Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:10947

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
27-05-2014
Datum publicatie
30-10-2015
Zaaknummer
10/681401-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Toepassing ASR. Voorwaardelijke PIJ-maatregel.

De rechtbank acht een behandeling noodzakelijk. Aan de voorwaardelijke PIJ-maatregel zal de rechtbank jeugdreclasseringstoezicht met een behandeling en een opname in Wier+ of soortgelijke instelling voor maximaal de duur van de proeftijd, als bijzondere voorwaarden verbinden. Hiermee beoogt de rechtbank te voorkomen dat verdachte in de toekomst wederom strafbare feiten pleegt.

zie voor vervolg: ECLI:NL:RBROT:2015:7717

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team Jeugd

Parketnummer: 10/681401-13

Parketnummer vordering TUL VV: 11/720082-12

Datum uitspraak: 27 mei 2014

Tegenspraak

Verkort vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de gevoegde zaken tegen de verdachte:

[Voornamen] [achternaam verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres: [adres] ,

ten tijde van de terechtzitting preventief gedetineerd in de P.I. Dordrecht,

raadsman mr. A. de Raad, advocaat te Dordrecht.

ONDERZOEK OP DE TERECHTZITTING

Gelet is op het onderzoek op de terechtzittingen van 13 december 2013, 11 maart 2014, 15 april 2014 en 13 mei 2014.

TENLASTELEGGING

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

EIS OFFICIER VAN JUSTITIE

De officier van justitie mr. A.P.G. de Beer heeft gerekwireerd tot:

- vrijspraak van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde;

- bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde;

- toepassing van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht;

- veroordeling van de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 9 maanden met aftrek van voorarrest;

- alsmede oplegging van de voorwaardelijke maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna PIJ-maatregel) met een proeftijd van twee jaar, met als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen hem te geven door of namens Bureau Jeugdzorg Zuid Holland Zuid, afdeling jeugdreclassering, zolang deze instelling dit noodzakelijk vindt, welke aanwijzingen mede kunnen inhouden het meewerken aan klinische behandeling in Wier+ of een soortgelijke instelling. Daarbij heeft de officier van justitie verzocht om de dadelijke uitvoerbaarheid van die bijzondere voorwaarde.

VORDERING TENUITVOERLEGGING VOORWAARDELIJKE VEROORDELING

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de tenuitvoerlegging zal worden gelast van het gedeelte van de jeugddetentie groot 7 maanden die aan de verdachte voorwaardelijk is opgelegd bij vonnis d.d. 6 september 2012 van de meervoudige kamer van de rechtbank Dordrecht.

De officier van justitie heeft daarbij opgemerkt dat zodra er zicht is op een plaats voor verdachte in de instelling Wier+ er een verzoek tot voorwaardelijke invrijheidstelling kan worden ingediend bij de rechtbank. Het is namelijk de bedoeling dat verdachte zo spoedig mogelijk geplaatst zal worden binnen deze instelling.

MOTIVERING VRIJSPRAAK

Het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde is niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. De officier van justitie heeft dit ook gevorderd, terwijl het eveneens is bepleit door de raadsman. De rechtbank zal de vrijspraak dan ook niet nader motiveren.

BEWEZENVERKLARING

Wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair, 3, 4 primair, 5 en 6 ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1.

Subsidiair

hij op of omstreeks een of meer(dere) tijdstip(pen) gelegen in de periode van

06 september 2013 tot en met 07 september 2013 te Rotterdam,

(een) goed(eren), te weten een (auto)sleutel en/of (personen)auto (Volkswagen

Golf met kenteken [kenteken] ), heeft verworven en/of heeft voorhanden gehad

en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het

voorhanden krijgen van dat goed/die goederen wist, althans redelijkerwijs had

moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf, namelijk door diefstal (met

braak al dan niet in vereniging), artikel 311/310 van het Wetboek van

Strafrecht, althans door enig (ander) misdrijf,

verkregen goed(eren) betrof;

art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 06 september 2013 te Geleen, gemeente Sittard-Geleen,

althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het

oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen ongeveer 40 liter

benzine, althans een hoeveelheid brandstof, in elk geval enig goed, geheel of

ten dele toebehorende aan tankstation Shell Swentibold (gelegen aan de

Rijksweg A2), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of

zijn mededader(s);

