Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:2323

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
03-04-2014
Datum publicatie
23-05-2014
Zaaknummer
ROT-13_1917-ROT-13_3936
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2014:4353, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

schadevergoeding Fauanfonds

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 3

zaaknummers: ROT 13/1917 en ROT 13/3936

uitspraak van de meervoudige kamer van 3 mei 2014 in de zaken tussen

[eiser] te Sommelsdijk, eisers,

en

het bestuur van het Faunafonds, verweerder,

gemachtigden: mr. drs. W. van Dijk en H.G. Engberink.

Procesverloop

ROT 13/1917

Bij besluit van 18 september 2012 heeft verweerder een tegemoetkoming toegekend van

€ 18.942,- in de schade die brandganzen hebben veroorzaakt op percelen grasland van eisers.

Bij besluit van 15 februari 2013 heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

ROT 13/3996

Bij besluit van 1 februari 2013 heeft verweerder een tegemoetkoming toegekend van

€ 5.331,- in de schade die grauwe ganzen en brandganzen hebben veroorzaakt op percelen grasland van eisers.

Bij besluit van 8 mei 2013 heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Ten aanzien van beide procedures

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2013. De zaken zijn gevoegd behandeld. Namens eisers is verschenen [eiser] Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1.

Bij formulier van 4 januari 2012 hebben eisers een aanvraag ingediend om vergoeding van schade veroorzaakt door brandganzen op hun grasland. Op 11 januari, 8 februari, 7 en 21 maart, 25 april, 9 mei en 7 juni 2012 zijn de schadepercelen op verzoek van verweerder getaxeerd. Op 25 april 2012 hebben de taxateurs hun bevindingen van de op die datum verrichte taxatie schriftelijk aan eisers medegedeeld. Bij brief van 26 april 2012, door verweerder ontvangen op 1 mei 2012, hebben eisers een schriftelijke reactie daarop gegeven. Bij brief van 15 mei 2012 hebben eisers een schriftelijke reactie gegeven op de hertaxatie van 9 mei 2012. Op 7 augustus 2012 heeft verweerder het rapport van eindtaxatie van 22 juni 2012 en de schriftelijke reactie van de taxateurs van 6 augustus 2012 op de door eisers bij verschillende brieven geuite bedenkingen tegen de taxatie aan eisers gezonden.

Op 4 juni 2012 heeft verweerder een aanvraag van eisers ontvangen om vergoeding van schade veroorzaakt door grauwe ganzen en brandganzen op hun grasland. Op 7 juni, 9 en 31 juli, 14 augustus en 3 oktober 2012 zijn de schadepercelen op verzoek van verweerder getaxeerd. Op 13 oktober 2012 heeft de taxateur eisers bericht van zijn bevindingen. Eisers hebben bij brief van 19 oktober 2012 hun bedenkingen kenbaar gemaakt.

2.

Verweerder stelt zich inzake de procedure met kenmerk ROT 13/1917

op het standpunt dat de schade op de juiste wijze is vastgesteld. Uitsluitend schade die is vastgesteld door een taxateur die door het Faunafonds is aangewezen komt voor vergoeding in aanmerking. Niet gebleken is dat er meer schade is dan is vastgesteld. De percelen zijn zevenmaal getaxeerd. Het moment van aftaxatie dient zo dicht mogelijk voor de ingebruikname te liggen.

Verweerder stelt zich inzake de procedure met kenmerk ROT 13/3936

op het standpunt dat de ingangsdatum correct is. Het verzoekschrift is op 31 mei 2012 ondertekend en op 4 juni 2012 ontvangen. De eerste taxatie vond op 7 juni 2012 plaats, zodat er geen verlies van groei is. Verweerder acht een eigen risico van 5% redelijk, tenzij sprake is van een bijzonder geval. Daarvan is hier geen sprake. Eisers hadden voldoende mogelijkheden om de dieren te verjagen.

3.

Eisers stellen inzake de procedure met kenmerk ROT 13/1917 dat de taxatie niet volgens de regels is uitgevoerd. De taxateurs hebben gezegd dat zij voor een eerste snede maximaal 20 cm grasverlies mogen vaststellen. In het rapport ‘meten is weten’ staat volgens verweerder geen maximum vermeld. Uit dat rapport blijkt echter dat maximaal 23 cm graslengte betrouwbaar kan worden gemeten, zodat taxateurs theoretisch gezien niet meer dan 20 cm grasverlies kunnen taxeren. Verweerder stelt verder ten onrechte dat er geen draden, vogelverschrikkers en vlaggen zijn aangetroffen. De deurwaarder heeft voorts op 25 mei 2012 geconstateerd dat het gehele perceel is afgevreten. De taxatie van 7 juni 2012 is onjuist. De hoogte van de vergoeding is te laag. De Universiteit Wageningen, waarmee het Faunafonds samenwerkt, hanteert bovendien een hogere grasprijs.

