Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:1431

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-02-2014
Datum publicatie
27-02-2014
Zaaknummer
10/691058-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Gekwalificeerde doodslag op de Essenburgsingel te Rotterdam

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/691058-13

Datum uitspraak: 27 februari 2014

Tegenspraak

Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[naam verdachte],

geboren te Rotterdam op [datum],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres [adres]

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Krimpen aan den IJssel,

raadsvrouw mr. S. Splinter, advocaat te Rotterdam.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 3, 4 en 13 februari 2014.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officieren van justitie mrs. B. van Unnik en P. Swaak (hierna: de officier van justitie) hebben gerekwireerd tot:

- vrijspraak van het onder 1 primair ten laste gelegde;

- bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair, 2 primair, 3, 4 en 5 ten laste gelegde;

- veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaar met aftrek van voorarrest.

MOTIVERING VRIJSPRAAK FEIT 1 primair

De onder 1 primair ten laste gelegde moord is niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.

De officier van justitie heeft dit ook gevorderd, terwijl het eveneens is bepleit door de raadsvrouw. De rechtbank zal de vrijspraak dan ook niet nader motiveren.

VERWEREN EN OVERWEGINGEN AANGAANDE HET BEWIJS TEN AANZIEN VAN FEIT 1 subsidiair.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft in de eerste plaats algehele vrijspraak bepleit omdat de verdachte heeft verklaard dat hij in de avond van 20 januari 2013 niet op de Essenburgsingel was en dus niet degene is geweest die op [naam slachtoffer] heeft geschoten.

Voorts heeft de raadsvrouw – kort gezegd - bepleit dat de verklaringen van [medeverdachte 2] van het bewijs moeten worden uitgesloten, nu deze zich bij de rechter-commissaris op zijn verschoningsrecht heeft beroepen, waardoor er geen sprake is van een ondervragingsrecht ex artikel 6 EVRM, zoals in de recente Vidgen jurisprudentie naar voren komt.

Ook de verklaringen van de getuige [getuige 1] moeten van het bewijs worden uitgesloten omdat deze leugenachtig en onbetrouwbaar zijn.

Tenslotte dienen de verklaringen van de medeverdachte [medeverdachte 1] van het bewijs te worden uitgesloten, nu deze eveneens onbetrouwbaar zijn. Wat hij heeft verklaard over de wijze waarop zou zijn geschoten kan niet kloppen. Daarnaast heeft hij zijn belastende verklaring afgelegd nadat hij contact heeft gehad met [getuige 1], zodat zij hun verklaringen op elkaar hebben kunnen afstemmen. Bovendien heeft [medeverdachte 1] zijn verklaring eerst afgelegd nadat hem de resultaten van het onderzoeksteam bekend zijn geworden, zodat hij zijn verklaring daarop heeft kunnen baseren.

Tenslotte heeft de raadsvrouw aangevoerd dat niet kan worden uitgesloten dat het wapen van de medeverdachte [medeverdachte 1] was en dat hij degene is geweest die op het slachtoffer heeft geschoten. Ook kan op basis van het dossier niet worden vastgesteld dat er een voornemen tot beroving was of dat er daadwerkelijk verdovende middelen, geld of iets anders is weggenomen.

In het geval de rechtbank de verklaringen van [medeverdachte 1] toch wil gebruiken voor het bewijs, heeft de raadsvrouw - geheel voorwaardelijk - verzocht een reconstructie te laten plaatsvinden, waarbij de leugenachtigheid van de verklaring van [medeverdachte 1] over wat er die avond bij de auto van het slachtoffer zou zijn gebeurd, zou kunnen blijken.

Beoordeling rechtbank

Verklaring [medeverdachte 2]

Het beroep op het arrest-Vidgen van het EHRM faalt alleen al omdat, anders dan in deze zaak het geval was, de verklaringen van [medeverdachte 2] niet het zogenoemde 'sole and decisive evidence' vormen voor de betrokkenheid van de verdachte. Zoals hierna wordt uiteengezet bestaat voor diens betrokkenheid ook ander, ondersteunend bewijsmateriaal, zoals meerdere pingberichten die aan de verdachte gekoppeld kunnen worden, alsmede verklaringen van andere getuigen. De verklaringen van [medeverdachte 2] kunnen derhalve worden gebezigd voor het bewijs.

Verklaring [getuige 1]

Anders dan de verdediging acht de rechtbank de verklaring van [getuige 1] wel betrouwbaar en dus bruikbaar voor het bewijs. Zijn verklaring is op cruciale onderdelen consistent en hij heeft zijn verklaring herhaald tegenover de rechter-commissaris, terwijl de verklaring steun vindt in andere bewijsmiddelen.

Verklaring [medeverdachte 1]

Dat [getuige 1] en [medeverdachte 1] hun verklaringen op elkaar zouden hebben afgestemd is - zoals de raadsvrouwe zelf al stelt - gebaseerd op een vermoeden van de verdachte en is niet nader onderbouwd. De kale stelling dat zij dat zouden hebben kunnen doen op het moment dat zij bij een bezoek aan de rechtbank korte tijd samen een cel hebben gedeeld is daarvoor onvoldoende.

Ook de verklaring van [medeverdachte 1] vindt op onderdelen steun in andere bewijsmiddelen en is derhalve bruikbaar voor het bewijs.

