Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:1172

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-02-2014
Datum publicatie
06-03-2014
Zaaknummer
ROT 12/4114
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft niet betwist dat eiseres als geloofsovertuiging het sadhoe hindoeïsme heeft, dat die geloofsover¬tuiging onder meer als eetvoorschrift heeft dat geen vlees, vis en eieren mogen worden gegeten, dat evenmin gerechten mogen worden gegeten die zijn bereid in pannen waarin ooit vlees, vis en eieren zijn bereid, en, ten slotte, dat de door verweerder aangedragen maaltijddiensten niet voorzien in maaltijden die volgens deze voorschriften zijn bereid.

Verweerder heeft niet aannemelijk gemaakt dat in het geval van eiseres sprake is van een in de VmoR 2011 bedoelde voorliggende voorziening die de belemmeringen van eiseres kan opheffen.

Voor zover het betoog van verweerder aldus moet worden begrepen, dat de geloofsovertuiging van eiseres zodanig bijzonder is, dat er in het kader van de Wmo geen rekening mee behoeft te worden gehouden, komt dit betoog neer op een ongeoorloofd onderscheid tussen de geloofsovertuiging van eiseres en die van niet- of andersgelovigen, welke laatste wellicht meer verbreid zijn en daardoor eerder worden weerspiegeld in het assortiment van maaltijddiensten, bijvoorbeeld in de vorm van de door verweerder in dit verband genoemde halal- of koosjere maaltijden.

Wetsverwijzingen
Wet maatschappelijke ondersteuning, geldigheid: 2012-08-09
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummer: ROT 12/4114

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 februari 2014 in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres,

gemachtigde mr. J.W.M. Lenting,

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, verweerder,

gemachtigde mr. H.H. Nicolai.

Procesverloop

Bij besluit van 17 april 2012 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) met ingang van 5 mei 2012 aan eiseres huishoudelijke verzorging voor reinigen toegekend, voor 165 minuten per week.

Bij besluit van 9 augustus 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 februari 2013. Eiseres is verschenen, bijgestaan door mr. A. den Arend-de Winter, kantoorgenoot van haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.

Het betreft een Wmo-indicatie voor 165 minuten huishoudelijke zorg (reinigen van het huis) van 5 mei 2012 tot 5 mei 2017. Voordien was door het CIZ een indicatie verstrekt voor 410 minuten per week. De rechtbank stelt voorop dat verweerder niet gehouden was de systematiek van de CIZ-indicaties na het verstrijken van de geldigheid daarvan te volgen en dat zij in hetgeen eiseres heeft aangevoerd geen grond ziet voor het oordeel dat de door verweerder gehanteerde systematiek, met aan de praktijk van thuiszorgorganisaties ontleende normtijden, als zodanig of in de toepassing in het onderhavige geval als onredelijk moet worden aangemerkt.

2.

Eiseres heeft betoogd dat meer minuten voor reiniging hadden moeten worden toegekend, vanwege ongelukjes als gevolg van incontinentie en vanwege haar beperkte handfunctie. Dit betoog faalt, omdat verweerder zich bij de beoordeling heeft mogen baseren op de door eiseres – in aanwezigheid van haar schoondochter – op het spreekuur van 17 april 2012 verstrekte informatie, waarvan eiseres heeft moeten begrijpen dat die aan de beoordeling ten grondslag zou worden gelegd. Blijkens de rapportages van 29 februari 2012 en 7 juni 2012 heeft eiseres op dat spreekuur verklaard – en de rechtbank heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de feitelijke juistheid van de verslaglegging – dat er geen ongelukjes als gevolg van incontinentie gebeuren en dat zij zelfstandig een boterham kan bereiden, een drankje kan verzorgen, af kan wassen, op kan ruimen en haar planten kan verzorgen. Overeenkomstig vaste rechtspraak (onder meer de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 28 oktober 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BG3497) legt de latere, niet met objectieve en controleerbare medische bewijsstukken onderbouwde ontkenning door eiseres van de juistheid van haar eerdere verklaring tegenover die eerdere verklaring onvoldoende gewicht in de schaal.

3.1

Eiseres heeft voorts betoogd dat haar overeenkomstig de beleidsregels 30 minuten per dag zou moeten worden toegekend voor het bereiden van de warme maaltijd. Zij stelt daartoe dat zij als geloofsovertuiging het sadhoe hindoeïsme heeft, dat die geloofsovertuiging onder meer als eetvoorschrift heeft dat geen vlees, vis en eieren mogen worden gegeten, dat evenmin gerechten mogen worden gegeten die zijn bereid in pannen waarin ooit vlees, vis en eieren zijn bereid, en, ten slotte, dat de door verweerder aangedragen maaltijddiensten niet voorzien in maaltijden die volgens deze voorschriften zijn bereid.

3.2

Ingevolge artikel 4, aanhef en onder b, van de toepasselijke Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Rotterdam 2011 (VmoR 2011), dat verweerder, naar de rechtbank begrijpt, mede aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd, wordt een gevraagde voorziening geweigerd als de persoon de belemmeringen die hij ondervindt in voldoende mate kan compenseren met een voor de persoon algemeen gebruikelijke voorziening. Blijkens de toelichting op de VmoR 2011 moet hierbij onder meer worden gedacht aan een voorliggende voorziening als een maaltijddienst; om die reden dient verweerder ingevolge artikel 3, tweede lid, van de VmoR 2011 te onderzoeken in hoeverre deze voorzieningen geheel of gedeeltelijk de belemmeringen kunnen opheffen.

3.3

Verweerder heeft de onder 3.1 vermelde stellingen van eiseres, aan de juistheid waarvan de rechtbank geen reden heeft te twijfelen, niet betwist en, nadat hij ter zitting in de gelegenheid was gesteld een nadere motivering te geven van het bestreden besluit, slechts aangevoerd dat eiseres te vergaande eisen stelt en dat zij maar moet terugvallen op haar sociale netwerk. Verweerder heeft daarbij niet verzocht om in de gelegenheid te worden gesteld zijn motivering nog uit te breiden. Tegen deze achtergrond moet worden geoordeeld dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat in het geval van eiseres sprake is van een in de VmoR 2011 bedoelde voorliggende voorziening die de belemmeringen van eiseres kan opheffen. Verweerder heeft daarom de ingevolge artikel 4 van de Wmo op hem rustende verplichting om – rekening houdend met de persoonskenmerken en behoeften van de betrokkene – voorzieningen te treffen die deze in staat stellen een huishouden te voeren, geschonden, evenals de ingevolge artikel 26 van de Wmo op hem rustende verplichting te motiveren op welke wijze het genomen besluit bijdraagt aan het behouden en het bevorderen van de zelfredzaamheid van de betrokkene.

3.4

Voor zover het betoog van verweerder aldus moet worden begrepen, dat de geloofsovertuiging van eiseres zodanig bijzonder is, dat er in het kader van de Wmo geen rekening mee behoeft te worden gehouden, komt dit betoog neer op een ongeoorloofd onderscheid tussen de geloofsovertuiging van eiseres en die van niet- of andersgelovigen, welke laatste wellicht meer verbreid zijn en daardoor eerder worden weerspiegeld in het assortiment van maaltijddiensten, bijvoorbeeld in de vorm van de door verweerder in dit verband genoemde halal- of koosjere maaltijden.

3.5

Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit in rechte geen stand kan houden en onder gegrondverklaring van het beroep vernietigd dient te worden. Nu niet in geschil is dat voor het bereiden van de warme maaltijd 30 minuten per dag en derhalve 210 minuten per week dient te worden toegekend, kan de rechtbank zelf in de zaak voorzien als na te melden.

4.

Het betoog van eiseres dat gezien de ingrijpende verlaging van het aantal uren een overbruggingsregeling in acht had moeten worden genomen, kan in het licht van het hiervoor overwogene niet slagen, aangezien de afbouw thans zodanig beperkt is, dat niet valt in te zien dat en waarom tijd nodig is voor het anders gaan inrichten van het huishouden.

5.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt zij dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt. De rechtbank veroordeelt verweerder tevens in de door eiseres gemaakte proceskosten, op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 974,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 487,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond,

  • -

    vernietigt het bestreden besluit voor zover daarin het aantal minuten zorg dat bij het primaire besluit was toegekend, is gehandhaafd,

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit, hetgeen in dit geval inhoudt dat het primaire besluit wordt herroepen wat betreft het toegekende aantal minuten zorg per week en dat dit aantal minuten wordt vastgesteld op 375 (6 uur en 15 minuten),

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht van € 42,00 vergoedt,

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 974,-, te betalen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. dr. P.G.J. van den Berg, rechter, in aanwezigheid van mr. C.S. de Waal, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2014.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.