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

4. primair

hij op of omstreeks 07 september 2013 te Rotterdam,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon

genaamd [naam] , brigadier bij de Politie Rotterdam-Rijnmond, en/of [naam]

[naam] , hoofdagent bij de politie Rotterdam-Rijnmond, opzettelijk zwaar

lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet

- met aanzienlijke snelheid op een (dienst)voertuig (van de politie

Rotterdam-Rijnmond) is af/ingereden, waarin zich op dat moment voornoemde

[naam brigadier] en/of [naam hoofdagent] bevonden, en/of

- ( vervolgens) tegen voornoemd dienstvoertuig is aangereden en/of een botsing

heeft veroorzaakt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

5.

hij op of omstreeks 07 september 2013 te Rotterdam,

toen de aldaar dienstdoende [naam] , hoofdagent bij de politie

Rotterdam-Rijnmond verdachte op verdenking van het overtreden van artikel 416

SR, in elk geval op verdenking van het gepleegd hebben van enig strafbaar

feit, op heterdaad ontdekt, had aangehouden en vastgegrepen, althans vast had

teneinde hem ten spoedigste voor te geleiden voor een hulpofficier van

justitie en hem daartoe over te brengen naar een plaats van verhoor, te weten

een politiebureau, zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde

opsporingsambtenaar, werkzaam in de rechtmatige uitoefening zijner bediening,

door opzettelijk gewelddadig

met kracht en/of wild met zijn armen te zwaaien, waardoor voornoemde [naam hoofdagent]

ten val is gekomen,

tengevolge waarvan deze opsporingsambtenaar enig lichamelijk letsel (een

lichte hersenschudding en/of pijnlijk spierweefsel) bekwam;

art 181 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

6.

hij op of omstreeks 07 september 2013 te Rotterdam een busje traangas

(CS-gas) (type: American Style NATO super paralisant), zijnde een voorwerp

bestemd voor het treffen van personen met (een) giftige en/of verstikkende

en/of weerloosmakende en/of traanverwekkende stof(fen) van de categorie II,

onder 6°, voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet ook daarvan worden vrijgesproken.

BEWIJSMOTIVERING

De overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten en omstandigheden. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.

NADERE BEWIJSMOTIVERING

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 4 primair en subsidiair ten laste gelegde feit omdat er bij de verdachte geen sprake is geweest van opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Verdachte heeft immers zelf een manoeuvre gemaakt teneinde een botsing te voorkomen. Daarnaast voert de raadsman aan dat er sprake is geweest van vrijwillige terugtred.

Subsidiair voert de raadsman aan dat verdachte geen opzet heeft gehad op bedreiging van de verbalisanten.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt als volgt.

In een verwoede poging om aan de politie te ontkomen heeft de verdachte niet in het bezit van een rijbewijs en met hoge snelheid rijdende in een gestolen auto (grijze Volkswagen Golf) meerdere stoptekens en een blokkade van de politie genegeerd. Uit de verkeersongevallenanalyse blijkt dat er die dag door verdachte in een tijdsbestek van nog geen tien minuten op drie verschillende locaties aanrijdingen zijn veroorzaakt met in totaal 5 voertuigen een bedieningskast, een slagboom en een bewegwijzeringspaal. Uit het proces-verbaal van bevindingen (nummer PL17J0-2013275488-19) d.d. 7 september 2013 blijkt dat de verbalisanten zagen dat een herkenbaar dienstmotorvoertuig op de kruising gevormd door de wegen de Sallandweg en de Twentsestraat dwars over de weg was gepositioneerd om zo verdachte (bestuurder van een gestolen Volkswagen Golf) tot stoppen te dwingen. De verbalisanten zagen dat de verdachte met de rechtervoorzijde van de personenauto, kennelijk opzettelijk en met verhoogde snelheid, binnen de bebouwde kom (geschatte snelheid 80 km per uur) tegen de rechterachterzijde van het stilstaande dienstmotorvoertuig was gereden. De verbalisanten zagen vervolgens dat een stuk van de voorbumper van de Volkswagen Golf afbrak en enkele meters door de lucht vloog.

Uit een ander proces-verbaal van bevindingen (PL17J0-2013275488-15) d.d. 7 september beschrijft verbalisant [naam hoofdagent] hoe het dienstvoertuig als blokkade voor de verdachte op de weg werd geplaatst. Het voertuig werd iets schuin naar links op de weg geplaatst. Hierbij kwam de rechterzijde van het voertuig naar voren te staan. Het voertuig werd op deze manier als blokkade op de weg gebruikt om verdachte tot stoppen te dwingen. De verbalisant verklaart dat het voertuig vervolgens een moment snelheid verminderde om daarna met verhoogde snelheid door te rijden. Het voertuig reed recht op het dienstvoertuig af. De verbalisant wilde het voertuig via de passagierszijde verlaten, maar bedacht zich dat er dan een grote kans was dat deze geraakt zou worden door het voertuig. De collega verliet de auto aan de bestuurderskant. Deze verbalisant zag vervolgens dat verdachte nog steeds recht op de politiebus afreed. Er was op dat moment onvoldoende tijd om het dienstvoertuig te verlaten, aldus [naam hoofdagent] . De verbalisant heeft zich vervolgens voorbereid op een aanrijding door één hand tegen het dashboard te plaatsen en zich vast te zetten tussen de stoelleuning en het dashboard. De verbalisant vreesde een frontale aanrijding. Vervolgens heeft verdachte het voertuig naar rechts gestuurd. Het voertuig raakte vervolgens de politiebus aan de rechterzijde, de passagierszijde. De aanrijding was een bewuste actie aldus [naam hoofdagent] . De verbalisant voelde en hoorde een zware klap.

Verdachte is na deze aanrijding doorgereden zonder zich te bekommeren om de door hem veroorzaakte schade. Verdachte heeft tijdens de behandeling ter terechtzitting op 15 april 2014 verklaard dat hij inderdaad met een behoorlijke snelheid tegen de stilstaande politiebus is aangereden. Hij wist dat hij fout zat omdat hij in een gestolen auto reed. Volgens zijn eigen verklaring had hij een andere keuze moeten maken. Door te handelen op de wijze zoals hiervoor is beschreven en onder de genoemde omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verdachte de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij bij die aanrijding de in de politiebus gezeten verbalisant zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen en aldus heeft gehandeld met voorwaardelijk opzet.

STRAFBAARHEID FEITEN

De bewezen feiten leveren op:

1. subsidiair
schuldheling.

3. diefstal.

4. poging zware mishandeling

5. wederspannigheid, terwijl het misdrijf of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden
enig lichamelijk letsel ten gevolge hebben.

6. handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit
begaan met betrekking tot een wapen van categorie II.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het de feiten uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar.

STRAFBAARHEID VERDACHTE

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.

De verdachte is dus strafbaar.

STRAFMOTIVERING / MOTIVERING MAATREGEL

De straf en maatregel die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een veelheid aan strafbare feiten. Verdachte heeft zich, terwijl hij zonder rijbewijs in een gestolen auto reed onttrokken aan aanhouding door de politie. Verdachte heeft in een verwoede poging te ontkomen aan zijn arrestatie stoptekens en blokkades van de politie genegeerd en heeft op die wijze een gevaarlijke situatie gecreëerd door op een politiebus af te rijden waarin twee verbalisanten gezeten waren om vervolgens tegen die bus aan te rijden. Zelfs na de aanrijding zette de verdachte zijn vlucht voort. Hij ging er te voet vandoor. Toen hij uiteindelijk werd aangehouden, heeft hij zich wederom verzet. Daarbij is een verbalisant ten val gekomen ten gevolge waarvan deze letsel heeft bekomen.

Ten slotte heeft verdachte een busje traangas voorhanden gehad. Dit goed vormt een groot risico voor de veiligheid van personen. Tegen het ongecontroleerde bezit daarvan dient dan ook streng te worden opgetreden.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf is in het nadeel van de verdachte in aanmerking genomen dat hij blijkens het op zijn naam gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 28 maart 2014 reeds eerder is voor soortgelijke strafbare feiten. De verdachte heeft de status van zeer-actieve veelpleger.

De kinder-en jeugdpsychiater D. Matser heeft een rapport over de verdachte uitgebracht d.d. 8 april 2014. Dit rapport houdt het volgende in.

Er is bij verdachte sprake van een gedragsstoornis, ernstig, beginnend in de adolescentie. Daarnaast is sprake van een hechtingsstoornis (gemengde type), PTSS, recidiverende depressieve episoden en afhankelijkheid van cannabis en misbruik van alcohol. Eveneens is

sprake van zwakbegaafdheid en is de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid bedreigd.

Vanuit de aard van de aandoeningen kan gesteld worden dat deze ook aanwezig waren ten tijde van het tenlastegelegde. De verdachte dient tenminste verminderd toerekeningsvatbaar geacht te worden. Vanuit de SAVRY scoort verdachte nagenoeg op alle items ‘hoog’ als inschatting van recidief-risico.

Vanuit de cognitieve ontwikkeling van verdachte en zijn sociaal-emotionele ontwikkeling inclusief de persoonlijkheidsontwikkeling dient verdachte gezien te worden als

een zich ontwikkelende adolescent. In die zin is het jeugdstrafrecht beter passend bij

verdachte. Concreet zal er traumabehandeling moeten plaatsvinden, behandeling voor de recidiverende depressieve episoden waarbij aandacht zal moeten zijn voor het onderliggende instabiele zelfbeeld en vertroebeld toekomstbeeld. Daarnaast zal ook aparte aandacht moeten zijn voor het middelenmisbruik. Als strafrechtelijk kader wordt een (voorwaardelijk opgelegde) PIJ-maatregel als meest passend geacht door onderzoeker. Binnen dit kader valt de geadviseerde behandeling te realiseren. Hierbij wordt in eerste instantie gedacht aan ‘de Wier’ als behandelinstelling.

De GZ-psycholoog R.M.C. Hoogstraten heeft een rapport over de verdachte uitgebracht d.d. 9 april 2014. Dit rapport houdt het volgende in.

Er is sprake van een ziekelijke stoornis van de geestesvermogens van verdachte in de vorm van een reactieve hechtingsstoornis, een Post Traumatische Stress Stoornis, een depressieve stoornis NAO, een cannabisafhankelijkheid in vroege gedeeltelijke remissie met fysiologische afhankelijkheid en alcoholmisbruik zonder fysiologische afhankelijkheid in vroege volledige remissie. Daarnaast is sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de

geestesvermogens van verdachte in de vorm van zwakbegaafdheid en een ernstige gedragsstoornis die begonnen is in de adolescentie en leidt tot een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling met antisociale trekken. Deze aandoeningen waren aanwezig ten tijde van het tenlastegelegde. Indien het tenlastegelegde bewezen wordt verklaard dan wordt verdachte verminderd toerekeningsvatbaar geacht.

Het advies is om betrokkene een klinische behandeling aan te bieden. Er is sprake van complexe problematiek en verdachte is een veelpleger met een hoog recidiverisico. De intensieve behandeling dient zich te richten op de verwerking van de traumatische ervaringen die betrokkene meerdere keren per dag herbeleefd. Tegelijkertijd is het van belang om verdachte meditatie en therapie aan te bieden voor zijn depressieve stoornis NAO. Zijn middelengebruik dient eveneens aandacht te krijgen door training en voorlichting. Voorts is het van belang dat verdachte binnen een duidelijk en ondersteunend opvoedings- c.q. begeleidingsklimaat leert andere keuzes te maken. Aansluitend op de klinische behandeling is het van belang dat er een perspectief ten aanzien van de toekomst op het vlak van wonen, werken en leven wordt gecreëerd.

De klinische behandeling kan plaatsvinden in de forensische kliniek van Altrecht ‘De Wier’ waar men allerlei interventies en therapieën kan aanbieden.

