Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:1432

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-02-2014
Datum publicatie
27-02-2014
Zaaknummer
10/730029-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Gekwalificeerde doodslag op de Essenburgsingel in Rotterdam

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/730029-13

Datum uitspraak: 27 februari 2014

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte],

geboren te Paramaribo (Suriname) op [datum],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres [adres],

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting “De Dordtse Poorten” te Dordrecht,

raadsman mr. G.R. Stolk, advocaat te Rotterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 3, 4 en 13 februari 2014.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officieren van justitie mrs. B. van Unnik en P. Swaak (hierna: de officier van justitie) hebben gerekwireerd tot:

- vrijspraak van het onder 1 primair ten laste gelegde;

- bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 jaar met aftrek van voorarrest.

MOTIVERING VRIJSPRAAK FEIT 1 primair

De onder 1 primair ten laste gelegde moord is niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

De officier van justitie heeft dit ook gevorderd, terwijl het eveneens is bepleit door de raadsvrouw. De rechtbank zal de vrijspraak dan ook niet nader motiveren.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

(Zaak: 'Essen')

1

subsidiair

hij op of omstreeks 20 januari 2013 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een persoon genaamd [naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk die [naam slachtoffer] met een vuurwapen een kogel in het hoofd/gezicht geschoten, ten gevolge waarvan voornoemde [naam slachtoffer] is overleden,

welke voren omschreven doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van

enig strafbaar feit, te weten

- een diefstal (in vereniging), althans een poging daartoe (strafbaar gesteld in (de) artikel(en) 311/310 (jo artikel 45) van het Wetboek van strafrecht) en/of

- een diefstal met geweld (in vereniging), althans een poging daartoe (strafbaar gesteld in (de) artikel(en) 312 (jo artikel 45) van het Wetboek van strafrecht) en/of

- een afpersing (in vereniging), althans een poging daartoe (strafbaar gesteld in (de) artikel(en) 317 en (47) (jo artikel 45) van het Wetboek van strafrecht)

en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

(Zaak: 'Arena')

hij in of omstreeks de periode van 22 februari 2013 tot en met 26 februari 2013 te Rotterdam en/of Schiedam en/of Amsterdam, althans in Nederland,

ter voorbereiding van het met anderen of een ander te plegen misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten een afpersing in vereniging (hetgeen een misdrijf genoemd in artikel 317 lid 1 en/of lid 3 Wetboek van Strafrecht oplevert) en/of een diefstal met geweld in vereniging (hetgeen een misdrijf genoemd in artikel 312 lid 2 Wetboek van Strafrecht oplevert), althans een met anderen of een ander te plegen misdrijf waarop naar wettelijke omschrijving een

gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld

opzettelijk tezamen en in vereniging met zijn mededader(s), althans alleen:

- een (personen)auto (merk Volkswagen / type Golf) en/of

- en/of een hoeveelheid vals geld (te weten, 32 bankbiljetten van 50 euro en/of 35 bankbiljetten van 100 euro) en/of

- twee vuurwapens, van Categorie III in de zin van de Wet wapens en munitie en/of

- 84 15 kogelpatronen, van Categorie III in de zin van de Wet wapens en munitie

bestemd tot het in vereniging begaan van dat misdrijf/die misdrijven, heeft verworven en/of vervaardigd en/of ingevoerd en/of doorgevoerd en/of uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad

en/of

hebbende/zijn hij, verdachte en/of zijn mededader(s)

- voornoemde (personen)auto gehuurd en/of

- ( onderling) (telefonisch) afspraken met een of meerdere van zijn mededader(s) gemaakt, omtrent de locatie en/of tijdstip en/of de wijze van uitvoering, gericht op het/de voornoemde te plegen strafbare feit(en) en/of

- ( onderling) (telefonisch) afspraken met een of meerdere van zijn mededader(s) gemaakt, omtrent de te verdelen 'buit' en/of

- (een) ander(en) te Rotterdam en/of Schiedam ontmoet en/of

- ( vervolgens) (gezamenlijk) in bezit van voornoemde goederen in voornoemde (personen)auto naar Amsterdam gereden;

3.

hij op of omstreeks 26 februari 2013 te Rotterdam en/of Schiedam en/of Amsterdam

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), (een) vuurwapen(s) in de zin van artikel 1 onder 3, gelet op artikel 2 lid 1 van categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten

- een pistool (merk Tokarev, model TT33, kaliber 7,62x25 millimeter) en/of

- een revolver (merk BBm, model Olympic 38, kaliber .22 LR)

en/of

munitie in de zin van artikel 1 onder 4, gelet op artikel 2 lid 2 van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 84 15 kogelpatronen, voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. De bewijsmiddelen en de voor de bewezenverklaring redengevende inhoud daarvan zijn weergegeven in de aan dit vonnis gehechte bijlage II.

Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

NADERE BEWIJSMOTIVERING TEN AANZIEN VAN FEIT 1 subsidiair

Standpunt verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de tenlastegelegde gekwalificeerde doodslag.

