Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:1134

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
05-02-2014
Datum publicatie
19-02-2014
Zaaknummer
C/10/408317 / HA ZA 12-764
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vereenzelviging, onrechtmatig handelen door verijdelen verhaal, verklaringsprocedure derdenbeslag, herroeping verklaring.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2014-0083

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/408317 / HA ZA 12-764

Vonnis van 5 februari 2014

in de zaak van

de vennootschap naar het recht van de plaats van vestiging

OFFSHORE SPECIALTY FABRICATORS INC.,

gevestigd te Houma, Louisiana, Verenigde Staten van Amerika,

eiseres,

advocaat mr. E.K. Ditvoorst,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

O.C.C. OFFSHORE SERVICES B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 2],

gevestigd te Rotterdam,

3. de stichting

[gedaagde 3],

gevestigd te Rotterdam,

gedaagden,

advocaat mr. M.A.D. Bol.

Partijen zullen hierna OSFI en (gedaagden gezamenlijk) Offshore c.s. genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 24 oktober 2012

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 12 maart 2013

  • -

    de akte van OSFI

  • -

    de antwoordakte van Offshore c.s.

  • -

    de akte uitlating producties van OSFI.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

Tussen partijen staan onder meer de volgende feiten vast.

2.1.

[gedaagde 2] is opgericht op 23 april 2007. Enig aandeelhouder is de [gedaagde 3] (hierna: STAK), opgericht op 11 januari 2008. Bestuurder van [gedaagde 2] is de heer [Y] (hierna: [Y]). Bestuurders van de STAK zijn [Y] en zijn echtgenote, mevrouw [X]. Certificaathouders zijn eveneens [Y] en zijn echtgenote.

2.2.

Op 9 mei 2007 is O.O.C. Offshore Services B.V. (hierna: OOC) opgericht. Bestuurder en enig aandeelhouder is [gedaagde 2]

2.3.

Het bedrijf dat thans wordt uitgeoefend in OOC werd (vanaf 1996) tot 2007 uitgeoefend in de vorm van een eenmanszaak van [Y]. Gedurende die periode is [Y] voor OSFI opgetreden als tussenpersoon bij de aankoop van goederen voor OSFI. OSFI heeft [Y] op 24 oktober 2005 gedagvaard voor de rechtbank van Louisiana, VS. Op 28 maart 2007 heeft de advocaat van [Y] zich teruggetrokken uit de procedure. [Y] stelde geen nieuwe advocaat. Bij vonnis van 15 oktober 2007 is [Y] door die rechtbank veroordeeld tot betaling aan OSFI van USD 950.000 en USD 50.000, vermeerderd met rente. Bij vonnis van deze rechtbank van 24 november 2010 is dit vonnis erkend en is [Y] overeenkomstig het vonnis van de rechtbank van Louisiana veroordeeld tot betaling van USD 950.000 en USD 50.000, vermeerderd met rente en met kosten. Het vonnis is op 30 november 2010 aan [Y] betekend.

2.4.

OSFI heeft op 25 november 2011 executoriaal derdenbeslag gelegd onder Offshore c.s. Namens Offshore c.s. is verklaard (in de zin van artikel 476a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)) - samengevat - dat er tussen haar en [Y] geen rechtsverhouding bestaat uit hoofde waarvan [Y] een vordering heeft of zal verkrijgen op Offshore c.s.

3 Het geschil

3.1.

OSFI vordert  samengevat - veroordeling van Offshore c.s. tot betaling van € 1.170.301,87, vermeerderd met rente en kosten, althans tot het doen van een gerechtelijke verklaring onder afgifte van het aldus verschuldigde.

3.2.

Offshore c.s. voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van OSFI in de proceskosten.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De grondslag van de vordering van OSFI is tweeërlei. OSFI betwist in de eerste plaats (op de voet van artikel 477a lid 2 Rv) de verklaring van Offshore c.s. dat zij - samengevat - niets aan [Y] verschuldigd zijn of zullen worden. In de tweede plaats betoogt OSFI dat [Y] zijn vermogen aan verhaal door OSFI heeft willen onttrekken door oprichting van Offshore c.s. Volgens OSFI moet Offshore c.s. om die reden worden (vereenzelvigd met [Y], althans worden) veroordeeld tot betaling aan OSFI van het bedrag dat [Y] aan OSFI is verschuldigd.

Onrechtmatig handelen Offshore c.s./vereenzelviging

4.2.

De rechtbank zal als eerste behandelen laatstgenoemde grondslag van de vordering. Hierbij zij het volgende vooropgesteld. De vordering van OSFI op [Y] vloeit voort uit handelingen van [Y], verricht in het kader van de eenmanszaak die [Y] toen had. Die eenmanszaak is in 2007 ingebracht in Offshore c.s. Op dat moment heeft [Y] de activiteiten van zijn eenmanszaak beëindigd en deze doen voortzetten in OOC, welke vennootschap – via [gedaagde 2] – door [Y] wordt beheerst. Het gaat dus om een schuld van [Y] aan OSFI. Vast staat dat deze schuld niet is overgegaan op Offshore c.s., ook niet door inbreng van de eenmanszaak. Nog afgezien van het feit dat ten tijde van de bedrijfsoverdracht (op 9 mei 2007) het vonnis van de rechtbank Louisiana nog niet was uitgesproken, heeft Offshore c.s. zich uitdrukkelijk noch stilzwijgend tegenover OSFI verbonden tot voldoening van deze schuld. Vaststaat voorts dat de handeling van [Y] (die heeft geleid tot de vordering van OSFI op [Y]) niet kan worden aangemerkt als handeling van Offshore c.s. Er zijn dus geen gronden om Offshore c.s. in directe zin aan te merken als schuldenaar van de vordering. Voor zover het betoog van OSFI daarop neerkomt faalt het derhalve.

4.3.

Iets anders is dat Offshore c.s. jegens OSFI zelfstandig aansprakelijk kan zijn uit hoofde van onrechtmatige daad en uit dien hoofde een schuld heeft aan OSFI. Dat is het geval als moet worden aangenomen dat [Y] met het oprichten van Offshore c.s., zoals OSFI stelt, geen ander oogmerk had dan het verijdelen van verhaal door OSFI. In dat geval maakt [Y] misbruik van het identiteitsverschil tussen de eenmanszaak en Offshore c.s. Dit is een onrechtmatige daad, niet alleen van [Y], maar ook van Offshore c.s., nu het ongeoorloofde oormerk van [Y] bij de oprichting van deze rechtspersonen rechtens moet worden aangemerkt als (ook) een oogmerk van Offshore c.s.

4.4.

OSFI heeft in dat kader betoogd dat [Y] zich uit de procedure in Amerika heeft teruggetrokken omdat hij een veroordeling zag aankomen en vervolgens, om zijn vermogen aan verhaal door OSFI te onttrekken, de besloten vennootschappen heeft opgericht en daar het vermogen van zijn eenmanszaak in heeft ondergebracht. Offshore c.s. heeft hiertegen in gebracht dat de oprichting van Offshore c.s. is geadviseerd door de accountant van [Y] en dat het advies stoelt op drie argumenten, namelijk een fiscaal argument (in de eenmanszaak moet meer belasting worden betaald en moet jaarlijks de winst worden afgerekend), een juridisch argument ([Y] deed zaken met grote buitenlandse marktpartijen en het werd onverantwoord geacht dat [Y] aan aanzienlijke aansprakelijkheidsrisico’s blootstond) en een erfopvolgingsargument ([Y] lijdt aan een mogelijk levensbedreigende ziekte en in verband met de erfopvolging is van belang dat de eenmanszaak van [Y] niet in zijn nalatenschap valt). Namens Offshore c.s. is voorts betoogd dat [Y] er ten tijde van de oprichting van Offshore c.s. niet van uit ging dat OSFI een vordering op hem zou verkrijgen; [Y] zou zich uit de procedure in de VS hebben teruggetrokken omdat hij de kosten van de advocaat niet meer kon betalen.

4.5.

De rechtbank is van oordeel dat in rechte moet worden aangenomen dat [Y] met het oprichten van Offshore c.s. het oogmerk had het verijdelen van verhaal door OSFI en overweegt daartoe als volgt.

4.6.

Het tijdstip waarop de vennootschappen zijn opgericht en de keuze die daarbij (later) is gemaakt om de aandelen in de STAK onder te brengen wijzen er, gelijk OSFI betoogt, onder de omstandigheden van dit geval op dat één en ander is geschied om verhaal door OSFI onmogelijk te maken. Juist moge zijn, zoals Offshore c.s. betoogt, dat deze structuur van een onderneming volstrekt gebruikelijk is, en dat de door [Y] genoemde redenen voor de oprichting van Offshore c.s. op zichzelf genomen plausibel zijn. Het gaat hier echter om een onderneming die gedurende ruim tien jaar is uitgeoefend in de vorm van een eenmanszaak. Al in 2003 is, zo heeft Offshore c.s. naar voren gebracht, de onderbrenging van de onderneming in een besloten vennootschap aan de orde geweest (advies van de accountant), maar [Y] heeft daar toen kennelijk vanaf gezien. Juist op (althans kort na) het moment dat [Y] zich terugtrekt uit de procedure in de Verenigde Staten worden de twee besloten vennootschappen opgericht. [Y] heeft zich op 28 maart 2007 uit de procedure teruggetrokken. De stelling van [Y] dat hij zich heeft teruggetrokken omdat hij de advocaatkosten niet meer kon betalen, volgt de rechtbank niet. Gelijk de rechtbank heeft overwogen in het vonnis waarbij het vonnis van de rechtbank in Louisiana is erkend, is, mede gegeven het feit dat [Y] met de transactie met de scheepschroeven kennelijk een winst van USD 425.000 (zie de door Offshore c.s. niet bestreden stelling van OSFI bij dagvaarding onder 6) heeft behaald, niet aannemelijk dat met het voeren van inhoudelijk verweer tegen de vordering van OSFI zodanige kosten waren gemoeid dat [Y] dat niet kon betalen. De rechtbank betrekt hierbij ook dat, anders dan namens Offshore c.s. ter comparitie is verklaard, de advocaatkosten tot dat moment niet “in de tonnen liepen”, doch (productie 14 van Offshore c.s.) USD 111.198 bedroegen.

Nog geen vier weken nadat [Y] zich uit de procedure had teruggetrokken is [gedaagde 2] opgericht, en korte tijd later OOC. Uit deze gang van zaken kan naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat dat is gebeurd om te voorkomen dat OSFI de vordering die zij op [Y] zou (kunnen) verkrijgen, zou kunnen verhalen op het vermogen van [Y]. De rechtbank acht de stelling van [Y] dat het vonnis van de rechtbank in Louisiana voor hem als een verrassing kwam ongeloofwaardig. Die procedure had als inzet de vordering van OSFI tegen (onder meer) [Y] en [Z], de voormalig CEO van OSFI, welke vordering (mede) betrekking had op fraude en samenspanning tussen [Z] en [Y] inzake de koop van scheepschroeven, waardoor zij op onrechtmatige wijze gelden zouden hebben onttrokken aan OSFI. Volgens OSFI zouden [Y] en [Z] het aan OSFI hebben doen voorkomen dat de aankoopprijs van de schroeven (geen USD 250.000, maar) USD 1.200.000 bedroeg, waarna [Y] en [Z] het verschil hebben gedeeld. Die vordering is door de rechtbank in Louisiana toegewezen. Gelet op de aard van het verwijt dat [Y] in die procedure is gemaakt en het feit dat [Y] met de bewuste transactie kennelijk een winst van USD 425.000 heeft behaald acht de rechtbank de blote stelling van [Y] dat

“hij altijd heeft gedacht dat mijn rol in het geheel zodanig was dat ik niet veroordeeld kon worden”

ongeloofwaardig.

4.7.

De rechtbank gaat voorbij aan de stelling van Offshore c.s. dat bij de oprichting van de vennootschappen mede een rol heeft gespeeld de kennelijk in 2007 bij [Y] geopenbaarde ziekte. Ter comparitie is in dit verband namens Offshore c.s. verklaard:

“Tijdens de ziekte van [Y] bleek dat hij [voor de oprichting van een B.V.] open stond. Dat komt ook omdat de oprichting van de B.V.’s en belangrijker nog het onderbrengen van de aandelen in een door [Y] en zijn echtgenote bestuurde stichting erfrechtelijk belangrijke gevolgen heeft.”

De oprichting van de STAK, in verband met de ziekte van [Y] kennelijk een belangrijke stap, heeft echter pas in januari 2008 plaatsgevonden. Overigens is de rechtbank van oordeel dat het enkele feit dat bij de oprichting van Offshore c.s. mogelijk ook andere (plausibele) belangen een rol hebben gespeeld niet wegneemt dat op basis van voornoemde omstandigheden moet worden aangenomen dat het feitelijke doel was het verijdelen van verhaal. Om dezelfde reden passeert de rechtbank het verweer dat de advocaat van [Y] in 2006/2007 het oprichten van een B.V. heeft geadviseerd. Zoals blijkt uit hetgeen hiervoor is overwogen was dat advies voor [Y] niet nieuw en neemt dat niet weg dat in rechte moet worden aangenomen dat de belangrijkste reden voor het op dat moment (wel) oprichten van de vennootschappen was het verijdelen van verhaal.

4.8.

De rechtbank betrekt bij haar oordeel de omstandigheid dat, hoewel tot en met de comparitie van partijen uitgangspunt van Offshore c.s. was dat de eenmanszaak van en door [Y] in Offshore c.s. is voortgezet, de stelling van Offshore c.s. thans is dat (alleen) de echtgenote van [Y] salaris verdient uit hoofde van een dienstbetrekking bij OOC BV; [Y] zou geen enkel inkomen ontvangen uit de onderneming en ook geen activiteiten verrichten. Dit is ongeloofwaardig. [Y] heeft tot 2007 de eenmanszaak gedreven en hij heeft op geen enkele wijze onderbouwd dat en waarom zijn vrouw nu (kennelijk) die positie heeft overgenomen. Sterker nog, tijdens de comparitie van partijen heeft [Y] gesteld dat hij leeft van het pensioen van zijn vrouw; daaruit vloeit (juist) niet voort dat zijn vrouw salaris verdient met werkzaamheden voor OOC. Voorts acht de rechtbank in dit verband van belang de door Offshore c.s. niet betwiste omstandigheid dat [Y] kort voordat hij zich terugtrok uit de procedure in de Verenigde Staten zijn woning (volledig) op naam van zijn echtgenote heeft gesteld. Een en ander bevestigt dat het [Y] erom gaat verhaal door OSFI onmogelijk te maken.

4.9.

De conclusie naar aanleiding van het voorgaande is dat Offshore c.s. onrechtmatig heeft gehandeld jegens OSFI. Dit geldt zowel voor [gedaagde 2] als OOC als de STAK, nu met de oprichting van deze drie rechtspersonen het oogmerk van [Y] om verhaal te omzeilen is verwezenlijkt. Zij zullen dan ook hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van de schade die is ontstaan als gevolg van dit onrechtmatig handelen.

4.10.

OSFI kan niet worden gevolgd in haar betoog dat Offshore c.s. en [Y] geheel vereenzelvigd moeten worden. Niet kan worden gezegd dat de – hierboven beschreven – omstandigheden van het geval zo uitzonderlijk van aard zijn dat vereenzelviging de meest aangewezen vorm van redres is. Daar komt bij dat in een geval als het onderhavige vereenzelviging reeds te ver zou gaan, omdat de omvang van de schade die OSFI lijdt door de (aan Offshore c.s. toe te rekenen) handelwijze van [Y] niet zonder meer gelijk is aan het bedrag van de vordering waarvan [Y] het verhaal wilde verijdelen.

4.11.

Uit het voorgaande vloeit voort dat OSFI (alleen) de schade kan vorderen die is ontstaan als gevolg van de onrechtmatige frustratie van haar verhaalsmogelijkheden. Offshore c.s. is niet voor meer aansprakelijk dan tot het verhaal dat [Y] (met zijn eenmanszaak) bood op het moment van de inbreng van de eenmanszaak in OOC. Partijen hebben hierover nog geen stellingen kunnen innemen en zullen hiertoe in de gelegenheid worden gesteld.

Verklaring derdenbeslag

4.12.

Nu onzeker is in hoeverre de hoogte van de schade die OSFI lijdt als gevolg van het onrechtmatig handelen van Offshore c.s. gelijk is aan de vordering van OSFI op [Y], kan niet worden uitgesloten dat OSFI belang houdt bij haar vordering gegrond op de betwisting van de door Offshore c.s. afgelegde verklaring in het kader van de door OSFI onder Offshore c.s. gelegde derdenbeslagen. Aldus komt de rechtbank toe aan toetsing van de juistheid van de verklaring van Offshore c.s. OSFI heeft in dat kader naar voren gebracht:

  • -

    dat [Y] met zijn bedrijf grote transacties verricht, die op enige wijze tot periodieke betalingen (dividend) moeten leiden aan [Y];

  • -

    dat [Y] minst genomen aanspraak kan maken op een redelijke vergoeding voor zijn werkzaamheden op de voet van artikel 479a Rv;

  • -

    dat [Y] de aandelen in [gedaagde 2] en in OOC heeft ingebracht in de STAK, en dat de STAK daarvoor op enigerlei wijze een tegenprestatie verschuldigd moet zijn.

Dividend

4.13.

Volgens Offshore c.s. heeft [Y] geen vordering op Offshore c.s. tot betaling van dividend. Offshore c.s. betoogt dat als er al transacties plaatsvinden, deze worden afgewikkeld binnen OOC, zodat dit niet kan leiden tot een schuld aan [Y] en voorts dat er uiteindelijk wel resultaat is behaald, maar dit is toegevoegd aan de algemene reserves.

4.14.

In haar akte uitlating producties heeft OSFI naar voren gebracht dat in 2011 een bedrag van € 26.665 aan dividend is uitgekeerd aan [gedaagde 2], en dat dit bedrag krachtens artikel 13 van de administratievoorwaarden van de STAK onverwijld uitgekeerd moet worden aan [Y], zodat het hier een vordering betreft die onder het beslag valt. Inderdaad wordt in de jaarrekening van [gedaagde 2] melding gemaakt van een dividenduitkering van voornoemd bedrag (p. 31). Op basis van de thans aan de rechtbank bekende gegevens kan niet worden vastgesteld in hoeverre het hier een vordering betreft die onder het beslag valt. Het ligt op de weg van Offshore c.s. hierover duidelijkheid te verschaffen. Het gaat immers om gegevens die zich bevinden in het domein van Offshore c.s. In dit kader dient Offshore c.s. onder overlegging van stukken (bankafschriften, stukken in het kader van de besluitvorming met betrekking tot de dividenduitkering en dergelijke) uiteen te zetten op welk moment er een dividenduitkering heeft plaatsgevonden aan – naar de rechtbank aanneemt – de STAK, en op welk moment en in welke verhouding de STAK tot uitbetaling aan de beide certificaathouders ([Y] en zijn echtgenote) is overgegaan. Offshore c.s. heeft weliswaar een email overgelegd van haar accountant, maar de daarin vervatte informatie is in dit kader onvoldoende. Hij schrijft:

“In 2011 is er vanuit [Y] Holding bruto € 26.665 dividend uitgekeerd. Fiscaal mag je dit over de echtgenoten verdelen. Derhalve is € 17.786 aan [[Y]] toegekend.”

Hieruit blijkt immers nog niet welke verhouding (tussen [Y] en zijn echtgenote) geldt op basis van de uitgegeven certificaten, en wanneer het dividend aan [Y] daadwerkelijk is uitgekeerd. Zoals reeds aan de orde kwam zal Offshore c.s. hierover duidelijkheid moeten verschaffen, onder overlegging van bewijsstukken.

Vergoeding voor werkzaamheden

4.15.

Wat een aan [Y] toekomende vergoeding (voor werkzaamheden als bestuurder) betreft, heeft Offshore c.s. naar voren gebracht dat het hier hooguit kan gaan om een verplichting van OOC, nu [gedaagde 2] en de STAK geen transacties verrichten en [Y] dus ook geen werkzaamheden voor hen verricht. Nu tussen OOC en [Y] evenwel geen rechtsbetrekking bestaat en evenmin afspraken zijn gemaakt tussen OOC en [Y] over de betaling van een vordering moet het betoog van OSFI hierop stranden. [Y] heeft ook nooit aanspraak gemaakt op betaling. Ter comparitie heeft [Y] in dit verband verklaard dat hij geen salaris ontvangt en dat hij leeft van het pensioen van zijn vrouw; zijn advocaat heeft verklaard dat de fiscus een vrijstelling heeft afgegeven en dat hij deze in het geding zal brengen. In de akte na comparitie betoogt [Y] dat mevrouw [X] de enige werknemer van OOC is en inkomen geniet, terwijl [Y] alleen bestuurder is van [gedaagde 2], waarin geen activiteiten worden verricht.

4.16.

Zoals reeds is overwogen onder 4.8 acht de rechtbank ongeloofwaardig dat [Y] geen inkomen geniet uit de onderneming. Zoals OSFI terecht naar voren brengt en zoals bij gelegenheid van de comparitie van partijen ook namens Offshore c.s. is gesteld, is OOC een voortzetting van de eenmanszaak, welke daarvoor reeds meer dan 10 jaar door en voor rekening van [Y] werd gedreven. Uit het feit dat de structuur van de vennootschappen thans aldus is, dat de werkmaatschappij wordt bestuurd door een holdingmaatschappij kan, anders dan Offshore c.s. kennelijk betoogt, niet worden afgeleid dat [Y], als enig bestuurder van (alleen) de holdingmaatschappij, geen werkzaamheden verricht. Veeleer ligt voor de hand dat alleen de structuur van zijn onderneming is gewijzigd, en dat [Y] overigens de werkzaamheden die voorheen in de eenmanszaak werden uitgeoefend heeft voortgezet. Mede gelet op de stelling van [Y] ter comparitie dat hij (op dat moment) geen salaris krijgt uitbetaald vanuit zijn vennootschappen en dat hij leeft van het pensioen van zijn vrouw, acht de rechtbank niet zonder meer aannemelijk dat de gehele omzet in OOC (€ 482.228 in 2011) is behaald zonder dat hier inspanningen van [Y] aan ten grondslag hebben gelegen. Het had onder voornoemde omstandigheden op de weg van Offshore c.s. gelegen hierover duidelijkheid te verschaffen. Offshore c.s. volstaat echter met de blote stelling dat de echtgenote van [Y] de enige werknemer is van OOC, en dat “om die reden” (onder overlegging van een inkomensverklaring van de belastingdienst van 2011, en dus niet van de aangekondigde vrijstelling) de belastingdienst geen fictief loon in aanmerking heeft genomen. Dat is onvoldoende. De rechtbank zal dan ook in rechte aannemen dat [Y] vanuit [gedaagde 2] inkomsten geniet voor zijn werkzaamheden als indirect bestuurder van OOC. De rechtbank zal daarbij aansluiten bij het jaarinkomen dat de echtgenote van [Y] blijkens de jaarrekening bij OOC geniet, een bedrag van € 71.687 in 2011. Tot heden gaat het daarbij om 26 maanden na beslaglegging en derhalve om een brutobedrag van € 155.322. Partijen kunnen zich uitlaten over het gedeelte van dit bedrag als bedoeld in artikel 475a lid 2 Rv alsmede over (de hoogte van) de beslagvrije voet (artikel 475d Rv).

Overig; verdere verloop van de procedure

4.17.

OSFI heeft onvoldoende gesteld om aan te nemen dat de verklaring van Offshore c.s. overigens onjuist of onvolledig zou zijn. OSFI kan in ieder geval niet worden gevolgd in haar betoog dat de STAK een tegenprestatie schuldig is aan [Y] voor de verkregen aandelen in [gedaagde 2] Vanuit de STAK zijn in ruil daarvoor immers certificaten uitgegeven.

4.18.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat nader debat moet worden gevoerd over:

  • -

    de schade in verband met de onrechtmatige frustratie van de verhaalsmogelijkheden van OSFI;

  • -

    de betaling van dividend over 2011;

  • -

    het gedeelte van het bedrag van € 155.322 dat (al dan niet met inachtneming van de artikelen 475a lid 2 en 475d Rv) tot nu toe onder het door OSFI gelegde beslag valt.

4.19.

OSFI zal als eerste in de gelegenheid worden gesteld op voornoemde punten te reageren. Daarbij kan de betaling van het dividend over 2011 uiteraard door haar niet nader worden uitgewerkt, nu niet zij maar Offshore c.s. over de desbetreffende gegevens beschikt. Offshore c.s. moet deze gegevens overleggen bij haar antwoordconclusie, waarna OSFI (alleen) daarop kan reageren bij akte.

4.20.

In afwachting van voornoemde conclusie- (en akte-)wisseling wordt iedere verdere beslissing aangehouden.

4.21.

De rechtbank ziet geen aanleiding om tussentijds hoger beroep tegen dit tussenvonnis open te stellen.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verwijst de zaak naar de rol van 5 maart 2014 voor conclusie na tussenvonnis aan de zijde van OSFI,

5.2.

verstaat dat het verdere procesverloop zal zijn zoals hiervoor onder 4.19 weergegeven,

5.3.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman, mr. F. Damsteegt-Molier en mr. T. Boesman en in het openbaar uitgesproken op 5 februari 2014.

[2148/1729/2309]