Eisers stellen inzake de procedure met kenmerk ROT 13/3936 dat zij de deurwaarder hebben verzocht op 25 mei 2012 de percelen te beoordelen omdat verweerder niet bereid was voor 7 juni 2012 te taxeren. De eindtaxatie van de eerste snede op 7 juni 2012 heeft zodoende twee weken later dan gebruikelijk plaatsgevonden. De taxateur mocht in de taxatie van de tweede snede alleen schade vanaf 7 juni 2012 opnemen. Daardoor is er wel grasgroei gemist en is de schade te laag vastgesteld. Er mag daarnaast slechts gedurende 2,5 maand gejaagd worden, om die reden is een eigen risico onbillijk.

4.1.

Op grond van artikel 83, eerste lid, aanhef en onder b, van de Flora- en faunawet (Ffw) is er is een Faunafonds, dat tot taak heeft het in de daarvoor in aanmerking komende gevallen verlenen van tegemoetkomingen in geleden schade, aangericht door dieren behorende tot beschermde inheemse diersoorten.

4.2.

Op grond van artikel 84, eerste lid, van de Ffw wordt een tegemoetkoming als bedoeld in artikel 83, eerste lid, onderdeel b, slechts verleend voorzover een belanghebbende schade lijdt of zal lijden aangericht door dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, en die schade redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven. Een tegemoetkoming wordt naar billijkheid bepaald.

Op grond van het derde lid van dit artikel kunnen bij ministeriële regeling, in overeenstemming met gedeputeerde staten van de provincies, regels worden gesteld met inachtneming waarvan het Faunafonds beslist over een aanvraag voor een tegemoetkoming als bedoeld in het eerste lid.

4.3.

Verweerder heeft beleidsregels opgesteld omtrent de wijze van indiening van het verzoek voor een tegemoetkoming alsmede de criteria waaraan een verzoek voor een tegemoetkoming wordt getoetst, die zijn vastgelegd in de Regeling vaststelling beleidsregels schadevergoeding Faunafonds (de beleidsregels), zoals die golden ten tijde van belang.

5.1.

De rechtbank overweegt als volgt.

5.2.

De beide procedures liggen in elkaars verlengde en de beroepsgronden hebben veelal betrekking op beide procedures. Gelet daarop ziet de rechtbank aanleiding om in het navolgende de gronden van beide procedures gevoegd te bespreken.

5.3.

Ter zitting is naar voren gekomen dat verweerder niet betwist dat eisers afweermiddelen hebben aangewend om de schade te beperken en dat dit aspect geen rol heeft gespeeld bij het bepalen van de hoogte van de tegemoetkoming. Eveneens is naar voren gekomen dat de vraag of al dan niet bemesting heeft plaatsgevonden geen rol heeft gespeeld. Ten slotte is vastgesteld dat de klachten die eisers hebben geuit over de taxateurs buiten de reikwijdte van deze procedure vallen, nu daarvoor een andere procedure is aangewezen, die eisers ook hebben benut.

5.4.1.

In geschil is de hoogte van de toegekende tegemoetkoming in de schade. Daarbij gaat het om de wijze van taxeren, de hoeveelheid verloren gras en de gehanteerde grasprijs.

5.4.2.

De rechtbank stelt vast dat de taxaties zijn uitgevoerd door taxateurs die deskundig zijn op het gebied van het bepalen van opbrengstverlies. Uitgangspunt is dat verweerder mag uitgaan van de deskundigheid en de conclusies van de taxateur, tenzij er aanleiding is om daaraan te twijfelen. Voor het voorjaarsgras heeft zevenmaal een taxatie plaatsgevonden. Voor de zomerperiode is er vijfmaal getaxeerd. Van belang is ook dat de taxaties zijn verricht door drie verschillende taxateurs die vaak ook met zijn tweeën de taxatie hebben uitgevoerd en dat op 7 juni 2012 de twee taxateurs zijn begeleid door twee medewerkers van verweerder, H. Engberink en K. Maasbach. Bovendien zijn de taxateurs ingegaan op de geuite bedenkingen van eisers op de tussentijdse taxaties en zijn de bevindingen voor het voorjaarsgras naar aanleiding van hun opmerkingen aangepast. Bij hun taxaties hebben de taxateurs de richtlijnen van verweerder ten behoeve van Faunaschadetaxaties in acht genomen. Gelet op deze omstandigheden is dan ook niet aannemelijk gemaakt dat de taxaties niet volgens de regels zijn uitgevoerd of onzorgvuldig tot stand zijn gekomen. Eisers hebben tegenover de taxatie van verweerder geen eigen, door een deskundige opgemaakte, taxatie gesteld. De vaststelling van de gerechtsdeurwaarder L. van Nimwegen in een proces-verbaal van 25 mei 2012, dat de totale oppervlakte weiland van 26.35 hectare in het buitengorsgebied kaal was, kan niet als zodanig worden beschouwd, nu niet is gebleken dat hij terzake van opbrengstverlies deskundig is.

