maatregel tot terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege opgelegd. Slechts op die wijze worden de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen en goederen voldoende tegen de verdachte beschermd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/690017-13

Datum uitspraak: 20 januari 2014

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

ten tijde van het onderzoek ter terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Zwolle, Penitentiair Psychiatrisch Centrum,

raadsvrouw mr. M.G. Pekkeriet, advocaat te Zwolle.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Gelet is op de terechtzittingen van 8 oktober 2013, 2 december 2013 en 6 januari 2014.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 09 januari 2013 te Poortugaal, gemeente Albrandswaard,

opzettelijk brand heeft gesticht in een woning (wooncomplex) aan de [adres], toebehorend aan zorginstelling Profila Zorg en/of Woonbron,

immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk,

- ( vanuit een flesje) terpentine en/of een ander verfoplossend middel, althans

een brandbare vloeistof in een bakje en/of over kleding gegoten en/of

- ( vervolgens) de kleding en/of het bakje op een bed gelegd en/of

- ( vervolgens) die brandbare vloeistof in brand gestoken met een

aansteker en/of een brandende kaars,

in elk geval opzettelijk (open) vuur in aanraking gebracht met terpentine en/of

een ander verfoplossend middel, althans met (een) brandbare stof(fen), ten

gevolge waarvan één of meer goederen geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand,

in elk geval brand is ontstaan, terwijl daarvan gemeen gevaar voor (de

inboedel) de woning en/of (een) naastgelegen woning(en), in elk geval gemeen

gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk

letsel voor de bewoners van de in brand gestoken woning en/of bewoners van

(een) naastgelegen woning(en), in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor

zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. C.J.A. van der Maas heeft gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het ten laste gelegde;

- veroordeling tot een gevangenisstraf die gelijk is aan de duur van de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, met aftrek van diezelfde tijd;
- oplegging aan de verdachte van de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

zij op 9 januari 2013 te Poortugaal, gemeente Albrandswaard,

opzettelijk brand heeft gesticht in een woning (wooncomplex) aan de [adres], toebehorend aan Woonbron,

immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk,

- vanuit een flesje een brandbare vloeistof over kleding gegoten en

- vervolgens de kleding op een bed gelegd en

- vervolgens die brandbare vloeistof in brand gestoken met een aansteker,

ten gevolge waarvan goederen geheel of gedeeltelijk zijn verbrand,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor (de inboedel van) de woning en naastgelegen woningen, en levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor de bewoners van de in brand gestoken woning en bewoners van naastgelegen woningen, te duchten was.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Nu de verdachte hetgeen bewezen zal worden verklaard heeft bekend en haar raadsvrouw slechts vrijspraak heeft bepleit vanwege het gebrek aan opzet op de gevolgen van de brandstichting, aan welk verweer hierna aandacht zal worden besteed, wordt op de voet van artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht volstaan met de navolgende opgave van de bewijsmiddelen:

1.

De bekennende verklaring van de verdachte op de terechtzitting van 8 oktober 2013;

2.

Het proces-verbaal van getuigenverhoor politie Rotterdam-Rijnmond, genummerd PL17J0 20130333-26,(vul geboortedatum in) als bijlage gevoegd bij proces-verbaal nummer PL17J0 2013010333 B, d.d. 13 januari 2013, van politie Rotterdam-Rijnmond (verklaring van [getuige]);

3.

Het proces-verbaal van bevindingen van de politie, eenheid Rotterdam, d.d. 16 januari 2013, genummerd PL17J0 2013010333-22, als bijlage gevoegd bij proces-verbaal van de politie Rotterdam-Rijnmond nummer PL17J0 2013010333 A (relaas van de verbalisanten forensische opsporing);

4.

Het proces-verbaal van aangifte van politie Rotterdam-Rijnmond, genummerd PL17J0 2013022594-1,(vul geboortedatum in) als bijlage gevoegd bij proces-verbaal nummer PL17J0 2013010333 A, d.d. 22 januari 2013, van politie Rotterdam-Rijnmond (verklaring van [aangever 1]);

5.

