Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:1298

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
25-02-2014
Datum publicatie
11-03-2014
Zaaknummer
C-10-441242 - KG ZA 13-1411
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

OPzegging duurovereenkomst met opzegtermijn van twee maanden. Beroep op nietigheid overeenkomst wegens strijd met goede reden verworpen. Geen zwaarwegende grond voor opzegging nodig. In verband met de omstandigheden van het geval, met name de samenhang met agentuur, dient een opzegtermijn van vier maanden gehanteerd te worden. Afwijzing vordering tot nakoming. Gedeeltelijke toewijzing van geldvordering i.v.m. restitutierisico.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/441242 / KG ZA 13-1411

Vonnis in kort geding van 25 februari 2014

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

THELF B.V.,

gevestigd te Vught,

eiseres,

advocaat mr. J.B. Maliepaard,

tegen

[gedaagde]

handelende onder de naam [X] Agenturen,

wonende te Hendrik-Ido-Ambacht,

gedaagde,

advocaat mr. J.F. Bienfait.

Partijen zullen hierna Thelf en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding d.d. 15 januari 2014, met producties,

  • -

    de door [gedaagde] bij brieven van mr. Bienfait van 3 en 6 februari 2014 toegezonden en ter zitting overgelegde producties,

  • -

    de door Thelf bij brief van mr. Maliepaard van 7 februari 2014 toegezonden en ter zitting overgelegde producties,

  • -

    de mondelinge behandeling ter openbare zitting van 11 februari 2014,

  • -

    de pleitnota van Thelf

  • -

    de pleitnota van [gedaagde].

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Thelf is voormalig agent van M. Shack Engel A/S, een Deense meubelfabrikant die ook handelt onder de naam Lifetime (verder: Lifetime, maar in na te melden correspondentie ook aangeduid als MSE, LT of DK). De heer [y] ([y]) [bestuurder] (verder: [bestuurder]) is enig bestuurder en (middellijk) aandeelhouder van Thelf.

2.2.

Na verkoop van haar agentschap in 2008 is Thelf als consultant voor Lifetime blijven werken tegen een provisie van 1,5%. Zij hebben daartoe een overeenkomst voor de duur van 5 jaar gesloten (productie 13 van [gedaagde]).

2.3.

In 2011 heeft Lifetime de agentuurovereenkomst met de toenmalige agent beëindigd. Vervolgens heeft Lifetime op instigatie van Thelf op 30 december 2011 een consultancy overeenkomst met [gedaagde] gesloten waarbij hij is aangesteld als sales consultant voor de periode van 1 januari 2012 tot 30 juni 2013, waarin – zakelijk weergegeven – onder meer is bepaald dat:

  • -

    [gedaagde] voorlopig onder leiding van [bestuurder] zal werken, die hem namens Lifetime zal instrueren;

  • -

    [gedaagde] een beloning ontvangt van € 5.800,- per maand;

  • -

    [gedaagde] gedurende de overeenkomst zijn volledige aandacht dient te wijden aan het belang van Lifetime en met voorafgaande schriftelijke toestemming van Lifetime één ander agentschap mag aannemen die echter geen concurrent mag zijn op het gebied van Lifetime’s kinderbedden en andere kindermeubels.

De consultancy overeenkomst tussen Lifetime en Thelf is in januari 2012 met zes maanden verlengd.

2.4.

Op 18 oktober 2012 hebben partijen samen een bespreking gevoerd met vertegenwoordigers van Lifetime. Deze bespreking heeft geresulteerd in een namens Thelf en Lifetime ondertekende overeenkomst getiteld “Conditions to new Agency Contract Benelux” (productie 5 van Thelf). Hierin is onder meer de afspraak vastgelegd dat Thelf de agentuurovereenkomst zal tekenen als hoofdagent en contractspartij, terwijl [gedaagde] als subagent zal worden genoemd. Voorts is daarin vermeld dat de agentuurovereenkomst zou worden getekend en van kracht zou zijn vanaf 1 juli 2013.

2.5.

Bij e-mail aan [bestuurder] van 24 oktober 2012 met als onderwerp ‘Onderlinge overeenkomst’ (productie 11 van Thelf) heeft [gedaagde] een aantal afspraken tussen partijen opgesomd. Daarin is onder het kopje ‘Toekomst’ vermeld:

Met de huidige taakverdeling voor Lifetime blijft Thelf nog 5 jaar actief. Na 5 jaar zal HKA (de voorzieningenrechter leest [gedaagde]) verantwoordelijkheden overnemen en Thelf een adviserende rol aannemen. Dan zal de provisieverdeling worden omgedraaid naar: 40% naar Thelf, 60% naar HKA.”

2.6.

Partijen hebben met Lifetime onderhandeld over door Lifetime gestelde aanvullende voorwaarden voor de agentuurovereenkomst per 1 juli 2013. Bij e-mail van 25 maart 2013 aan Lifetime heeft [gedaagde] zijn frustratie over het verloop van de onderhandelingen uitgesproken. Het op 27 maart 2013 ontvangen antwoord heeft [gedaagde] die dag om 10.50 uur (productie 12 van Thelf) aan [bestuurder] doorgestuurd en daarbij onder meer het volgende aan [bestuurder] meegedeeld:

“[…]

Hij meld duidelijk dat ze morgen gaan bepalen wat de nieuwe formatie zal zijn. We moeten zien te voorkomen dat helemaal zonder ons een optie gaat zijn. Misschien is het toch verstandig om voordat ze dit gaan bepalen ze te laten flirten met het idee dat jij ze eventueel de rambam laat krijgen en opstapt. Wel onder die voorwaarde dat mijn inkomsten gedekt zijn. Dan kan ik mijn rekeningen blijven betalen en aan het werk voor ons T&H pakket. Daar ligt de toekomst en de verdiensten. […]

Wat denk jij?”

2.7.

Bij e-mail van 27 maart 2013 11.32 uur (productie 4 van [gedaagde]) heeft [bestuurder] aan Lifetime – voor zover hier van belang – medegedeeld:

“[…]

Ab 1 Juli 2013 gehe ich mein eigene weg in dieses Marktsegment.

Ich hoffe das ihr mit [gedaagde] eine Losung finden kan aber das ist an ihr.

Selbst verständig mache ich bis dieser Datum die Arbeit wie vorher.

Damit is dat Thema von den Tisch und können wir weiter in alle Bereichen.

[…]”

2.8.

Bij e-mail van 29 maart 2013 (productie 6 van Thelf) heeft [gedaagde] – voor zover hier van belang – aan [bestuurder] meegedeeld:

“[…]

Bij deze wil ik graag bevestigen de gemaakte afspraken en de strategie tijdens onze meeting van gisteren donderdag 28-03-2013 bij het Bastion hotel te Rotterdam.

Gezien het beleid van Lifetime ben jij genoodzaakt geweest om op te stappen. Dit met als doelstelling de vrijstelling voor de ontwikkeling van een ander agenturenpakket […]

Deze stap scheidt alles behalve de samenwerking tussen [gedaagde] & [bestuurder].

[...]

Met jou opzegging zal ik worden voorgedragen als agent voor de Benelux. Ik zal de condities die reeds zijn afgestemd zoveel mogelijk in stand zien te houden.

[…]”

2.9.

Bij e-mail van 4 april 2013 (productie 5 van [gedaagde]) heeft Lifetime de agentuurovereenkomst met Thelf, voor zover die bestaat, met een zo kort mogelijke termijn opgezegd.

2.10.

Bij e-mail aan [gedaagde] van 13 april 2013 (onderdeel productie 15 van Thelf) heeft [bestuurder] –voor zover hier van belang – meegedeeld:

[…]

Fase 1 van onze strategie is nu binnen: de agenturenovereenkomst met jou

Fase 2 start nu zal bestaan uit een juridisch steekspel waarbij de inzet is minimaal dat deel terug te gaan halen wat ze nu in de onderhandelingen met jouw bespaard hebben. En dan specifiek in relatie tot die 18 maanden die we geïnvesteerd hebben.

Fase 3 loopt parallel met fase 2: het opstarten van meerdere lijnen om een beter financiele ondergrond te krijgen en onafhankelijkheid op te bouwen naar het huidige agentschap toe.

[gedaagde] zoals afgesproken ga je mee in het resultaat van het juridische geschil wat we ik nu heb met DK maar betekend dat ook dat je mee gaat in de juridische kosten van dit verhaal.

[…]”

2.11.

Partijen hebben op 24 april 2013 een overeenkomst gesloten die er toe strekt dat zij met ingang van 1 juli 2013 voor onbepaalde tijd exclusief samenwerken op agenturen gebied in de breedste zin van het woord (verder: de overeenkomst). Zij hebben daarbij – zakelijk weergegeven - onder meer de volgende afspraken vastgelegd:

  • -

    beide partijen hebben recht op een evenredig deel van de inkomsten voortvloeiend uit de gemeenschappelijke activiteiten die gerealiseerd worden in beide ondernemingen;

  • -

    [gedaagde] heeft recht op een vast inkomen van € 5.800,- per maand (€ 69.600,-);

  • -

    Thelf heeft recht op een vast bedrag van € 5.800,- per maand (€ 69.600,- per jaar), maar dit maandelijkse bedrag wordt pas uitbetaald wanneer het mogelijk is de overeengekomen inkomsten van [gedaagde] te vergoeden uit provisie of royalty inkomsten in welke vorm ook binnen de genoemde bedrijven;

  • -

    alle inkomsten hoger dan € 139.200,- worden door beide partijen verdeeld;

  • -

    op het moment van deze overeenkomst zijn de te vertegenwoordigde partijen binnen deze overeenkomst Lifetime, Colorique Nl, Scanliving DK;

  • -

    het is de partijen niet toegestaan andere agentschappen dan genoemd in deze overeenkomst zonder toestemming van de andere partij te vertegenwoordigen;

  • -

    [gedaagde] is verantwoordelijk voor de verkoop,

  • -

    Thelf is verantwoordelijk voor de ontwikkeling en marketing.

2.12.

Bij brief van 29 oktober 2013 heeft [gedaagde] de overeenkomst opgezegd met inachtneming van een opzegtermijn van 2 maanden, derhalve eindigende per 1 januari 2014. De daarbij vermelde reden voor de opzegging is dat partijen van mening verschillen over de inhoud van de samenwerking en de manier waarop zij zouden moeten doorgaan.

3 Het geschil

3.1.

Thelf vordert na vermindering van eis  samengevat - [gedaagde] te veroordelen:

I. tot nakoming van zijn verplichtingen op grond van de overeenkomst, zulks op straffe van verbeurte van een (gemaximeerde) dwangsom,

II. tot betaling van € 5.800,- per maand vanaf 1 oktober 2013 tot en met de datum van het wijzen van het vonnis, vermeerderd met wettelijke handelsrente vanaf de dag van opeisbaarheid tot de voldoening;

III. in de kosten van de procedure, te vermeerderen met wettelijke handelsrente vanaf de 14e dag na dagtekening van het vonnis.

3.2.

Thelf legt aan haar vordering ten grondslag dat de overeenkomst tussen partijen nagekomen dient te worden. Zij stelt daartoe dat [gedaagde] de overeenkomst niet rechtsgeldig heeft opgezegd omdat hij geen voldoende zwaarwegende reden voor opzegging had en slechts een termijn van 2 maanden heeft gehanteerd.

3.3.

[gedaagde] voert verweer. Primair beroept hij zich op nietigheid van de overeenkomst wegens strijd met de goede zeden. Subsidiair betwist hij dat de overeenkomst niet rechtsgeldig is opgezegd. Meer subsidiair betwist [gedaagde] dat de gevorderde betaling is gegrond op de overeenkomst. Voorts betwist hij de toewijsbaarheid van de gevorderde dwangsom en wettelijke handelsrente.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het spoedeisend belang vloeit voort uit de aard van de vorderingen en staat tussen partijen ook niet ter discussie.

4.2.

[gedaagde] stelt dat de overeenkomst in strijd is met de goede zeden, omdat deze inhoudt dat partijen achter de rug van Lifetime om concurrerende producten gaan ontwikkelen en concurrenten gaan bedienen. Tegelijkertijd startte Thelf in Denemarken een procedure tegen Lifetime waarin zij een groot bedrag vordert wegens beweerde niet nagekomen toezeggingen, waarbij werd verzwegen dat Thelf inkomsten uit de agentuurovereenkomst tussen Lifetime en [gedaagde] krijgt en dat [gedaagde] mee zou delen in de kosten en de opbrengsten van de procedure. Daarmee wordt volgens [gedaagde] een fundamenteel ervaren norm van ongeschreven recht in de relatie tussen handelsagent en zijn principaal geschonden, hetgeen Thelf betwist.

4.3.

Een rechtshandeling die een toerekenbare tekortkoming in de nakoming van een overeenkomst met een ander of een onrechtmatige daad jegens een ander oplevert, is niet zonder meer in strijd met de goede zeden. Voor het laatste is vereist dat sprake is van een schending van een norm van ongeschreven (dwingend) recht die in de Nederlandse samenleving als fundamenteel wordt ervaren. Hetgeen [gedaagde] in kort geding heeft gesteld is onvoldoende om schending van een dergelijke norm aan te nemen. Het primaire verweer van [gedaagde] wordt derhalve verworpen.

4.4.

Of en, zo ja, onder welke voorwaarden een duurovereenkomst die is aangegaan voor onbepaalde tijd opzegbaar is, wordt bepaald door de inhoud daarvan en door de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen. Indien wet en overeenkomst, zoals hier het geval is, niet voorzien in een regeling van de opzegging, geldt dat de overeenkomst in beginsel opzegbaar is. De eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval meebrengen dat opzegging slechts mogelijk is indien een voldoende zwaarwegende grond voor de opzegging bestaat. Uit diezelfde eisen kan, eveneens in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval, voortvloeien dat een bepaalde opzegtermijn in acht moet worden genomen of dat de opzegging gepaard moet gaan met het aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding. (HR 3-12-1999, NJ 2000,12 en HR 28-1-2011, NJ 2012, 685).

4.5.

Thelf stelt dat op grond van de volgende omstandigheden de overeenkomst niet zonder een zwaarwegende grond met een opzegtermijn van twee maanden kan worden opgezegd.

Vanaf januari 2012 heeft Thelf als agent van Lifetime gewerkt zonder de daarvoor gebruikelijke provisie te ontvangen. Thelf heeft dit gedaan in de verwachting dat zij per 1 juli 2013 een nieuwe agentuurovereenkomst met Lifetime zou aangaan en dan zou worden gecompenseerd met een goede vergoeding. [gedaagde] is als subagent door Thelf naar voren geschoven. In onderling overleg met [gedaagde] en om strategische redenen heeft Thelf zich uit de onderhandelingen met Lifetime teruggetrokken, waardoor [gedaagde] de agent van Lifetime kon worden. [gedaagde] heeft vervolgens een agentuurovereenkomst met Lifetime gesloten onder slechtere voorwaarden dan Thelf had kunnen bedingen. Thelf heeft dit geaccepteerd onder de voorwaarde dat partijen hun samenwerking langdurig zouden voortzetten. Door de opzegging van de overeenkomst wordt Thelf niet gecompenseerd voor haar eerdere inspanningen en heeft zij nagenoeg geen activiteiten en inkomsten meer, terwijl [gedaagde] een agentschap in de schoot geworpen krijgt, dat Thelf in 2008 voor het bedrag van € 2.000.000 heeft verkocht en dat in 2011 door Lifetime voor het bedrag van € 700.000 van de toenmalige agent is afgekocht.

4.6.

De overeenkomst strekt tot samenwerking op het gebied van agenturen en bevat een verdeling van de taken voor agentschappen van partijen, zodat sprake is van samenhang met agentuurovereenkomsten. Voor de rechtsgeldigheid van een opzegging van agentuurovereenkomsten is ingevolge artikel 7:439 BW geen zwaarwegende grond vereist. Het ligt dan ook niet voor de hand dat voor een overeenkomst die strekt tot samenwerking op het gebied van agenturen een zwaarwegende grond voor opzegging nodig is. Thelf heeft niet bestreden dat [gedaagde] ingevolge de overeenkomst tussen partijen prestaties dient te verrichten die in zijn relatie tot Lifetime niet zijn toegestaan. De omstandigheid dat [gedaagde] daar eerder geen bezwaar tegen had, laat onverlet dat het [gedaagde] vrij staat en behoort te staan daarop terug te komen en voor nakoming van zijn verplichtingen jegens Lifetime te kiezen. De door Thelf gestelde omstandigheden, doen daar niet aan af. Thelf heeft zich immers welbewust ‘om strategische redenen’ uit de onderhandelingen met Lifetime teruggetrokken en daarmee bewerkstelligd dat [gedaagde] de agent van Lifetime zou worden. Als ervaren agent heeft Thelf moeten begrijpen welke risico’s dat inhield, zodat het op haar weg lag een opzeggingsverbod of een minimale looptijd voor de overeenkomst tussen partijen te bedingen. Niet gesteld is dat Thelf dat heeft gedaan. Haar stelling dat zij een en ander heeft geaccepteerd onder de voorwaarde dat partijen hun samenwerking langdurig zouden voortzetten, is niet aannemelijk omdat daarvoor in de overeenkomst of de overige producties onvoldoende steun valt te vinden. De e-mail van [gedaagde] van 24 oktober 2013 (productie 11 van Thelf) dateert immers van voor de terugtrekking van Thelf uit de onderhandelingen met Lifetime en benoemt alleen een verbintenis van Thelf.

4.7.

Op grond van het vorenstaande is aannemelijk dat [gedaagde] voor de opzegging van de overeenkomst tussen partijen geen zwaarwegende grond behoefde. Ter beoordeling staat dan nog slechts of [gedaagde] een redelijke opzegtermijn in acht heeft genomen. Schending van de opzegtermijn alleen maakt de opzegging niet ongeldig, maar leidt tot schadeplichtigheid. Vordering sub I zal derhalve worden afgewezen.

4.8.

Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande in veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. De rechter zal daarbij niet alleen hebben te onderzoeken of het bestaan van een vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl de rechter in de afweging van de belangen van partijen mede zal hebben te betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, welk risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening.

4.9.

Naar de eigen stelling van Thelf is haar financiële positie slecht. Daaruit volgt niet alleen het vereiste spoedeisend belang bij haar geldvordering maar ook het bestaan van een reëel restitutierisico. Voor het achterstellen van dit restitutierisico op het spoedeisend belang is gezien de aard van de vordering en het door Thelf genomen ondernemersrisico geen plaats. Dit betekent dat hoge eisen dienen te worden gesteld aan de aannemelijkheid van de toe te wijzen geldvordering.

4.10.

Voor de beantwoording van de vraag welke opzegtermijn [gedaagde] in acht diende te nemen is naast het voorafgaande het volgende van belang.

4.11.

Onvoldoende aannemelijk is dat [gedaagde] bij de opzegging van de overeenkomst tussen partijen er rekening mee diende te houden dat Thelf met het haar krachtens de overeenkomst toekomende deel van de provisie van Lifetime gecompenseerd wilde worden voor haar inspanningen ten behoeve van Lifetime in de periode januari 2012 april 2013. Uit de e-mail van 13 april 2013 blijkt immers dat die compensatie diende te komen uit de procedure die Thelf tegen Lifetime aanhangig heeft gemaakt.

4.12.

In het antwoord van Lifetime op de e-mail van [gedaagde] van 25 maart 2013 waarin hij zijn frustratie over het verloop van de onderhandelingen uit (productie 12 van Thelf), valt te lezen dat Lifetime met de vorige agent is gestopt wegens afnemende opbrengsten en dat dit niet is veranderd in de laatste 15 maanden onder het leiderschap van [gedaagde], alsmede dat [bestuurder] diverse malen zou hebben gezegd dat als Lifetime de vorige agent zou laten vallen het 6 tot 9 maanden zo duren voordat ze de omzet weer onder controle zou hebben.

In zijn e-mail van 23 augustus 2013 (onderdeel productie 7 van Thelf) aan [gedaagde] vergelijkt [bestuurder] Lifetime met een leeglopende ballon en noemt hij de positie van Lifetime en hun assortiment zwak.

In zijn e-mail aan [gedaagde] van 9 september 2013 (eveneens onder van productie 7 van Thelf) vermeldt [bestuurder] dat het ernaar uitziet dat de jaaromzet van Lifetime rond de 2,8 miljoen euro zal uitkomen, hetgeen een min van ca. 25,9% zou betekenen.

Gezien voormelde inhoud van de door Thelf overgelegde producties kan zonder nadere onderbouwing niet worden aangenomen dat het agentschap voor Lifetime ten tijde van de opzegging waardevol was, althans niet zo waardevol als zij thans beweert. Die nadere onderbouwing heeft Thelf niet gegeven.

4.13.

Voor agentuurovereenkomsten van onbepaalde tijd geldt in het geval dat geen opzegtermijn is overeengekomen een opzegtermijn van 4 maanden (art. 7:437 BW). Het verband van de overeenkomst met agentuurovereenkomsten brengt mee dat deze termijn als uitgangspunt kan worden gehanteerd voor de in redelijkheid door [gedaagde] in acht te nemen opzegtermijn. Gelet op het vorenstaande is niet aannemelijk dat de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de omstandigheden van het geval meebrengen dat [gedaagde] een langere opzegtermijn in acht diende te nemen. Evenmin zijn door [gedaagde] feiten of omstandigheden aangevoerd die meebrengen dat de termijn in redelijkheid korter dient te worden gesteld. De ten tijde van de opzegging door Thelf geuite dreigementen om de relatie tussen partijen aan Lifetime bekend te maken en de daaraan volgens [gedaagde], maar door Thelf betwiste, gegeven uitvoering kunnen geen verkorting van die termijn rechtvaardigen omdat [gedaagde] naar eigen zeggen een en ander januari in 2014 aan Lifetime heeft opgebiecht en dat vooralsnog niet tot beëindiging van die relatie heeft geleid.

4.14.

Uit het vorenstaande volgt dat voldoende aannemelijk is dat Thelf een vordering op [gedaagde] heeft tot betaling van het krachtens de overeenkomst over de maanden oktober 2013 tot en met februari 2014 aan Thelf toekomende deel van de van Lifetime ontvangen provisie. Dat dit deel € 5.800 per maand bedraagt is echter onvoldoende aannemelijk. Krachtens de overeenkomst wordt dat bedrag alleen aan Thelf uitbetaald wanneer het mogelijk is de overeengekomen inkomsten van [gedaagde] te vergoeden uit provisie of royalty inkomsten en onweersproken is dat de van Lifetime ontvangen provisie in de maanden juli tot en met september 2013 onvoldoende was om het bedrag van € 5800 per maand volledig aan Thelf te kunnen voldoen. Wel is op grond van de opgave van [gedaagde] aannemelijk dat Thelf een bedrag van € 2.500 per maand toekomt. Voor zover [gedaagde] met zijn beroep op onduidelijkheid van door Thelf gegenereerde inkomsten die dienen te worden verdeeld een beroep heeft willen doen op verrekening met het hem toekomende deel daaruit wordt dat verweer verworpen omdat de gegrondheid daarvan niet op eenvoudige wijze is vast te stellen. Vordering sub II zal derhalve tot het bedrag van € 2.500 per maand worden toegewezen. Op grond van het bepaalde in artikel 6:119a lid 2 sub b BW zal de daarover gevorderde wettelijke handelsrente worden toegewezen vanaf 30 dagen na het verstrijken van iedere maand.

4.15.

[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Thelf worden begroot op:

- dagvaarding € 77,52

- griffierecht   608,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal €  1.501,52.

De onderhavige verplichting tot vergoeding van proceskosten is geen verplichting tot betaling van een geldsom uit een handelsovereenkomst, zodat in plaats van de gevorderde wettelijke handelsrente over deze kosten de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW zal worden toegewezen.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van het bedrag van € 2.500,00 per maand vanaf 1 oktober tot en met de datum van dit vonnis, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over iedere termijn vanaf 30 dagen na het verstrijken van de betreffende maand tot aan de voldoening;

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van Thelf tot op heden begroot op € 1.501,51, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de 14de dag na dagtekening van dit vonnis;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Eerdhuijzen en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2014.1

1 type: 2515coll: 2294