Voorwaardelijk verzoek om een reconstructie

Het onderdeel van de verklaring van [medeverdachte 1] dat betrekking heeft op de wijze waarop het schot is afgegaan volgt de rechtbank niet (zie hierna).

Het verzoek om een reconstructie wordt derhalve afgewezen.

Overige overwegingen aangaande het bewijs

Op 20 januari 2013 is omstreeks 20:00 uur in een Mercedes aan de Essenburgsingel te Rotterdam door de politie het levenloze lichaam aangetroffen van [naam slachtoffer]. Uit het rapport van de patholoog blijkt dat hij een schotwond rechts naast de neus in de lip had, ten gevolge waarvan hij is overleden. In de Mercedes is op de bijrijdersstoel een huls aangetroffen en bij sectie blijkt de kogel zich nog in het lichaam van het slachtoffer te bevinden.

Uit het dossier en het verhandelde ter zitting kan het volgende worden afgeleid

Het slachtoffer had op 20 januari 2013 vanaf 19:29 uur telefonisch contact met alarmnummer 112 en heeft toen onder meer gezegd: “Ze hebben me neergeschoten” en “Ik ga dood”. Op de vraag waar hij zich bevond, antwoordde hij: “Werkhoefstraat”.

Uit het navigatiesysteem van de Mercedes van het slachtoffer blijkt dat het laatst de locaties Rotterdam-Alexander, Rotterdam-Imkerstraat en Rotterdam-Werkhoefstraat zijn ingetikt. De Imkerstraat bevindt zich in Rotterdam Oost en de Werkhoefstraat bevindt zich in Rotterdam West, direct om de hoek van de Essenburgsingel.

Het in België woonachtige slachtoffer had die avond in Rotterdam een afspraak met de medeverdachte [medeverdachte 1], die ook wel [bijnamen medeverdachte 1] wordt genoemd. Het slachtoffer heeft [medeverdachte 1] die avond rond 19:00 uur opgehaald bij een snackbar aan de Imkerstraat in Rotterdam. [medeverdachte 1] is bij het slachtoffer in zijn Mercedes gestapt. Onderweg heeft [medeverdachte 1] meermalen telefonisch contact met de verdachte [naam verdachte], die ook wel [bijnamen verdachte] wordt genoemd. [naam verdachte] zegt dat ze naar de Werkhoefstraat moeten rijden. Het slachtoffer heeft de auto geparkeerd op de Essenburgsingel en [medeverdachte 1] is uitgestapt om te kijken waar [naam verdachte] was. [medeverdachte 1] zag [naam verdachte] aan komen lopen en zij zijn samen naar de Mercedes gelopen.

De vraag die als eerste dient te worden beantwoord is met welke reden [naam slachtoffer] die avond naar Rotterdam kwam. Het volgende is in dat verband van belang.

[medeverdachte 1] heeft tegenover de rechter-commissaris verklaard dat hij al langere tijd met [naam slachtoffer] contact had over een handel in drugs (speed). Het slachtoffer had [medeverdachte 1] in het voorjaar van 2012 verteld dat hij speed kon leveren voor €1.000,= per kilo. [medeverdachte 1] heeft vervolgens [naam verdachte] en [naam slachtoffer] aan elkaar voorgesteld en later heeft [medeverdachte 1] aan [naam slachtoffer] verteld dat [naam verdachte] en hij wilden beginnen. [naam slachtoffer] had op dat moment niets en zei dat het even moeilijk was. In december 2012 had [medeverdachte 1] weer contact met [naam slachtoffer] en deze vertelde [medeverdachte 1] dat hij rond januari weer zou hebben.

Dat het slachtoffer, zoals [medeverdachte 1] bij de rechter-commissaris heeft verklaard, op die 20ste januari naar Rotterdam kwam om slechts met hem te praten over een toekomstig drugshandeltje en het in de toekomst op de pof leveren van een hoeveelheid speed, acht de rechtbank hoogst onwaarschijnlijk, gelet op de slechte weersomstandigheden van die middag en avond, te weten hevige sneeuwval en kans op gladheid, de afstand vanuit België van zo’n 165 kilometer, als ook de hierna nader te bespreken inhoud van de ping-gesprekken tussen de verdachte en [medeverdachte 2] van die dag, waarin over speed gesproken wordt.

Op grond van dit alles gaat de rechtbank ervan uit dat [naam slachtoffer]op 20 januari 2013 naar Rotterdam kwam voor de levering van een hoeveelheid speed aan [naam verdachte] en [medeverdachte 1].

Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of [naam verdachte] en [medeverdachte 1] op 20 januari 2013 een ontmoeting hadden gearrangeerd met [naam slachtoffer]met het plan hem te beroven van zijn speed. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend. Hiertoe is het volgende van belang.

Op 19 januari 2013 vindt er een pinggesprek plaats tussen [naam verdachte] en [medeverdachte 2]. Hieruit kan worden opgemaakt dat [naam verdachte] het vuurwapen, dat bij [medeverdachte 2] in huis ligt, de volgende dag nodig heeft.

Geconfronteerd met dit pinggesprek verklaart [medeverdachte 2] dat [naam verdachte] hem van te voren had verteld dat hij een Belg ging beroven, daarbij het vuurwapen nodig had en dat [naam verdachte] dit samen met [bijnaam medeverdachte 1] zou doen.

