Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:2486

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
03-04-2014
Datum publicatie
16-07-2014
Zaaknummer
AWB - 13_04584
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ambtenarenrecht, ongeschiktheidsontslag, bewust onjuiste uren ingevuld, verbeterkans was eerder al gegeven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 2

zaaknummer: ROT 13/4584

uitspraak van de meervoudige kamer van 3 april 2014 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. J.C.A. Keulers,

en

de staatssecretaris van Financiën, verweerder,

gemachtigde: mr. J. van Leersum.

Procesverloop

Bij besluit van 15 januari 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser met ingang van 15 februari 2013 eervol ontslag verleend op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid anders dan wegens ziels- of lichaamsgebreken.

Bij besluit van 6 juni 2013 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 februari 2014. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

Eiser was aangesteld als medewerker Douane, [functie]
Bij besluit van 4 juli 2011 heeft verweerder eiser een disciplinaire straf opgelegd in de vorm van een schriftelijk berisping in combinatie met een vermindering van het recht op jaarlijkse vakantie vanwege zijn tijdens werktijd in een radio-uitzending gedane uitlatingen over de Douane [locatie]. Eiser is er hierbij op gewezen dat bij een eerstvolgende gedraging of handeling die niet toelaatbaar is, verweerder kan overgaan tot het treffen van zwaardere maatregelen.
Na een meting van de bezetting op 23 oktober 2012 is een aantal onregelmatigheden geconstateerd, waarmee eiser op 3 november 2012 in een gesprek met zijn leidinggevende [a] is geconfronteerd. Op 4 november 2012 heeft tussen eiser en [a] telefonisch een gesprek plaatsgevonden. Op 12 november 2012 heeft tussen eiser en [a] wederom een gesprek plaatsgevonden, in het bijzijn van een juridisch beleidsmedewerker. Bij besluit van 13 november 2012 heeft verweerder eiser de ordemaatregel van ontzegging van de toegang tot de dienstgebouwen en het werk alsmede schorsing in zijn ambt opgelegd.

2.

Aan het bij het bestreden besluit gehandhaafde ongeschiktheidsontslag heeft verweerder de volgende verwijten ten grondslag gelegd:

- op 23 september 2012 was eiser ongeoorloofd afwezig, waarvoor hij een aantoonbaar onjuiste verklaring heeft afgelegd;

  • -

    op 1 oktober 2012 heeft eiser zijn urenregistratie op onjuiste wijze uitgevoerd door voor 23 september 2012, een dag waarop hij niet heeft gewerkt, 8 gewerkte uren te boeken in SAP;

  • -

    op 17 oktober 2012 heeft eiser zijn urenregistratie voor 7 oktober 2012, een dag waarvoor hem verlof was verleend en waarop hij niet heeft gewerkt, op onjuiste wijze uitgevoerd door voor die dag 8 gewerkte uren te boeken in SAP;

  • -

    tijdens de confrontatie van eiser hiermee heeft hij zich ernstig misdragen door zich boos en onzeglijk op te stellen.

Verweerder acht het niet aannemelijk dat de geconstateerde onregelmatigheden in de urenregistratie anders dan bewust kunnen hebben plaatsgevonden. Hiermee heeft eiser volgens verweerder, ondanks de hem in 2011 opgelegde maatregel, wederom in strijd gehandeld met de van hem verlangde integriteit.

3.

Eisers betoog dat verweerder hem in redelijkheid geen ontslag heeft kunnen verlenen wegens ongeschiktheid voor zijn functie, faalt.

3.1.

Op grond van artikel 98, eerste lid, aanhef en onder g, van het Algemeen Ambtenarenreglement (ARAR) kan de ambtenaar worden ontslagen op grond van

onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken.

Deze ongeschiktheid dient volgens vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) te bestaan uit het ontbreken van eigenschappen, mentaliteit en instelling die voor het op goede wijze vervullen van de functie vereist zijn en dient te worden aangetoond aan de hand van concrete gedragingen van de ambtenaar (o.a. de uitspraken

van 24 april 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD0977 en van 14 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ4250).

3.2.

De rechtbank stelt op grond van de stukken vast dat eiser op het jaarrooster voor 2012 ingeroosterd stond voor 23 september 2012. Voorts stelt de rechtbank vast dat eiser op 14 juni 2012 per e-mail verlof heeft aangevraagd voor 23 september 2012, hetgeen vervolgens door [a] nog diezelfde dag per e-mail is geweigerd in verband met de bezetting. Eisers standpunt dat hij al in december 2011 verlof voor die dag had gevraagd en zou hebben gekregen, is in dit licht dan ook ongeloofwaardig. Dat eiser in zijn privéagenda een kruis had gezet door die dag en op het jaarrooster die dag had gewit met tipex, maakt niet dat hij ervan uit mocht gaan dat hij vrij was. Nu vaststaat eiser die dag moest werken, is eiser ongeoorloofd niet op zijn werk verschenen en heeft hij ten onrechte 8 gewerkte uren in SAP geboekt. De rechtbank acht het niet geloofwaardig dat eiser bij het invullen van SAP op 1 oktober 2012, ruim een week na 23 september 2012, niet meer zou hebben geweten dat hij 23 september 2012 niet heeft gewerkt, mede gelet op het feit dat eiser op 22 september 2012 als diskjockey op een verjaardagsfeest had gewerkt, en het hem niet ontgaan kan zijn dat hij de dag erna niet had gewerkt. Bovendien, zo heeft verweerder onbetwist gesteld, had eiser te weinig verlof om die dag vrij te nemen.

De rechtbank concludeert hieruit dat eiser opzettelijk en in strijd met de waarheid 8 gewerkte uren in SAP heeft geboekt voor 23 september 2012 .

3.3.

De rechtbank stelt op grond van de stukken vast dat eiser op 28 december 2011, voorafgaand aan de vaststelling van het jaarrooster voor 2012, van [a] toestemming heeft gekregen om op 7 oktober 2012 verlof te nemen, maar dat eiser dit verlof vervolgens niet daadwerkelijk bij het roosterbureau heeft aangevraagd, zodat hij voor 7 oktober 2012 voor 8 uren stond ingeroosterd en dit ook in SAP was vermeld. Eiser heeft vervolgens 3 dagen na 7 oktober 2012 de gewerkte uren van 5, 6 en 8 oktober 2012 wel in het urenformulier van SAP geboekt, maar bij 7 oktober 2012 niets ingevuld. Hieruit leidt de rechtbank af dat eiser wel degelijk wist dat hij die dag niet had gewerkt en geen gewerkte uren mocht invullen. Voorts had het op dat moment voor eiser direct duidelijk moeten zijn dat hij ten onrechte nog geen verlof had aangevraagd bij het roosterbureau voor 7 oktober 2012; er stonden immers nog 8 uren te werken ingevuld in het urenformulier in SAP, wat niet het geval zou zijn geweest als eiser, zoals in december 2011 was afgesproken, verlof bij het roosterbureau had aangevraagd. Het roosterbureau had dan het aantal te werken uren op

0

gezet. In plaats van dit te herstellen door achteraf aan het roosterbureau door te geven dat hij verlof heeft gehad met het verzoek om alsnog het verlof af te boeken, heeft eiser op

17 oktober 2012 8 uren als gewerkt geboekt bij 7 oktober 2012.

De rechtbank concludeert ook ten aanzien van 7 oktober 2012 dat eiser opzettelijk en in strijd met de waarheid 8 gewerkte uren in SAP heeft geboekt.

3.4.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat eiser opzettelijk en in strijd met de waarheid 16 uren als gewerkte uren heeft geregistreerd en daarover onjuiste dan wel ongeloofwaardige verklaringen heeft afgelegd. Eiser heeft door zijn handelwijze voor 2 dagen ten onrechte salaris ontvangen, alsmede een toelage onregelmatige diensten, en is 1 dag ongeoorloofd afwezig geweest.

Deze gedragingen rechtvaardigen de conclusie dat het eiser ontbreekt aan belangrijke eigenschappen, mentaliteit en/of instelling voor de vervulling van zijn functie als douaneambtenaar en dat hij dus terecht ongeschikt is voor die functie. Dat eiser eerder een gratificatie heeft gekregen voor goed functioneren doet niet af aan de conclusie dat eiser heeft gehandeld in strijd met de eisen van betrouwbaarheid en verantwoordelijkheid en dat hij daardoor het in hem te stellen vertrouwen in ernstige mate heeft geschonden. Verweerder was in beginsel dan ook bevoegd eiser ontslag te verlenen op grond van artikel 98, eerste lid, aanhef en onder g, van het ARAR.

4.

Eisers betoog dat verweerder desondanks niet bevoegd was hem ontslag te verlenen omdat hem eerst een verbeterkans had dienen te worden gegeven, faalt.

4.1.

Naar vaste rechtspraak, bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 18 maart 2010 (ECLI:NL:CRVB: 2010:BL9739), is een ontslag wegens ongeschiktheid voor het vervullen van de functie anders dan wegens ziels- of lichaamsgebreken, in het algemeen niet toelaatbaar als de ambtenaar niet op zijn functioneren of gedrag is aangesproken en in de gelegenheid is gesteld dit te verbeteren. Dit is anders in bijzonder sprekende gevallen, waarin de ambtenaar zodanig blijk heeft gegeven niet over de vereiste eigenschappen, mentaliteit en/of instelling te beschikken dat het geven van een verbeterkans niet zinvol is (uitspraak van de Raad van 4 maart 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL6906).

4.2.

Naar het oordeel van de rechtbank was het bieden van een verbeterkans niet zinvol en behoefde deze niet geboden te worden, omdat eiser wederom heeft gehandeld in strijd met de van hem verlangde integriteit en verantwoordelijkheid, nadat hij bij besluit van

4 juli 2011 al eerder was aangesproken op ongewenst en niet-professioneel gedrag. Verweerder heeft er in dit verband terecht op gewezen dat gelet op de bijzondere positie die de belastingdienst binnen de maatschappij vervult, hoge eisen worden gesteld aan de betrouwbaarheid en integriteit van zijn medewerkers en de aard en ernst van de geconstateerde gedragingen de kern van het ambtenaarschap raken.

5.

Het beroep is ongegrond.

6.

Voor een proceskostenveroordeling ziet de rechtbank geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Klomp, voorzitter, en mr. M.C. Woudstra en
mr. A.G. van Malenstein, leden, in aanwezigheid van mr. B.M. van der Kuil, griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 april 2014.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.