De raadsman heeft - kort gezegd - aangevoerd dat het scenario waarvan de officier van justitie uitgaat onjuist is, en dat het is gegaan zoals de verdachte bij de rechter-commissaris heeft verklaard. De ontmoeting met [naam slachtoffer] had als doel om te praten over een partij speed die het slachtoffer op de pof zou leveren aan de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1].

Toen [medeverdachte 1] zich bukte om het slachtoffer te begroeten, ging het door [medeverdachte 1] meegebrachte wapen per ongeluk af. De verdachte wist niet dat [medeverdachte 1] een vuurwapen bij zich had en heeft ook niet gezien dat hij dit uit zijn jas haalde. Hij stond achter [medeverdachte 1] toen het wapen afging.

Hij wist niet dat [medeverdachte 1] op 20 januari 2013 over een vuurwapen kon beschikken, laat staan dat hij het wapen die dag had meegenomen.

Voorts is niet gebleken dat hij wist dat de aanmerkelijke kans bestond dat [medeverdachte 1] een wapen zou gebruiken met eveneens de aanmerkelijke kans dat het fataal zou eindigen. Bij de verdachte is derhalve geen sprake geweest van opzet, dan wel voorwaardelijk opzet, op de dood van het slachtoffer.

Verder blijkt uit niets dat er speed of iets anders is weggenomen, waardoor geen sprake is geweest van een beroving. Er is geen speed aangetroffen, de speurhond heeft in de auto niets geroken en op de foto’s van de plaats delict is niet te zien dat het slachtoffer naar de kofferbak is gelopen of dat deze of de achterportieren die avond open zijn geweest. Er zijn geen voetstappen in de sneeuw te zien en de kofferbak was met een laag sneeuw bedekt.

Beoordeling rechtbank

De rechtbank acht het door de raadsman geschetste scenario hoogst onaannemelijk, nu dit in al zijn onderdelen wordt weerlegd door de bevindingen in het dossier. Deze bevindingen zullen hieronder nader worden besproken.

Op 20 januari 2013 is omstreeks 20:00 uur door de politie in een Mercedes aan de Essenburgsingel te Rotterdam het levenloze lichaam aangetroffen van [naam slachtoffer]. Uit het rapport van de patholoog blijkt dat hij een schotwond rechts naast de neus in de lip had, ten gevolge waarvan hij is overleden. In de Mercedes is op de bijrijdersstoel een huls aangetroffen en bij sectie blijkt de kogel zich nog in het lichaam van het slachtoffer te bevinden.

Uit het dossier en uit het verhandelde ter terechtzitting is het volgende gebleken

Het slachtoffer had op 20 januari 2013 vanaf 19:29 uur telefonisch contact met alarmnummer 112 en heeft toen onder meer gezegd: “Ze hebben me neergeschoten” en “Ik ga dood”. Op de vraag waar hij zich bevond, antwoordde hij: “Werkhoefstraat”.

Uit het navigatiesysteem van de Mercedes van het slachtoffer blijkt dat het laatst de locaties Rotterdam-Alexander, Rotterdam-Imkerstraat en Rotterdam-Werkhoefstraat zijn ingetikt. De Imkerstraat bevindt zich in Rotterdam Oost en de Werkhoefstraat bevindt zich in Rotterdam West, direct om de hoek van de Essenburgsingel.

Het in België woonachtige slachtoffer had die avond in Rotterdam een afspraak met de verdachte [naam verdachte], die ook wel [bijnamen verdachte] wordt genoemd. Hij heeft [naam verdachte] die avond rond 19:00 uur opgehaald bij een snackbar aan de Imkerstraat in Rotterdam. [naam verdachte] is bij het slachtoffer in zijn Mercedes gestapt. Onderweg heeft [naam verdachte] meermalen telefonisch contact met de medeverdachte [medeverdachte 1], die ook wel [bijnamen medeverdachte 1] wordt genoemd. [medeverdachte 1] zegt dat ze naar de Werkhoefstraat moeten rijden. Het slachtoffer heeft de auto geparkeerd op de Essenburgsingel en [naam verdachte] is uitgestapt om te kijken waar [medeverdachte 1] was. [naam verdachte] zag [medeverdachte 1] aan komen lopen en zij zijn samen naar de Mercedes gelopen.

De vraag die als eerste dient te worden beantwoord is met welke reden [naam slachtoffer] die avond naar Rotterdam kwam. Het volgende is in dat verband van belang.

Zoals de raadsman naar voren heeft gebracht, heeft de verdachte tegenover de rechter-commissaris verklaard dat hij al langere tijd met [naam slachtoffer] contact had over een handel in drugs (speed). Het slachtoffer had hem in het voorjaar van 2012 verteld dat hij speed kon leveren voor €1.000,= per kilo. De verdachte heeft vervolgens [medeverdachte 1] en [naam slachtoffer] aan elkaar voorgesteld en heeft later aan [naam slachtoffer] verteld dat [medeverdachte 1] en hij wilden beginnen. [naam slachtoffer] had op dat moment niets en zei dat het even moeilijk was. In december 2012 had de verdachte weer contact met [naam slachtoffer] en deze vertelde hem dat hij rond januari weer zou hebben.