Het proces-verbaal van aangifte van politie Rotterdam-Rijnmond, genummerd PL17J0 20130333-37,(vul geboortedatum in) als bijlage gevoegd bij proces-verbaal nummer PL17J0 2013010333 B, d.d. 7 februari 2013, van politie Rotterdam-Rijnmond (verklaring van [aangever 2]);

6.

Een geschrift houdende medische informatie van Forensisch Artsen Rotterdam Rijnmond d.d. 22 februari 2013, betreffende [slachtoffer].

Waar is verwezen naar een proces-verbaal van politie is bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Het onder 6 vermelde andere geschrift is louter gebruikt in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.

NADERE BEWIJSOVERWEGING

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken nu zij met haar handelen niet het opzet heeft gehad om gevaar voor medebewoners te doen ontstaan. Zij heeft slechts beoogd haar bed in brand te steken in de verwachting dat vervolgens het rookalarm zou afgaan en de brand geblust zou worden. Dat de brand andere gevolgen zou hebben, heeft zij nooit beseft. De raadsvrouw heeft in dit verband gewezen op het omtrent verdachte opgemaakte PBC rapport waaruit blijkt dat het vermogen tot een gezond en redelijk innerlijk overleg bij de verdachte niet aanwezig is. Het is volgens de conclusie twijfelachtig of zij zich de mogelijke gevolgen van de brandstichting heeft gerealiseerd.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte opzettelijk heeft gehandeld.

De rechtbank overweegt als volgt.

Anders dan de raadsvrouw veronderstelt, is voor het bewezen verklaren van het bestanddeel opzet als bedoeld in artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) voldoende dat het opzet van de betrokken dader gericht is geweest op het stichten van brand; niet vereist is dat diens opzet ook heeft gezien op het teweeg brengen van de in sub 1° tot en met 3° van dat artikel genoemde gevolgen. De bedoelde gevolgen betreffen zogenaamde geobjectiveerde bestanddelen. Vereist is dat het te duchten gevaar op het moment van de handeling in het algemeen voorzienbaar was. Dit laatste is hier zeer zeker het geval. Voor zover de raadsvrouw heeft bedoeld te betogen dat het gevaar dat de brandstichting in het leven riep voor de verdachte in het geheel niet voorzienbaar zijn geweest, raakt dit de strafbaarheid van de verdachte. Hierover zal de rechtbank in het navolgende oordelen.

De verdachte heeft ter terechtzitting op 8 oktober 2013 bekend dat zij weg wilde uit de instelling en daarom besloot brand te stichten op haar bed. Vervolgens heeft zij zonder iemand te waarschuwen het pand verlaten. Aan het voor artikel 157 Sr vereiste opzet op het stichten van brand is daarmee voldaan. Het bewijsverweer van de raadsvrouw wordt dan ook verworpen.

STRAFBAARHEID FEIT EN

De bewezen feiten leveren op:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is

en

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

Aangaande de vraag of kan worden aangenomen dat de verdachte het gevaar dat de brandstichting in het leven riep in het geheel niet heeft kunnen voorzien wordt het volgende overwogen. Het uitgangspunt is dat een ieder in meerdere of mindere mate in staat moet worden geacht de in het verschiet liggende gevolgen van zijn handelen te overzien. Op basis van de indruk die de rechtbank op drie achtereenvolgende terechtzittingen omtrent de persoon van de verdachte heeft gekregen is zij niet tot de conclusie gekomen dat die capaciteit bij de verdachte volledig afwezig is zijn geweest. Tegen de achtergrond van één en ander biedt de inhoud van het omtrent de verdachte opgemaakte rapport van het Pieter Baan Centrum (PBC), waarin staat vermeld dat betwijfeld kan worden of de verdachte zich de mogelijke gevolgen van haar handelwijze heeft gerealiseerd, onvoldoende grond voor de tegengestelde (en verstrekkende) conclusie.

