Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:2387

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
19-03-2014
Datum publicatie
31-03-2014
Zaaknummer
C/10/384670 / HA ZA 11-1790
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Medische aansprakelijkheid van arts in verband met door hem uitgevoerde borstoperaties. Het voorschot voor de door de rechtbank benoemde deskundige is door de arts niet betaald. Aangezien advisering van de rechtbank daardoor niet meer zal plaatsvinden, dient tot uitgangspunt voor de verdere beoordeling te worden genomen dat sprake is geweest van medisch onzorgvuldig handelen. Dat brengt mee dat de arts aansprakelijk is voor de als gevolg daarvan door eiseres geleden schade. Begroting toekomstige materiële schade in verband met een nog uit te voeren hersteloperatie. De rechtbank acht een bedrag van € 750,-- passend als een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van immateriële schade in verband met de lichamelijke klachten als gevolg van de door de arts uitgevoerde borstoperaties.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GJ 2014/64
GZR-Updates.nl 2014-0080
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/384670 / HA ZA 11-1790

Vonnis van 19 maart 2014

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. A.R. van Dolder,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. I.H.M. Baas.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 11 september 2013 en de daaraan ten grondslag liggende processtukken;

  • -

    de conclusie na niet uitgebracht deskundigenrapport van [gedaagde];

  • -

    de antwoord conclusie na niet-gehouden deskundigenonderzoek van [eiseres].

1.2.

De rechtbank heeft bij voormeld tussenvonnis een deskundigenonderzoek gelast. De rechtbank heeft dr. [X], plastisch chirurg, als deskundige benoemd ter beantwoording van de in dat vonnis vermelde vragen. Daarbij is bepaald dat [gedaagde] het voor de deskundige bestemde voorschot diende te storten. Voorts is bepaald dat bij achterwege blijven van storting van het voorschot de zaak zou worden verwezen naar de rol van woensdag 6 november 2013 voor conclusie na niet uitgebracht deskundigenonderzoek. Het voorschot is niet gestort. De zaak is vervolgens verwezen naar de rol van woensdag

20 november 2013 voor conclusie na niet uitgebracht deskundigenbericht aan de zijde van [gedaagde].

1.3.

Op de rol van 20 november 2013 heeft [gedaagde] geconcludeerd dat hij het door de rechtbank bepaalde voorschot ten behoeve van het deskundigenonderzoek niet heeft voldaan en niet bij machte is dit alsnog te voldoen. In reactie hierop heeft [eiseres] aangegeven dat het voor rekening en risico van [gedaagde] komt dat het deskundigenbericht geen doorgang heeft kunnen vinden. Voorts heeft [eiseres] gesteld dat sprake is geweest van medisch onzorgvuldig handelen en dat de daaruit voortvloeiende schade door [gedaagde] moet worden vergoed.

1.4.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

Het door de rechtbank gelaste deskundigenonderzoek naar – kort weergegeven – de kwaliteit van de behandeling van [gedaagde] heeft niet kunnen plaatsvinden nu [gedaagde] het voor de deskundige bestemde voorschot niet heeft voldaan. Over de achtergrond daarvan heeft [gedaagde] enkel aangegeven dat hij al vier jaar geen inkomsten meer geniet en zijn financiële reserves vrijwel zijn uitgeput.

2.2.

Bij tussenvonnis van 23 januari 2013 heeft de rechtbank (onder 4.11) overwogen

dat [gedaagde] jegens [eiseres] aansprakelijk is voor de schade die zij heeft geleden als gevolg van het feit dat zij door hem niet correct is geïnformeerd. Daarbij heeft de rechtbank (onder 4.12) overwogen dat [eiseres] indien [gedaagde] haar correct omtrent zijn kwalificaties had geïnformeerd zich voor de door haar gewenste borstvergroting onder behandeling van een plastisch chirurg zou hebben gesteld. Vervolgens is in dat tussenvonnis door de rechtbank overwogen:

“4.14 […] Om te kunnen beoordelen of [eiseres] schade heeft geleden doordat zij niet correct door [gedaagde] is geïnformeerd omtrent zijn kwalificaties, is van belang of voldoende aannemelijk is dat de door [eiseres] gestelde klachten/complicaties zich ook hadden voorgedaan in de (hypothetische) situatie dat zij zich door een plastisch chirurg had laten opereren. Daarbij zij opgemerkt dat de verschillen tussen de werkelijke en de hypothetische situatie niet alleen de persoon van de behandelend arts en zijn specialisme betreffen, maar ook andere omstandigheden die van grote invloed kunnen zijn op de aan een dergelijke behandeling verbonden risico's; bijvoorbeeld de (kwaliteit van de) operatieruimte, de operatietechniek, de bij de behandeling gebruikte apparatuur en de gebruikte implantaten. De rechtbank zal dan ook deze aspecten samen met het zich ten onrechte als chirurg voordoen beschouwen in het kader van de gestelde onrechtmatige daad.

4.15

Indien aannemelijk is dat ter zake van de door [gedaagde] uitgevoerde operaties complicaties zijn opgetreden die ook zouden zijn opgetreden indien [eiseres] zich door een plastisch chirurg had laten opereren, ontbreekt het causale verband tussen het feit dat [gedaagde] [eiseres] niet correct omtrent zijn kwalificatie heeft geïnformeerd en de gestelde schade.

Indien aannemelijk is dat de bij [eiseres] opgetreden complicaties zich niet zouden hebben voorgedaan indien zij zich onder behandeling van een plastisch chirurg had gesteld, is sprake geweest van medisch onzorgvuldig handelen en dient de daaruit voortvloeiende schade door [gedaagde] te worden vergoed.

4.16

Aangezien uit de door partijen overgelegde (medische) informatie niet kan worden afgeleid of de complicaties die zich bij [eiseres] hebben gerealiseerd zich ook in de (hypothetische) situatie waarin zij zich onder behandeling van een plastisch chirurg had gesteld, zouden hebben gerealiseerd, behoeft de rechtbank voorlichting door een onafhankelijk deskundige op dit punt.”

Nu advisering van de rechtbank op voornoemd punt als gevolg van de processuele opstelling door [gedaagde] niet meer zal plaatsvinden, dient de rechtbank thans tot uitgangspunt voor de verdere beoordeling te nemen dat sprake is geweest van medisch onzorgvuldig handelen. Dat brengt mee dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de als gevolg daarvan door [eiseres] geleden schade.

2.3.

[eiseres] heeft ter gelegenheid van de op 31 januari 2012 gehouden comparitie van partijen gesteld dat haar materiële schade in totaal € 7.000,-- bedraagt. Zij heeft dit bedrag als volgt gespecificeerd.

De kosten van de op 9 juni 2009 door het Medisch Centrum Alkmaar uitgevoerde hersteloperatie bedragen € 2.500,-- en zijn door [eiseres] betaald. Bij die operatie is een nieuwe prothese in haar rechterborst geplaatst. Ook de linkerborst moet worden gecorrigeerd omdat haar borsten er nu niet hetzelfde uitzien. Omdat [eiseres] geen geld heeft om ook de linkerborst van een nieuwe prothese te voorzien, heeft die operatie nog niet plaatsgevonden. De kosten van de nog uit te voeren hersteloperatie aan de linkerborst zijn vrijwel gelijk aan de kosten verbonden aan de op 9 juni 2009 uitgevoerde borstoperatie.

De overige geleden materiële schade beloopt in totaal een bedrag van € 2.000,--, waaronder begrepen een vergoeding van € 1.059,58 ter zake van in redelijkheid gemaakte buitengerechtelijke kosten, aldus nog steeds [eiseres].

[eiseres] vordert voorts een bedrag van € 5.000,-- aan smartengeld in verband met geleden pijn, gevoelens van schaamte en omdat zij nog een ingrijpende operatie aan de linkerborst zal moeten ondergaan.

2.4.

[gedaagde] heeft ter zake van de kosten verbonden aan de op 9 juni 2009 uitgevoerde hersteloperatie en de nog uit te voeren borstoperatie aangegeven dat hij bij gebrek aan wetenschap betwist dat die kosten verband houden met ontstane complicaties en/of voor rekening van [eiseres] komen. Voorts heeft [gedaagde] het gevorderde bedrag aan smartengeld en de gevorderde buitengerechtelijke kosten betwist.

2.5.

De rechtbank overweegt het volgende.

Nu ervan moet worden uitgegaan dat de bij [eiseres] opgetreden complicaties zich niet zouden hebben voorgedaan indien zij zich onder behandeling van een plastisch chirurg had gesteld, komen de aan de op 9 juni 2009 uitgevoerde hersteloperatie verbonden kosten

voor vergoeding door [gedaagde] in aanmerking. Gelet op de door [eiseres] bij dagvaarding als productie 10 overgelegde nota van het Medisch Centrum Alkmaar acht de rechtbank het gevorderde bedrag van € 2.500,-- toewijsbaar.

De rechtbank acht het aannemelijk dat als gevolg van de complicaties aan de rechterborst en de in verband daarmee geplaatste nieuwe prothese in de rechterborst de borsten van [eiseres] er niet (meer) hetzelfde uitzien. Derhalve komen ook de kosten van een hersteloperatie aan de linkerborst voor vergoeding door [gedaagde] in aanmerking. Hoewel de operatie aan de linkerborst, voor zover de rechtbank bekend, nog niet heeft plaatsgevonden en mitsdien sprake is van toekomstige schade, begroot de rechtbank de daaraan verbonden kosten bij voorbaat op een bedrag van € 2.500,--. Hierbij betrekt de rechtbank het feit dat [eiseres] ter comparitie heeft gesteld dat zij haar linkerborst door hetzelfde ziekenhuis (Medisch Centrum Alkmaar) wenst te laten corrigeren omdat in dat geval dezelfde prothese in haar linkerborst zal worden geplaatst als de prothese die op 9 juni 2009 in haar rechterborst is geplaatst. Gelet op voornoemde nota komt een bedrag van € 2.500,-- de rechtbank reëel voor.

[gedaagde] heeft de gevorderde kosten voor het opvragen van medische informatie ad € 104,10 en de daggeldvergoeding in verband met de ziekenhuisopname ad € 50,-- niet betwist zodat die bedragen eveneens voor toewijzing in aanmerking komen.

2.6.

Ten aanzien van de gevorderde buitengerechtelijke kosten geldt dat alleen redelijke kosten die in redelijkheid zijn gemaakt kunnen worden toegewezen. In dit geval is, gelet op de bij dagvaarding als productie 11 overgelegde nota’s en de daarbij behorende specificaties, niet gebleken dat niet aan dit vereiste is voldaan. Derhalve zal de rechtbank de gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke kosten (€ 1.059,58) toewijzen.

2.7.

Smartengeld vormt een naar billijkheid vast te stellen vergoeding voor het niet in vermogensschade bestaande nadeel dat is geleden door een persoon die als gevolg van een gebeurtenis waarvoor een ander aansprakelijk is, letsel heeft opgelopen. Bij de begroting dient rekening te worden gehouden met alle omstandigheden, waaronder in het bijzonder de aard en ernst van het letsel en de gevolgen daarvan voor de betrokkene. Tevens dient bij de begroting te worden gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. Daarbij dient de sinds de betreffende uitspraken opgetreden geldontwaarding in aanmerking te worden genomen.

Voor wat betreft de aard van het letsel is van belang dat [eiseres] zowel na de (eerste) door [gedaagde] uitgevoerde borstoperatie op 30 april 2007 als na de (tweede) door hem uitgevoerde borstoperatie op 14 april 2008 langdurig pijn aan haar rechterborst heeft geleden en dat zij vanwege opgetreden complicaties op 31 juli 2008 in het Medisch Centrum Alkmaar voor de derde keer aan haar rechterborst is geopereerd. Bij die operatie is de prothese in haar rechterborst verwijderd. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking de (door [gedaagde] niet weersproken) stelling van [eiseres] dat (nog steeds) een ontsierend litteken zichtbaar is op de plek waar [gedaagde] de borst twee keer heeft opengemaakt en sprake is van ongelijke borsten.

Tegen deze achtergrond en gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend en de sindsdien opgetreden geldontwaarding, acht de rechtbank een bedrag van € 750,-- passend als een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade in verband met de lichamelijke klachten als gevolg van de door [gedaagde] uitgevoerde borstoperaties.

2.8.

Uit het vorenoverwogene volgt dat [gedaagde] in totaal een bedrag van € 6.963,68

(€ 5.000,-- + € 104,10 + € 50,-- + € 1.059,58 + € 750,--) aan [eiseres] dient te betalen.

2.9.

Ten aanzien van de gevorderde wettelijke rente wordt het volgende overwogen.

[eiseres] vordert wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is verschenen.

Nu, voor zover de rechtbank bekend, de hersteloperatie aan de linkerborst nog niet heeft plaatsgevonden zal de wettelijke rente over het bedrag van € 2.500,-- worden toegewezen vanaf de dag waarop dit vonnis wordt gewezen.

Ten aanzien van de overige materiële schadeposten wordt het volgende opgemerkt.

De kosten in verband met de op 9 juni 2009 uitgevoerde hersteloperatie zijn, gelet op het als productie 10 bij dagvaarding overgelegde bankafschrift, gemaakt op 7 juni 2009, de datum waarop het bedrag van € 2.500,-- van de bankrekening van [eiseres] is afgeboekt.

Uit de door [eiseres] bij dagvaarding als productie 12 overgelegde nota’s leidt de rechtbank af dat de kosten voor het opvragen van medische informatie ad in totaal € 104,10 zijn gemaakt in februari/maart 2009.

De kosten in verband met de ziekenhuisopname ad € 50,-- zijn gemaakt op dan wel kort na 31 juli 2008 en 9 juni 2009. Blijkens de overgelegde nota’s van de advocaat van [eiseres] zijn buitengerechtelijke kosten gemaakt in maart 2009, mei 2009 en juli 2011.

Nu het merendeel van voornoemde kosten in de eerste helft van 2009 is gemaakt, acht de rechtbank toewijzing van de wettelijke rente over een bedrag van € 3.713,68 (€ 2.500,-- +

€ 104,10 + € 50,-- + € 1.059,58) om praktische redenen vanaf 1 juli 2009 gerechtvaardigd.

De wettelijke rente over de immateriële schade (€ 750,--) acht de rechtbank toewijsbaar vanaf 30 april 2007, de datum waarop [gedaagde] bij [eiseres] een borstvergrotende operatie aan beide borsten heeft uitgevoerd.

2.10.

[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- dagvaarding € 99,14

- betaald griffierecht € 260,--

- salaris advocaat € 1.152,-- (3 punten × tarief € 384,--)

Totaal € 1.511,14

3 De beslissing

De rechtbank,

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 6.963,68

(zesduizend negenhonderddrieënzestig euro en achtenzestig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over een bedrag van € 2.500,-- vanaf de dag waarop dit vonnis wordt gewezen, over een bedrag van € 3.713,68 vanaf 1 juli 2009 en over een bedrag van € 750,-- vanaf 30 april 2007, tot de dag van volledige betaling;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 1.511,14;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman en in het openbaar uitgesproken op

19 maart 2014.1

1 1990/1729