Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:1875

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
12-02-2014
Datum publicatie
14-03-2014
Zaaknummer
C/10/424631 / HA RK 13-425 en C/10/431722 / HA RK 13-787
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Zeerecht; beperking van aansprakelijkheid.

Schuldeiser doet hetzij bij indiening van de vordering bij de vereffenaar hetzij ter verificatievergadering beroep op ontbreken van rechtsmacht en op onbevoegdheid van de rechtbank.

Toepasselijk recht. Procesrechtelijke onderwerpen in het kader van procedures tot beperking van aansprakelijkheid in Nederland, in het kader waarvan een beperkingsfonds is gevormd, dienen ingevolge artikel 14 van het Verdrag inzake de beperking van aansprakelijkheid voor maritieme vorderingen, Londen 19 november 1976, aangepast bij Protocol van 2 mei 1996 (LLMC) te worden behandeld volgens het recht van de staat waar het fonds is gevormd, derhalve in dit geval Nederlands recht van toepassing.

1. Het kader van de verificatie van vorderingen voor de r-c leent zich niet voor de beoordeling van een beroep op gebrek aan rechtsmacht of op onbevoegdheid van de rechtbank te behandelen, mede omdat de r-c is benoemd door de rechtbank.

2. Heeft schuldeiser Baltic Cable (BC) bij het indienen van haar vorderingen tegen verzoekers tot beperking Delfborg cs en Wagenborg beroep gedaan op het ontbreken van rechtsmacht van de Nederlandse rechter, dan wel op onbevoegdheid van deze rechtbank?

BC heeft haar vorderingen bij de vereffenaar ingediend bij twee brieven, onder toezending van een Nederlandse vertaling van de “claims form” (dagvaarding) waarin Delfborg cs en Wagenborg werden opgeroepen om voor het gerecht te Malmö, Zweden, te verschijnen. Ingevolge artikel 3:59 BW gelden de regels van de artikelen 3:33 en 3:35 BW ook ten aanzien van stukken als de brieven en die dagvaarding waarbij BC haar vorderingen indiende bij de vereffenaar. De r-c oordeelt dat en waarom noch in die brieven, noch in die dagvaarding (voldoende duidelijk) het standpunt is ingenomen dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht heeft of dat deze rechtbank onbevoegd is, zodat de vereffenaar daaraan redelijkerwijs de zin mogen toekennen dat geen beroep op gebrek aan rechtsmacht of op onbevoegdheid werd gedaan.

3. Kan een schuldeiser ter verificatievergadering voor het eerst beroep doen op het ontbreken van rechtsmacht van de Nederlandse rechter, dan wel op onbevoegdheid van deze rechtbank?

Volgens de algemene regel is voldoende, maar tevens noodzakelijk dat de partij die gebrek aan rechtsmacht of onbevoegdheid van de rechter inroept dat doet in het eerste door haar ingediende schriftelijke stuk, of, zo zij mondeling ter terechtzitting antwoordt, bij dat mondelinge antwoord. Die regel beoogt een goede procesorde te bevorderen en strekt ertoe te voorkomen dat na debat van partijen over de rechtsbetrekking die het onderwerp is van het geding, de verweerder in een laat stadium van het geding nog zou kunnen opwerpen dat de rechter op grond van regels die wegens hun zuiver processuele aard die rechtsbetrekking zelf niet raken, niet tot een beoordeling van het geschil omtrent de rechtsbetrekking kan komen (vgl.: HR 29 april 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1361; artikelen 110 lid 1, 128 lid 3 en 1022 lid 1 Rv).

Hoe zit dat in een procedure tot beperking van aansprakelijkheid?

Een specifieke regeling daarvoor is niet opgenomen in de wet.

Een beroep op onbevoegdheid kan reeds worden gedaan in de eerste fase van de beperkingsprocedure, waarin wordt beslist over het bedrag waartoe de aansprakelijkheid voorshands is beperkt en omtrent de vraag of hij in plaats van storting van dat bedrag kan volstaan met zekerheidstelling en, in het laatste geval, op welke wijze deze zekerheidstelling dient te geschieden (vgl. HR 4 november 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1522 – ‘Vertrouwen’ TX68; HR 1 mei 1981, NJ 1981/605 – ‘Blue Hawk’).

In de memorie van toelichting op artikel 320r lid 3 (oud) Rv, dat overeenstemt met het huidige artikel 642r lid 2 Rv, wordt gesteld “[..] het derde lid doet duidelijker uitkomen, dat de betwisting niet alleen hoeft te slaan op de verificatie van een vordering, doch eveneens betrekking kan hebben op het verzoek tot beperking van aansprakelijkheid in het algemeen, de bevoegdheid van de rechtbank enz.” (Kamerstukken II, vergaderjaar 1986-1987, 18 770, nr. 3, blz. 15). Het gaat in dat artikel over de renvooiprocedure. Daaruit valt af te leiden dat in de renvooiprocedure een beroep op onbevoegdheid kan worden gedaan, nadat een schuldeiser de bevoegdheid eerder heeft betwist.

In het arrest betreffende de ‘Vertrouwen’TX68 overwoog de Hoge Raad onder meer: “Dit neemt evenwel niet weg dat een belanghebbende tegen het verzoek tot beperking van de aansprakelijkheid ook bezwaren kan aanvoeren die naar zijn opvatting reeds dadelijk tot de slotsom leiden dat het verzoek moet worden afgewezen of de verzoeker daarin wegens gebrek aan belang niet-ontvankelijk moet worden verklaard, zulks onverminderd zijn bevoegdheid die bezwaren voor het eerst in de renvooiprocedure naar voren te brengen of deze, zo zij niet zijn gehonoreerd, daarin te herhalen.” (r.o. 3.3). Daaruit leidt de r-c af dat een schuldeiser een beroep op onbevoegdheid in de renvooifase voor het eerst kan voeren en dat geen verplichting bestaat zodanig beroep in de eerste fase, of bij het indienen van de vordering ter verificatie te doen.

Omdat het in het kader van de verificatie van vorderingen voor de r-c niet past om een beroep op gebrek aan rechtsmacht of op onbevoegdheid te behandelen en het mogelijk is om in de renvooiprocedure voor het eerst zodanig beroep te doen, ontvalt het processueel belang van schuldeiser en verzoekers bij een beslissing van de r-c over die onderwerp.

Volgt verwijzing van partijen naar de renvooiprocedure t.a.v. de vordering van de schuldeiser.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2014/76

Uitspraak

beschikking

Rechtbank Rotterdam

Afdeling privaatrecht

Team haven en handel

zeeschip “Delfborg” - zakenfonds

Beschikking van de rechter-commissaris van 12 februari 2014

in de gevoegde procedures tot beperking van de aansprakelijkheid:

met zaak-/rekestnummer: C/10/424631 / HA RK 13-425 van

1 [Verzoeker 1],

handelend zowel voor zichzelf als in hoedanigheid van enige beherende vennoot van de commanditaire vennootschap C.V. m.s. Delfborg,

wonende te Assen,

en

2. de commanditaire vennootschap

C.V. M.S. DELFBORG,

gevestigd te Assen,

verzoekers,

advocaat mr. V.R. Pool,

en met zaak-/rekestnummer: C/10/431722 / HA RK 13-787 van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

WAGENBORG SHIPPING B.V.,

gevestigd te Delfzijl,

verzoekster,

advocaat mr. T. Roos.

[Verzoeker 1] en C.V. m.s. Delfborg worden hierna aangeduid als Delfborg cs en Wagenborg Shipping B.V. als Wagenborg.

1 De loop van het geding en de punten van geschil

Voor het verloop van het geding verwijst de rechter-commissaris naar de beschikking van 6 augustus 2013 in de zaak met kenmerk C/10/424631 / HA RK 13-425 en die van 18 september 2013 in de zaak met kenmerk C/10/431722 / HA RK 13-787.

In de zaak met kenmerk C/10/424631 / HA RK 13-425 is op 27 november 2013 een verificatievergadering gehouden waarvan proces-verbaal is opgemaakt.

Vervolgens is op 15 januari 2014 in de beide, gevoegde zaken een verificatievergadering gehouden, waarvan proces-verbaal is opgemaakt.

Op de verificatievergadering van 15 januari 2014 is bepaald dat bij beschikking van vandaag een beslissing zal worden gegeven over de vraagpunten:

  • -

    of de belanghebbende schuldeiser Baltic Cable Aktiebolag, gevestigd te Malmö, Zweden, (hierna: Baltic Cable) bij het indienen van haar vorderingen tegen Delfborg cs, dan wel tegen Wagenborg beroep heeft gedaan op het ontbreken van rechtsmacht van de Nederlandse rechter, dan wel op onbevoegdheid van deze rechtbank;

  • -

    of Baltic Ace zodanig beroep alsnog ter verificatievergadering kon doen;

  • -

    of de rechter-commissaris verzoekers en Baltic Cable ter beoordeling van het beroep op het ontbreken van rechtsmacht van de Nederlandse rechter, dan wel op onbevoegdheid van deze rechtbank kan verwijzen naar de rolprocedure;

  • -

    welke geschilpunten voorts naar de rolprocedure moeten worden verwezen.

De betreffende standpunten van partijen blijken uit de lijsten van voorlopig erkende en voorlopig betwiste vorderingen en uit het proces-verbaal van de verificatievergadering van 15 januari 2014.

2 De beoordeling

bevoegdheid; toepasselijk recht

2.1.

Er is sprake van een internationaal geval, omdat Baltic Cable in Zweden is gevestigd en alle verzoekers in Nederland woonachtig of gevestigd zijn en deze procedure aanhangig is bij een Nederlandse rechter.

De rechter-commissaris heeft niet te oordelen of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft, dan wel deze rechtbank bevoegd is. Dat zijn vragen die aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd, maar niet aan de rechter-commissaris die door de rechtbank is benoemd.

Wel dient eerst het toepasslijk recht te worden bepaald.

2.2.

Tussen partijen is – terecht – niet in geschil dat de vraag of Baltic Cable bij het indienen van haar vorderingen tegen verzoekers beroep heeft gedaan op het ontbreken van rechtsmacht van de Nederlandse rechter, dan wel op onbevoegdheid van deze rechtbank, beantwoord dient te worden naar Nederlands recht. Het gaat hier, immers, om procesrechtelijke onderwerpen in het kader van procedures tot beperking van aansprakelijkheid in Nederland, in het kader waarvan een beperkingsfonds is gevormd. Ingevolge de regel van toepasselijk recht van artikel 14 van het Verdrag inzake de beperking van aansprakelijkheid voor maritieme vorderingen, Londen 19 november 1976, aangepast bij Protocol van 2 mei 1996 (hierna: LLMC), welk verdrag eenvormig privaatrecht vormt voor het onderwerp van beperking van aansprakelijkheid van zeeschepen, is daarop het recht van de staat waar het fonds is gevormd van toepassing. Derhalve is Nederlands recht van toepassing.

(1) Heeft Baltic Cable bij het indienen van haar vorderingen tegen Delfborg cs, dan wel Wagenborg beroep gedaan op het ontbreken van rechtsmacht van de Nederlandse rechter, dan wel op onbevoegdheid van deze rechtbank?

2.3.