Op 20 januari 2013, vanaf 17.00 uur, pingen [naam verdachte] en [medeverdachte 2] weer met elkaar. [medeverdachte 2] vraagt [naam verdachte] dan “Hebben jullie actie in dit weer?” waarop [naam verdachte] bevestigend antwoordt. [medeverdachte 2] vraagt of het een Belg is, en [naam verdachte] antwoordt: “Ja man, deze man is kkr groot die we gaan klaren hij lijkt op kliktcho, die boxer die Europese kampioen, zwaar gewicht.” [medeverdachte 2] vraagt: “Gaan jullie hem pakken?”, waarop [naam verdachte] bevestigd antwoordt. [medeverdachte 2] vraagt of zij “money pakken of iets anders”, waarop [naam verdachte] antwoordt: “Speed”. Op de vraag van [medeverdachte 2] hoeveel, antwoordt [naam verdachte]: “5 Li speed.” [medeverdachte 2] vraagt met hoeveel ze gaan, waarop [naam verdachte] antwoordt: “Ik en [bijnaam medeverdachte 1]”. [medeverdachte 2] reageert hierop: “Trek die mattie als tie moeilijk doet blazen”.

[medeverdachte 2] heeft hierover bij de politie verklaard dat [naam verdachte] in de middag van 20 januari 2013 een vuurwapen bij hem heeft opgehaald en dat [naam verdachte] wel vaker bij hem kwam om het wapen te halen. [naam verdachte] had hem verteld dat hij er acties mee deed, dat hij mensen beroofde en dan met het wapen dreigde. De verklaring van [medeverdachte 2] wordt ondersteund door pingberichten welke door de politie zijn aangetroffen in de telefoon van [medeverdachte 2].

Zowel [medeverdachte 2] als [medeverdachte 1] hebben over de betekenis van “blazen” verklaard dat dit schieten of slaan kan betekenen, afhankelijk van de context waarin het wordt gebruikt. De rechtbank begrijpt dat, nu het gaat om het ophalen van een vuurwapen en het ‘klaren’ van de Belg, met de zin “als tie moeilijk doet blazen” wordt bedoeld: als de Belg moeilijk doet, schieten.

Voor het antwoord op de vragen of [naam verdachte] en [medeverdachte 1] daadwerkelijk speed hebben gestolen van het slachtoffer is het navolgende van belang.

Op 20 januari 2013 om 20:20 uur pingt [naam verdachte] naar [medeverdachte 2] dat [medeverdachte 2] naar [naam verdachte]’s huis moet komen. [medeverdachte 2] is hierop naar [naam verdachte]’s huis gegaan, waar [naam verdachte] hem vertelde dat hij in de shit zat. Een paar dagen later heeft [medeverdachte 2] het wapen weer teruggekregen.

Op 25 februari 2013 heeft [naam verdachte] het wapen weer bij [medeverdachte 2] opgehaald en kort hierna werd hij, met het wapen in bezit, aangehouden.

Uit onderzoek blijkt dat dit het wapen is waarmee [naam slachtoffer] om het leven is gebracht.

Er zijn overeenkomsten aangetroffen tussen de afgevuurde patroonhulzen uit het wapen aangetroffen bij [naam verdachte] en de huls aangetroffen op de bijrijdersstoel in de auto van [naam slachtoffer]. Uit onderzoek van het NFI blijkt verder dat de kogel die bij sectie uit het lichaam van [naam slachtoffer] is verwijderd waarschijnlijk eveneens met dit wapen is afgevuurd.

Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat [naam verdachte] tegen hem heeft gezegd dat [medeverdachte 1] en hij een afspraak hadden met een Belg die een Mercedes heeft over 7 kg speed. [naam verdachte] vertelde hem ook dat het wapen per ongeluk was afgegaan, dat hij toen die 7 kg speed had gepakt en dat ze zijn weggerend.

Deze verklaring wordt ondersteund door een telefoongesprek dat [getuige 1] en [naam verdachte] hebben na een uitzending van Opsporing Verzocht van 19 februari 2013 waarin een item over de moord/doodslag op de Essenburgsingel werd uitgezonden. [getuige 1] vraagt daarin of [naam verdachte] nog gekeken heeft, waarop [naam verdachte] bevestigend antwoordt en zegt: “Ik wist niet dat hij gewoon uit zijn waggie ging en zo, dat wist ik niet”. Uit dit gesprek kan worden afgeleid dat [naam verdachte] op de plaats delict is geweest en tevens dat hij het slachtoffer in zijn auto heeft beschoten. Onderzoeksresultaten van het NFI en de forensische opsporing ondersteunen dit, nu de huls op de bijrijdersstoel is aangetroffen en er kruitsporen zaten op het dashboard van de auto.

Op 1 februari 2013 pingt [medeverdachte 2] naar een verder nog onbekend gebleven persoon met de pingnaam Bryan. Bryan vraagt hem 6 bar te lenen. [medeverdachte 2] antwoordt dat er zo een clannie komt en dat hij, [medeverdachte 2], 6 liter gaat wegdoen. [medeverdachte 2] zegt dat hij hem, Bryan klapt met twaalf 5barki brieven.

De rechtbank begrijpt uit dit bericht dat [medeverdachte 2] zegt 6 liter te gaan verkopen aan een klant voor twaalf briefjes van 500 euro, in totaal dus 6.000 euro. [medeverdachte 2] heeft hierover verklaard dat hij slechts stoer wilde doen, maar uit dit bericht, dat door hem is verzonden kort na 20 januari 2012 en nadat hij contact had gehad met de verdachte over hetgeen die dag is gebeurd, kan worden afgeleid dat er 6 liter beschikbaar is voor de verkoop. De prijs van € 1.000,- per liter stemt overeen met het bedrag waarvoor de speed te koop zou zijn en ook dit ondersteunt de bevindingen dat de verdachte samen met [medeverdachte 1] het slachtoffer van zijn speed heeft beroofd.

In vervolg op de hiervoor besproken conclusie dat [naam slachtoffer] met speed naar Rotterdam is gekomen, het pinggesprek van 20 januari 2013 waarin door [naam verdachte] wordt gezegd dat er speed van de Belg gepakt gaat worden, de verklaring van [getuige 1] aan wie [naam verdachte] kort na het delict heeft verteld de speed te hebben gepakt én het pinggesprek van 1 februari 2013 waarin [medeverdachte 2] zegt dat hij 6 liter gaat wegdoen, acht de rechtbank aannemelijk geworden dat [naam verdachte] en [medeverdachte 1] de Belg van zijn speed hebben beroofd.

Dat diensthond Rick, die specifiek is afgericht op het opsporen van verdovende middelen, waaronder speed, bij het onderzoek van de Mercedes van het slachtoffer geen herkenningsgedrag heeft vertoond doet daar niet aan af, nu dit onderzoek eerst op 15 april 2013 en derhalve bijna drie maanden na het feit heeft plaatsgevonden. Zoals uit het op

3 februari 2014 ter zake opgemaakte proces-verbaal blijkt, wordt de kans dat de hond herkenningsgedrag gaat vertonen kleiner naarmate er meer tijd is verstreken.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat uit het feit dat op de zich in het dossier bevindende foto’s van de Mercedes te zien is dat er een onverstoorde laag sneeuw ligt op de kofferbak, niet zonder meer de conclusie kan worden getrokken dat de kofferbak die avond niet open is geweest en er door de verdachte dus ook geen speed uit de kofferbak kan zijn gepakt.

Tussen het moment van het delict, rond 19.30 uur, en het forensisch onderzoek, dat rond 21:00 uur heeft plaatsgevonden, heeft het op de avond van 20 januari 2013 gesneeuwd.

De sneeuw op de auto - ook op de voorruit en de ruiten van de portieren lag een vergelijkbare laag sneeuw - moet er voor een belangrijk deel in die tussenliggende anderhalf uur op terecht zijn gekomen; het is immers niet aannemelijk dat het slachtoffer met dicht gesneeuwde ruiten vanuit België naar Nederland is komen rijden.

Ten aanzien van het (voorwaardelijk) opzet van [naam verdachte]

Uit het dossier komt naar voren dat [medeverdachte 1] en [naam verdachte] vaker ‘ripdeals’ pleegden en dat [naam verdachte] daartoe wel vaker gebruik maakte van het wapen dat hij van [medeverdachte 2] kreeg of bij hem ophaalde. [medeverdachte 2] leende het wapen aan [naam verdachte] uit om er mensen mee te bedreigen en er acties mee te doen. [medeverdachte 2] kreeg het wapen soms nog doorgeladen van hem terug.

Zoals ook uit de vrijspraak van het onder 1 primair ten laste gelegde blijkt, gaat de rechtbank er niet van uit dat de verdachte van huis is gegaan met het vooropgezette doel om [naam slachtoffer]om het leven te brengen. Wel bestaat naar het oordeel van de rechtbank de aanmerkelijke kans dat, indien men iemand wil beroven en een van de daders daarbij een doorgeladen vuurwapen meeneemt om de beroving kracht bij te zetten, dit vuurwapen

- zeker als er een hectische situatie ontstaat omdat bijvoorbeeld het slachtoffer van de beroving enige weerstand biedt - afgaat en het slachtoffer aan de gevolgen van een schotwond komt te overlijden. De verdachte moet zich getuige de inhoud van het pinggesprek: “Trek die mattie als tie moeilijk doet blazen” van die aanmerkelijke kans bewust zijn geweest en heeft deze ook aanvaard.

Na eerst bij de politie te hebben gezegd dat hij dit “gelul” vindt, heeft [medeverdachte 1] later bij de rechter-commissaris verklaard dat - nadat hij een schot had gehoord - [naam verdachte] gezegd heeft dat het per ongeluk ging. Ook [getuige 1] heeft in die zin verklaard.

De officier van justitie heeft op verzoek van de raadsvrouw nader onderzoek laten doen naar de vraag of de kans bestaat dat het wapen zonder trekkeractie kan zijn afgegaan. Daarbij is gebleken dat het wapen onbeschadigd is, geen technische gebreken heeft en dat het wapen niet gemakkelijk kan afgaan, anders dan door het overhalen van de trekker.

Conclusie

Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat [naam verdachte] en [medeverdachte 1] op 20 januari 2013 een ontmoeting hadden met het slachtoffer met het plan hem te beroven van speed. [naam verdachte] heeft die dag een (doorgeladen) vuurwapen bij [medeverdachte 2] opgehaald en meegenomen naar de afspraak. Op de Essenburgsingel te Rotterdam heeft [naam verdachte] het wapen in de auto op het slachtoffer gericht, de trekker overgehaald en van dichtbij een schot gelost.

Vervolgens zijn [naam verdachte] en [medeverdachte 1] er met een hoeveelheid speed vandoor gegaan.

De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde gekwalificeerde doodslag.

De alternatieve scenario’s die door de raadsvrouw van de verdachte zijn aangevoerd, zijn op geen enkele wijze aannemelijk geworden en worden bovendien door de bewijsmiddelen weersproken. De rechtbank volgt haar lezing van de feiten dan ook niet.

VERWEREN EN OVERWEGINGEN AANGAANDE HET BEWIJS TEN AANZIEN VAN FEITEN 2 EN 3.

Standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat de verdachte ten aanzien van feit 2 dient te worden vrijgesproken van het onderdeel ‘tonen van het vuurwapen’. Alleen de aangever heeft verklaard over een vuurwapen en deze verklaring dient te worden uitgesloten van het bewijs, nu vaststaat dat hij ook heeft gelogen over de reden van zijn komst naar Rotterdam.

In het verlengde daarvan heeft zij vrijspraak bepleit ten aanzien van feit 3.

Beoordeling rechtbank

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt hiertoe het volgende.

In zijn aangifte heeft [naam aangever] verklaard dat er, nadat zijn geld was afgepakt en toen hij de auto niet wilde verlaten, door de (vierde) jongen die er als laatste was bijgekomen, een vuurwapen is gepakt waarmee de aangever werd bedreigd. In een latere verklaring heeft [naam aangever] gezegd dat er een wapen op hem werd gericht, maar dat hij niet meer zeker wist door wie dat was. Naast de verklaring van de aangever bevat het dossier twee verklaringen van taxichauffeurs die op het moment van het gebeuren in de nabijheid van de auto in een taxi zaten. Beiden verklaren daar het een en ander van te hebben waargenomen, weliswaar niet zelf een wapen te hebben gezien, maar wel van de aangever - direct nadat de auto was weggereden – te hebben gehoord dat er in de auto een vuurwapen op hem gericht was. Eén van hen heeft tevens verklaard dat de aangever op dat moment erg overstuur was.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de hiervoor aangehaalde verklaringen van de aangever en de taxichauffeurs voldoende vast is komen te staan dat er bij de beroving een wapen op de aangever is gericht. Daarbij is met name redengevend dat de aangever direct na de beroving, terwijl hij erg overstuur was, bij de taxichauffeurs melding heeft gemaakt van het vuurwapen. Anders dan de verdediging stelt, acht de rechtbank de verklaring van de aangever op dit punt wel betrouwbaar en bruikbaar. De omstandigheid dat zijn verklaring omtrent de reden van zijn komst naar Rotterdam (het kopen van een telefoon) niet overeenkomt met de verklaringen van de verdachte en zijn medeverdachten (het kopen van drugs) maakt niet dat de verklaring van de aangever in zijn geheel onbetrouwbaar is. Zeker tegenover de politie kan de aangever voor de hand liggende motieven hebben gehad om niet te zeggen dat hij naar Rotterdam kwam om drugs te kopen.

Conclusie

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte samen met zijn medeverdachten [naam aangever] onder bedreiging van een vuurwapen en met geweld van zijn geld heeft beroofd.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair, 2 primair, 3, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

(Zaak: 'Essen')

1

subsidiair

hij op of omstreeks 20 januari 2013 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een persoon genaamd [naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk die [naam slachtoffer] met een vuurwapen een kogel in het hoofd/gezicht geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [naam slachtoffer] is overleden,

welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van

enig strafbaar feit, te weten

- een diefstal (in vereniging), althans een poging daartoe (strafbaar gesteld in (de) artikel(en) 311/310 (jo artikel 45) van het Wetboek van strafrecht) en/of

- een diefstal met geweld (in vereniging), althans een poging daartoe (strafbaar gesteld in (de) artikel(en) 312 (jo artikel 45) van het Wetboek van strafrecht) en/of

- een afpersing (in vereniging), althans een poging daartoe (strafbaar gesteld in (de) artikel(en) 317 en (47) (jo artikel 45) van het Wetboek van strafrecht)

en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

(Zaak: 'Spoor')

2

primair

hij op of omstreeks 09 februari 2013 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen geld (550 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan naam [naam aangever], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn/haar mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [naam aangever], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

en/of

met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en / of bedreiging met geweld [naam aangever] heeft gedwongen tot de afgifte van geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [naam aangever], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en of zijn mededader(s)

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- grijpen/pakken van voornoemd geld uit de handen van die [naam aangever] en/of

- ( met kracht) uit de auto duwen van die [naam aangever] en/of

- het tonen/voorhouden van een vuurwapen aan die [naam aangever] en/of (vervolgens) richten van dit vuurwapen op/in de richting van die [naam aangever];

3.

hij op of omstreeks 09 februari 2013 te Rotterdam,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [naam aangever] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) opzettelijk dreigend

- een vuurwapen heeft getoond/voorgehouden aan die [naam aangever] en/of (vervolgens) een vuurwapen op/in de richting van die [naam aangever] heeft gericht;

4.

hij op of omstreeks 25 februari 2013 te Rotterdam

een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1 van de Wet Wapens en Munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3 van die wet in de vorm van een pistool van het merk SIG, model P-220 kaliber 9x19mm voorhanden heeft gehad;

5.

hij op of omstreeks 25 februari 2013 te Rotterdam

een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie II onder 5 van de Wet Wapens en Munitie, te weten een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht, te weten een stroomstootwapen voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

ALGEMENE BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. De bewijsmiddelen en de voor de bewezenverklaring redengevende inhoud daarvan zijn weergegeven in de aan dit vonnis gehechte bijlage II.

Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

STRAFBAARHEID FEITEN

De bewezen feiten leveren op:

1

subsidiair medeplegen van doodslag gevolgd van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit gemakkelijk te maken;

2

primair en 3 de eendaadse samenloop van

diefstal, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

en

medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

4

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;

5

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

STRAFMOTIVERING

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft samen met de medeverdachte het plan gemaakt om het latere slachtoffer, [naam slachtoffer], van zijn speed te beroven, ofwel om een “ripdeal” te plegen. [naam slachtoffer] is onder barre weersomstandigheden vanuit België naar Rotterdam gereden om een hoeveelheid speed aan hen te verkopen. Het slachtoffer heeft de medeverdachte opgehaald in een snackbar en is op zijn aanwijzingen in de richting van de Werkhoefstraat gereden. Vlak daarbij, op de Essenburgsingel, heeft het slachtoffer zijn auto geparkeerd.

Daar voegde de verdachte zich bij hen.

Over hetgeen zich toen exact heeft afgespeeld laten de verdachten zich niet uit. Wel staat vast dat de verdachte het door hem meegenomen vuurwapen heeft doorgeladen, op enig moment op [naam slachtoffer] heeft gericht en hem van nabij in het gezicht heeft geschoten.

Zonder zich verder om het ernstig gewonde slachtoffer te bekommeren, hebben de verdachte en zijn medeverdachte hem beroofd van zijn speed en zijn er vandoor gegaan.

[naam slachtoffer] is kort daarna aan zijn verwondingen overleden, met achterlating van een vrouw en drie jonge kinderen.

Dit is een zeer ernstig en schokkend feit. De verdachte heeft het slachtoffer het meest fundamentele recht dat er bestaat, het recht op leven, ontnomen. Bovendien heeft de verdachte hierdoor veel verdriet en welhaast onherstelbaar leed veroorzaakt bij de nabestaanden van het slachtoffer. De ter terechtzitting voorgelezen verklaringen van de nabestaanden hebben de gevolgen van verdachtes daad duidelijk naar voren gebracht.

Zij moeten de diep ingrijpende gevolgen van dit onherroepelijke en volkomen onverwachte verlies voor altijd met zich dragen. Dit geldt in het bijzonder voor de drie jonge kinderen die zonder hun vader zullen moeten opgroeien.

De verdachte heeft hiervoor geen enkele verantwoording willen afleggen. Bij monde van zijn raadsvrouw heeft hij op zitting geprobeerd de medeverdachte alle schuld in de schoenen te schuiven, terwijl hijzelf steeds heeft ontkend of gebruik heeft gemaakt van zijn zwijgrecht. Hierdoor hebben de nabestaanden geen wetenschap van de exacte toedracht van het gebeuren gekregen en blijven zij met tal van vragen achter.

Kennelijk heeft zelfs deze beroving met fatale afloop de verdachte er niet van kunnen weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Nog geen drie weken later heeft hij samen met anderen weer iemand met geweld en onder bedreiging van een vuurwapen beroofd. Ditmaal werd het slachtoffer naar Rotterdam gelokt in de veronderstelling dat hij daar een hoeveelheid wiet kon kopen. Nadat hij was opgehaald van het Centraal Station en in een gereedstaande auto had plaatsgenomen, werd hem zijn geld afhandig gemaakt, waarna hij uit de auto werd geduwd terwijl er een vuurwapen op hem werd gericht. Dit moet een aangrijpende en angstaanjagende ervaring zijn geweest voor het slachtoffer.

De ripdeal van [naam slachtoffer]en de gewelddadige beroving op [naam aangever] betekenen bovendien een schok voor de rechtsorde en versterken de gevoelens van onveiligheid en angst in de samenleving.

Voorts had de verdachte korte tijd later op de openbare weg het pistool waarmee hij [naam slachtoffer] had doodgeschoten weer bij zich en ook had de verdachte een eveneens verboden stroomstootwapen in zijn bezit.

Gekwalificeerde doodslag, zoals onder het eerste feit bewezen is verklaard, behoort tot de meest ernstige feiten die het Wetboek van Strafrecht kent. Dit delict is naar zijn aard een misdrijf dat oplegging van een gevangenisstraf van zeer lange duur rechtvaardigt. Daarnaast heeft de verdachte nog meer strafbare feiten gepleegd.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is in het nadeel van de verdachte in aanmerking genomen dat hij, zoals blijkt uit het op zijn naam gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 17 januari 2014, reeds eerder is veroordeeld, zij het voor andersoortige feiten.

Reclassering Nederland heeft rapporten over de verdachte opgemaakt gedateerd

18

en 24 april 2013 en onthoudt zich daarin, gelet op de ontkennende houding van de verdachte, van advies over een sanctie. Ook is over de verdachte op 24 januari 2014 een triple rapportage uitgebracht door psychiater J.M.J.F. Offermans, psycholoog P.E. Geurkink en forensisch milieuonderzoeker W. de Kruijff.

Hierin komt naar voren dat de verdachte over het ten laste gelegde niet met de deskundigen heeft willen spreken. Het ten laste gelegde is echter niet verklaarbaar uit pathologie bij de verdachte. Evenmin zijn er aanwijzingen voor pathologie bij de verdachte die zijn wils- en handelsvrijheid zouden hebben beperkt ten tijde van het ten laste gelegde. Naar de mening van de deskundigen moet de verdachte dan ook volledig toerekeningsvatbaar worden geacht voor het ten laste gelegde.

Gezien het ontbreken van psychopathologie is er over de kans op herhaling gedragskundig weinig te zeggen. Met andere woorden: de verdachte is ook in staat andere keuzes te maken in situaties zoals ten tijde van het ten laste gelegde.

Gezien de afwezigheid van pathologie en de lage kans op een recidive is er naar de mening

van de deskundigen geen noodzaak om behandeling in een strafrechtelijk kader te adviseren.

Er is evenmin sprake van motivatie of lijdensdruk voor een contact op vrijwillige basis.

Nu de conclusies van de psychiater en psycholoog gedragen worden door hun bevindingen en door hetgeen ook overigens op de terechtzitting is gebleken, neemt de rechtbank die conclusies over en maakt die tot de hare. De verdachte wordt dus volledig toerekeningsvatbaar geacht.

De rechtbank acht het van het grootste belang dat de maatschappij beschermd wordt tegen deze verdachte, die er immers blijk van heeft gegeven zeer weinig respect voor het menselijk leven en andermans eigendommen te hebben. Daarbij wordt betrokken dat de verdachte het laakbare van zijn handelen niet lijkt te beseffen en daar ook geen spijt van heeft betuigd.

De rechtbank is van oordeel dat daarom alleen een aanzienlijke onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf van na te melden duur een passende reactie is.

In aanmerking genomen de straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd, wijkt de rechtbank in enige mate af van de eis van de officier van justitie. Hierbij is rekening gehouden met de nog jonge leeftijd van de verdachte.

Alles afwegend wordt na te noemen straf passend en geboden geacht.

VORDERING BENADEELDE PARTIJ / SCHADEVERGOEDINGSMAATREGEL

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd mevrouw [naam benadeelde partij], wonende te Meeuwen (België), ter zake van het onder 1 ten laste gelegde feit.

De benadeelde partij vordert een bedrag van € 5.338,97 aan materiële schade.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsvrouw heeft, gelet op de door haar bepleite vrijspraak, geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij in de vordering.

De rechtbank is van oordeel dat vast is komen te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde strafbare feit, rechtstreeks schade is toegebracht. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en is genoegzaam onderbouwd, zodat de vordering zal worden toegewezen.

Nu de verdachte het strafbare feit, ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Indien en voor zover de mededader de benadeelde partij betaalt is de verdachte in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting bevrijd. Het vorenstaande laat onverlet dat de verdachte en zijn mededader onderling voor gelijke delen in de schadevergoeding moeten bijdragen, tenzij de billijkheid een andere verdeling vordert.

Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op de artikelen 36f, 47, 55, 57, 285, 288, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 subsidiair, 2 primair, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien (15) jaren;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

wijst de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij], wonende te Meeuwen (België) toe tot een bedrag van € 5.338,97 en veroordeelt de verdachte dit bedrag tegen kwijting aan de benadeelde partij te betalen, met dien verstande dat indien en voor zover zijn mededader betaalt de verdachte in zoverre van deze verplichting is bevrijd;

bepaalt dat dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 januari 2013 tot aan de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 5.338,97 (vijf duizend drie honderd acht en dertig euro en zevenennegentig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 januari 2013 tot aan de dag van de algehele voldoening; beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van € € 5.338,97 vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 61 dagen; toepassing van de vervangende hechtenis heft de betalingsverplichting niet op;

verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededader, tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. W.L. van der Bijl-de Jong, voorzitter,

en mrs. S.C.C. Hes-Bakkeren en K.T. van Barneveld, rechters,

in tegenwoordigheid van M.J. Grootendorst, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 februari 2014.

Bijlage I bij vonnis van 27 februari 2014.

TEKST TENLASTELEGGING.

