Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:2523

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-04-2014
Datum publicatie
10-04-2014
Zaaknummer
AWB-13_05202
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2014:4770, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning verleend voor de sloop, renovatie en nieuwbouw van het Forum Rotterdam. Naar het oordeel van de rechtbank schiet de ruimtelijke onderbouwing van de omgevingsvergunning niet tekort. De Hoogbouwvisie 2011 is strikt genomen niet van toepassing. Niet kan worden gezegd dat het bezonningsonderzoek dat aan de ruimtelijke onderbouwing ten grondslag is gelegd niet voldoet aan de daaraan te stellen zorgvuldigheidseisen en dat de juistheid van de daaraan verbonden conclusies in twijfel getrokken dient te worden. De door eiser overgelegde bezonningstudies, waarbij een beoordeling wordt gegeven van de bezonningssituatie in de bestaande bebouwingssituatie en de geplande bebouwingssituatie is een gelet op de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State niet relevante vergelijking en kan in zoverre niet bijdragen aan de beoordeling van het geschil. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een geringe afname van de bezonningssituatie op het terras van eiser in het voor- en naseizoen bij vergelijking met de bestaande situatie niet opweegt tegen het belang van doorgang van het bouwplan als zodanig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2014/5300

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 3

zaaknummer: ROT 13/5202

uitspraak van de meervoudige kamer van 10 april 2014 in de zaak tussen

[Naam eiser] , handelende onder de naam [Handelsnaam], te Rotterdam, eiser,

gemachtigde: mr. A.H.F. Beiboer,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. E. van Lunteren,

met als derde partij: [Naam vergunninghoudster]. te Gouda (hierna: vergunninghoudster),

gemachtigden: mrs. R.J.G. Bäcker en M.J. Woodward.

Procesverloop

Bij besluit van 20 juni 2013 heeft de gemeenteraad van de gemeente Rotterdam de ingediende zienswijze (tegen de ontwerp-verklaring van geen bedenkingen) ongegrond verklaard, een (definitieve) verklaring van geen bedenkingen afgegeven voor het plan Forum, Coolsingel 119, en geen exploitatieplan vastgesteld.

Bij besluit van 2 juli 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder een omgevingsvergunning onder voorschriften verleend aan vergunninghoudster voor de sloop, renovatie en nieuwbouw van een multifunctioneel project, genaamde Forum Rotterdam aan de Coolsingel 119, Rotterdam, kadastraal bekend gemeente Rotterdam vierde afdeling sectie AG nummers 595, 985, 1314, 1319, 1353, 1463, 1491, 1492, 1500, 1501, 1502, 1587 en 2149.

Eiser heeft tegen deze besluiten beroep ingesteld.

De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft bij uitspraak van 15 oktober 2013 (ECLI:NL:RBROT:2013:8105) het verzoek om voorlopige voorziening van eiser in verband met het bestreden besluit afgewezen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft bij brief van 24 oktober 2013 aanvullende stukken ingediend, waaronder het aanvullend bezonningsonderzoek van Kraak & Tack van 22 oktober 2013.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 november 2013. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en door [naam 1] en ir. J.R. Tack, adviseur bezonning & daglicht/architect BNA bij Kraak & Tack te Rotterdam. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door ing. J. de Bok, stedenbouwkundig adviseur, en T.H.M. van Bussel, projectmanager Stadsontwikkeling gemeente Rotterdam. Vergunninghoudster is verschenen bij gemachtigden, vergezeld door dr.ir. L. Aanen, projectleider Peutz B.V. (hierna: Peutz) en A.W. Alders, hoofd afdeling stedenbouwfysica Peutz B.V.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst. Peutz heeft met de notitie van 28 november 2013 gereageerd op het aanvullend bezonningsonderzoek van Kraak & Tack van 22 oktober 2013. Kraak & Tack heeft bij notitie van 6 januari 2014 gereageerd op voornoemde notitie van Peutz. Bij faxbericht van 9 januari 2014 hebben verweerder en vergunninghoudster separaat een schriftelijke reactie ingediend.

Het beroep is op 21 januari 2014 ter nadere zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en door door [naam 1] en ir. J.R. Tack. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld door ing. J. de Bok en T.H.M. van Bussel. Vergunninghoudster is verschenen bij gemachtigden, vergezeld door A.W. Alders.

De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Wettelijk kader

1.1. Op grond van artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

1.2. Op grond van artikel 1.1., eerste lid, onder a, van de Crisis- en herstelwet (Chw) is Afdeling 2 van toepassing op alle besluiten die krachtens enig wettelijk voorschrift zijn vereist voor de ontwikkeling of verwezenlijking van de in bijlage I bij deze wet bedoelde categorieën ruimtelijke en infrastructurele projecten.

Op grond van artikel 1.6a van de Chw kunnen na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen beroepsgronden meer worden aangevoerd.

1.3. Op grond van 2.1., eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet.

Op grond van artikel 2.10, eerste lid, onder c, van de Wabo wordt, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, de omgevingsvergunning geweigerd indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12.

Op grond van artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo wordt in gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.

Op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 3°, van de Wabo kan voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

Op grond van artikel 2.27, eerste lid, van de Wabo wordt in bij wet of algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën gevallen een omgevingsvergunning niet verleend dan nadat een daarbij aangewezen bestuursorgaan heeft verklaard dat het daartegen geen bedenkingen heeft. Bij een maatregel als bedoeld in de eerste volzin worden slechts categorieën gevallen aangewezen waarin voor het verrichten van de betrokken activiteit een afzonderlijke toestemming van het aangewezen bestuursorgaan wenselijk is gezien de bijzondere deskundigheid die dat orgaan ten aanzien van die activiteit bezit of de verantwoordelijkheid die dat orgaan draagt voor het beleid dat betrekking heeft op de betrokken categorie activiteiten. Bij die maatregel kan worden bepaald dat het aangewezen bestuursorgaan categorieën gevallen kan aanwijzen waarin de verklaring niet is vereist.

Op grond van artikel 6.5, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor) wordt voor zover een aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet, de omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de wet wordt afgeweken van het bestemmingsplan of de beheersverordening, niet verleend dan nadat de gemeenteraad van de gemeente waar het project geheel of in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd, heeft verklaard dat hij daartegen geen bedenkingen heeft, tenzij artikel 3.2, aanhef en onder b, van dit besluit of artikel 3.36 van de Wet ruimtelijke ordening van toepassing is.

1.4. De gronden waarop het bouwplan Forum is voorzien zijn gelegen in het plangebied van het bestemmingsplan “Coolsingel en omgeving” (bestemmingsplan). Het bestemmingsplan is door de gemeenteraad vastgesteld op 2 december 1993 en op 16 januari 1996 onherroepelijk geworden.

Op grond van artikel 1 van de Voorschriften bij het bestemmingsplan (voorschriften) is peil

- voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van de kruin van de weg;

- voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang na voltooiing van de aanleg van dat terrein.

Indien een bouwwerk aan meer dan een weg wordt gebouwd, is het peil van de hoogstgelegen weg maatgevend.

Op grond van artikel 2 van de voorschriften zijn de voor "stadscentrum" aangewezen gronden bestemd voor:

a. verkeers- en verblijfsruimte met de daarbij behorende bouwwerken van verkeerstechnische aard, trambanen met bijbehorende voorzieningen en straatmeubilair in zone l;

b. gebouwen, waarin zijn toegestaan:

in zone I

- winkels en horeca in één bouwlaag uitsluitend ter plaatse van de op de plankaart daartoe

gegeven aanduidingen.

- voor zover onder peil gelegen en van een rechtstreekse verbinding met de straat voorzien:

winkels, horeca en verblijfsruimte, ter plaatse van de aanduiding "winkels beneden straatpeil

toegestaan";

in zone II

- op de begane grond:

winkels, horeca en ontsluitingswegen, alsmede voorzieningen voor het functioneren van de op de verdiepingen gesitueerde bestemmingen, zoals ontsluitingen en dergelijke;

- op de verdiepingen:

winkels, horeca, woningen, kantoren en bijzondere doeleinden, voorzover de toegestane

hogere grenswaarden in gevolge de Wet geluidhinder niet worden overschreden;

in zone III t/m V

- op de begane grond:

winkels, horeca, bijzondere doeleinden, parkeervoorzieningen en ontsluitingswegen, alsmede voorzieningen voor het functioneren van de op de verdiepingen gesitueerde bestemmingen, zoals ontsluitingen en dergelijke;

- op de verdiepingen:

winkels, horeca, woningen, kantoren, parkeervoorzieningen, woningen en bijzondere

doeleinden voorzover de toegestane hogere grenswaarden in gevolge de Wet geluidhinder

niet worden overschreden.

Met dien verstande dat:

horeca in de gebieden zoals aangegeven op het tot de beschrijving in hoofdlijnen behorend

kaartje "horecaconcentraties en woongebieden" in gebied:

- C1 overal is toegestaan;

- C2 is beperkt. Het aantal m2 bestemd voor horeca mag niet meer bedragen dan 10% van het volume van de bebouwing per aaneengegeven bebouwingseenheid;

- C3 is beperkt tot de begane grond. Bovendien geldt dat het aantal m2 bestemd voor horeca niet meer mag bedragen dan 7,5% van het volume van de bebouwing per aangegeven

bebouwingseenheid;

- C4 is beperkt tot de begane grond. Bovendien geldt dat het aantal m2 bestemd voor horeca niet meer mag bedragen dan 5% van het volume van de bebouwing per aangegeven

bebouwingseenheid,

- C5 is beperkt tot de begane grond. Bovendien geldt dat het aantal m2 bestemd voor horeca niet meer mag bedragen dan 2,5% van het volume van de bebouwing per aangegeven

bebouwingseenheid.

- W niet is toegestaan tenzij dit gewenst is ter ondersteuning van de woonfunctie;

en buiten de op dit kaartje aangegeven gebieden slechts is toegestaan indien de overige functies er door worden ondersteund. Onder de Bijlagen is opgenomen het "Overzicht toegestane oppervlakte horeca" waarin per bebouwingseenheid de toegestane oppervlakte horeca is aangegeven;

wonen is toegestaan in de gebieden, die als woongebied zijn aangegeven op het tot de beschrijving in hoofdlijnen behorende kaartje "horecaconcentraties en woongebieden", en buiten die gebieden slechts is toegestaan indien de overige functies er door worden ondersteund;

kantoren zijn toegestaan tot een maximum vloeroppervlakte van 425.000 m2.

Op grond van artikel 4, eerste lid, van de voorschriften geldt binnen de op de kaart aangegeven bebouwingszones als ten hoogste toegelaten

bouwhoogte (goothoogte ten opzichte van het peil):

zone I: 5 m;

zone II: 10 m;

zone lII: 40 m;

zone IV: 70 m;

zone V: 100 m;

Op grond van artikel 4, tweede lid, van de voorschriften kunnen burgemeester en wethouders met inachtneming van de beschrijving in hoofdlijnen vrijstelling verlenen van het plan:

a. indien op ondergeschikte punten een geringe afwijking in de begrenzing, het beloop of het

profiel van een weg, de ligging of de vorm van een bouwblok of een terrein c.q. waterloop

of de hoogte van een bouwwerk in het belang van het te verwachten verkeer, de

volkshuisvesting en/of een behoorlijke bebouwingafwijkingen c.q. inrichting noodzakelijk is, dan wel de noodzaak daartoe bij uitzetting van het plan op het terrein blijkt;

b. ten behoeve van het toelaten van een bouwhoogte van ten hoogste

15

m. in zone II;

70

m. in zone III;

100

m. in zone IV;

150 m. in zone V;

waar zulks uit functionele eisen van een bouwplan voortvloeit en dit geen beletselen van

stedebouwkundige aard oproept met dien verstande dat de bepalingen van de Wet geluidhinder ten aanzien van de vaststelling of herziening van een bestemmingsplan op overeenkomstige wijze moeten zijn toegepast, terwijl voorts de vrijstelling in zone IV en V binnen het met "straalpad" aangeduide gebied eerst mag worden verleend na overleg met de beheerder van het straalpad;

c. ten behoeve van het overschrijden van de op de plankaart aangegeven begrenzing van de

verschillende zones en met ten hoogste 20 m. onder de volgende voorwaarden:

- de oppervlakte van enige zone mag met ten hoogste 20% worden vergroot;

- de overschrijding moet wenselijk zijn in verband met het bouwprogramma en in de

desbetreffende situatie op stedebouwkundig verantwoorde wijze mogelijk zijn, terwijl het wegenbeloop niet wezenlijk mag worden aangetast;

- indien de overschrijding meer dan 10 m. bedraagt wordt de vrijstelling slechts verleend nadat het plan gedurende veertien dagen voor eenieder ter inzage heeft gelegen en geen gegronde bezwaren zijn ingediend;

- de bepalingen van de Wet geluidhinder ten aanzien van de vaststelling of herziening van een bestemmingsplan moeten op overeenkomstige wijze zijn toegepast.

d. ten behoeve van het overschrijden dan wel verschuiven van de aanduiding kiosken met ten hoogste 20 meter, onder de volgende voorwaarden:

- de oppervlakte van elk van de met 'kiosken' aangeduide gebieden mag met ten hoogste 20% worden vergroot;

- de vrijstelling wordt slechts verleend nadat het plan gedurende veertien dagen voor eenieder ter inzage heeft gelegen en geen gegronde bedenkingen zijn ingediend;

- er dient minimaal een vrije doorgang van 6 meter ten behoeve van voetgangers aanwezig te zijn tussen de gevel van de kiosk en de andere gevel(s).

Op grond van artikel 4, derde lid, van de voorschriften is het scheppen van nieuwe situaties als bedoeld in de Wet geluidhinder - al dan niet met vrijstelling of wijziging van dit plan - slechts toegestaan voorzover de ten hoogste toegestane geluidbelasting of de toegestane hogere grenswaarden niet worden overschreden.

1.5.

Verweerder kent een hoogbouwbeleid, dat beschreven is in de Hoogbouwvisie 2011, een stad zonder hoogtevrees die stevig met de voeten in het Rotterdamse staat, herziening, goedgekeurd door de gemeenteraad op 16 maart 2011. De herziening bestaat uit een viertal onderdelen die de kern van het beleid vormen. Het klimaat (zon en wind) is één van die onderdelen. In deze Hoogbouwvisie is een kaart opgenomen, waarin zogenaamde sunspots zijn gedefinieerd. Binnen deze sunspots mag in principe geen verslechtering plaatsvinden in de periode tussen 21 maart en 21 september en binnen een voor de spots specifieke tijdsperiode, in onderhavige geval rond het bouwplan in de periode tussen 12.00 uur en 18.00 uur.

1.6.

Ten behoeve van de ontwikkeling van de ABN-AMRO-locatie is door de gemeente Rotterdam en Multi Vastgoed een gezamenlijk product ontwikkeld: Stedenbouwkundige randvoorwaarden ABN AMRO locatie (hierna: de Stedenbouwkundige randvoorwaarden) van 26 januari 2010. Daarin is, voor zover hier van belang, een aantal plekken vastgelegd waar een goede bezonning bijzonder van belang is. De bezonning van deze ‘sunspots’ mag niet achteruitgaan door toekomstige ontwikkelingen. Hierbij zal de bestaande situatie en de in het bestemmingsplan mogelijke situatie worden meegenomen in de beoordeling van het plan.

Feiten en omstandigheden

2.1.

Het bouwplan voorziet in de gedeeltelijke sloop, restauratie van en nieuwbouw aan dan wel achter het rijksmonument Coolsingel 119 (voormalige ABN-AMRO bank). Het gebouw zal bestaan uit twintig bouwlagen, waarvan zich er twee ondergronds bevinden. Het bouwplan voorziet in de aanleg van een ondergrondse expeditiestraat ter plaatse van de Hennekijnstraat/Van Oldenbarneveltplaats en een ondergrondse voetgangersverbinding tussen de Beurstraverse en het bouwplan. Het gebouw zal in gebruikgenomen worden door winkels, kantoren, woningen, horeca- en leisurevoorzieningen en een hotel. Het te ontwikkelen gebouw wordt omsloten door de Van Oldenbarneveltplaats, het Binnenwegplein en de Coolsingel.

2.2.

Eiser exploiteert een cafébedrijf met terrassen gelegen aan de [adres].

Standpunten

3.1.

Bij het bestreden besluit is door verweerder aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wabo. De vereiste goede ruimtelijke onderbouwing is opgenomen in het document “Ruimtelijke onderbouwing Forum Rotterdam” van Mees Ruimte en Milieu van 20 maart 2013. Gelet op het bepaalde in artikel 2.27, eerste lid, van de Wabo in samenhang met artikel 6.5, eerste lid, van het Bor heeft de gemeenteraad ten behoeve van het bouwplan een verklaring van geen bedenkingen afgegeven op 20 juni 2013.

Het plan is gelegen in het bestemmingsplan “Coolsingel en omgeving” en heeft hierin de bestemming Stadscentrum. Het plan past grotendeels in deze bestemming. Op een vijftal punten is strijd met het bestemmingsplan, te weten:

1.

overschrijding van de toegestane bouwhoogte;

2.

overschrijding van het gebied “winkels beneden straatpeil toegestaan” in de bestemming “Stadcentrum zone I”;

3.

overschrijding van de grenzen van het gebied met de bestemming “Stadcentrum zone V”;

4.

het realiseren van een ondergrondse expeditiestraat ter plaatse van de Hennekijkstraat/Van Oldenbarneveltplaats/Van Oldenbarnevelthof;

5.

ondergronds bouwen (de kelderverdiepingen van Forum).

Voor de overschrijdingen genoemd onder 1 tot en met 3 is een vrijstelling mogelijk middels het bestemmingsplan (binnenplans). Overschrijdingen genoemd onder 4 en 5 kunnen slechts gerealiseerd worden middels een buitenplanse vrijstelling. Verweerder heeft besloten toepassing te geven aan artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wabo.

3.2.

Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en stelt dat hij nimmer is gehoord omtrent zijn zienswijze. Bovendien heeft verweerder nagelaten een formeel besluit te nemen tot ongegrondverklaring van de door hem ingediende zienswijze tegen de ontwerp-omgevingsvergunning. Eiser is van mening dat de hoogte van het bouwplan meer dan 70 meter bedraagt. Hij stelt dat aan het bestreden besluit geen goede ruimtelijke onderbouwing ten grondslag ligt, dat het bouwplan tot een verslechtering leidt van de binnen de in de Hoogbouwvisie 2011 en de Stedenbouwkundige randvoorwaarden aangewezen sunspot. Eiser verwijst daartoe naar de diverse door Kraak en Tack opgestelde bezonningsrapporten. Reeds de enkele omstandigheid dat verweerder de ruimtelijke onderbouwing niet zelf heeft opgesteld, maar heeft laten uitvoeren door Mees, Ruimte & Milieu, brengt naar de mening van eiser met zich dat geen sprake is van een goede ruimtelijke onderbouwing. Eiser meent dat verweerder artikel 4, vierde lid, van de voorschriften niet in acht heeft genomen, omdat het bouwplan, indien het een succes wordt, een aantasting zal opleveren van het kernwinkelapparaat, welke wordt gedragen door de Lijnbaan. Bovendien dient volgens de Beschrijving in Hoofdlijnen de Lijnbaan kwalitatief te worden opgewaardeerd en niet de Coolsingel, de Van Oldenbarneveltplaats en het Binnenwegplein. Het bouwplan leidt naar de mening van eiser tot overschrijding van de in de Wet geluidhinder maximaal toegestane geluidsbelasting c.q. grenswaarden. Eiser vindt de stelling van verweerder dat het niet mogelijk is 379 parkeerplaatsen op eigen terrein te realiseren onvoldoende onderbouwd. Hij handhaaft zijn zorgen omtrent het ontbreken van een afbouwgarantie. Eiser stelt dat niet is getoetst of de windhinder conform de NPR 6079 aanvaardbaar is. Eiser meent dat verweerder bij het voeren van de openbare voorbereidingsprocedure bestuurlijk onzorgvuldig heeft gehandeld door het onduidelijk publiceren van het verkeersbesluit, het incompleet vermelden van de openbare wegen waarop het bouwproject betrekking heeft en het niet deponeren van de bij de door eiser ingediende zienswijze behorende producties op de website. Eiser stelt ten slotte dat zijn belangen onvoldoende zijn meegenomen bij het bestreden besluit.

4.

Beoordeling

4.1.

De rechtbank stelt voorop dat het niet mogelijk is separaat beroep in te stellen tegen het raadsbesluit omtrent de verklaring van geen bedenkingen (en het ongegrond verklaren van de daartegen door eiser ingediende zienswijze) en tegen het besluit geen exploitatieplan vast te stellen, maar dat het beroep daartegen gekoppeld is aan het beroep tegen het bestreden besluit.

4.2.

Met de beroepsgrond van eiser dat hij nimmer is gehoord over de door hem ingediende zienswijze tegen de ontwerp-verklaring van geen bedenkingen en de ontwerp- omgevingsvergunning stelt de rechtbank vast dat eiser er voor gekozen heeft schriftelijk zijn zienswijze naar voren te brengen over de ontwerp-verklaring van geen bedenkingen en de ontwerp-omgevingsvergunning. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 3:15 van de Awb was verweerder derhalve niet gehouden eiser daaromtrent te horen. De rechtbank stelt vast dat verweerder eiser bij brief van 3 juli 2013 (onder meer) heeft meegedeeld dat op 24 mei 2013 een zienswijzerapportage is opgesteld waarin inhoudelijk gemotiveerd wordt waarom de ingediende zienswijze geen aanleiding heeft gegeven het voornemen tot het verlenen van de omgevingsvergunning te herzien. In het bestreden besluit staat voorts dat de door eiser ingediende zienswijze geen aanleiding geeft tot aanpassing van het ontwerp-besluit. De stelling dat verweerder heeft nagelaten een formeel besluit te nemen tot ongegrondverklaring van de door eiser ingediende zienswijze tegen de ontwerp- omgevingsvergunning acht de rechtbank derhalve onjuist.

4.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Om het bouwplan mogelijk te maken heeft verweerder met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de Wabo een omgevingsvergunning verleend. Aangezien de gemeenteraad van de gemeente Rotterdam bij besluit van 20 juni 2013 heeft verklaard geen bedenkingen te hebben is aan de formele eisen voor het volgen van deze afwijkingsprocedure voldaan.

4.4.

De ruimtelijke onderbouwing van het bouwplan is opgenomen in het document “Ruimtelijke onderbouwing Forum Rotterdam” van Mees Ruimte en Milieu van 20 maart 2013. De eisen waaraan een goede ruimtelijke onderbouwing moet voldoen zijn neergelegd in artikel 5.20 van het Bor in samenhang met de artikelen 3.1.2, 3.1.6 en 3.3.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Naarmate de ruimtelijke gevolgen van het afwijkingsbesluit ingrijpender zullen zijn ten opzichte van het vigerende planologische regime en de inbreuk daarop groter, worden hogere eisen aan de inhoud en de kwaliteiten van de ruimtelijke onderbouwing gesteld.

De rechtbank is van oordeel dat in dit geval de planologische ingreep niet ingrijpend is, omdat het bestemmingsplan voor de in overweging 3.1. onder de punten 1 tot en met 3 genoemde strijdigheden binnenplanse afwijkingsmogelijkheden bevat.

De enkele omstandigheid dat de ruimtelijke onderbouwing van het bouwplan is opgesteld door Mees, Ruimte en Milieu, brengt - anders dan eiser stelt - niet met zich dat geen sprake is van een goede ruimtelijke onderbouwing. Met de voorzieningenrechter is de rechtbank van oordeel dat met de anterieure exploitatieovereenkomst “Forum Rotterdam”, waarin met vergunninghoudster is overeenkomen dat zij voor eigen rekening en risico de goede ruimtelijke onderbouwing zal opstellen terwijl de gemeente volledig haar publiekrechtelijke bevoegdheid en verantwoordelijk behoudt ten aanzien van het publiekrechtelijke besluitvormingsproces, de democratische besluitvorming afdoende is geborgd.

Een belangrijk onderdeel van de ruimtelijke onderbouwing is de bezonning. In dit verband is het onder punt 1.5 genoemde hoogbouwbeleid, dat beschreven is in de Hoogbouwvisie 2011 van belang. De in dit beleid opgenomen regels met betrekking tot de zogenaamde sunspots, die door de rechtbank niet kennelijk onredelijk worden geacht, zijn blijkens dit beleid slechts van toepassing als de geplande hoogbouw boven de 70 meter komt. De rechtbank stelt vast dat in de Hoogbouwvisie 2011 niet wordt vermeld op welke wijze de hoogte van een bouwwerk wordt gemeten, zodat verweerder in zoverre terecht aansluiting heeft gezocht bij artikel 1 van de planvoorschriften. Volgens dit artikel is het peil van de hoogstgelegen weg maatgevend indien een bouwwerk aan meer dan een weg wordt gebouwd. Aangezien de Coolsingel op 0,45 meter boven NAP ligt, is het peil van de Coolsingel maatgevend. In het midden kan derhalve blijven of zich daar een hoofdingang bevindt. Blijkens de tekenset behorende bij de aanvraag is de goothoogte van het bouwplan 69,29 meter boven NAP. Verweerder heeft dan ook terecht vastgesteld dat de hoogte van het gebouw, gemeten vanaf het (straat)peil van de hoogstgelegen weg tot aan de goothoogte van het gebouw 68,84 meter bedraagt en dus minder dan 70 meter is. De rechtbank is dan ook met verweerder van oordeel dat de Hoogbouwvisie 2011 strikt genomen niet van toepassing is. Verweerder heeft niettemin bij het verlenen van de omgevingsvergunning zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de regels van de Hoogbouwvisie 2011.

In de Hoogbouwvisie 2011 is een kaart opgenomen, waarin de sunspots worden gedefinieerd. Binnen deze sunspots mag in principe geen verslechtering van de bezonning plaatsvinden in de periode tussen 21 maart en 21 september en binnen een voor de spots specifieke tijdsperiode. De sunspots in de Hoogbouwvisie rond Forum hebben betrekking op de periode tussen 12:00 uur en 18:00 uur.

Peutz heeft onderzoek gedaan naar de bezonning, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport van 12 december 2012 (kenmerk GA 16081-1-RA-005), dat ten grondslag is gelegd aan de ruimtelijke onderbouwing en welke worden bevestigd door de nadien ingestelde onderzoeken en opgestelde rapporten/notities van Peutz en worden onderschreven door verweerder.

Voor de sunspot kunnen uit een vergelijking tussen de geplande bebouwingssituatie met de bestemmingsplansituatie de volgende conclusies worden getrokken:

- ten opzichte van de bestemmingsplansituatie is slechts lokaal een beperkte negatieve invloed op het mogelijke aantal zonuren te verwachten. In en rond de Beurstraverse is de bezonningssituatie in de geplande bebouwingssituatie aanzienlijk gunstiger dan in de bestemmingsplansituatie;

- met name in maart en september is er lokaal een beperkte afname van de bezonning ten opzichte van de bestemmingsplansituatie;

- op de overige maanden is er met name op een deel van de Coolsingel en lokaal op de Lijnbaan een beperkte afname te verwachten;

- ten noorden van het bouwplan en op een ander deel van de Coolsingel is er een toename van de bezonning ten opzichte van de bestemmingsplansituatie;

- gemiddeld is de bezonning in de geplande bebouwingssituatie gunstiger dan in de bestemmingsplansituatie.

Voor het terras van [naam 2] kunnen uit een vergelijking tussen de geplande bebouwingsituatie met de bestemmingsplansituatie de volgens conclusies worden getrokken:

- op 21 maart en 21 september vindt er ten opzichte van de bestemmingsplansituatie slechts een verschuiving van de bezonning plaats;

- op 21 april en 21 augustus is er een lichte verbetering van de bezonningssituatie ten opzichte van de bestemmingsplansituatie;

- in de tussenliggende maanden is er geen invloed van het bouwplan of bestemmingsplansituatie op de bezonning van het terras.

Uit de aanvullende vergelijking tussen de geplande bebouwingssituatie met de huidige bebouwingssituatie kunnen de volgende conclusies worden getrokken:

- ten opzichte van de huidige bebouwingssituatie is een verbetering te verwachten aan de zuidzijde van de westelijke Beurstraverse;

- op de Coolsingel is, gelet op de stedenbouwkundige context, een relatief geringe afname van de bezonning te verwachten;

- ter plaatse van het terras van eiser is alleen in de maanden maart en september een relatief beperkte afname van het aantal zonuren te verwachten. In april en augustus is er een zeer beperkte afname van de bezonning op een beperkt deel van het terras. In de tussenliggende maanden is er geen invloed vanwege de nieuwbouwplannen.

Anders dan eiser is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden gezegd dat het onderzoek van Peutz niet voldoet aan de daaraan te stellen zorgvuldigheidseisen en dat de juistheid van de daaraan verbonden conclusies in twijfel getrokken dient te worden. Tijdens de zittingen van 6 november 2013 en 21 januari 2014 en in de door Peutz ingediende aanvullende rapporten is genoegzaam weerlegd dat bij het onderzoek is uitgegaan van een half open gevel in plaats van een gesloten gevel tussen de twee hoogbouwdelen. Tevens is voldoende uiteengezet dat aan de diverse figuren van het bezonningonderzoek een groot aantal rekenpunten ten grondslag ligt: elke pixel in de gepresenteerde figuren is het resultaat van een rekenkundige bepaling van de bezonningsduur op dat punt met een tijdsresolutie van vijf minuten.

Op grond van vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) (onder meer ECLI:NL:RVS:2010:BN1151 en ECLI:NL:RVS:2007:BA7100) is bij een vergelijking van de bezonningssituatie bepalend wat op grond van het bestemmingsplan maximaal aan bebouwing of anderszins kan worden gerealiseerd, ongeacht of verwezenlijking daadwerkelijk plaatsvindt. Gelet hierop heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat het bouwplan wat betreft de bezonningssituatie, dient te worden vergeleken met de bestemmingsplansituatie. In dit kader merkt de rechtbank met betrekking tot het door eiser genoemde milieueffectrapport inzake Weenapoint, waarin een vergelijking is gemaakt tussen de feitelijke situatie en de geplande (bouwplan)situatie nog op dat in dat geval sprake was van een afwijkend toetsingskader, omdat in dat geval een bestemmingsplan werd opgesteld in plaats van dat daarvan werd afgeweken. Bovendien was de Hoogbouwvisie 2011 vanwege de bouwhoogte van Weenapoint (120 meter) in die kwestie wel van toepassing. De omstandigheid dat in de Stedenbouwkundige randvoorwaarden is aangegeven dat daarnaast een vergelijking dient te worden gemaakt met de huidige situatie brengt de rechtbank evenmin tot een ander oordeel. Het betreft namelijk een ambitienotitie tussen de gemeente Rotterdam en vergunninghoudster. In dit document is uitdrukkelijk het volgende opgenomen: “wanneer het bouwplan mocht afwijken van de in dit document voorkomende uitgangspunten en illustraties, is dit dus mogelijk indien hiermee de ambities worden bereikt”. Dit betekent dan ook dat in het voorliggende geschil geringe betekenis toekomt aan de Stedenbouwkundige randvoorwaarden.

De effecten van het bouwplan wat betref de bezonning van de sunspot met inbegrip van het terras van eiser zijn vanuit die visie onderzocht door Peutz. De rechtbank is van oordeel dat de diverse bezonningstudies van Kraak en Tack, waarbij een beoordeling wordt gegeven van de bezonningssituatie in de bestaande bebouwingssituatie en de geplande bebouwingssituatie, een gelet op voornoemde jurisprudentie van de Afdeling niet-relevante vergelijking is en in zoverre niet kan bijdragen aan de beoordeling van het voorgelegde geschil.

Het terras van eiser is gelegen binnen de sunspot van de Lijbaan-Van Oldenbarneveltplaats-trappen van de Beurs. Uit de bezonningsstudie van Peutz is gebleken dat per saldo geen verslechtering plaatsvindt in deze sunspot binnen de aangewezen tijden van gebruik bij vergelijking met het bestemmingsplan. Anders dan eiser acht de rechtbank deze saldo-benadering niet in strijd met het gestelde in de Hoogbouwvisie 2011.

Uit de bezonningsstudie van Peutz is voorts gebleken dat in de maanden maart en april een verschuiving zal optreden in de bezonning van het terras van eiser bij vergelijking met het bestemmingsplan. Anders dan eiser is de rechtbank van oordeel dat een verschuiving van de bezonning niet in strijd is met het gestelde in de Hoogbouwvisie 2011. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat uit het onderzoek van Peutz niet is gebleken dat de bezonningssituatie op het terras van eiser is verslechterd.

Wel blijkt uit de bezonningstudie van Peutz dat bij vergelijking met de bestaande situatie er ter plaatse van het terras van eiser in de maanden maart en september een relatief beperkte afname van het aantal zonne-uren te verwachten is en in april en augustus een zeer beperkte afname van de bezonning. Verweerder heeft deze afname van bezonning bij vergelijking met de bestaande situatie uitdrukkelijk in zijn belangenafweging betrokken. De rechtbank zal hierop onder punt 4.5 nader ingaan.

Naast de bezonning is in opdracht van vergunninghoudster door Peutz een onderzoek uitgevoerd naar het te verwachten windklimaat rondom het definitief ontwerp van het bouwplan, waarvan de resultaten zijn neergelegd in het rapport van 15 maart 2013 (kenmerk GC 16081-3-RA-003. Uit dit rapport van 15 maart 2013 blijkt dat het te verwachten windklimaat op het terras van [naam 2] goed is en blijft. In het kader van het bouwplan Forum zijn voorts twee geluidsrapporten opgesteld. Enerzijds is onderzocht welke geluidsbelasting zal worden geleden ter plaatse van de woningen in het geprojecteerde gebouw Forum Rotterdam (rapport van 18 maart 2013, kenmerk GD 16081-2-RA-002). Dit rapport heeft geleid tot het besluit van 28 juni 2013 om hogere grenswaarden vast te stellen. Uit het rapport blijkt dat overal voldaan wordt aan de maximale ontheffingswaarde uit de Wet geluidhinder van 63 dB. Anderzijds is onderzocht welke geluidsbelasting het bouwplan Forum zal veroorzaken in de omgeving ten gevolge van de expeditietunnel, waarvan de resultaten zijn neergelegd in het rapport van 15 maart 2013 (kenmerk GD 16081-1-RA-001). Uit dit rapport blijkt dat bij realisatie van de expeditietunnel geen sprake zal zijn van relevante verslechtering van het akoestisch woon- en leefklimaat. Dat eiser, die geen deskundigenrapporten heeft overgelegd om voorgaande conclusies te weerleggen, het daarmee niet eens is, betekent niet dat de door Peutz verrichte onderzoeken, die door de rechtbank voldoende inzichtelijk worden geacht, onzorgvuldig of onvolledig zijn geweest en verweerder de aan deze onderzoeken verbonden conclusies niet aan het bestreden besluit ten grondslag heeft mogen leggen.

Met betrekking tot de beroepsgronden van eiser omtrent de parkeereisen, de expeditiesituatie, de uitvoerbaarheid van het bouwplan en de afbouwgarantie overweegt de rechtbank dat de rechtsregels waarop eiser zich in dat kader beroept niet strekken tot de bescherming van de belangen van eiser, zodat deze betogen van eiser reeds op grond van artikel 8:69a van de Awb buiten inhoudelijke bespreking blijven.

Ten aanzien van het eerst ter zitting van 21 januari 2014 door de gemachtigde van eiser ingenomen standpunt dat de feitelijke informatie in de ruimtelijke onderbouwing met betrekking tot het bouwblok onvolledig is en dat uit de ruimtelijke onderbouwing evenmin blijkt dat onderzoek is verricht naar de benzeenconcentratie in de ondergrondse vrachtwagenlift, expeditietunnel en expeditiehof, wijst de rechtbank er op dat het op grond van artikel 1.6a van de Chw niet mogelijk is na afloop van de beroepstermijn van zes weken gronden aan te voeren. De rechtbank zal deze gronden dan ook onbesproken laten.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de ruimtelijke onderbouwing van de omgevingsvergunning niet tekort schiet.

4.5.

Vervolgens dient de rechtbank te beoordelen of verweerder bij afweging van de betrokken belangen van zijn bevoegdheid om af te wijken van het bestemmingsplan gebruik heeft mogen maken. Nu het afwijkingsbesluit het resultaat is van een politiek-bestuurlijke afweging waarbij aan verweerder beleidsvrijheid toekomt, dient het door de rechter slechts terughoudend te worden getoetst.

Uit bovengenoemde bezonningstudie van Peutz blijkt dat bij vergelijking met de bestaande situatie er ter plaatse van het terras van eiser in de maanden maart en september een relatief beperkte afname van het aantal zonne-uren te verwachten is en in april en augustus een zeer beperkte afname van de bezonning. De rechtbank is van oordeel dat verweerder bij de afweging van de belangen doorslaggevend gewicht heeft mogen toekennen aan het belang gediend bij het doorgaan van het bouwplan. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een geringe afname van de bezonningssituatie op het terras van eiser in het voor- en naseizoen bij vergelijking met de bestaande situatie niet opweegt tegen het bouwplan als zodanig. Tegenover de geringe afname in bezonning valt er bij vergelijking met de bestaande situatie een verbetering te verwachten in de bezonningssituatie aan de zuidzijde van de westelijke Beurstraverse. Voorts past het bouwplan binnen de ambitie zoals die uit de Stedenbouwkundige randvoorwaarden en Hoogbouwvisie 2011 naar voren komt, te weten: het ontwikkelen van de binnenstad tot een kwaliteitsplek voor ontmoeting, verblijf en vermaak voor bewoners, bedrijven en bezoekers (City lounge). Daarbij komt dat de uitgangspunten van de Stedenbouwkundige randvoorwaarden inmiddels zijn verlaten vanwege de vaststelling op 16 oktober 2012 door verweerder van de startnotitie voor het bestemmingsplan Lijnbaankwartier-Coolsingel. Forum is één van de bouwprojecten die in dit bestemmingsplan expliciet worden meegenomen.

4.6.

Met betrekking tot de beroepsgrond dat eiser bij het voeren van de openbare voorbereidingsprocedure van het bestreden besluit bestuurlijk onzorgvuldig heeft gehandeld, overweegt de rechtbank dat het verkeersbesluit tot onttrekking van de weg aan de openbaarheid niet in onderhavige procedure aan de orde is, maar dat daarvoor een aparte procedure bij deze rechtbank aanhangig was (procedurenummer AWB 12/5055, waarin op 6 februari 2014 uitspraak is gedaan). Naar het oordeel van de rechtbank kan op basis van de ter inzage gelegde stukken, waaronder de vele tekeningen, evenmin worden gezegd dat onduidelijkheid heeft bestaan over de ligging en omvang van het bouwplan. Dit geldt eveneens voor de kennisgeving van het bouwplan. De in deze beroepsgrond eveneens opgeworpen stelling dat de raadsleden voorafgaand aan de besluitvorming niet de beschikking hadden over de bij de eiser ingediende zienswijze gevoegde producties, wordt naar het oordeel van de rechtbank voldoende ontkracht doordat is gebleken dat voorafgaand aan de behandeling in de raad alle van belang zijnde stukken aanwezig waren.

4.7.

Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit in stand kan blijven en dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

4.8.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F. Frankruijter, voorzitter, en mrs. W.M.P.M. Weerdesteijn en C.F.J. de Jongh, leden, in aanwezigheid van mr. J.V. Baan-de Vries, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 april 2014.

griffier voorzitter

Afschrift aan partijen verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Op grond van artikel 1.6a van de Crisis- en herstelwet kunnen na genoemde zes weken geen gronden meer worden aangevoerd.