Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:2367

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
03-04-2014
Datum publicatie
03-04-2014
Zaaknummer
ROT 13/4691
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

EHBO. LPEV heeft klacht ingediend bij ACM over misbruik van machtspositie door Oranje Kruis. ACM heeft klacht afgewezen op grond van het prioriteringsbeleid. De rechtbank is van oordeel dat een beslissing van ACM om geen nader onderzoek te verrichten naar aanleiding van een klacht, gerechtvaardigd is wanneer uit een eerste of globaal onderzoek wordt geconcludeerd dat er onvoldoende aanwijzingen naar voren komen die wijzen op een mogelijke overtreding van de Mw, eventueel in combinatie met het gegeven dat sprake is van een (relatief) gering belang van deze zaak ten opzichte van andere zaken. De rechtbank is van oordeel dat het onderzoek voldoende zorgvuldig en uitgebreid is geweest. Van strijd met artikel 3:2 van de Awb is geen sprake. Uit het onderzoek van ACM zijn geen concrete aanwijzingen naar voren gekomen dat Oranje Kruis over een economische machtspositie beschikt. ACM heeft voldoende onderzoek gedaan naar de klacht over prijsdumping en dit onderzoek heeft geen concrete aanwijzingen voor misbruik door Oranje Kruis opgeleverd. ACM heeft zich terecht op het standpunt mogen stellen dat het belang om de klacht te onderzoeken, gezien de omvang van de markt, gering is. Gelet op deze aspecten heeft ACM in redelijkheid kunnen besluiten dat een nader onderzoek naar de klacht niet wordt uitgevoerd.

Wetsverwijzingen
Mededingingswet 24, geldigheid: 2014-03-31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 13/4691

uitspraak van de meervoudige kamer van 3 april 2014 in de zaak tussen

Stichting Landelijk Protocol Eerstehulp Verlening, te Spijkenisse, eiseres,

gemachtigde: mr. M.M. Breukers,

en

de Autoriteit Consument & Markt (ACM, voorheen: de raad van bestuur van de Nederlandse Mededingingsautoriteit), verweerster,

gemachtigde: mr. A.S.M.L. Prompers en mr. J.P.C. van der Weegen.

als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:

Stichting Koninklijke Nationale Organisatie voor Reddingwezen en Eerste Hulp bij Ongelukken "Het Oranje Kruis" (Oranje Kruis), gevestigd te Den Haag, gemachtigde mr. P.A.M. Broers.

Procesverloop

Bij brief van 16 juli 2012 heeft eiseres bij ACM een klacht ingediend over gedragingen van Oranje Kruis.

Bij besluit van 7 september 2012 (het primaire besluit) heeft ACM besloten om naar aanleiding van deze klacht geen nader onderzoek te doen.

Bij besluit van 13 juni 2013 (het bestreden besluit) heeft ACM het hiertegen gemaakte bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

ACM heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend en ten aanzien van gedeelten van die stukken verzocht om beperkte kennisneming op grond van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Bij beslissing van 17 december 2013 heeft de rechter-commissaris beslist dat de beperkte kennisneming van de nader aangegeven gedeelten van die stukken gerechtvaardigd is. Partijen hebben toestemming op grond van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb verleend.

ACM heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 februari 2014. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde, bijgestaan door E. Veerman-Tebbes (directeur van de eiseres). ACM heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Namens Oranje Kruis is verschenen haar gemachtigde, bijgestaan door B.A.J. Jongejan (directeur/bestuurder van Oranje Kruis).

Overwegingen

1.

Eiseres heeft tot doel het op zodanige wijze opleiden van leken eerstehulpverleners (EHBO-ers), dat een nauwe aansluiting op de professionele hulpverlening bewerkstelligd wordt. Om deze doelstelling te bereiken ontwikkelt en actualiseert eiseres lesmaterialen voor EHBO-ers, geeft zij ondersteuning aan aangesloten opleidingsorganisaties, instructeurs, verenigingen en bedrijven en examineert zij onafhankelijk van de opleiders.

2.

Oranje Kruis heeft drie hoofddoelstellingen:

a. het realiseren van een zodanige Eerste Hulp door leken dat daardoor zoveel mogelijk gezondheidsrisico's worden voorkomen;

b. het bevorderen van inhoudelijke ontwikkeling en uitbouw van Eerste Hulp door leken en

c. het zoveel mogelijk mensen motiveren en stimuleren om Eerste Hulp te kunnen verlenen. Via de besloten vennootschap Eerste Hulp Dichtbij, waarvan Oranje Kruis de aandelen houdt, biedt Oranje Kruis EHBO-examens aan en levert zij EHBO-leermiddelen. Oranje Kruis verzorgt zelf geen EHBO-opleidingen.

3.

Eiseres en Oranje Kruis hanteren verschillende uitgangspunten en protocollen voor de kwaliteitseisen die zij stellen aan verlening van EHBO door leken.

4.

Oranje Kruis erkent geen EHBO-diploma's van andere Nederlandse organisaties of organisaties uit het buitenland. Examinandi voor een instructeursexamen van Oranje Kruis, die niet een geldige registratie in het BIG-register hebben of over een ander Instructeur Diploma Eerste Hulp beschikken, moeten beschikken over een diploma Eerste Hulp van het Oranje Kruis.

5.

Eiseres heeft geklaagd dat Oranje Kruis haar discrimineert en hierdoor misbruik maakt van haar economische machtspositie. Ten eerste hanteert Oranje Kruis ten onrechte als toelatingseis voor deelname aan de (vervolg)examens Instructeur Eerste Hulp van Oranje Kruis dat de examenkandidaten het Oranje Kruis-diploma Eerste Hulp bezitten. Ten tweede stelt Oranje Kruis de eis dat instructeurs die Oranje Kruis-examens afnemen door Oranje Kruis zijn erkend en dat deze instructeurs werken volgens de Oranje Kruisdoctrine. Oranje Kruis zou zich tevens schuldig maken aan prijsdumping, omdat zij tarieven beneden de kostprijs zou hanteren voor examens en (her)certificering bij kandidaten uit de non-profit sector. Door deze prijsstelling zou eiseres minder deelnemers voor haar cursussen kunnen interesseren en hierdoor omzet mislopen.

6.

Naar aanleiding van de klacht van eiseres heeft ACM een vooronderzoek gedaan om feiten en een nadere kwalificatie van het mogelijke mededingingsprobleem te duiden. Op 2 augustus 2012 heeft ACM telefonisch contact gehad met eiseres. In dit telefoongesprek heeft eiseres een nadere toelichting gegeven op de klacht en heeft zij nadere informatie verstrekt over de werking van de markt waarop zij actief is.

7.

ACM heeft op 3 augustus 2012 telefonisch contact gehad met Oranje Kruis. Tijdens dit gesprek heeft Oranje Kruis meer inzicht gegeven in haar activiteiten en die van eiseres en in de werking van de markt. In aansluiting op dit gesprek heeft ACM op 7 augustus 2012 nogmaals gesproken met [naam](manager bedrijfsvoering) en [naam], waarbij onder andere nader is ingegaan op de marktverhoudingen en het vermeende misbruik van machtspositie van Oranje Kruis. Op basis van nadere informatie heeft op 28 augustus 2012 een aanvullend gesprek met[naam] en[naam] plaatsgevonden. Doel van dit derde gesprek was om dieper in te gaan op de toelatingscriteria van Oranje Kruis voor examens en op de kostendekkendheid van haar examentarieven.

8.

In het primaire besluit, waarbij ACM heeft besloten geen ander onderzoek te doen naar de klacht van eiseres, heeft ACM vermeld dat in het kader van haar prioriteringsbeleid het economisch belang, het consumentenbelang en de doelmatigheid van het onderzoek zijn afgewogen.

8.1

Met betrekking tot de klacht over discriminatie merkt ACM het volgende op. Op basis van een eerste inschatting lijkt de markt waarop de gewraakte gedragingen plaatsvinden, aangemerkt te moeten worden als de markt voor examinering en (her)certificering van Eerste Hulp in Nederland en de daarbij gebruikte leermiddelen. Een ruimhartige benadering van de omzet van deze markt leidt tot de vaststelling dat deze maximaal 4 miljoen euro bedraagt, zo overweegt ACM. ACM concludeert daaruit dat het economisch belang van de betrokken gedragingen gering is. Ten aanzien van het consumentenbelang (of de gestelde inbreuk daadwerkelijk gevolgen heeft voor de consument als eindgebruiker) merkt ACM op dat Oranje Kruis jaarlijks 31.000 nieuwe EHBO diploma's en 300 diploma's instructeur EHBO afgeeft. Slechts een zeer beperkt deel van de bezitters van een Eerste Hulp Diploma blijkt op te gaan voor het instructeursdiploma. Van de 300 geslaagde instructeurs zou dus slechts een zeer beperkt deel benadeeld kunnen zijn door de discriminerende gedragingen van Oranje Kruis waarop de klacht ziet, doordat zij de facto gedwongen zouden worden om bij Oranje Kruis examen te doen in plaats van bij een andere aanbieder van EHBO cursussen, zoals eiseres. Het consumentenbelang gemoeid met de overtreding wordt door ACM daarom zeer laag geacht.

8.2

Ten aanzien van de klacht over prijsdumping verwijst ACM wederom naar de markt voor examinering en (her)certificering van Eerste Hulp in Nederland en de daarbij gebruikte leermiddelen. Deze markt kende de afgelopen jaren een omzet van circa 3 miljoen euro per jaar, zo overweegt ACM. Een deel van deze omzet betreft examens en (her)certificeringen tegen een verlaagd tarief. ACM beoordeelt ook het economisch belang van deze betrokken gedragingen als gering.

8.3

Ten laatste heeft ACM beoordeeld of optreden van ACM doelmatig zou zijn. Om de doelmatigheid te beoordelen kijkt ACM naar de benodigde inzet van middelen om de zaak rond te krijgen. Voor het onderzoek dat naar aanleiding van de klacht zou moeten plaatsvinden, is een aanzienlijke inzet van mensen en middelen nodig, aangezien het niet onaannemelijk is dat naast het volledig in kaart brengen van de markt, een kostenonderzoek en een juridisch en economisch contextonderzoek nodig is om de concrete mededingingsrechtelijke effecten aan te tonen. Tegen de achtergrond van het geringe economische belang acht ACM de doelmatigheid van optreden in deze zaak gering.

8.4

ACM concludeert dat het belang van onderzoek naar aanleiding van de klacht van eiseres minder zwaar weegt dan het belang van onderzoek in andere zaken. ACM zal dan ook geen onderzoek doen naar aanleiding van de klacht. Daarbij overweegt ACM dat dit niet uitsluit dat de afweging in de toekomst anders zou kunnen uitvallen.

9.

Op 17 oktober 2012 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. ACM heeft eiseres en Oranje Kruis op 21 januari 2013 gehoord. Beide partijen hebben toen hun zienswijze naar voren gebracht. Aan de hand hiervan heeft de hoorcommissie onder andere verschillende vragen gesteld over de werking van de markt.

10.

In het bestreden besluit heeft ACM de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard. ACM ziet geen redenen om op de overwegingen in het primaire besluit met betrekking tot de prioritering terug te komen. Een nader onderzoek zou een aanzienlijke inzet van middelen vergen. ACM zou immers de werking van de markt volledig in kaart moeten brengen en een kosten- en contextonderzoek moeten doen, met inbegrip van medische aspecten. Uit de behandeling van het bezwaar is bovendien gebleken dat de kans op vaststelling van een overtreding gering moet worden geacht.

11.

Eiseres heeft - samengevat weergegeven - de volgende gronden aangevoerd:

11.1

Het primaire besluit is niet aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, omdat ACM in de brief vermeldt dat de afweging om geen onderzoek te doen naar aanleiding van de klacht in de toekomst anders zou kunnen uitvallen. ACM heeft hiermee bedoeld dat een ongewijzigde besluitaanvraag tot een andere afweging zou kunnen leiden. Dat verhoudt zich niet tot artikel 4:6, eerste lid, van de Awb, waarin bepaald is dat een nieuwe besluitaanvraag voorzien moet zijn van nieuw gebleken feiten of omstandigheden.

11.2

Een zekere prioritering in de handhaving is toegestaan. In casu gaat het echter niet om prioritering in de handhaving, maar om prioritering van het doen van een volledig onderzoek naar aanleiding van het verzoek om handhaving. Het gaat hier derhalve om prioritering in de naleving van de onderzoeksplicht van artikel 3:2 Awb. Het bestuursorgaan is verplicht om in elk geval die kennis te vergaren die noodzakelijk is om definitief op het verzoek om handhaving te kunnen beslissen. ACM heeft niet aan zijn verplichting voldaan om een volledig onderzoek te verrichten. ACM had niet het prioriteringsbeleid aan haar besluit ten grondslag mogen leggen.

11.3

De wettelijke monopoliepositie die Oranje Kruis tot mei 2005 had, bestaat feitelijk nog steeds. Van deze positie maakt Oranje Kruis misbruik door het niet erkennen van de EHBO-diploma's van eiseres voor zover examenkandidaten met dat diploma bij Oranje Kruis het instructeursexamen willen afleggen.

11.4

Oranje Kruis hanteert dusdanig lage prijzen voor non-profitorganisaties dat deze niet of nauwelijks kostendekkend zijn. Die prijsstrategie is er op gericht te voorkomen dat cursisten afhaken. Dat leidt tot een zodanige prijs dat daarmee door andere marktaanbieders, zoals eiseres, in redelijkheid niet te concurreren valt.

11.5

Ter zitting heeft eiseres aangevoerd dat ACM ten onrechte stelt dat eiseres zich richt op de eerstehulpverlening door middel van de ABCDE-methode (Airway, Breathing, Circulation, Disability, Exposure/Environment), terwijl Oranje Kruis zich richt op laagdrempelige eerstehulpverlening door leken. Eiseres stelt dat dit onderscheid niet meer bestaat. Eiseres verwijst daarbij naar het boek "Gevorderde Eerste Hulp", dat zij ter zitting heeft getoond. Het boek is tot stand gekomen in samenwerking met Oranje Kruis en het is bedoeld als theoretische handleiding voor de toepassing van eerste hulp door middel van de ABCDE-methodiek, aldus eiseres. Eiseres is van mening dat Oranje Kruis, door deel uit te maken van de redactie van dit boek en haar naam er nadrukkelijk aan te verbinden, thans de ABCDE-methodiek omarmt. Eiseres heeft aangeboden dit boek te overleggen.

12.

In artikel 24, eerste lid, van de Mededingingswet (verder: Mw) is bepaald dat het ondernemingen verboden is misbruik te maken van een economische machtspositie.

13.

De rechtbank overweegt als volgt.

14.

Ten aanzien van hetgeen eiseres heeft gesteld omtrent het boek "Gevorderde Eerste Hulp" overweegt de rechtbank dat dit voor het eerst ter zitting naar voren is gebracht. Oranje Kruis heeft ter zitting betwist dat zij de ABCDE methode omarmt. Het is strijd met de goede procesorde deze grond thans in het geding te betrekken. De rechtbank is daarom van oordeel dat de inhoud van het boek en hetgeen eiseres hierover heeft gesteld, buiten beschouwing dienen te blijven. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding in te gaan op het aanbod van eiseres om dit boek te overleggen.

15.

De rechtbank is van oordeel dat het primaire besluit is aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Daarbij acht de rechtbank van belang dat uit de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) van 11 november 2005 (ECLI:NL:CBB:2005:AU6574) volgt dat een klacht die de strekking heeft dat ACM handhavingsmaatregelen neemt vanwege een vermeende overtreding van artikel 24 van de Mw als een aanvraag moet worden aangemerkt, en dat de beslissing om geen nader onderzoek in te stellen aangemerkt moet worden als een afwijzing van zo een aanvraag, en dus als een besluit in de zin van artikel 1:3, tweede lid, van de Awb moet worden aangemerkt. Met de opmerking van ACM in het primaire besluit dat geen onderzoek gedaan wordt naar aanleiding van de klacht en dat dit overigens niet uitsluit dat de afweging in de toekomst anders kan uitvallen, heeft ACM slechts tot uitdrukking willen brengen dat zij later alsnog kan besluiten nader inhoudelijk onderzoek te doen naar de klacht. Dit ontneemt niet het rechtsgevolg aan het primaire besluit dat op het moment van het nemen van dit besluit geen verder onderzoek naar aanleiding van de klacht wordt gedaan. Het betoog dat het primaire besluit niet is aan te merken als een besluit, faalt.

16.

Ten aanzien hetgeen eiseres heeft gesteld over artikel 4:6, eerste lid, van de Awb, overweegt de rechtbank dat ACM, indien geen nieuw feiten of omstandigheden zijn gebleken, niet de verplichting heeft om een herhaalde aanvraag af te wijzen maar daar (slechts) op grond van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, de bevoegdheid toe heeft.

17.

ACM heeft in onderhavige zaak onder verwijzing naar haar prioriteringsbeleid besloten geen nader onderzoek te verrichten naar hetgeen in de klacht is gesteld, omdat dit volgens haar niet doelmatig is. Eiseres is het hiermee oneens.

17.1

Ten aanzien van het prioriteringsbeleid van ACM in een zaak waarin wordt geklaagd over inbreuk op mededingingsregels is in de uitspraak van het CBb van 20 augustus 2010 (ECLI:NL:CBB:2010:BN4700) het volgende overwogen:

"(…) 7.2.4 Gelet op dit een en ander kunnen aan de gegevens en bescheiden waarvan NMa de overlegging door de klager in redelijkheid kan verlangen ter onderbouwing van de gegrondheid van zijn klacht geen zeer hoge eisen worden gesteld. Daartoe zal de klager in elk geval de volgens hem bij de gestelde inbreuk betrokken partijen moeten noemen en gemotiveerd moeten aangeven waar zijns inziens de inbreuk uit bestaat en welk belang hij heeft bij optreden van NMa. Voor zover mogelijk zal de klacht moeten worden gedocumenteerd. Wat in dit verband redelijkerwijze aan documentatie kan worden verlangd door NMa hangt mede af van de (markt)positie van de klager.

7.2.5

Indien een klacht, eventueel na aanvulling, aan voormelde eisen voldoet, dient NMa deze in behandeling te nemen. Een zorgvuldige voorbereiding van het besluit op de aanvraag om handhaving van bepalingen van de Mw vereist niet dat NMa van zijn onderzoeksbevoegdheden gebruik maakt indien uit een eerste of globaal onderzoek naar de klacht blijkt dat het gestelde in de klacht hoe dan ook niet kan leiden tot de conclusie dat sprake is van een inbreuk op de mededingingsregels. Van NMa kan rechtens niet worden gevergd dat hij naar aanleiding van iedere klacht steeds onderzoek naar alle relevante omstandigheden verricht. De noodzaak van NMa om zijn onderzoekscapaciteit doelmatig in te zetten is hierbij van belang (…). Wel mag van NMa gevergd worden dat hij motiveert waarom hij een bepaalde klacht niet (nader) onderzoekt (…). Met betrekking tot dit laatste overweegt het College meer in het bijzonder het volgende.

7.2.5.1 Bij de afweging een bepaalde klacht al dan niet (nader) te onderzoeken is van belang dat de opdracht die de wetgever aan NMa als toezichthouder heeft gegeven meebrengt dat van hem een actieve houding mag worden verlangd. Voorts moet in aanmerking worden genomen dat klagers veelal over ontoereikende mogelijkheden beschikken om zich via andere (rechts)wegen tegen de door hen gestelde inbreuken op mededingingsregels te beschermen. De ruimte een klacht al dan niet (nader) te onderzoeken wordt voorts begrensd door de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Gelet op dit een en ander zal NMa bij afwijzing van een klacht op grond van het prioriteringsbeleid niet kunnen volstaan met een enkele verwijzing naar dat beleid, maar zal hij moeten kunnen motiveren waarom de klacht zelf, gezien de inhoud van de gestelde inbreuk en in het licht van de prioriteringscriteria, geen (nader) onderzoek rechtvaardigt. Dit zal doorgaans een, al dan niet beperkte, inhoudelijke beoordeling en enig onderzoek vergen. Bij een beslissing tot afwijzing van een klacht op grond van het prioriteringsbeleid zullen aan de motivering van dat besluit en - in voorkomend geval - aan de diepgang van het daaraan voorafgaande onderzoek hogere eisen worden gesteld, naarmate de inhoud van de klacht en de beoordeling die daarop is gevolgd daartoe meer aanleiding geven. Daarbij geldt dat NMa ter beantwoording van de vraag of in het kader van de heroverweging in het bezwaar al dan niet aanleiding bestaat tot (nader) onderzoek van de klacht mede de relevante ontwikkelingen dient te betrekken die zich sinds het indienen van de klacht hebben voorgedaan."

17.2

De rechtbank leidt hieruit af dat een beslissing van ACM om geen nader onderzoek te verrichten naar aanleiding van een klacht, gerechtvaardigd is wanneer uit een eerste of globaal onderzoek wordt geconcludeerd dat er onvoldoende aanwijzingen naar voren komen die wijzen op een mogelijke overtreding van de Mw, eventueel in combinatie met het gegeven dat sprake is van een (relatief) gering belang van deze zaak ten opzichte van andere zaken.

18.

De rechtbank stelt voorop dat ACM naar aanleiding van de klacht onderzoek heeft verricht. Zij heeft telefonisch contact gehad met marktpartijen en nadere informatie verzameld. Dit onderzoek is voldoende zorgvuldig en uitgebreid geweest. Van strijd met artikel 3:2 van de Awb is geen sprake. ACM heeft in haar vooronderzoek voldoende informatie vergaard om op het verzoek te kunnen beslissen.

19.

Uit dit onderzoek zijn geen concrete aanwijzingen naar voren gekomen dat Oranje Kruis over een economische machtspositie beschikt.

19.1

De rechtbank overweegt allereerst dat de enkele omstandigheid dat Oranje Kruis zich naar de mening van eiseres in de markt profileert als het officiële orgaan op het gebied van EHBO, nog niet tot de conclusie leidt dat eiseres ook daadwerkelijk een economische machtspositie heeft.

19.2

De rechtbank stelt vast dat op 10 mei 2005 het besluit van 20 juli 1992 betreffende de goedkeuring van de op 24 februari 1992 door het bestuur van Oranje Kruis vastgestelde "Regeling betreffende het eenheidsdiploma EHBO, de getuigschriften Jeugd EHBO en de daarop aansluitende aantekeningen" is ingetrokken. Daarmee is de status van Oranje Kruis als enige erkende instelling voor EHBO in Nederland ingetrokken. Sindsdien zijn een aantal andere organisaties actief geworden op het gebied van examinering/certificering van EHBO vaardigheden, waaronder NIKTA, NEDCERT, het Nederlandse Rode Kruis en First Aid International. Deze organisaties hebben een substantieel marktaandeel verworven. Hieruit blijkt dat het op relatief korte termijn mogelijk is geweest voor nieuwe spelers om actief te worden op het gebied van examinering/certificering van EHBO-hulpverleners en instructeurs.

19.3

Uit de stukken blijkt dat eiseres tijdens de hoorzitting in de bezwaarfase heeft gesteld dat EHBO-verenigingen niet overstappen naar eiseres vanwege de verlaagde tarieven die Oranje Kruis hanteert voor non-profitorganisaties. Hiermee impliceert eiseres dat zij verwacht dat bij verhoging van de tarieven door Oranje Kruis voor non-profitorganisaties deze organisaties zullen overstappen naar andere aanbieders. Dit is naar het oordeel van de rechtbank een aanwijzing dat Oranje Kruis het zich niet kan veroorloven haar tarieven ongestraft te verhogen en dus niet in staat is om zich in belangrijke mate onafhankelijk te gedragen ten opzichte van haar concurrenten en afnemers. Het beschreven marktgedrag geeft een contra-indicatie dat Oranje Kruis een economische machtspositie zou hebben in de zin van artikel 1, aanhef en onder i, van de Mw.

19.4

Uit hetgeen overwogen is onder rechtsoverweging 17.1 tot en met 17.3 concludeert de rechtbank dat, althans na 10 mei 2005, sprake is van daadwerkelijke concurrentiedruk van andere aanbieders op het gebied van examinering en certificering van EHBO-vaardigheden. Nieuwe partijen zijn op relatief korte termijn toegetreden en hebben een substantieel marktaandeel verworven ten koste van Oranje Kruis. Aannemelijk is dat Oranje Kruis zich niet onafhankelijk van haar concurrenten en afnemers kan gedragen. Het is niet de verwachting dat Oranje Kruis haar tarieven kan verhogen zonder verlies van een substantieel deel van haar afnemers. De rechtbank acht het daarom niet aannemelijk dat eiseres op het gebied van examinering en certificering een economische machtspositie bezit in de zin van artikel 24 van de Mw.

20.

Naar aanleiding van de klacht van eiseres dat Oranje Kruis dusdanig lage prijzen hanteert voor non-profitorganisaties dat deze niet of nauwelijks kostendekkend zijn, heeft ACM onderzoek gedaan.

20.1

Uit de informatie die is vergaard tijdens dit onderzoek heeft ACM geen aanwijzingen gevonden die wijzen in de richting van prijsdumping door Oranje Kruis. Oranje Kruis heeft verklaard dat zij in het tarief voor EHBO-examens voor cursisten van non-profitorganisaties ten minste de variabele kosten doorberekent. Voorts heeft Oranje Kruis verklaard dat cursisten van non-profitorganisaties bij een prijsverhoging in het geheel niet meer geneigd zouden zijn om deel te nemen aan een EHBO-examen. Dit acht Oranje Kruis uit oogpunt van haar doelstelling om zoveel mogelijk mensen motiveren en stimuleren om Eerste Hulp te kunnen verlenen, ongewenst.

20.2.

ACM heeft in haar onderzoek geen aanwijzing gevonden dat Oranje Kruis door het hanteren van lage tarieven voor non-profitorganisaties het doel heeft haar marktpositie te versterken om daarna haar prijzen weer te kunnen verhogen, hetgeen zou kunnen wijzen op misbruik in de zin van artikel 24 van de Mw. Bovendien blijkt uit een vergelijking van de tarieven van de examens van het EHBO-diploma van eiseres en Oranje Kruis dat deze ongeveer gelijk zijn. Dit wijst niet in de richting van prijsdumping.

20.3

De rechtbank concludeert dat ACM voldoende onderzoek heeft gedaan naar de klacht over prijsdumping en dat dit onderzoek geen concrete aanwijzingen voor misbruik door Oranje Kruis heeft opgeleverd.

21.

Uit de stukken blijkt dat ACM ook de omvang van de markt een rol heeft laten spelen bij haar beoordeling de klacht niet nader te onderzoeken. Dit is een aspect dat ACM, in haar prioriteringsbeleid mag meewegen (zie ook de rechtsoverweging 15.1 genoemde uitspraak van het CBb). Een ruimhartige benadering van de omzet van de markt leidt tot de vaststelling dat deze maximaal 4 miljoen euro bedraagt. Gelet daarop is naar het oordeel van de rechtbank inderdaad sprake van een relatief gering economisch belang. Voorts acht de rechtbank van belang dat uit de stukken blijkt dat slechts 1,7% van de cursisten die een EHBO-examen behalen bij Oranje Kruis een instructeursexamen doen bij Oranje Kruis. Dit is een aanwijzing dat in het algemeen slechts een laag percentage cursisten met een EHBO-diploma doorgaat om het instructeursdiploma te behalen. Eiseres heeft niet betoogd of gestaafd dat een substantieel groter deel van degenen die bij haar een EHBO-diploma hebben gehaald, een instructeursexamen bij Oranje Kruis wensen te doen. Het is derhalve aannemelijk dat slechts een zeer gering aantal cursisten bij de afweging om een EHBO-diploma bij eiseres te behalen, rekening houdt met daaruit voortvloeiende barrières om bij Oranje Kruis toegelaten te worden tot het instructeursexamen, zodat deze groep kandidaten een zeer gering deel van de markt vertegenwoordigt. Uit hetgeen hierboven is vermeld heeft ACM terecht kunnen afleiden dat het belang om de klachten te onderzoeken, gezien de omvang van de markt, gering is.

22.

Concluderend oordeelt de rechtbank als volgt. Uit het onderzoek van ACM naar aanleiding van de klacht van eiseres is niet aannemelijk geworden dat sprake is van een economische machtspositie van Oranje Kruis, en voorts volgen uit dit onderzoek evenmin aanwijzingen voor misbruik van een machtspositie. Er is sprake van een gering economisch belang en een gering consumentenbelang. Gelet op deze aspecten heeft ACM in redelijkheid kunnen besluiten dat een nader onderzoek naar de klacht, dat een aanzienlijke inzet van mensen en middelen zou vergen, niet wordt uitgevoerd. De rechtbank concludeert dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Het beroep van eiseres is ongegrond.

23.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A. Schreuder, voorzitter, en mrs. A.I. van Strien en A.A.J. Lemain, leden, in aanwezigheid van mr. I. Geerink-van Loon, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 april 2014.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.