Er is geen ook geen andere omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

MOTIVERING STRAF EN MAATREGEL

Standpunten officier van justitie en raadsvrouw

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat behandeling van de verdachte noodzakelijk is ter beteugeling van het recidivegevaar. Blijkens de uitgebrachte PBC-rapportage kan een dergelijke behandeling niet in het kader van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijke strafdeel plaatsvinden. De officier van justitie is voorts van oordeel dat ook het kader van een TBS maatregel met voorwaarden geen haalbare optie lijkt. Gezien de wisselvallige houding van de verdachte en haar steeds terugkerende verzet tegen situaties die haar niet welgevallig zijn, alsmede gezien de te verwachte prikkeling die de geïndiceerde behandeling noodzakelijkerwijs bij haar teweeg zal brengen en het verzet dat daarop naar verwachting zal volgen, kan niet worden verwacht dat zij zich zal houden aan de te stellen voorwaarden.

De raadsvrouw heeft bepleit dat bij een bewezenverklaring kan worden volstaan met oplegging van een gevangenisstraf met een voorwaardelijk strafdeel. De maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden is een ultimum remedium en niet op zijn plaats gezien het type delict en het blanco strafblad van de verdachte. De verdachte is best bereid zich te laten behandelen en zich aan voorwaarden te houden, zij ziet een plaatsing in Hoeve Boschoord echter niet zitten. De verdachte verdient een kans om te laten zien dat zij zich aan de voorwaarden kan houden. De maatregel van TBS met dwangverpleging zou hoe dan ook nog niet aan de orde moeten zijn.

Oordeel rechtbank

Inleiding

De straf en de maatregel die aan de verdachte wordt opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Aard en ernst bewezen verklaarde feiten

De verdachte heeft opzettelijk brand gesticht in haar kamer in een woonvoorziening voor personen met een (verstandelijke) beperking. Deze woonvoorziening was gelegen op de eerste verdieping van een zes verdiepingen tellend flatgebouw. Door de handelwijze van de verdachte is een felle uitslaande brand ontstaan waarvan enorme materiele schade het gevolg was. Daarnaast heeft dit er ook toe geleid dat drie medebewoners - die op het moment dat de brand uitbrak sliepen - moesten worden overgebracht naar een ziekenhuis; één van hen heeft zelfs een nacht op de afdeling intensive care verbleven met verschijnselen van koolmonoxide- en cyanidevergiftiging. Aldus heeft de verdachte levens van anderen serieus in de waagschaal gesteld. Dat de brandstichting niet tot niet ingrijpender gevolgen heeft geleid is bovendien bepaald niet aan de verdachte te danken - zij heeft het complex na de brandstichting immers verlaten zonder iemand te waarschuwen - maar aan het adequate optreden van één van haar medebewoners en de brandweer.

De brandstichting zal een beangstigende ervaring zijn geweest voor de bewoners van het flatgebouw die veelal al lagen te slapen en vervolgens hun woning moesten ontvluchten. De ervaring leert dat slachtoffers van brandstichting soms nog langdurig met psychische klachten daarvan moeten kampen. Daarnaast veroorzaken brandstichtingen als deze grote maatschappelijke onrust en een groot gevoel van onveiligheid in de samenleving in het algemeen en bij de direct omwonenden in het bijzonder. Dit rekent de rechtbank de verdachte zeer aan.

Op een dergelijk feit kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf van enige duur.

Strafblad

Blijkens het op haar naam gestelde Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 11 december 2013 is de verdachte niet eerder veroordeeld; dit spreekt niet in haar nadeel.

Rapportage Pieter Baan Centrum

De deskundigen E.A. Beld, psychiater, en S. Labrijn, psycholoog, beiden verbonden aan het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, locatie Pieter Baan Centrum (hierna: PBC), hebben op 18 juli 2013 omtrent de verdachte gerapporteerd. Dit rapport houdt kort weergegeven het volgende in.