5.4.3.

Eisers hebben ter zitting aan de hand van een overzicht over de jaren 2010 tot en met 2013 gesteld dat in het jaar 2012 de hoeveelheid droge stof ondanks de groeizame zomer achterblijft bij het langjarige gemiddelde. Verweerder heeft dit bestreden door te wijzen op de schadevergoeding voor het jaar 2011, die niet significant afwijkt van de vergoeding voor het jaar 2012. Beide partijen hebben hun stellingen niet onderbouwd. Nu eisers deze stelling eerst ter zitting hebben aangevoerd en het overzicht ook niet is onderbouwd met de achterliggende stukken, en door verweerder wordt betwist, is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat het jaar 2012 zodanig uit de pas loopt dat daaruit kan worden afgeleid dat de taxaties niet juist zouden zijn. De rechtbank ziet hierin geen aanleiding voor het oordeel dat de uiteindelijk bepaalde hoeveelheid grasverlies geen stand kan houden.

5.4.4.

De stelling van eisers dat door het tijdstip van aftaxatie op 7 juni 2012 een periode grasgroei verloren is gegaan, is evenmin aannemelijk gemaakt. De laatste taxatie van het voorjaarsgras heeft plaatsgevonden op 7 juni 2012. Daarop aansluitend heeft ook op 7 juni 2012 de eerste taxatie voor de zomerperiode plaatsgevonden. Eisers hebben hun verzoek om vergoeding voor het zomergras gedaan per 26 mei 2012. De aanvraag is evenwel pas op 31 mei 2012 door eisers ingevuld en op 4 juni 2014 bij verweerder ontvangen. Gelet daarop was de taxatie op 7 juni 2012 niet zodanig laat dat verweerder daarmee het verwijt kan worden gemaakt niet adequaat te hebben gehandeld. Evenmin is hierdoor de opbrengst van twee weken voor eisers verloren gegaan. Tevens is de stelling van eisers dat een grasverlies van meer dan 20 cm niet kan en mag worden vastgesteld, zodat zij door de voor een oppervlakte van 26 ha vastgestelde 20 cm verlies aan voorjaarsgras tekort zijn gedaan, niet aannemelijk geworden.

5.4.5.

Eisers achten de gehanteerde grasprijs te laag omdat in een publicatie van Wageningen UR Livestock Research een hogere prijs staat vermeld. Verweerder heeft toegelicht dat de prijs wordt vastgesteld op basis van informatie van de Universiteit Wageningen waarbij ook andere factoren worden betrokken, zoals de marktontwikkeling. Voor het jaar 2012 heeft verweerder de prijs bepaald op 22 cent per kilogram droge stof voor het voorjaarsgras en 24 cent per kilogram droge stof voor het zomergras. De rechtbank ziet in hetgeen hierover is aangevoerd geen aanleiding die vaststelling onredelijk te achten. Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat de schadevergoeding een tegemoetkoming is en geen volledige schadeloosstelling.

5.4.6.

De rechtbank ziet dan ook in hetgeen eisers hebben aangevoerd geen aanleiding voor twijfel aan de bevindingen neergelegd in de taxaties. Verweerder heeft dan ook in redelijkheid op basis van deze taxaties de hoogte van de schadevergoeding kunnen vaststellen.

5.5.

Eisers hebben aangevoerd dat verweerder ten onrechte op de schadevergoeding voor de zomerperiode een bedrag heeft ingehouden bij wijze van eigen risico. Verweerder heeft toegelicht dat hij het beleid voert dat er een korting wordt toegepast, tenzij er bijzondere omstandigheden zijn. Verweerder stelt dat de mogelijkheden om te verjagen in de zomer ruimer zijn dan in het voorjaar. Vanaf 1 april mogen ganzen visueel worden verontrust en vanaf 16 juni ook met akoestische middelen. In de zomer mag er ook met het geweer worden bestreden. Gelet daarop heeft verweerder voor het voorjaar geen korting toegepast en voor de zomerperiode wel. De rechtbank ziet in deze toelichting, die ook blijkt uit het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 2 maart 2012 op de aanvraag van eisers om ontheffing op grond van artikel 68 van de Ffw, geen grond voor het oordeel dat verweerder voor de zomerperiode in redelijkheid geen korting heeft mogen toepassen. Verweerder heeft zich derhalve op het standpunt kunnen stellen dat er voor de zomerperiode geen sprake was van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8, derde lid, van de beleidsregels.

5.6.

De beroepen zijn ongegrond.

5.7.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. van ‘t Laar, voorzitter, en mr. L.H. Waller en

mr. R.H.L. Dallinga, leden, in aanwezigheid van mr. I.M.L.J. Spierings, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 april 2014.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.