Dat het slachtoffer, zoals de verdachte ter terechtzitting heeft verklaard, op die 20ste januari naar Rotterdam kwam om slechts met hem te praten over een toekomstig drugshandeltje en het in de toekomst op de pof leveren van een hoeveelheid speed, acht de rechtbank hoogst onwaarschijnlijk, gelet op de slechte weersomstandigheden van die middag en avond, te weten hevige sneeuwval en kans op gladheid, de afstand vanuit België van zo’n

165 kilometer, als ook de hierna te bespreken inhoud van de ping-gesprekken van 20 januari 2013 tussen de medeverdachte en [medeverdachte 2] waarin over speed wordt gesproken.

Op grond van dit alles gaat de rechtbank ervan uit dat [naam slachtoffer] op 20 januari 2013 naar Rotterdam kwam voor de levering van een hoeveelheid speed aan [naam verdachte] en [medeverdachte 1].

Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of de verdachte en [medeverdachte 1] op 20 januari 2013 een ontmoeting hadden gearrangeerd met [naam slachtoffer] met het plan om hem te beroven van die speed. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend. Hiertoe is het volgende van belang.

Op 19 januari 2013 vindt er een pinggesprek plaats tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]. Hieruit kan worden opgemaakt dat [medeverdachte 1] de volgende dag een vuurwapen nodig heeft. Geconfronteerd met dit pinggesprek verklaart [medeverdachte 2] dat [medeverdachte 1] hem van te voren had verteld dat hij een Belg ging beroven, daarvoor het vuurwapen nodig had en dat hij dit samen met [bijnaam verdachte] zou doen.

Op 20 januari 2013, vanaf 17:00 uur, pingen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] weer met elkaar. [medeverdachte 2] vraagt [medeverdachte 1] “Hebben jullie actie in dit weer?” waarop [medeverdachte 1] bevestigend antwoordt. [medeverdachte 2] vraagt of het een Belg is, en [medeverdachte 1] antwoordt: “Ja man, deze man is kkr groot die we gaan klaren hij lijkt op kliktcho, die boxer die Europese kampioen, zwaar gewicht.” [medeverdachte 2] vraagt: “Gaan jullie hem pakken?”, waarop [medeverdachte 1] bevestigend antwoordt. [medeverdachte 2] vraagt of zij “money pakken of iets anders”, waarop [medeverdachte 1] antwoordt: “Speed”. Op de vraag van [medeverdachte 2] hoeveel, antwoordt [medeverdachte 1]: “5 Li speed.”

[medeverdachte 2] vraagt met hoeveel ze gaan, waarop [medeverdachte 1] antwoordt: “Ik en [bijnaam verdachte]”. [medeverdachte 2] reageert hierop: “Trek die mattie als tie moeilijk doet blazen”.

[medeverdachte 2] heeft hierover verklaard dat [medeverdachte 1] in de middag van 20 januari 2013 een vuurwapen bij hem heeft opgehaald en dat [medeverdachte 1] wel vaker bij hem kwam om het wapen te halen. [medeverdachte 1] had hem verteld dat hij er acties mee deed, dat hij mensen beroofde en dan met het wapen dreigde. De verklaring van [medeverdachte 2] wordt ondersteund door pingberichten welke door de politie zijn aangetroffen in de telefoon van [medeverdachte 2].

Zowel [medeverdachte 2] als de verdachte hebben over de betekenis van “blazen” verklaard dat dit schieten of slaan kan betekenen, afhankelijk van de context waarin het wordt gebruikt.

De rechtbank begrijpt dat, nu het gaat om het ophalen van een vuurwapen en het ‘klaren’ (belazeren) van de Belg, met de zin “als tie moeilijk doet blazen”, wordt bedoeld: als de Belg moeilijk doet, schieten.

Voor het antwoord op de vraag of de verdachte en [medeverdachte 1] daadwerkelijk speed hebben gestolen van het slachtoffer is het volgende van belang.

Op 20 januari 2013 om 20:20 uur pingt [medeverdachte 1] naar [medeverdachte 2] dat [medeverdachte 2] naar zijn huis moet komen. [medeverdachte 2] is hierna naar [medeverdachte 1]’s huis gegaan, waar [medeverdachte 1] vertelde dat hij in de shit zat. Een paar dagen later heeft [medeverdachte 2] het wapen weer teruggekregen.

Op 25 februari 2013 heeft [medeverdachte 1] dit wapen weer bij [medeverdachte 2] opgehaald en kort hierna werd hij, met het wapen in bezit, aangehouden.

Na onderzoek blijkt dat dit het wapen is waarmee [naam slachtoffer] om het leven is gebracht.

Er zijn overeenkomsten aangetroffen tussen de afgevuurde patroonhulzen uit het wapen aangetroffen bij [medeverdachte 1] en de huls aangetroffen op de bijrijdersstoel in de auto van [naam slachtoffer]. Uit onderzoek van het NFI blijkt verder dat de kogel die bij sectie uit het lichaam van [naam slachtoffer] is verwijderd waarschijnlijk eveneens met dit wapen is afgevuurd.

Getuige [naam getuige] heeft verklaard dat [medeverdachte 1] tegen hem heeft gezegd dat [naam verdachte] en hij een afspraak hadden met een Belg die een Mercedes heeft over 7 kg speed. [medeverdachte 1] vertelde hem ook dat het wapen per ongeluk was afgegaan, dat hij daarna die 7 kg speed had gepakt en dat ze zijn weggerend.

Deze verklaring wordt ondersteund door een telefoongesprek dat [naam getuige] en [medeverdachte 1] voeren na een uitzending van Opsporing Verzocht van 19 februari 2013 waarin een item over de moord/doodslag op de Essenburgsingel werd uitgezonden. [naam getuige] vraagt daarin of [medeverdachte 1] nog gekeken heeft, waarop [medeverdachte 1] bevestigend antwoordt en zegt: “Ik wist niet dat hij gewoon uit zijn waggie ging en zo, dat wist ik niet”. Hieruit kan worden afgeleid dat [medeverdachte 1] op de plaats delict was en dat het slachtoffer in zijn auto is neergeschoten. Onderzoeksresultaten van het NFI en de forensische opsporing ondersteunen deze conclusie nu de huls op de bijrijdersstoel is aangetroffen en er kruitsporen zaten op het dashboard van de auto.

Op 1 februari 2013 pingt [medeverdachte 2] naar een verder nog onbekend gebleven persoon met de pingnaam Bryan. Bryan vraagt hem 6 bar te lenen. [medeverdachte 2] antwoordt dat er zo een clannie komt en dat hij, [medeverdachte 2], 6 liter gaat wegdoen. [medeverdachte 2] zegt dat hij hem, Bryan klapt met twaalf 5barki brieven.

De rechtbank begrijpt uit dit bericht dat [medeverdachte 2] 6 liter gaat verkopen aan een klant voor twaalf briefjes van 500 euro, in totaal dus 6000 euro. [medeverdachte 2] heeft hierover verklaard dat hij slechts stoer wilde doen, maar uit dit bericht dat door hem is verzonden kort na 20 januari 2012 en nadat hij contact had gehad met [medeverdachte 1] over hetgeen die dag is gebeurd - kan worden afgeleid dat er 6 liter beschikbaar is voor de verkoop. De prijs van € 1.000,- per liter stemt overeen met het bedrag waarvoor de speed te koop zou zijn en ook dit ondersteunt de bevindingen dat de verdachte samen met [medeverdachte 1] het slachtoffer van zijn speed heeft beroofd.

Dat diensthond Rick, die specifiek is afgericht op het opsporen van verdovende middelen, waaronder speed, bij het onderzoek van de Mercedes van het slachtoffer geen herkenningsgedrag heeft vertoond doet daar niet aan af, nu dit onderzoek eerst op 15 april 2013 en derhalve bijna drie maanden na het feit heeft plaatsgevonden. Zoals uit het op

3 februari 2014 ter zake opgemaakte proces-verbaal blijkt, wordt de kans dat de hond herkenningsgedrag gaat vertonen kleiner naarmate er meer tijd is verstreken.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat uit het feit dat op de zich in het dossier bevindende foto’s van de Mercedes te zien is dat er een onverstoorde laag sneeuw ligt op de kofferbak, niet zonder meer de conclusie kan worden getrokken dat de kofferbak die avond niet open is geweest en er door de verdachte dus ook geen speed uit de kofferbak kan zijn gepakt.

Tussen het moment van het delict, rond 19:30 uur, en het forensisch onderzoek, dat rond 21:00 uur heeft plaatsgevonden, heeft het op de avond van 20 januari 2013 gesneeuwd. De sneeuw op de auto – ook op de voorruit en de ruiten van de portieren lag een vergelijkbare laag sneeuw - moet er voor een belangrijk deel in die tussenliggende anderhalf uur op terecht zijn gekomen; het is immers niet aannemelijk dat het slachtoffer met dicht gesneeuwde ruiten vanuit België naar Nederland is komen rijden.

Ten aanzien van het (voorwaardelijk) opzet van [naam verdachte]

Bij de beantwoording van de vraag of de verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer is onder meer van belang om vast te stellen of de verdachte op de hoogte was van het feit dat [medeverdachte 1] over een wapen kon beschikken.

Hiervoor is het volgende van belang.

[medeverdachte 2] heeft verklaard dat [medeverdachte 1] het wapen dat [medeverdachte 1] bij hem ophaalde gebruikte om mensen mee te bedreigen en er acties mee te maken. In het dossier zit een groot aantal pinggesprekken van voor 20 januari 2013, waarbij tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] worden gesproken over het ophalen van het wapen en dat hij daar dan samen met [bijnaam verdachte] actie mee gaat ondernemen. Weliswaar is de verdachte geen deelnemer aan deze pinggesprekken, maar daaruit blijkt wel dat de verdachte al eerder met [medeverdachte 1] ripdeals heeft gepleegd en dat daar ook een vuurwapen bij is gebruikt. En hoewel dit feit zich na 20 januari 2013 heeft afgespeeld, kan uit de hiervoor onder 2 en 3 bewezen verklaarde feiten worden afgeleid dat – als de verdachte [medeverdachte 1] niet meer kan bereiken – hij zelf naarstig op zoek gaat naar anderen die hem bij zijn acties met een vuurwapen zouden kunnen bijstaan. Het is dan ook uitermate onwaarschijnlijk dat de verdachte alleen het feit van 20 januari 2014 zonder gebruikmaking van een vuurwapen had willen plegen.

De verklaring van de verdachte dat hij er niet van op de hoogte was dat [medeverdachte 1] over een vuurwapen kon beschikken is gezien het vorenstaande niet geloofwaardig en in het verlengde daarvan ook niet dat hij niet wist dat [medeverdachte 1] op 20 januari 2013 een wapen bij zich had.

Zoals ook uit de vrijspraak van het onder 1 primair ten laste gelegde blijkt gaat de rechtbank er niet van uit dat de verdachte de betreffende dag van huis is gegaan met het vooropgezette doel om [naam slachtoffer] om het leven te brengen. Wel bestaat naar het oordeel van de rechtbank de aanmerkelijke kans dat, indien men iemand wil beroven en een van de daders daarbij een doorgeladen vuurwapen meeneemt, dit vuurwapen – zeker als er een hectische situatie ontstaat omdat het slachtoffer van de beroving bijvoorbeeld enige weerstand biedt – afgaat en het slachtoffer aan de gevolgen van een schotwond komt te overlijden.

De verdachte, die wist dat [medeverdachte 1] een wapen bij zich had en dat het de bedoeling was om het slachtoffer van zijn speed te beroven, heeft aldus ook bewust die aanmerkelijke kans aanvaard.

Conclusie

Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat de verdachte en [medeverdachte 1] op 20 januari 2013 een ontmoeting hadden gearrangeerd met het slachtoffer met het plan hem te beroven van zijn speed. [medeverdachte 1] heeft een (doorgeladen) vuurwapen bij [medeverdachte 2] opgehaald en meegenomen naar de afspraak. Op de Essenburgsingel te Rotterdam heeft [medeverdachte 1] in de auto, het wapen op het slachtoffer gericht, de trekker overgehaald en van dichtbij een schot gelost. Vervolgens zijn de verdachte en [medeverdachte 1] er met een hoeveelheid speed vandoor gegaan.

De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde gekwaliceerde doodslag.

NADERE BEWIJSMOTIVERING TEN AANZIEN VAN DE FEITEN 2 EN 3

Standpunt verdediging

Namens de verdediging is vrijspraak bepleit van feit 2. Hiertoe is aangevoerd dat de verdachte naar Amsterdam ging om iemand, die hem eerder had bedrogen, terug te pakken door bij diegene een hoeveelheid pillen te kopen en die te betalen met vals geld.

Aangezien een dergelijke oplichting geen zogenaamd achtjaars feit betreft, zijn de ten laste gelegde voorbereidingshandelingen niet strafbaar, en dient de verdachte van dit feit te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte geen weet had van de zich in de auto bevindende twee vuurwapens met munitie. Uit de afgeluisterde telefoongesprekken kan ook niet worden afgeleid dat er daadwerkelijk een wapen is geregeld.

Beoordeling rechtbank

De rechtbank verwerpt deze verweren en overweegt hiertoe het volgende.

Uit afgeluisterde telefoongesprekken tussen de verdachte, [medeverdachte 1] en anderen, onder wie ene Jeff en ene Payo, kan worden afgeleid dat de verdachte van plan is om samen met [medeverdachte 1] en anderen iets slechts (ganga) te gaan doen waarbij ze veel geld gaan maken.

Daarvoor is vals geld en een wapen nodig. Omdat het in Amsterdam moet gaan gebeuren is er ook een auto nodig. De verdachte belt diverse mensen om dit te regelen.

[medeverdachte 1] geeft aan dat hij “de torrie” gelijk gaat regelen. Hij probeert - kennelijk tevergeefs - [medeverdachte 2] te bereiken, want op 24 februari 2013 belt hij met de telefoon van de verdachte naar ene Jaillie of zij [medeverdachte 2] wil ‘appen’ omdat hij hem niet te pakken krijgt en het belangrijk is. Zoals hiervoor, bij de bespreking van feit 1, is aangehaald, wordt [medeverdachte 1] op 25 februari 2013 aangehouden met in zijn bezit het wapen dat hij kort daarvoor bij [medeverdachte 2] heeft opgehaald. Dat met “de torrie” een vuurwapen wordt bedoeld, kan worden afgeleid uit het tapgesprek dat de broer van [medeverdachte 1] kort na diens aanhouding voert met [naam getuige] en waarin hij zegt dat zijn broer is aangehouden met de torrie bij zich.

De verdachte probeert [medeverdachte 1] daarna nog te bereiken, maar die neemt niet meer op.

Uit de daarop volgende telefoongesprekken volgt dat, als [medeverdachte 1] niet mee zal gaan, iemand anders mee moet. Ook wordt gezegd dat de man het wil doen bij de Arena en dat als de man het laat zien, dat [bijnaam verdachte] het dan afpakt. [bijnaam verdachte] zegt dat hij nog nooit zoveel heeft gedaan, altijd 1.000 of 2.000. Verder blijkt dat de verdachte vraagt of de man speelgoed kan regelen, want als [medeverdachte 1] er één heeft en Primo een andere, is het genoeg.

Op 25 februari 2013 vertrekt de verdachte, samen met drie andere personen, in een auto naar Amsterdam. In de buurt van de Arena worden zij aangehouden. In de auto worden

32

briefjes van 50 euro en 35 briefjes van 100 euro aangetroffen, waarvan later is gebleken dat die vals zijn. Tevens worden er twee vuurwapens met munitie aangetroffen in het dashboard rechts naast de stuurkolom. Kennelijk is het de verdachte toch gelukt om - na alle hiervoor beschreven inspanningen - aan wapens te komen.

Conclusie

Op grond de inhoud van de tapgesprekken, gecombineerd met het aantreffen van de valse bankbiljetten en de wapens en munitie, is geen sprake geweest van “slechts” een oplichting, maar van voorbereidingshandelingen voor een afpersing in vereniging of een diefstal met geweld in vereniging.

De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde onder feit 2 en onder feit 3.

STRAFBAARHEID FEITEN

De bewezen feiten leveren op:

1

subsidiair medeplegen van doodslag gevolgd van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit gemakkelijk te maken;

2

medeplegen van voorbereiding van afpersing in vereniging of diefstal met geweld in vereniging;

3 (

wapen) medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd;

en

(munitie) medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft samen met de medeverdachte het plan opgevat om het latere slachtoffer, [naam slachtoffer], van zijn speed te beroven, ofwel om een “ripdeal” te plegen. [naam slachtoffer] is onder barre weersomstandigheden vanuit België naar Rotterdam gereden om een hoeveelheid speed aan hen te verkopen. Het slachtoffer heeft de verdachte opgehaald in een snackbar, waarna ze op aanwijzingen van de medeverdachte in de richting van de Werkhoefstraat zijn gereden. Vlak daarbij, op de Essenburgsingel, heeft het slachtoffer de auto geparkeerd. Daar voegde de medeverdachte zich bij hen.

Over hetgeen zich vervolgens exact heeft afgespeeld laten de verdachten zich niet uit. Wel staat vast dat de medeverdachte het door hem meegenomen en doorgeladen vuurwapen op enig moment op [naam slachtoffer] heeft gericht en hem van nabij in het gezicht heeft geschoten. Zonder zich om het ernstig gewonde slachtoffer te bekommeren, hebben de verdachte en zijn medeverdachte het slachtoffer beroofd van de speed en zijn er vandoor gegaan. [naam slachtoffer] is kort daarna aan zijn verwondingen overleden, met achterlating van een vrouw en drie jonge kinderen.

Dit is een zeer ernstig en schokkend feit. Aan het slachtoffer is het meest fundamentele recht dat er bestaat, het recht op leven, ontnomen. Bovendien is hierdoor veel verdriet en welhaast onherstelbaar leed veroorzaakt bij de nabestaanden van het slachtoffer. De ter terechtzitting voorgelezen verklaringen van de nabestaanden hebben de gevolgen van deze daad duidelijk naar voren gebracht. Zij moeten de diep ingrijpende gevolgen van dit onherroepelijke en volkomen onverwachte verlies voor altijd met zich dragen. Dat geldt in het bijzonder voor de drie jonge kinderen, die zonder hun vader moeten opgroeien.

Door slechts beperkt te verklaren over de toedracht van de beroving heeft de verdachte de nabestaanden bovendien in onwetendheid gelaten over wat het slachtoffer precies is overkomen.

Kennelijk heeft zelfs deze beroving met fatale afloop de verdachte niet kunnen afschrikken: een maand later heeft hij immers, samen met anderen, voorbereidingen getroffen voor opnieuw een gewapende overval. Voorzien van valse bankbiljetten was de verdachte met een drietal anderen op weg naar Amsterdam om “zaken” te doen met een potentieel slachtoffer. Daartoe had hij georganiseerd dat er weer vuurwapens, met munitie, werden meegenomen. Slechts door ingrijpen van de politie werd deze beroving verhinderd.

Gekwalificeerde doodslag, zoals onder het eerste feit bewezen is verklaard, behoort tot de meest ernstige feiten die het Wetboek van Strafrecht kent. Dit delict is naar zijn aard een misdrijf dat oplegging van een gevangenisstraf van zeer lange duur rechtvaardigt. Daarnaast heeft de verdachte nog meer strafbare feiten gepleegd.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is in het nadeel van de verdachte in aanmerking genomen dat hij blijkens het op zijn naam gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 17 januari 2014 reeds eerder is veroordeeld, onder meer voor poging tot afpersing, zakkenrollerij, diefstallen en het in bezit hebben van valse/vervalste bankbiljetten.

Over de verdachte is op 24 januari 2014 een triple rapportage uitgebracht door psychiater J.M.J.F. Offermans, psycholoog P.E. Geurkink en forensisch milieuonderzoeker W. de Kruijff.

De diagnostische bevindingen van psycholoog en psychiater komen overeen. De kern is in ieder geval dat bij de verdachte noch sprake is van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens, noch van een persoonlijkheidsstoornis.

Er zijn geen aanwijzingen naar voren gekomen voor pathologie, die zijn wils- en handelsvrijheid zouden hebben beperkt. Naar de mening van de deskundigen moet de verdachte volledig toerekeningsvatbaar worden geacht.

Gezien de afwezigheid van pathologie en de laag ingeschatte kans op een recidive is er naar de mening van de deskundigen geen basis, geen wenselijkheid en geen noodzaak om behandeling in een strafrechtelijk kader te adviseren. Voorts lijkt motivatie en lijdensdruk te ontbreken voor een hulpverlening in een meer vrijwillig kader.

Nu de conclusies van de psychiater en psycholoog gedragen worden door hun bevindingen en door hetgeen ook overigens op de terechtzitting is gebleken, neemt de rechtbank die conclusies over en maakt die tot de hare. De verdachte wordt dus volledig toerekeningsvatbaar geacht.

De rechtbank acht het van het grootste belang dat de maatschappij beschermd wordt tegen deze verdachte, die er immers blijk van heeft gegeven zeer weinig respect voor het menselijk leven en andermans eigendommen te hebben. Daarbij wordt betrokken dat - mede getuige de onder 2 en 3 bewezen verklaarde feiten - de verdachte het verwerpelijke van zijn gedrag niet lijkt in te zien.

De rechtbank is van oordeel dat alleen een aanzienlijke onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf van na te melden duur een passende reactie vormt.

In aanmerking genomen de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, wijkt de rechtbank in enige mate af van de eis van de officier van justitie. Hierbij is rekening gehouden met de omstandigheid dat de verdachte niet degene is geweest die [naam slachtoffer] heeft doodgeschoten en met zijn nog jonge leeftijd.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

VORDERING BENADEELDE PARTIJ / SCHADEVERGOEDINGSMAATREGEL

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd mevrouw [naam benadeelde partij], wonende te Meeuwen (België), ter zake van het onder 1 tenlastegelegde feit.

De benadeelde partij vordert een bedrag van € 5.338,97 aan materiële schade.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman heeft, gelet op zijn bepleite vrijspraak, geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij in de vordering.

De rechtbank is van oordeel dat vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde strafbare feit, rechtstreeks schade is toegebracht. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en is genoegzaam onderbouwd, zodat de vordering zal worden toegewezen.

Nu de verdachte het strafbare feit, ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededader de benadeelde partij betaalt is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd. Het vorenstaande laat onverlet dat de verdachte en zijn mededader onderling voor gelijke delen in de schadevergoeding moeten bijdragen, tenzij de billijkheid een andere verdeling vordert.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 36f, 46, 47, 57, 288, 311, 312, 317 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van dertien (13) jaren;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;



wijst de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij], wonende te Meeuwen (België) toe tot een bedrag van € 5.338,97 en veroordeelt de verdachte dit bedrag tegen kwijting aan de benadeelde partij te betalen, met dien verstande dat indien en voor zover zijn mededader betaalt de verdachte in zoverre van deze verplichting is bevrijd;

bepaalt dat dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 januari 2013 tot aan de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 5.338,97 (vijf duizend drie honderd acht en dertig euro en zevenennegentig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 januari 2013 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € € 5.338,97 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 61 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededader, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. W.L. van der Bijl-de Jong, voorzitter,

en mrs. S.C.C. Hes-Bakkeren en K.T. van Barneveld, rechters,

in tegenwoordigheid van M.J. Grootendorst, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 februari 2014.

Bijlage I bij vonnis van 27 februari 2014.

TEKST TENLASTELEGGING.

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

(Zaak: 'Essen')

hij

op of omstreeks 20 januari 2013 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk en met voorbedachten rade, een persoon genaamd [naam slachtoffer] van

het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s)

opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg,

met een vuurwapen een kogel in het hoofd/gezicht van die [naam slachtoffer] geschoten,

tengevolge waarvan voornoemde [naam slachtoffer] is overleden;

art 289 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij

op of omstreeks 20 januari 2013 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een persoon genaamd [naam slachtoffer]

van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer

van) zijn mededader(s) opzettelijk die [naam slachtoffer] met een vuurwapen een kogel in

het hoofd/gezicht geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [naam slachtoffer] is

overleden,

welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van

enig strafbaar feit, te weten

- een diefstal (in vereniging), althans een poging daartoe (strafbaar gesteld

in (de) artikel(en) 311/310 (jo artikel 45) van het Wetboek van strafrecht)

en/of

- een diefstal met geweld (in vereniging), althans een poging daartoe

(strafbaar gesteld in (de) artikel(en) 312 (jo artikel 45) van het Wetboek

van strafrecht) en/of

- een afpersing (in vereniging), althans een poging daartoe (strafbaar gesteld

in (de) artikel(en) 317 en (47) (jo artikel 45) van het Wetboek van

strafrecht)

en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit

voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op

heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) straffeloosheid en/of

het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 288 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

meer subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij

op of omstreeks 20 januari 2013 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen geld en/of

drugs, in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan

[naam slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of

zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of

gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [naam slachtoffer], gepleegd

met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken

en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere

deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij

het bezit van het gestolene te verzekeren,

en/of

met het oogmerk om zich en / of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door

geweld en / of bedreiging met geweld [naam slachtoffer] heeft gedwongen tot de

afgifte van geld en/of drugs, in elk geval van enig(e) goed(eren), geheel of

ten dele toebehorende aan die [naam slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen

dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- tonen en/of voorhouden van een vuurwapen aan die [naam slachtoffer] en/of

- ( vervolgens) met voornoemd vuurwapen schieten van een kogel in

het hoofd/gezicht van die [naam slachtoffer],

ten gevolge waarvan voornoemde [naam slachtoffer] is overleden;

art 317 lid 3 jo 47 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 3 Wetboek van Strafrecht

art 310 Wetboek van Strafrecht

meest subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij

op of omstreeks 20 januari 2013 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het/de door verdachte

en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf/misdrijven

om met het oogmerk om zich of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen

door geweld en/of bedreiging met geweld iemand, genaamd [naam slachtoffer] te

dwingen tot de afgifte van geld en/of drugs en/of een of meer goederen, geheel

of ten den dele toebehorend aan die [naam slachtoffer], in elk geval aan (een) ander(en)

dan verdachte en/of zijn mededader(s),

en/of

om met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg te nemen geld en/of

drugs en/of een of meer goederen, geheel of te dele toebehorende aan

[naam slachtoffer], in elk geval aan (een) ander(en) dan verdachte en/of zijn

mededader(s),welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd

van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [naam slachtoffer], gepleegd met het

oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om

bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s)

van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van

het gestolene te verzekeren,

terwijl de uitvoering van dat/die voorgenomen misdrijf/misdrijven niet is

voltooid,

heeft/hebben hij, verdachte en/of (een) mededader(s)

- een vuurwapen aan die [naam slachtoffer] getoond/voorgehouden en/of

- ( vervolgens) met voornoemd vuurwapen een kogel in het

hoofd/gezicht van die [naam slachtoffer] geschoten,

ten gevolge waarvan voornoemde [naam slachtoffer] is overleden;

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

(Zaak: 'Arena')

hij

in of omstreeks de periode van 22 februari 2013 tot en met 26 februari 2013 te

Rotterdam en/of Schiedam en/of Amsterdam, althans in Nederland,

ter voorbereiding van het met anderen of een ander te plegen misdrijf waarop

naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is

gesteld, te weten een afpersing in vereniging (hetgeen een misdrijf genoemd

in artikel 317 lid 1 en/of lid 3 Wetboek van Strafrecht oplevert) en/of een

diefstal met geweld in vereniging (hetgeen een misdrijf genoemd in artikel

312 lid 2 Wetboek van Strafrecht oplevert), althans een met anderen of een

ander te plegen misdrijf waarop naar wettelijke omschrijving een

gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld

opzettelijk tezamen en in vereniging met zijn mededader(s), althans alleen:

- een (personen)auto (merk Volkswagen / type Golf) en/of

- en/of een hoeveelheid vals geld (te weten, 32 bankbiljetten van 50 euro

en/of 35 bankbiljetten van 100 euro) en/of

- twee vuurwapens, van Categorie III in de zin van de Wet wapens en munitie

en/of

- 84 kogelpatronen, van Categorie III in de zin van de Wet wapens en munitie

bestemd tot het in vereniging begaan van dat misdrijf/die misdrijven, heeft

verworven en/of vervaardigd en/of ingevoerd en/of doorgevoerd en/of uitgevoerd

en/of voorhanden heeft gehad

en/of

hebbende/zijn hij, verdachte en/of zijn mededader(s)

- voornoemde (personen)auto gehuurd en/of

- ( onderling) (telefonisch) afspraken met een of meerdere van zijn

mededader(s) gemaakt, omtrent de locatie en/of tijdstip en/of de wijze van

uitvoering, gericht op het/de voornoemde te plegen strafbare feit(en) en/of

- ( onderling) (telefonisch) afspraken met een of meerdere van zijn

mededader(s) gemaakt, omtrent de te verdelen 'buit' en/of

- ( een) ander(en) te Rotterdam en/of Schiedam ontmoet en/of

- ( vervolgens) (gezamenlijk) in bezit van voornoemde goederen in voornoemde

(personen)auto naar Amsterdam gereden;

art 46 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij

op of omstreeks 26 februari 2013 te Rotterdam en/of Schiedam en/of Amsterdam

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), (een) vuurwapen(s) in de zin van

artikel 1 onder 3, gelet op artikel 2 lid 1 van categorie III onder 1 van de

Wet wapens en munitie, te weten

- een pistool (merk Tokarev, model TT33, kaliber 7,62x25 millimeter) en/of

- een revolver (merk BBm, model Olympic 38, kaliber .22 LR)

en/of

munitie in de zin van artikel 1 onder 4, gelet op artikel 2 lid 2 van

categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 84 kogelpatronen,

voorhanden heeft gehad.

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd.