Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:1433

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-02-2014
Datum publicatie
27-02-2014
Zaaknummer
10/690090-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Medeplichtigheid aan gekwalificeerde doodslag op de Essenburgsingel te Rotterdam

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Straf 2

Parketnummer: 10/690090-13 (verdachte minderjarig)

Datum uitspraak: 27 februari 2014

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte],

geboren op [datum] te Rotterdam,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres [adres],

raadsman mr. G.N. Weski, advocaat te Rotterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Het onderzoek op de terechtzitting heeft plaatsgevonden op 3, 4 en 13 februari 2014.

Deze zaak van de verdachte is gelijktijdig behandeld met de zaak (onder het zelfde parketnummer) van de verdachte, waarbij het feit dat aan hem ten laste is gelegd in die zaak, betrekking heeft op de periode nadat de verdachte meerderjarig is geworden. Nu deze laatst vermelde zaak in het openbaar behandeld wordt, heeft het onderzoek ter terechtzitting in de onderhavige zaak eveneens plaatsgevonden in het openbaar.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officieren van justitie mrs. B. van Unnik en P. Swaak (hierna: de officier van justitie) hebben gerekwireerd tot:

- vrijspraak van het onder 1 primair ten laste gelegde;

- bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis bij uitspraak.

MOTIVERING VRIJSPRAAK

Het onder 1 primair ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. De officier van justitie heeft dit ook gevorderd, terwijl het eveneens is bepleit door de raadsman. De rechtbank zal de vrijspraak dan ook niet nader motiveren.

VERWEREN EN OVERWEGINGEN AANGAANDE HET BEWIJS TEN AANZIEN VAN FEIT 1 subsidiair.

De raadsman heeft bepleit dat er geen bewijs voorhanden is waaruit volgt dat de verdachte opzet had om het slachtoffer [naam slachtoffer] van het leven te beroven. Het opzet van de verdachte richtte zich, ook in voorwaardelijke zin, enkel en alleen op de diefstal met geweld en dus niet op de (gekwalificeerde) doodslag. De verdachte dient daarom te worden vrijgesproken van medeplichtigheid hieraan.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt hiertoe het volgende.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte op 20 januari 2013 een wapen aan de medeverdachte [medeverdachte 1] heeft meegegeven. De verdachte was er daarbij van op de hoogte dat [medeverdachte 1] van plan was die avond samen met [medeverdachte 2] een Belg te beroven van een hoeveelheid speed.

Op 19 januari 2013 pingt [medeverdachte 1] naar de verdachte: “Morg heb ik die feru nodig …[medeverdachte 2] connect m’he net. Hij zegt morge is actie.” De verdachte antwoordt: “Noprobleem broer”.

Op 20 januari 2013, vanaf 17.00 uur, pingen [medeverdachte 1] en de verdachte weer met elkaar. De verdachte vraagt dan aan [medeverdachte 1] “Hebben jullie actie in dit weer?” waarop [medeverdachte 1] bevestigend antwoordt. De verdachte vraagt of het een Belg is, en [medeverdachte 1] antwoordt: “Ja man, deze man is kkr groot die we gaan klaren hij lijkt op Kliktcho, die boxer die Europese kampioen, zwaar gewicht.”

De verdachte vraagt: “Gaan jullie hem pakken?”, waarop [medeverdachte 1] bevestigd antwoordt. Verdachte of zij “money pakken of iets anders”, waarop [medeverdachte 1] antwoordt: “Speed”. Op de vraag van de verdachte hoeveel, antwoordt [medeverdachte 1] : “5 Li speed.”

De verdachte vraagt met hoeveel ze gaan, waarop [medeverdachte 1] antwoordt: “Ik en [medeverdachte 2]”.

De verdachte reageert hierop: “Trek die mattie als tie moeilijk doet blazen”.

Uit de verklaring van de verdachte blijkt dat met “feru” een vuurwapen wordt bedoeld en dat [medeverdachte 1] dit op 20 januari bij hem thuis is komen ophalen. Over de betekenis van “blazen” heeft de verdachte verklaard dat dit schieten of slaan kan betekenen.

Nu het gaat om het ophalen van een vuurwapen, het ‘klaren’ van een Belg en het pakken van speed, gaat de rechtbank ervan uit dat met “als tie moeilijk doet blazen”, in dit geval wordt bedoeld: ‘als de Belg moeilijk doet schieten’.

Op 20 januari 2013 rond 19.30 uur is [naam slachtoffer], een man met de Belgische nationaliteit, in zijn auto op de Essenburgsingel te Rotterdam beschoten en ten gevolge daarvan om het leven gekomen. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] die avond een ontmoeting hadden met [naam slachtoffer] en dat [medeverdachte 1] met het door de verdachte verstrekte vuurwapen op het slachtoffer heeft geschoten. Vervolgens zijn [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] weggerend met medeneming van een hoeveelheid speed.

Voor strafbare medeplichtigheid is vereist dat het opzet van de verdachte zowel moet zijn gericht op de eigen hulpverlening als op het misdrijf ten aanzien waarvan die hulp wordt verleend. Uit hetgeen hiervoor is overwogen kan worden afgeleid - en dit is door de raadsman ook niet weersproken - dat de verdachte het vuurwapen aan [medeverdachte 1] heeft meegegeven, terwijl hij wist dat het de bedoeling was om er een beroving mee te gaan plegen.

De medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] worden veroordeeld voor de gekwalificeerde doodslag. Als gevolg van het accessoire karakter van medeplichtigheid volgt de kwalificatie van de medeplichtige die van de (hoofd)dader, ook als die hoofddader verder gaat dan datgene waarop het opzet van de medeplichtige was gericht. In casu heeft de verdachte zijn medeverdachte nog het advies meegegeven om te schieten als het slachtoffer moeilijk zou doen.

Maar ook als het opzet van de verdachte uitsluitend was gericht op diefstal met geweld of bedreiging met geweld, is de kwalificatie als medeplichtigheid aan één van de in artikel 288 van het Wetboek van Strafrecht omschreven vormen van doodslag mogelijk of zelfs aangewezen. Voor bewezenverklaring van medeplichtigheid aan gekwalificeerde doodslag is niet vereist dat het opzet van de verdachte (al dan niet in voorwaardelijke zin) gericht moet zijn geweest op de dood van het slachtoffer. Opzet op het verlenen van hulp (het verstrekken van het wapen) en op het misdrijf waarvoor de hulp wordt verleend (de beroving) is daarvoor voldoende.

Het verweer van de raadsman wordt derhalve verworpen.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1

subsidiair

[medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1]

op of omstreeks 20 januari 2013 te Rotterdam, opzettelijk een persoon genaamd [naam slachtoffer] van het leven heeft/hebben beroofd, immers heeft/hebben die [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] opzettelijk die [naam slachtoffer] met een vuurwapen een kogel in het hoofd/gezicht geschoten,

tengevolge waarvan voornoemde [naam slachtoffer] is overleden,

welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten

- een diefstal (in vereniging), althans een poging daartoe (strafbaar gesteld in (de) artikel(en) 311/310 (jo artikel 45) van het Wetboek van strafrecht en/of

- een diefstal met geweld (in vereniging), althans een poging daartoe (strafbaar gesteld in (de) artikel(en) 312 (jo artikel 45) van het Wetboek van strafrecht) en/of

- een afpersing (in vereniging), althans een poging daartoe (strafbaar gesteld in (de) artikel(en) 317 en (47) (jo artikel 45) van het Wetboek van strafrecht)

en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 19 januari 2013 tot en met 20 januari 2013 te Rotterdam opzettelijk behulpzaam ís geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door

- een vuurwapen voor die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] in bewaring te nemen/houden en/of

- aan die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] een vuurwapen te verschaffen/verstrekken;

2.

hij in of omstreeks de periode van 13 april 2012 tot en met 07 februari 2013 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander, of anderen, een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 van die wet in de vorm van een pistool van het merk SIG, model P-220, kaliber 9x19 mm voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Deze bewijsmiddelen en de voor de bewezenverklaring redengevende inhoud daarvan zijn weergegeven in de aan dit vonnis gehechte bijlage II.

Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

STRAFBAARHEID FEITEN

De bewezen feiten leveren op:

1

subsidiair medeplichtigheid aan medeplegen van doodslag gevolgd van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit gemakkelijk te maken;

2.

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

De raadsman heeft bij pleidooi een voorwaardelijk verzoek gedaan. Dit verzoek houdt in dat, indien de verdachte wordt veroordeeld voor feit 1, en daarbij voorwaardelijk opzet wordt aangenomen in die zin dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het wapen ook daadwerkelijk gebruikt zou gaan worden, er een nader rapport over de persoon van de verdachte dient te worden opgemaakt

De raadsman stelt dat, gezien de jeugdige leeftijd van de verdachte en hetgeen over hem wordt beschreven in het reclasseringsadvies, namelijk dat de verdachte cognitief achterligt op zijn leeftijdsgenoten en bovendien moeite heeft inzicht te hebben in de consequenties van zijn handelen, een gedragskundig onderzoek zou moeten uitwijzen of verdachte’s handelen hem kan worden aangerekend.

Zoals hiervoor al is gesteld was het opzet van de verdachte zowel gericht op het verstrekken van het vuurwapen als op de beroving van het slachtoffer. Daarmee is aan het vereiste van dubbel opzet voldaan. De medeplichtige volgt de kwalificatie van de dader(s) ook als deze verder gaan dan de bedoeling van de medeplichtige. Gelet hierop valt de relevantie van een nader onderzoek naar de geestvermogens van de verdachte niet in te zien.

De rechtbank wijst dit voorwaardelijk gedane verzoek dan ook af.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Twee bekenden van de verdachte hadden het plan opgevat om het latere slachtoffer, [naam slachtoffer], van zijn speed te beroven. Om hun voornemen zo nodig kracht bij te kunnen zetten had één van hen tevoren bij de verdachte thuis een vuurwapen opgehaald. Met dit wapen is [naam slachtoffer] tijdens de beroving in zijn gezicht geschoten en vervolgens aan zijn verwondingen overleden.

Hoewel de verdachte feitelijk niet bij de beroving van [naam slachtoffer] aanwezig is geweest en zijn rol beperkt is gebleven tot het leveren van het vuurwapen, is hij daarmee wel behulpzaam geweest bij de verboden en naar later is gebleken uiterst gevaarlijke activiteiten van zijn medeverdachten. Enerzijds heeft de verdachte tegenover de politie heeft verklaard dat hij niet had verwacht dat er zoiets zou gebeuren, anderzijds heeft hij tegenover hen toegegeven te weten dat er een risico aan zat en dat als hij het vuurwapen niet zou hebben geleverd het slachtoffer niet was doodgegaan. De verdachte heeft er zich onvoldoende rekenschap van gegeven dat het uitlenen van een vuurwapen gemakkelijk kan leiden tot het gebruik daarvan, zoals in deze zaak spijtig genoeg ook is gebleken.

Tevens heeft de verdachte het vuurwapen met daarvoor geschikte munitie, gedurende een langere periode onbevoegd voorhanden gehad. Dat het ongecontroleerde bezit van vuurwapens het risico van het gebruik daarvan in zich draagt is in deze zaak wel gebleken en hiertegen dient dan ook krachtig te worden opgetreden.

Op dergelijke feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van jeugddetentie van enige duur.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is in het voordeel van de verdachte in aanmerking genomen dat hij, zoals blijkt uit het op zijn naam gestelde uittreksel Justitiële Documentatie van 17 januari 2014, niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. Hierin wordt aanleiding gezien de jeugddetentie enigszins te matigen en een deel ervan voorwaardelijk op te leggen.

In het kader van de straftoemeting wordt ook acht geslagen op het over de verdachte uitgebrachte rapport van Reclassering Nederland van 6 juni 2013 en het voortgangsverslag van 22 januari 2014.

Uit het rapport blijkt onder meer dat de verdachte een - inmiddels - achttienjarige jongen van Nederlands/ Kaapverdische afkomst is. Uit onderzoek naar de intelligentie van de verdachte

is gebleken dat bij hem geen totale IQ score kan worden vastgesteld omdat de discrepantie tussen het verbale niveau en het performale niveau te groot is. Er is sprake van een disharmonieus profiel. Op verbaal niveau scoorde betrokkene een gemiddelde van 98. Op performaal niveau scoorde betrokkene een score van 80. Deze uitslag ligt op de grens tussen beneden gemiddeld en zwakbegaafd niveau. Dit kan duiden op een gebrekkig probleeminzicht en een weinig probleemoplossend vermogen. Het is mogelijk dat de verdachte mede vanwege zijn lage score op performaal niveau beïnvloedbaar is. Mogelijk heeft zijn stabiele en evenwichtige achtergrond ervoor gezorgd dat hij verbaal compenserende kwaliteiten heeft ontwikkeld. Hierdoor is het mogelijk dat zijn lage performale niveau niet eerder aan het licht gekomen is. Door zijn hogere score op verbaal niveau, is de kans aanwezig dat de verdachte door zijn woordkeuze en manier van communiceren vaardiger overkomt dan dat hij in werkelijkheid is. Het gevaar bestaat, dat hij snel overvraagd en overschat wordt.

Op de met hem besproken leefgebieden ervaart hij weinig problemen. Hij woont bij zijn moeder en heeft een sterke band met zijn familie. Hij vertelde nooit alcohol te drinken of drugs te gebruiken. In het dagelijks leven had hij een druk bestaan. Zo volgde hij een mbo opleiding en voetbalde hij op hoog niveau bij een voetbalclub in Rotterdam.

Het recidiverisico is als laag ingeschat. De reclassering heeft geadviseerd om een gedeeltelijk voorwaardelijke straf op te leggen, met daarbij als bijzondere voorwaarde een meldplicht.

In het voortgangsverslag van 22 januari 2014 heeft de reclassering aangetekend dat de verdachte, bij afwezigheid van problemen op de verschillende leefgebieden en gezien zijn steunende netwerk, geen reclasseringstoezicht meer nodig heeft.

De rechtbank kan zich vinden in de conclusies en adviezen van de reclassering. De rechtbank heeft er nota van genomen dat de verdachte inziet dat hij fout heeft gehandeld, dat hij oprecht spijt lijkt te hebben van hetgeen er is gebeurd en dat hij ook de ernst daarvan lijkt te beseffen.

In aanmerking genomen dat de maximaal op te leggen jeugddetentie twee jaar is en gelet op de straffen die in soortgelijke zaken eerder zijn opgelegd, wijkt de rechtbank af van de eis van de officier van justitie. Daarbij is er ook rekening mee gehouden dat de voorlopige hechtenis van de verdachte inmiddels is geschorst sinds november 2013 en dat de verdachte sindsdien hard aan de slag is gegaan om zijn leven weer op de rails te krijgen. Hem opnieuw naar de gevangenis sturen zou deze positieve ontwikkeling kunnen verstoren en – te meer nu hij binnenkort opnieuw aan een opleiding kan beginnen – zijn toekomst negatief kunnen beïnvloeden.

De rechtbank is van oordeel dat in deze zaak onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan het voorarrest een passende reactie is. Daarnaast wordt aan de verdachte als 'stok achter de deur' een fikse periode van voorwaardelijke jeugddetentie opgelegd. Het is nu aan de verdachte om te tonen dat hij zijn leven een wending ten goede kan geven, in de wetenschap dat het plegen van strafbare feiten in de toekomst direct strafrechtelijke consequenties voor hem kan hebben.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

VORDERING BENADEELDE PARTIJ / SCHADEVERGOEDINGSMAATREGEL

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd mevrouw [naam vrouw slachtoffer], wonende te Meeuwen (België), ter zake van het onder 1 tenlastegelegde feit.

De benadeelde partij vordert een bedrag van € 5.338,97 aan materiële schade.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij in de vordering, gelet op de rol van de verdachte als medeplichtige in deze zaak.

De raadsman heeft gelet op zijn bepleite vrijspraak, de niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij in de vordering bepleit, dan wel bij een veroordeling zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De benadeelde partij wordt in de vordering niet-ontvankelijk verklaard, nu niet is komen vast te staan dat de schade waarvan vergoeding wordt gevorderd, rechtstreeks verband houdt met het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde feit.

Nu de benadeelde partij niet-ontvankelijk zal worden verklaard, zal de benadeelde partij worden veroordeeld in de kosten door de verdachte ter verdediging van de vordering gemaakt, welke kosten tot heden worden begroot op nihil.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 48, 77a, 77g, 77h, 77i, 77x, 77y, 77z, 77gg en 288 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 subsidiair en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de tijd van 449 (vierhonderd negen en veertig) dagen;

bepaalt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot 180 (honderdtachtig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten;

stelt daarbij een proeftijd vast van 2 (twee) jaren; de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

wijst af de gevorderde opheffing van de schorsing van de verdachte;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;

verklaart de benadeelde partij [naam], wonende te Meeuwen (België) niet-ontvankelijk in de vordering;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten tot heden op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. W.L. van der Bijl-de Jong, voorzitter,

mr. S.C.C. Hes-Bakkeren, rechter tevens kinderrechter,

mr. K.T. van Barneveld, rechter,

in tegenwoordigheid van M.J. Grootendorst, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 februari 2014.

Bijlage I bij vonnis van 27 februari 2014

TEKST TENLASTELEGGING.

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

[medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1]

op of omstreeks 20 januari 2013 te Rotterdam

opzettelijk en met voorbedachte rade een persoon genaamd [naam slachtoffer] van het leven heeft/hebben beroofd, immers heeft hebben die [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] opzettelijk en met voorbedachte rade, voornoemde [naam slachtoffer] met een vuurwapen een kogel in het hoofd/gezicht geschoten,

tengevolge waarvan die [naam slachtoffer] is overleden,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 19 januari 2013 tot en met 20 januari 2013 te Rotterdam opzettelijk behulpzaam ís geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door

-een vuurwapen voor die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] in bewaring te nemen/houden en/of

-aan die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] een vuurwapen te verschaffen/verstrekken;

art 289 Wetboek van Strafrecht

art 48 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

art 48 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1]

op of omstreeks 20 januari 2013 te Rotterdam, opzettelijk een persoon genaamd [naam slachtoffer] van het leven heeft/hebben beroofd, immers heeft/hebben die [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] opzettelijk die [naam slachtoffer] met een vuurwapen een kogel in het hoofd/gezicht geschoten,

tengevolge waarvan voornoemde [naam slachtoffer] is overleden,

welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten

- een diefstal (in vereniging), althans een poging daartoe (strafbaar gesteld in (de) artikel(en) 311/310 (jo artikel 45) van het Wetboek van strafrecht en/of

- een diefstal met geweld (in vereniging), althans een poging daartoe (strafbaar gesteld in (de) artikel(en) 312 (jo artikel 45) van het Wetboek van strafrecht) en/of

- een afpersing (in vereniging), althans een poging daartoe (strafbaar gesteld in (de) artikel(en) 317 en (47) (jo artikel 45) van het Wetboek van strafrecht)

en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 19 januari 2013 tot en met 20 januari 2013 te Rotterdam opzettelijk behulpzaam ís geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door

- een vuurwapen voor die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] in bewaring te nemen/houden en/of

- aan die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] een vuurwapen te verschaffen/verstrekken;

art 48 Wetboek van Strafrecht

art 287 Wetboek van Strafrecht art 288 Wetboek van Strafrecht

meer subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1]

op of omstreeks 20 januari 2013 te Rotterdam,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft/hebben weggenomen geld en/of drugs, in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan die [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] en/of verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [naam slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

en/of

met het oogmerk om zich en / of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en / of bedreiging met geweld [naam slachtoffer] heeft/hebben gedwongen tot de afgifte van geld en/of drugs, in elk geval van enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan die [naam slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan die [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] en/of verdachte ,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- tonen en/of voorhouden van een vuurwapen aan die [naam slachtoffer] en/of

- ( vervolgens) met voornoemd vuurwapen schieten van een kogel in het hoofd/gezicht van die [naam slachtoffer],

ten gevolge waarvan voornoemde [naam slachtoffer] is overleden,

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode van 19 januari 2013 tot en met 20 januari 2013 te Rotterdam opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door

- een vuurwapen voor die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] in bewaring te nemen/houden en/of

- aan die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] een vuurwapen te verschaffen/verstrekken;

art 48 Wetboek van Strafrecht

art 317 lid 3 jo 47 Wetboek van Strafrecht art 312 lid 3 Wetboek van Strafrecht

art 310 Wetboek van Strafrecht

meest subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1]

op of omstreeks 20 januari 2013 te Rotterdam, ter uitvoering van het/de door die [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] voorgenomen misdrijf/misdrijven

om met het oogmerk om zich of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld iemand, genaamd [naam slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van geld en/of drugs en/of een of meer goederen, geheel of ten den dele toebehorend aan die [naam slachtoffer], in elk geval aan (een) ander(en) dan aan die [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] en/of verdachte,

en/of

om met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg te nemen geld en/of drugs en/of een of meer goederen, geheel of te dele toebehorende aan [naam slachtoffer], in elk geval aan (een) ander(en) dan aan die [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] en/of verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [naam slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

terwijl de uitvoering van dat/die voorgenomen misdrijf/misdrijven niet is voltooid,

heeft/hebben die [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1]

- een vuurwapen aan die [naam slachtoffer] getoond/voorgehouden en/of

- ( vervolgens) met voornoemd vuurwapen een kogel in het hoofd/gezicht van die [naam slachtoffer] geschoten,

ten gevolge waarvan voornoemde [naam slachtoffer] is overleden,

tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte in of omstreeks de periode van 19 januari 2013 tot en met 20 januari 2013 te Rotterdam opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door

-een vuurwapen voor die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] in bewaring te nemen/houden en/of

-aan die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] een vuurwapen te verschaffen/verstrekken;

art 48 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij

in of omstreeks de periode van 13 april 2012 tot en met 07 februari 2013 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander, of anderen,

een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 van die wet in de vorm van een pistool van het merk SIG, model P-220, kaliber 9x19 mm voorhanden heeft gehad.

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.