Bij de verdachte is sprake van complexe problematiek. Zij presenteert zich als dwingende, aandachtbehoeftige kleuter met een verstandelijke handicap die zich zaken niet meer kan herinneren; ook zou zijn last hebben van wegrakingen. Dit gedrag is in de loop van haar groei naar volwassenheid ontstaan en verergerd. Zij heeft wel forse cognitieve, sociale en emotionele beperkingen, maar niet in de mate waarin zij claimt. Meer bepaald is uit het onderzoek gebleken dat zij niet zwakzinnig is. Haar intelligentie wordt geschat op zwakbegaafd tot ten hoogste beneden gemiddeld niveau. Daarbij wordt wel aangetekend dat zij op sociaal-emotioneel niveau beduidend lager niveau functioneert. De verdachte lijdt niet aan een organische stoornis die een verklaring biedt voor de gestelde geheugenproblemen en wegrakingen. Dat het tentoongespreide kinderlijke gedrag is geworteld in een verstandelijke handicap wordt uiterst onwaarschijnlijk geacht, onder meer omdat personen met een dergelijke handicap, anders dan de verdachte, niet in staat zijn om de lagere school af te ronden. Het gedrag van de verdachte is veeleer een vorm van regressie die voortvloeit uit andere problematiek.

Vanaf de vroege adolescentie is sprake geweest van een scheefgroei in de persoonlijkheidsontwikkeling van de verdachte, gekenmerkt door instabiele en een afhankelijke opstelling ten opzichte van anderen, impulsief met een mogelijk gewelddadige component jegens partners, infantiel gedrag, stemmingswisselingen, hevige gemoedsbewegingen, oncontroleerbare woede-uitingen, affectlabiliteit, een negatief zelfbeeld dat wordt overdekt door zich als kind te gedragen en een onvermogen om te functioneren op vrijwel alle levensgebieden. Vastgesteld wordt dan ook dat de verdachte kampt met een borderline persoonlijkheidsstoornis met theatrale kenmerken. Deze stoornis heeft zich kunnen ontwikkelen als gevolg van een ontwikkelingsstoornis, te weten een pervasieve ontwikkelingsstoornis, die in haar jeugd niet of onvoldoende is herkend. Het vermogen tot een normale en prettige omgang met anderen werd door deze stoornis, waarvan gebrekkige wederkerigheid een kenmerk is, ernstig belemmerd. Hierdoor vormde de interactie met anderen een grote bron van stress. Aangenomen wordt dat het de verdachte na haar gang na de middelbare school om aansluiting te vinden bij mensen van haar intellectuele niveau, waarna zij op een gegeven moment moet hebben besloten om die aansluiting te vinden bij verstandelijk gehandicapten en kinderen. Gaandeweg en met een kentering in 2007 heeft zij zich steeds afhankelijker opgesteld van anderen, waarbij gelijkwaardigheid en wederkerigheid geheel zijn verdwenen. De afhankelijke opstelling is echter een pose; de verdachte weet precies wat zij wil en zet anderen in om haar doelen te verwezenlijken. Als iets haar niet zint claimt zij een en ander niet te begrijpen of zich iets niet te herinneren. Zeer opvallend is dat de verdachte haar gedrag in het geheel niet kan afstemmen op anderen, terwijl gedurende haar verblijf in het PBC ook geen vermogen tot inleving of empathie naar voren is gekomen. Geconcludeerd wordt verder dat de identiteit van de verdachte dusdanig met haar kindrol is verweven dat van een nagebootste stoornis kan worden gesproken. Bij die stoornis worden lichamelijke of psychiatrische symptomen bewust nagebootst of gecreëerd. Het is voor de verdachte niet mogelijk om dit gedrag los te laten. Ten aanzien van de geheugenstoornissen waarvan de verdachte gewag maakt is sprake van simulatie; er wordt met een bewust motief een stoornis voorgewend. De wegrakingen zijn een vorm van conversie. Alles overziend wordt geconcludeerd dat de verdachte zowel lijdt aan een ziekelijke stoornis als aan een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens, hetgeen ook het geval was ten tijde van het bewezen verklaarde.

De verdachte is op enig moment tot de conclusie gekomen dat de woonvoorziening in Poortugaal niet passend voor haar is. Haar onvrede over de woonvoorziening, die zij heeft geëxternaliseerd, hangt samen met haar persoonlijkheids- en haar pervasieve ontwikkelingsstoornis; zij is nauwelijks in staat om zich adequaat aan te passen. Nadat geen gehoor werd gegeven aan haar wens te verhuizen ontstond een escalatie van spanningen en frustraties. Zij is niet goed in staat geweest om de gevoelens van kwade onmacht te verdragen, laat staan hier adequaat mee om te gaan. Zij is vervolgens op het idee gekomen haar bed in brand te steken, zodat zij niet meer in het huis zou hoeven wonen. Dat de verdachte zeer planmatig en doelgericht te werk lijkt te zijn gaan, laat onverlet dat deze werkwijze is voortgekomen uit gestoorde overwegingen van een fors beperkte vrouw; twijfelachtig is of zij zich de mogelijke gevolgen van haar handelen heeft gerealiseerd. De stoornissen van de verdachte en de gebrekkig ontwikkelde functies die daarmee gepaard gaan hebben haar gedragskeuzes en gedragingen ernstig beïnvloed. Geadviseerd wordt dan ook om haar voor het ten laste gelegde als sterk verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen.

De verdachte bergt een hoog risicogevaar in zich. Zij ondervindt vanuit haar complexe problematiek chronisch veel onvrede en spanning, terwijl zij die spanning niet adequaat kan verdragen en haar copings- en afweermechanismen ernstig tekortschieten. Bij gevoelens van machteloze woede is het goed mogelijk dat de verdachte haar woede en acties niet meer goed kan beheersen. Wanneer niet sterk wordt meegegaan in de wens van de verdachte tot terugval in een lager niveau van functioneren zal zij onvermijdelijk tegen forse frustraties aanlopen. Daarbij zal zij waarschijnlijk steeds heftiger en gevaarlijker om aandacht vragen en trachten haar omgeving naar haar hand te zetten. Daarbij wordt nog aangetekend dat de verdachte neigt tot het kopiëren van gedrag en thans de ervaring heeft dat de brandstichting veel aandacht heeft gesorteerd.

Vanuit het oogpunt van recidivepreventie wordt het noodzakelijk geacht dat de verdachte langdurig wordt behandeld voor haar persoonlijkheids- en ontwikkelingsstoornis. Het is niet aannemelijk dat de verdachte haar kindrol c.q. kind-identiteit zomaar los zal laten, terwijl haar beperkte intellectuele vermogens voor de behandeling een aanzienlijke complicerende factor zullen vormen. Daarbij is het van groot belang dat de verdachte in eerste instantie klinisch wordt behandeld binnen een setting waar ervaring is met kinderlijk gedrag bij patiënten met een verstandelijke beperking, opdat het gedrag van de verdachte steeds weer getoetst kan worden aan gedrag dat past bij iemand met haar intellectuele capaciteiten. Trajectum Hoeve Boschoord lijkt een daartoe geëigende instelling. Na een periode van klinische behandeling zou in de loop der tijd een begin gemaakt kunnen worden met de resocialisatie van de verdachte, waarbij gedacht kan worden aan een vorm van begeleid of beschermd wonen en werk bij een sociale werkplaats. Nadrukkelijk wordt geadviseerd om niet mee te gaan in de wens van de verdachte om als verstandelijk gehandicapte te worden begeleid. De geïndiceerde behandeling dient in een stevig juridisch kader te worden geplaatst. Behandeling als voorwaarde bij een voorwaardelijk strafdeel wordt niet haalbaar geacht bij gebrek aan zelfinzicht bij de verdachte; het is nodig dat langdurig intensieve behandeldruk kan worden uitgeoefend. Geadviseerd wordt de behandeling te plaatsen in het kader van de maatregel van terbeschikkingstelling, waarbij primair wordt gedacht aan een TBS met voorwaarden, maar als dit niet mogelijk blijkt wordt aangeraden TBS met dwangverpleging op te leggen.