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

(Zaak: 'Essen')

hij

op of omstreeks 20 januari 2013 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk en met voorbedachten rade, een persoon genaamd [naam slachtoffer] van

het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s)

opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg,

met een vuurwapen een kogel in het hoofd/gezicht van die [naam slachtoffer] geschoten,

tengevolge waarvan voornoemde [naam slachtoffer] is overleden;

art 289 Wetboek van Strafrecht;

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij

op of omstreeks 20 januari 2013 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, opzettelijk een persoon genaamd [naam slachtoffer]

van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer

van) zijn mededader(s) opzettelijk die [naam slachtoffer] met een vuurwapen een kogel in

het hoofd/gezicht geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [naam slachtoffer] is

overleden,

welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van

enig strafbaar feit, te weten

- een diefstal (in vereniging), althans een poging daartoe (strafbaar gesteld

in (de) artikel(en) 311/310 (jo artikel 45) van het Wetboek van strafrecht)

en/of

- een diefstal met geweld (in vereniging), althans een poging daartoe

(strafbaar gesteld in (de) artikel(en) 312 (jo artikel 45) van het Wetboek

van strafrecht) en/of

- een afpersing (in vereniging), althans een poging daartoe (strafbaar gesteld

in (de) artikel(en) 317 en (47) (jo artikel 45) van het Wetboek van

strafrecht)

en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit

voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op

heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) straffeloosheid en/of

het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 288 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

meer subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij

op of omstreeks 20 januari 2013 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen geld en/of

drugs, in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan

[naam slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of

zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of

gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [naam slachtoffer], gepleegd

met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken

en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere

deelnemer(s) van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij

het bezit van het gestolene te verzekeren,

en/of

met het oogmerk om zich en / of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door

geweld en / of bedreiging met geweld [naam slachtoffer]heeft gedwongen tot de

afgifte van geld en/of drugs, in elk geval van enig(e) goed(eren), geheel of

ten dele toebehorende aan die [naam slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen

dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- tonen en/of voorhouden van een vuurwapen aan die [naam slachtoffer] en/of

- ( vervolgens) met voornoemd vuurwapen schieten van een kogel in

het hoofd/gezicht van die [naam slachtoffer],

ten gevolge waarvan voornoemde [naam slachtoffer] is overleden;

art 317 lid 3 jo 47 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 3 Wetboek van Strafrecht

art 310 Wetboek van Strafrecht

meest subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij

op of omstreeks 20 januari 2013 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het/de door verdachte

en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf/misdrijven

om met het oogmerk om zich of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen

door geweld en/of bedreiging met geweld iemand, genaamd [naam slachtoffer]te

dwingen tot de afgifte van geld en/of drugs en/of een of meer goederen, geheel

of ten den dele toebehorend aan die [naam slachtoffer], in elk geval aan (een) ander(en)

dan verdachte en/of zijn mededader(s),

en/of

om met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg te nemen geld en/of

drugs en/of een of meer goederen, geheel of te dele toebehorende aan

[naam slachtoffer], in elk geval aan (een) ander(en) dan verdachte en/of zijn

mededader(s),welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd

van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [naam slachtoffer], gepleegd met het

oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om

bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s)

van voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van

het gestolene te verzekeren,

terwijl de uitvoering van dat/die voorgenomen misdrijf/misdrijven niet is

voltooid,

heeft/hebben hij, verdachte en/of (een) mededader(s)

- een vuurwapen aan die [naam slachtoffer] getoond/voorgehouden en/of

- ( vervolgens) met voornoemd vuurwapen een kogel in het

hoofd/gezicht van die [naam slachtoffer] geschoten

ten gevolge waarvan voornoemde [naam slachtoffer] is overleden;

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

(Zaak: 'Spoor')

(parketnummer: 10/730079-13)

hij op of omstreeks 09 februari 2013 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen geld (550

euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan naam [naam aangever]

, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of

zijn/haar mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld

en/of bedreiging met geweld tegen die [naam aangever], gepleegd met het oogmerk om

die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij

betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan (een) andere deelnemer(s) van

voormeld misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het

gestolene te verzekeren,

en/of

met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door

geweld en / of bedreiging met geweld [naam aangever] heeft gedwongen tot de

afgifte van geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende

aan die [naam aangever], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

en of zijn mededader(s)

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- grijpen/pakken van voornoemd geld uit de handen van die [naam aangever] en/of

- ( met kracht) uit de auto duwen van die [naam aangever] en/of

- het tonen/voorhouden van een vuurwapen aan die [naam aangever] en/of (vervolgens)

richten van dit vuurwapen op/in de richting van die [naam aangever];

art 312 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 09 februari 2013 te Rotterdam

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk

geld (550 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

[naam aangever], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of

zijn mededader(s), welk(e) goed(eren) verdachte en/of zijn mededader(s) anders

dan door misdrijf, te weten (vooruitlopend op een)(als) betaling voor de

levering van een mobiele telefoon (Iphone) en/of wiet,

in ieder geval enig goed wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

art 321 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 09 februari 2013 te Rotterdam,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [naam aangever]

heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met

zware mishandeling, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn

mededader(s) opzettelijk dreigend

- een vuurwapen heeft getoond/voorgehouden aan die [naam aangever] en/of

(vervolgens) een vuurwapen op/in de richting van die [naam aangever] heeft gericht;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op of omstreeks 25 februari 2013 te Rotterdam

een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1 van de Wet

Wapens en Munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3

van die wet in de vorm van een pistool van het merk SIG, model P-220 kaliber

9x19mm voorhanden heeft gehad

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

5.

hij op of omstreeks 25 februari 2013 te Rotterdam

een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie II onder 5 van de Wet

Wapens en Munitie, te weten een voorwerp waarmee door een elektrische

stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden

toegebracht, te weten een stroomstootwapen voorhanden heeft gehad;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie