Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:2366

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
10-01-2014
Datum publicatie
31-03-2014
Zaaknummer
2371511
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Betaling van ingeleend personeel dient voor een deel te geschieden aan eiser, die deze handelsvorderingen heeft gekocht. Gedaagde weigert betaling aan eiser, omdat zij niet tevreden is over de kwaliteit van het werk. Geen toepassing artikel 6:136 BW. Benoeming van een deskundige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 2371511 CV EXPL 13-44863

uitspraak: 10 januari 2014

vonnis van de kantonrechter, zittinghoudende te Rotterdam

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres]

,

gevestigd te [vestigingsplaats],

eiseres in conventie bij exploot van dagvaarding van 12 september 2013,

verweerster in reconventie,

gemachtigde: mr. D.J. Rijnbout te Houten,

tegen

1 [gedaagde sub 1],

gevestigd te [vestigingsplaats],

2. [gedaagde sub 2], vennoot, wonende te Schiedam,

3. [gedaagde sub 3], vennoot, wonende te Schiedam,

4. [gedaagde sub 4], vennoot, wonende te Schiedam

gedaagden in conventie, eiseressen in reconventie,

vertegenwoordigd door de vennoten.

Partijen worden hierna aangeduid als ‘[eiseres]’ respectievelijk ‘[gedaagden]’ voor de

vennootschap en de vennoten gezamenlijk en achtereenvolgens ‘[gedaagde sub 1]’, ‘[gedaagde sub 2]

’, ‘[gedaagde sub 3]’ en ‘[gedaagde sub 4]’ voor de vennootschap en de vennoten afzonderlijk.

1 Het verloop van de procedure

1.1

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de

kantonrechter heeft kennisgenomen:

  • -

    het exploot van dagvaarding van 12 september 2013;

  • -

    het proces-verbaal van het mondelinge antwoord van [gedaagde sub 4] namens [gedaagden] en de daarbij overgelegde stukken alsmede de tegeneis van € 10.400,00;

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie

  • -

    het vonnis van 26 september 2013, waarbij een comparitie van partijen is bepaald;

  • -

    het proces-verbaal van de zitting van 11 november 2013.

1.2

De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2 De vaststaande feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd

weersproken alsmede op grond van de in zoverre niet weersproken inhoud van de producties

staat tussen partijen - zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang - het volgende

vast:

2.1 .

[gedaagde sub 1] heeft begin 2013 laspersoneel ingeleend van[A]

.

2.2

[A] heeft bij factuur van 30 januari 2013 en van 20 februari 2013 aan [gedaagde sub 1]

voor de verrichte werkzaamheden achtereenvolgens € 1.200,32 en €1.490,72 in

rekening gebracht, te betalen binnen 30 dagen na de factuurdatum. Op elk van de facturen is

vermeld dat 40% van het bedrag aan[A] moet worden overgemaakt en

60% aan [eiseres]. Het laatste berust op een tussen [A] en [eiseres] sedert 1 november 2004

bestaande overeenkomst koop handelsvorderingen, waarbij [eiseres] zich heeft verbonden om

handelsvorderingen van [A] te kopen, het zogenaamde ‘vrije gedeelte’.

2.3

De facturen hebben betrekking op fotolaswerkzaamheden die de lassers van [A]

hebben verricht aan een opstelling van buizen, waarvan het pijpfitwerk voorafgaand aan dat

fotolaswerk was verricht door [gedaagde sub 4], samen met een andere fitter.

2.4

Er is een onderzoek uitgevoerd door Applus RTD, een Röntgen Technische Dienst te

Rozenburg naar 48 stuks.Voor dit onderzoek is aan [gedaagde sub 1] bij factuur van 7 februari

2013 een bedrag van € 4.152,72 in rekening gebracht.

2.5

Doordat het werk niet was goedgekeurd, heeft [gedaagde sub 1] de werkzaamheden

opnieuw verricht, materialen opnieuw besteld en twee andere gecertificeerde fotolassers

ingehuurd. Het resultaat hiervan is daarna goedgekeurd door Applus RTD.

2.6

Bij factuur van 19 maart 2013 heeft [gedaagde sub 1] aan [A], althans Laurens

Uitzendbureau een bedrag van € 10.498,00 in rekening gebracht voor de ontstane kosten, te

betalen binnen 14 dagen na factuurdatum. Deze factuur is onbetaald gebleven.

2.7

Ondanks herhaalde aanmaning door [eiseres] heeft [gedaagde sub 1] de facturen van 30 januari

en 20februari 2013 onbetaald gelaten.

3 De vordering en het verweer in conventie

3.1

[eiseres] vordert [gedaagden] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, hoofdelijk te veroordelen

tot betaling aan [eiseres] van € 2.148,13, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als

bedoeld in artikel 6:119a en 6:120 lid 1 BW over € 1.801,44 vanaf 7 september 2013 tot de

voldoening, met veroordeling van [gedaagden] in de proceskosten en de nakosten zoals in de

dagvaarding omschreven.

3.2

Aan de eis is naast de onder 2. en 2.2. opgenomen vaststaande feiten - zakelijk

weergegeven - ten grondslag gelegd dat [eiseres] op grond van haar overeenkomst met [A]

aanspraak heeft op betaling van € 1.801,44, zijnde het zogenaamde ‘vrije gedeelte

‘(60%) van de facturen voor de verrichte werkzaamheden. [gedaagden] zijn in verzuim met

betaling van deze facturen en daarom wettelijke (handels)rente verschuldigd. Deze bedraagt

tot en met 6 september 2013 € 75,68. Doordat [gedaagden] ondanks aanmaning door [eiseres]

niet betaalden was [eiseres] genoodzaakt haar vordering uit handen te geven en

buitengerechtelijke kosten te maken, waarvoor een bedrag van € 271,01 wordt gevorderd.

[A] is niet aansprakelijk voor goed laswerk. Bovendien was het verrichte voorwerk

(fitwerk) van [gedaagde sub 1] zodanig waardeloos dat zij op basis van dit voorwerk geen goed

laswerk konden leveren. De betreffende lassers, [B] en [C], hebben [gedaagde sub 1]

daarvoor ook gewaarschuwd.

3.3

[gedaagden] hebben daartegen aangevoerd dat zij gecertificeerde fotolassers had

gevraagd voor 100% fotowerk, maar dat het geleverde werk volledig is afgekeurd voor wat

betreft de lasnaden. Zij betwisten dat het fitwerk onvoldoende was.

4 De vordering in reconventie en het verweer

4.1

[gedaagden] hebben – naar de kantonrechter begrijpt - gevorderd [eiseres] te veroordelen tot

betaling van € 10.400,00 en hebben daaraan - zakelijk weergegeven - ten grondslag gelegd

dat de werknemers van [A] tekort zijn geschoten in de uitvoering van de

werkzaamheden, waardoor voor [gedaagden] een schade van deze omvang is ontstaan.

4.2

[eiseres] heeft verzocht [gedaagden] niet ontvankelijk te verklaren dan wel de vordering af te

wijzen, met veroordeling van [gedaagden] in de kosten zoals in de conclusie van antwoord

opgenomen. De vordering als door [gedaagden] ingesteld kan slechts tegen [A]

worden ingesteld. Er is geen grond waarom [eiseres] jegens [gedaagden] verantwoordelijk zou

zijn voor de gestelde schade, nog daargelaten dat er voor schadevergoeding ook tegen [A]

geen grond bestaat. Daarvoor wordt verwezen naar hetgeen in conventie is

Aangevoerd. Verder is overgelegd een verklaring van [D], die stelt dat [gedaagde sub 1] zijn plan van aanpak voor het werk in de wind heeft geslagen. Betwist wordt dat Applus RTD het werk als onvoldoende heeft beoordeeld en stelt dat (de omvang van) de schade onvoldoende is onderbouwd.

5 De beoordeling van het geschil in conventie en reconventie

In reconventie

5.1

Een vordering tot schadevergoeding wegens wanprestatie kan slechts ingesteld worden

tegen degene met wie de overeenkomst tot het uitlenen van de arbeidskrachten is afgesloten

en niet tegen degene, aan wie de betreffende vordering is overgedragen. Voor zover [gedaagden]

bedoeld hebben een vordering tegen [A] in te stellen, kan dit niet in deze

procedure, omdat [A] geen partij is in deze procedure. Een vordering in reconventie kan slechts ingesteld worden tegen de eiser in conventie, in het onderhavige geval [eiseres]. Een vordering terzake tegen [A] kan wel in een afzonderlijke procedure aanhangig gemaakt worden, maar dient in het onderhavige geding niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Voor een zelfstandige vordering tot schadevergoeding tegen [eiseres] heeft [gedaagden] geen grondslag aangevoerd, zodat de vordering tegen [eiseres] bij gebreke daarvan moet worden afgewezen.

5.2

[gedaagden] worden als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van [eiseres]

veroordeeld, gesteld gezien de samenhang met de vordering in conventie op € 200,00 aan

salaris gemachtigde.

In conventie

5.3

[gedaagden] hebben niet betwist dat er door werknemers van [A] gedurende de bij

de facturen in rekening gebrachte uren werkzaamheden zijn verricht. [gedaagden] betwisten

echter daarvoor betaling verschuldigd te zijn, omdat - zo begrijpt de kantonrechter – de

werkzaamheden waardeloos waren en daardoor schade is veroorzaakt, waarvoor [A]

aansprakelijk is en welke zij wensen te verrekenen. Hiermee beroepen [gedaagden] zich op

wanprestatie van [A] en op verrekening met de daardoor ontstane schade als bedoeld

in artikel 6:130 BW.

5.4

Er is voldoende nauwe samenhang van de tegenvordering op [A] met de

(gedeeltelijk) gecedeerde vordering voor een beroep op artikel 6:130 BW. De kantonrechter

zal geen gebruik maken van haar bevoegdheid ex artikel 6:136 BW, hoewel de gegrondheid

van het verweer van [gedaagden] op zich niet eenvoudig is vast stellen. Het zou immers

ongewenst zijn dat indien de vordering door [A] was ingesteld en deze zou stranden op de tegenvordering dan wel de verweren van [gedaagden] een gedeelte van die

vordering dan enkel omdat dit gedeelte is gecedeerd thans zou moeten worden toegewezen.

5.5

Wil het beroep van [gedaagden] op verrekening echter slagen, dan dient vast komen te

staan, dat [A] is tekortgeschoten in zijn verplichtingen jegens [gedaagde sub 1]. Er was

sprake van een overeenkomst van opdracht tussen [A] en [gedaagde sub 1], inhoudende

dat deze voldoende gekwalificeerd personeel zou leveren. Het enkele feit, dat de

werknemers fouten hebben gemaakt is op zich onvoldoende om [A] aansprakelijk te

achten. Het betreft een inspanningsverplichting van [A] en geen resultaatsverbintenis.

De kantonrechter begrijpt echter uit het verweer van [gedaagden] dat deze stelt dat [gedaagde sub 1]

gevraagd had om gecertificeerde fotolassers voor 100% fotowerk, hetgeen betekent

dat alle lassen moeten worden goedgekeurd, zodat het moest gaan om daarvoor geschikte

lassers en dat [A] na eerst al een ongeschikte lasser te hebben gestuurd ook daarna

niet voor geschikte lassers heeft kunnen zorgen.

5.6

De eerste lasser (waarvan de kosten onbetwist niet in rekening zijn gebracht aan [gedaagde sub 1]

) beschikte kennelijk niet over de vereiste vaardigheden. Voor [A] moet

duidelijk zijn geweest, dat het om specifiek fotolaswerk ging en dat hij daarop de lassers

moest selecteren. Indien de stelling van [gedaagden] juist is, dat alle pijplassen van de

werknemers van [A], die daarna zijn ingeschakeld, zijn afgekeurd dan wel zouden zijn

afgekeurd, door extreem slecht laswerk, dan wettigt dit het – eventueel door [A] te

weerleggen vermoeden dat [A] tekort geschoten is bij de selectie van de lassers op

hun geschiktheid voor dit specifieke werk. Daarbij is in aanmerking genomen, dat het ging

om specialistisch werk met grote risico’s voor lekkages, waarvoor Roelofs VOF geen

deskundigheid bezat, terwijl [A] wel geacht mocht worden daarin inzicht te hebben.

5.7

[gedaagden] hebben de juistheid van hun stelling vooralsnog onvoldoende aangetoond.

Allereerst wordt in de niet ondertekende verklaring van [E], waarin is vermeld dat in 40 jaar nooit zulk slecht vakmanschap gezien is, vermeld dat het om de radiografie van laswerk uitgevoerd in juni 2013 gaat, terwijl de in dit geding van belang zijnde keuring van Applus onbetwist in februari 2013 heeft plaatsgevonden. Dat dit slechts een vergissing in de datum is, is (nog) niet aangetoond. Ook wordt slechts een oordeel gegeven over 48 lasnaden en niet over 60. Voorts hebben [gedaagden] de stelling van [eiseres] dat het - aan het laswerk voorafgegane en door anderen verrichte – fitwerk van zodanig slechte kwaliteit was dat er geen goed laswerk verricht kon worden, niet weerlegd.

5.8

[gedaagden] hebben nader bewijs van hun stellingen aangeboden en om een deskundigenonderzoek verzocht. Nu de betreffende materialen onbetwist nog beschikbaar zijn, is een nader onderzoek gewenst. Dit onderzoek zal zich moeten richten op de vraag of het laswerk van zodanig slechte kwaliteit is, dat aannemelijk is dat de lassers die dit werk verricht hebben niet voor dit soort werk geschikt waren en of de kwaliteit van het fitwerk daarop een negatieve invloed heeft gehad. Verder acht de kantonrechter het aangewezen de deskundige vragen te stellen over het toezicht dat bij dit soort werk vereist is, wie dat toezicht in beginsel dient uit te oefenen en of bij een juist toezicht de gehele afkeuring van het werk voorkomen had kunnen worden. Het voorschot voor de kosten van de deskundige zal door [gedaagden] als meest gerede partij betaald moeten worden.

5.9

Indien vast komt te staan dat de lassers niet voor dit soort werk geschikt waren, de kwaliteit van het fitwerk voldoende was om het laswerk goed uit te voeren en [gedaagden] niet in gebreke zijn gebleven bij het toezicht en dat [gedaagden] feitelijk niets aan de werkzaamheden hebben gehad, omdat alle werkzaamheden terecht opnieuw zijn verricht, kan van [gedaagden] niet gevergd worden dat zij voor de werkzaamheden van de lassers van [A] moet betalen. Daarbij is in aanmerking genomen dat de werkzaamheden daarna door anderen alsnog opnieuw zijn verricht, terwijl [A] zich daartegen niet heeft verzet.

5.10

Mede in aanmerking genomen de kosten van een deskundigenonderzoek geeft de kantonrechter partijen nogmaals in overweging de zaak in der minne te regelen, mogelijk na inschakeling van een advies van een onafhankelijk derde over bovenstaande punten.

5.11

Partijen worden thans in ieder geval in de gelegenheid gesteld een deskundige voor te dragen, bij voorkeur gezamenlijk, en de aan deze deskundige te stellen vragen in te brengen.

5.12

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

6 De beslissing

De kantonrechter:

in conventie

verwijst de zaak naar de openbare terechtzitting van dinsdag 4 februari 2014 te 14.30 uur om partijen in de gelegenheid te stellen, bij voorkeur gezamenlijk, een deskundige voor te dragen en de aan de deskundige te stellen vragen bij deze akte in te brengen;

houdt iedere verdere beslissing in conventie aan;

in reconventie

verklaart de vordering tegen [A] niet-ontvankelijk;

wijst de vordering tegen [eiseres] af;

veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten in reconventie, tot aan deze uitspraak aan de

zijde van [eiseres] vastgesteld op € 200,00 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit deel van het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.F.A. van Buitenen en uitgesproken ter openbare terechtzitting.

649