Baltic Cable stelt dat zij in de brieven van haar Zweedse advocaten B. Tude en J. Brännström van 11 september 2013, met als bijlage een Nederlandse vertaling van de “claims form” (dagvaarding) waarin Delfborg cs en Wagenborg werden opgeroepen om voor het gerecht te Malmö, Zweden, te verschijnen, en van 5 november 2013, in welke brieven zij haar vorderingen tegen Delfborg cs, respectievelijk Wagenborg bij de vereffenaar indiende, beroep heeft gedaan op het ontbreken van rechtsmacht van de Nederlandse rechter, dan wel op onbevoegdheid van deze rechtbank. Baltic Cable stelt dat die brieven gelezen dienen te worden in samenhang met de “claims form” en dat in de punten 2.8 en 7 van de “claims form” beroep wordt gedaan op het ontbreken van rechtsmacht en op onbevoegdheid.

2.4.

Delfborg cs en Wagenborg nemen het standpunt dat noch in de beide brieven van Baltic Cable, noch in (de punten 2.8 en 7 van) de “claims form” een beroep op gebrek aan rechtsmacht van de Nederlandse rechter of op onbevoegdheid van deze rechtbank wordt gedaan. In die stukken deelt Baltic Cable niet meer of anders mee dan dat en waarom zij haar vorderingen aan het gerecht in Zweden heeft voorgelegd, zonder het standpunt in te nemen dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht heeft of de rechtbank Rotterdam geen bevoegdheid om te oordelen over de verzoeken tot beperking van aansprakelijkheid. Verzoekers voeren aan dat het mogelijk is dat de ene rechter in de Europese Unie oordeelt over de beperkingsvragen en een andere rechter elders in de Europese Unie over de vraag naar aansprakelijkheid of de omvang daarvan.

2.5.

De vereffenaar heeft de ontvangst van die beide brieven en de “claims form” bevestigd.

De vereffenaar heeft verklaard dat hij de aangehaalde passages in de brieven van de advocaten van Baltic Cable van 11 september 2013 en 5 november 2013 heeft opgevat als een mededeling dat Baltic Cable voor haar vorderingen de rechter in Zweden heeft geadieerd, niet als een beroep op het ontbreken van rechtsmacht van de Nederlandse rechter of van bevoegdheid van de Rotterdamse rechtbank. Daarom heeft hij een dergelijk beroep ook niet opgenomen in de lijsten met vorderingen.

2.6.

De rechter-commissaris stelt vast dat Baltic Cable haar vordering tegen Delfborg cs bij de vereffenaar heeft ingediend bij brief van haar Zweedse advocaten B. Tude en J. Brännström van 11 september 2013, waarbij zij een Nederlandse vertaling had gevoegd van de “claims form” (dagvaarding) waarin Delfborg cs en Wagenborg werden opgeroepen om voor het gerecht te Malmö, Zweden, te verschijnen. Ook staat vast dat Baltic Cable in die brief stelt: “For further substation of the claim, we kindly refer to the attached claims form which has been submitted to the competent court in Malmö, Sweden (translated into Dutch). The submission of this claims form marks the commencement of the proceedings. Consequently, the proceedings can be considered ‘pending’ as of March 15, 2013. Baltic Cable’s claim, including the question whether Smith and Delfborg can rely on a limitation, will be decided upon by the Swedish court in the proceedings before the Malmö Court.”.

Voorts stelt de rechter-commissaris vast dat Baltic Cable haar vordering tegen Wagenborg bij de vereffenaar heeft ingediend bij brief van haar genoemde Zweedse advocaten van 5 november 2013 en dat Baltic Cable in die brief stelt: “For further substation of the claim, we kindly refer to the previously sent claims form which has been submitted to the competent court in Malmö, Sweden (translated into Dutch). The submission of this claims form marks the commencement of the proceedings. Consequently, the proceedings can be considered ‘pending’ as of March 15, 2013. Baltic Cable’s claim, including the question whether Wagenborg can rely on a limitation, will be decided upon by the Swedish court in the proceedings before the Malmö Court.”.

2.7.

Ingevolge artikel 3:59 BW gelden de regels van de artikelen 3:33 en 3:35 BW ook ten aanzien van stukken als de brieven van 11 september en 5 november 2013 en de bijgevoegde “claims form” waarbij Baltic Cable haar vorderingen indiende bij de vereffenaar.

In geen van de brieven heeft (voldoende duidelijk) Baltic Cable het standpunt ingenomen dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht heeft of dat deze rechtbank onbevoegd is. In de brieven staat slechts dat Baltic Cable haar vordering tot schadevergoeding aanhangig heeft gemaakt bij het gerecht in Malmö en dat die vordering, alsmede de vraag of Delfborg cs dan wel Wagenborg beroep op een beperking kan doen door de Zweedse rechter zal worden beslist. De mededeling dat de Zweedse rechter over die onderwerpen zal oordelen houdt niet in dat (daarom) de Nederlandse rechter geen rechtsmacht heeft of dat deze rechtbank onbevoegd is. Evenmin vormt de mededeling dat de zaak “pending” is bij de Zweedse rechter een voldoende duidelijke mededeling dat (daarom) de Nederlandse rechter geen rechtsmacht heeft of dat deze rechtbank onbevoegd is.

Noch onder punt 2.8, noch onder punt 7 van de “claims form” heeft Baltic Cable (voldoende duidelijk) het standpunt ingenomen dat de Nederlandse rechter geen rechtsmacht heeft of dat deze rechtbank onbevoegd is. Onder punt 2.8 wordt behandeld dat en waarom Delfborg cs en Wagenborg de gestelde schade hebben veroorzaakt uit ernstige onachtzaamheid en met het inzicht dat de schade waarschijnlijk zou ontstaan. Onder punt 7 legt Baltic Cable uit dat de Zweedse rechter rechtsmacht heeft en dat het gerecht in Malmö bevoegd is. Het standpunt dat de Zweedse rechter rechtsmacht heeft en dat het gerecht in Malmö bevoegd is, houdt niet in dat (daarom) de Nederlandse rechter geen rechtsmacht heeft of dat deze rechtbank onbevoegd is.

Onder deze omstandigheden heeft de vereffenaar, aan wie de beide brieven waren gericht, daaraan redelijkerwijs de zin mogen toekennen dat geen beroep op gebrek aan rechtsmacht of op onbevoegdheid werd gedaan.

Dat de vereffenaar die brieven aldus heeft opgevat bleek al uit de beschrijvingen van de vorderingen van Baltic Cable in de door hem opgestelde lijsten van voorlopig erkende en voorlopig betwiste vorderingen, waarin hij allerlei opmerkingen over die vorderingen heeft gemaakt alsmede “Crediteur heeft haar vordering in rechte aanhangig gemaakt bij de Rechtbank Malmö op of omstreeks 15 maart 2013 en betwist dat verzoeksters hun aansprakelijkheid kunnen beperken welke betwisting eveneens is voorgelegd aan de Rechtbank Malmö.”.

2.8.

Gesteld noch gebleken is dat Baltic Cable zich op enig ander tijdstip over rechtsmacht of bevoegdheid heeft uitgelaten vóór de verificatievergadering van 15 januari 2014.

2.9.

Daarom concludeert de rechter-commissaris dat Baltic Cable vóór de verificatievergadering van 15 januari 2014 geen beroep heeft gedaan op gebrek aan rechtsmacht van de Nederlandse rechter of onbevoegdheid van deze rechtbank.

(2) Kon Baltic Cable alsnog ter verificatievergadering beroep doen op het ontbreken van rechtsmacht van de Nederlandse rechter, dan wel op onbevoegdheid van deze rechtbank?

2.10.

Baltic Cable heeft bij monde van haar advocaat mr. Sturm ter verificatievergadering van 15 januari 2014 beroep gedaan op het ontbreken van rechtsmacht van de Nederlandse rechter en op onbevoegdheid van de rechtbank, voor het geval geoordeeld zou worden dat haar brieven van 11 september en 5 november 2013 en de bijgevoegde “claims form” zodanig beroep niet bevatten. Daarbij heeft mr. Sturm betoogd dat uit de memorie van toelichting blijkt dat het recht de mogelijkheid biedt om mondeling ter verificatievergadering zodanig beroep te doen.

Verzoekers hebben betoogd dat, indien een belanghebbende zonder zodanig beroep te doen zijn vordering bij de vereffenaar heeft ingediend, zoals Baltic Cable in dit geval, zodanig beroep niet rechtsgeldig ter verificatievergadering kan worden gedaan. In dat kader hebben verzoekers erop gewezen dat mr. Sturm als publiek aanwezig was bij de eerste mondelinge behandeling van het verzoekschrift tot beperking van aansprakelijkheid, zodat Baltic Cable daarmee op de hoogte was, en dat Baltic Cable geen hoger beroep heeft ingesteld van de beschikkingen van 5 juli 2013, respectievelijk 11 september 2013.

2.11.

Naar Nederlands recht geldt als algemene regel dat voldoende, maar tevens noodzakelijk is dat de partij die gebrek aan rechtsmacht of onbevoegdheid van de rechter inroept dat doet in het eerste door haar ingediende schriftelijke stuk, of, zo zij mondeling ter terechtzitting antwoordt, bij dat mondelinge antwoord. Die regel beoogt een goede procesorde te bevorderen en strekt ertoe te voorkomen dat na debat van partijen over de rechtsbetrekking die het onderwerp is van het geding, de verweerder in een laat stadium van het geding nog zou kunnen opwerpen dat de rechter op grond van regels die wegens hun zuiver processuele aard die rechtsbetrekking zelf niet raken, niet tot een beoordeling van het geschil omtrent de rechtsbetrekking kan komen (vgl.: HR 29 april 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1361; artikelen 110 lid 1, 128 lid 3 en 1022 lid 1 Rv).

2.12.

De vraag rijst vervolgens op welk moment een schuldeiser in een procedure tot beperking van aansprakelijkheid zijn standpunt over gebrek aan rechtsmacht of onbevoegdheid dient kenbaar te maken. Een specifieke regeling daarvoor is niet opgenomen in de wet.

Zodanig standpunt kan reeds worden kenbaar gemaakt in de eerste fase van de beperkingsprocedure, waarin wordt beslist over het bedrag waartoe de aansprakelijkheid voorshands is beperkt en omtrent de vraag of hij in plaats van storting van dat bedrag kan volstaan met zekerheidstelling en, in het laatste geval, op welke wijze deze zekerheidstelling dient te geschieden (vgl. HR 4 november 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1522 – ‘Vertrouwen’ TX68; HR 1 mei 1981, NJ 1981/605 – ‘Blue Hawk’).

In de memorie van toelichting op artikel 320r lid 3 (oud) Rv, dat overeenstemt met het huidige artikel 642r lid 2 Rv, wordt gesteld “[..] het derde lid doet duidelijker uitkomen, dat de betwisting niet alleen hoeft te slaan op de verificatie van een vordering, doch eveneens betrekking kan hebben op het verzoek tot beperking van aansprakelijkheid in het algemeen, de bevoegdheid van de rechtbank enz.” (Kamerstukken II, vergaderjaar 1986-1987, 18 770, nr. 3, blz. 15). Het gaat in dat artikel over de renvooiprocedure. Daaruit valt af te leiden dat in de renvooiprocedure een beroep op onbevoegdheid kan worden gedaan, nadat een schuldeiser de bevoegdheid eerder heeft betwist.

In het arrest betreffende de ‘Vertrouwen’TX68 overwoog de Hoge Raad onder meer: “Dit neemt evenwel niet weg dat een belanghebbende tegen het verzoek tot beperking van de aansprakelijkheid ook bezwaren kan aanvoeren die naar zijn opvatting reeds dadelijk tot de slotsom leiden dat het verzoek moet worden afgewezen of de verzoeker daarin wegens gebrek aan belang niet-ontvankelijk moet worden verklaard, zulks onverminderd zijn bevoegdheid die bezwaren voor het eerst in de renvooiprocedure naar voren te brengen of deze, zo zij niet zijn gehonoreerd, daarin te herhalen.” (r.o. 3.3). Daaruit valt af te leiden dat een schuldeiser een preliminair verweer, zoals een beroep op onbevoegdheid, in de renvooifase voor het eerst kan voeren en dat er geen verplichting bestaat zodanig verweer in de eerste fase, of bij het indienen van de vordering ter verificatie te voeren.

2.13.

Waar, zoals gezegd, het in het kader van de verificatie van vorderingen voor de rechter-commissaris niet past om een beroep op gebrek aan rechtsmacht of op onbevoegdheid te behandelen en, zoals uit het vorenstaande volgt, het mogelijk is om in de renvooiprocedure voor het eerst zodanig beroep te doen, ontvalt het processueel belang van Baltic Cable of verzoekers bij een beslissing van de rechter-commissaris over de vraag of zodanig beroep voor het eerst ter verificatievergadering kan worden gedaan. De rechter-commissaris laat die vraag daarom rusten.

(3) Kan de rechter-commissaris verzoekers en Baltic Cable ter beoordeling van het beroep op het ontbreken van rechtsmacht van de Nederlandse rechter, dan wel op onbevoegdheid van deze rechtbank verwijzen naar de rolprocedure?

2.14.

Uit hetgeen is overwogen in 2.10 tot en met 2.13 vloeit voort dat het processueel belang van Baltic Cable en verzoekers bij een beslissing van de rechter-commissaris op dit punt is komen te vervallen.

(4) Voor welke geschilpunten dienen partijen voorts naar de rolprocedure te worden verwezen?

2.15.

Zoals ter verificatievergadering van 15 januari 2014 bepaald, zal de regresvordering van Wagenborg tegen Delfborg cs voorlopig blijven rusten als een ten gronde en op alle onderdelen door Baltic Cable betwiste vordering (punt 5 van het proces-verbaal).

Voor die vordering zal voorlopig geen verwijzing plaats vinden.

2.16.

Uit de lijsten van voorlopig erkende en voorlopig betwiste vorderingen en punt 3.1 van het proces-verbaal van de verificatievergadering van 15 januari 2014 blijkt (a) dat Baltic Cable het recht van ieder van de verzoekers om aansprakelijkheid te beperken betwist en (b) dat ieder van verzoekers aansprakelijkheid voor elke vordering van Baltic Cable betwist alsmede de omvang van die vorderingen.

De rechter-commissaris zal partijen, Baltic Cable als eiser en ieder van verzoekers als verweerders, daarom verwijzen naar de rolzitting van woensdag 26 maart 2014 ter beslissing van:

( a) de gestelde aansprakelijkheid van ieder van verzoekers ten opzichte van Baltic Cable; en

( b) de omvang van de vorderingen van Baltic Cable; en

( c) de stelling van Baltic Cable dat geen van verzoekers gerechtigd is tot beperking van aansprakelijkheid.

3 De beslissing

De rechter-commissaris in de gevoegde zaken,

3.1.

verwijst Baltic Cable als eiser en ieder van verzoekers als verweerders naar de rolzitting van woensdag 26 maart 2014 ter beslissing van

( a) de gestelde aansprakelijkheid van ieder van verzoekers ten opzichte van Baltic Cable; en

( b) de omvang van de vorderingen van Baltic Cable; en

( c) de stelling van Baltic Cable dat geen van verzoekers gerechtigd is tot beperking van aansprakelijkheid;

3.2.

houdt hangende die procedure elke verdere behandeling aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.P. Sprenger op 12 februari 2014. 1928