Rapportages reclassering en verklaring reclasseringswerker

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 13 september 2013. Daarin wordt, in navolging van de deskundigen van het PBC, geadviseerd de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden op te leggen. De reclassering heeft daartoe voorwaarden voorgesteld, waaronder het ondergaan van een klinische behandeling bij een door het NIFP/IFZ en de reclassering aan te wijzen instelling. Wel vraagt de reclassering zich af in hoeverre de verdachte, gezien haar problematiek en de te verwachten grote weerstand ten aanzien van de geïndiceerde behandeling en interventies, in staat en gemotiveerd zal zijn zich aan de te stellen voorwaarden te houden.

In een aanvullend reclasseringsrapport van 19 november 2013 staat vermeld dat de verdachte door het NIFP/IFZ op 4 september 2013 is geïndiceerd voor klinische opname bij Trajectum of een soortgelijke instelling en dat de verdachte, na een intake, op 25 oktober 2013 door Trajectum is geaccepteerd voor behandeling in de aan die instelling verbonden Forensisch Psychiatrische Kliniek (FPK) De Beuken (voorheen: Hoeve Boschoord).

De deskundige S. Hendriksen, verbonden aan Reclassering Nederland, heeft op de zitting van 6 januari 2013 verklaard dat de verdachte vanwege een opnamestop uiteindelijk toch niet bij Forensisch Psychiatrische Kliniek De Beuken kan worden geplaatst. Indien een TBS-maatregel wordt opgelegd zal een alternatieve instelling worden gezocht welke voldoet aan het beveiligings- en behandelingsniveau dat de verdachte nodig heeft.

De officier van justitie heeft in aanvulling op deze mededeling toegelicht dat de indicatiestelling, die door het NIFP/IFZ voor de verdachte is afgegeven, ziet op plaatsing in een zogenoemde borginstelling. Dit zijn instellingen/FPK’s met een hoog beveiligingsniveau. Trajectum heeft diverse locaties die onder deze noemer vallen. De grootste daarvan is FPK De Beuken (voorheen: Hoeve Boschoord), maar er zijn meer locaties. De door de verdachte genoemde instellingen Woenselse Poort en Inforza zijn geen borginstelling. Deze instellingen passen dus niet bij de indicatiestelling die voor de verdachte is afgegeven, aldus de officier.

Gevolgtrekkingen rechtbank

De rechtbank neemt de in het PBC-rapport getrokken conclusies over en maakt die tot de hare, nu de conclusies van de psychiater en psycholoog gedragen worden door hun bevindingen en door hetgeen ook overigens op de terechtzitting is gebleken. De verdachte wordt dus sterk verminderd toerekeningsvatbaar geacht.

Overwogen wordt in het bijzonder dat de rechtbank geen reden heeft om niet uit te gaan van de door de deskundigen getrokken conclusie dat de verdachte niet functioneert op zwakzinnig niveau. Weliswaar stelt de verdachte terecht dat haar cognitieve mogelijkheden bij eerdere onderzoeken op een lager dan zwakbegaafd niveau zijn geschat, maar daar staat tegenover dat zij in het verleden meer dan eens te kennen gegeven dat zij bij de bij haar afgenomen tests opzettelijk heeft ondergepresteerd. Daarbij komt dat de verdachte bij een onderzoek in 2009 op een IQ van 71 werd geschat en de psychiater en de psycholoog ter zitting als deskundigen uiteengezet hebben dat en waarom men bij een intelligentietest niet hoger kan scoren dan het intelligentieniveau toelaat. Met andere woorden, bij een IQ test is onderpresteren mogelijk maar overpresteren niet.

De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag welke maatregel moet worden opgelegd teneinde te bereiken dat het hoge recidiverisico dat de verdachte in zich bergt wordt gereduceerd tot een maatschappelijk aanvaardbaar niveau.

Uit de omtrent de verdachte opgemaakte rapporten van het PBC en de reclassering, en uit haar houding op de verschillende terechtzittingen, blijkt dat zij zich in sterke mate verzet tegen een verblijf in een instelling die niet geheel van haar eigen keuze is. Daarbij lijkt haar keuze sterk te worden bepaald door ‘toevallige factoren’, zoals de mogelijke medebewoners die zij in een instelling zal treffen. De verdachte zal zich, in de woorden van de gedragsdeskundigen, bij welke behandelinstelling dan ook ‘niet goed geplaatst’ voelen en neigen tot afhaken. De verdachte stelt verder zeer dwingende en wisselende eisen aan het verlenen van haar medewerking aan behandeling. De rechtbank deelt voorts de analyse van de officier van justitie, welke analyse weerklank vindt in het rapport van het PBC, dat een daadwerkelijke behandeling van de verdachte haar naar alle waarschijnlijkheid uit haar comfortzone zal trekken, haar zal prikkelen en bij haar frustratie en verzet zal oproepen. Dit alles overziend schat de rechtbank de kans dat de verdachte zich op de middellange en lange termijn zal houden aan te stellen voorwaarden als gering - en derhalve onverantwoord - in. Daar komt nog bij dat de verdachte zich uitdrukkelijk verzet tegen plaatsing bij FPK De Beuken (voorheen: Hoeve Boschoord), of bij een andere afdeling van de borginstelling Trajectum, terwijl zij juist voor een borginstelling als deze is geïndiceerd. Om voorgaande redenen vindt de rechtbank dat de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden (de samenleving) onvoldoende waarborg biedt voor het welslagen van een op de effectieve beteugeling van het recidivegevaar noodzakelijke behandeling. Dit geldt nog in sterkere mate voor de door raadsvrouw bepleite modaliteit van de gevangenisstraf met een voorwaardelijk strafdeel.

Hoewel de rechtbank zich terdege realiseert dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten, komt zij toch tot de slotsom dat het noodzakelijk is aan de verdachte ter zake van de bewezenverklaarde feiten de maatregel tot terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege op te leggen. Slechts op die wijze worden de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen en goederen voldoende tegen de verdachte beschermd.

Aan de formele voorwaarden voor het opleggen van de maatregel is voldaan, nu:

- bij de verdachte tijdens het begaan van de bewezenverklaarde feiten sprake was van een ziekelijke stoornis en mogelijk een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens;

- het door de verdachte begane feit een misdrijf betreft waarop naar wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van meer dan vier jaar is gesteld;

- de algemene veiligheid van personen en goederen het opleggen van de maatregel eist.

Het bewezen verklaarde opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is, ter zake waarvan de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege zal worden opgelegd, betreft een misdrijf als bedoeld in artikel 38e, eerste lid, Sr. Dit blijkt, naast uit de bewezenverklaring, uit de kwalificatie van dit feit en hetgeen hiervoor omtrent de aard en de ernst daarvan is overwogen. De totale duur van de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege kan daarom een periode van 4 jaar te boven gaan.

Nadere overweging omtrent de op te leggen straf
Gelet op de ernst van het feit en het gegeven dat het feit verdachte wel in enige, zij het sterk verminderde mate kan worden toegerekend, zal de rechtbank de verdachte naast genoemde maatregel tevens een gevangenisstraf opleggen.

De rechtbank komt daarbij tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van de tijd die de verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De rechtbank is van oordeel dat aanvang van de behandeling op korte termijn van groot belang is voor de verdachte en ook voor de samenleving, omdat op deze wijze de kans op recidive wordt verkleind. Langdurige detentie zou de start van de behandeling doorkruisen.

Besluit

Alles afwegend worden na te noemen straf en maatregel passend en geboden geacht.

VORDERING BENADEELDE PARTIJ

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd de Vereniging van Eigenaars [adres] te Poortugaal, ter zake van de tenlastegelegde feiten. De benadeelde partij vordert een bedrag van € 14.982,83 aan (materiële) schade.

De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, nu de vordering onvoldoende is onderbouwd en het behandelen van een eventuele nadere onderbouwing een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren.

Nu de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Behalve op het reeds genoemde artikel, is gelet op de artikelen 37a, 57 en 157 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld;

beveelt dat de terbeschikkinggestelde van overheidswege wordt verpleegd;



verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering; bepaalt dat de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. drs. J.J.I. de Jong, voorzitter

en mrs. E.I. Mentink en C. Laukens, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.L. Sturkenboom, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 januari 2014.