Het advies is om betrokkene in het kader van het jeugdstrafrecht te beoordelen en de bovengenoemde klinische behandeling onder de voorwaarden van een voorwaardelijke PIJ-maatregel te laten vallen. Verdachte is zwakbegaafd en functioneert sociaal-emotioneel op een niveau van iemand die veel jonger is.

Nu de conclusies van de psychiater en psycholoog gedragen worden door hun bevindingen en door hetgeen ook overigens op de terechtzittingen is gebleken, neemt de rechtbank die conclusies over en maakt die tot de hare. Bij de verdachte bestond tijdens het begaan van de feiten een gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis van de geestvermogens in verband waarmee hij in verminderde mate toerekeningsvatbaar wordt geacht.

Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte uitgebracht d.d. 3 april 2014.

Hierin wordt geadviseerd om aan verdachte een voorwaardelijke PIJ-maatregel op te leggen, waarbij de volgende bijzondere voorwaarden worden geadviseerd:

• Meldplicht

• Behandelverplichting – klinische behandeling

Reclassering Nederland is van mening dat een voorwaardelijke PIJ-maatregel bij schuldigverklaring op zijn plaats is. Van daar uit kan toegewerkt worden naar een terugkeer in de samenleving.

Verdachte moet zich houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft. Verdachte moet zich melden bij de reclassering. Verdachte dient een klinische behandeling bij forensische kliniek 'De Wier' van Altrecht of een soortgelijke instelling te volgen. De Wier biedt een intensieve behandeling aan op het vlak van middelengebruik, traumaverwerking, emotie- en agressieregulatie met arbeids- en scholing (toeleiding). Ook werkt men toe aan een toekomstperspectief in de vorm van begeleid wonen of iets dergelijks, net wat passend is bij de betreffende cliënt.

Op 15 april 2014 werd het onderzoek op de terechtzitting geschorst omdat onduidelijk was of en wanneer de door de deskundigen geadviseerde en de door alle partijen gewenste en noodzakelijk geachte plaatsing in Wier+ zou kunnen plaatsvinden.

Op 13 mei 2014 werd het onderzoek op de terechtzitting hervat waarbij de brief van [naam] , jeugdreclasseerder bij Bureau Jeugdzorg, Zuid-Holland Zuid d.d. 12 mei 2014 werd besproken waaruit naar voren kwam dat er ten aanzien van de verdachte geen contra-indicaties zijn voor SGLVG-behandeling op FPA Wier, maar dat voor een volledige aanmelding naast een indicatie van het IFZ eerst een veroordelend vonnis van de rechtbank noodzakelijk is. Een plaatsingsdatum kon niet worden aangegeven.

Sanctierecht minderjarigen

Gelet op het bepaalde in artikel 77c (oud) van het Wetboek van Strafrecht kan het sanctierecht voor minderjarigen worden toegepast, nu verdachte ten tijde van het plegen van het feit de leeftijd van 18 jaar doch nog niet die van 21 jaar had bereikt. Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat in dit geval, gelet op de bijzondere persoonlijke omstandigheden van verdachte en zijn verminderde toerekeningsvatbaarheid, er aanleiding bestaat voornoemd artikel toe te passen. De hiervoor aangehaalde rapportages onderbouwen de aanname dat verdachte functioneert op het niveau van een minderjarige.

Maatregel

De rechtbank stelt vast dat de gepleegde feiten misdrijven zijn waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Op grond van hetgeen de psycholoog, de psychiater en de reclassering in hun rapporten vermelden is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen en goederen het opleggen van een voorwaardelijke PIJ-maatregel eisen. Bovendien is deze maatregel in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte.

De rechtbank overweegt verder dat de (voorwaardelijke) PIJ-maatregel zal worden opgelegd ter zake van een misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen en dat bij verdachte tijdens het begaan van de feiten een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond.

Indien de voorwaardelijke PIJ-maatregel zou worden omgezet in een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel is de eventuele verlenging van de PIJ- maatregel in dit geval mogelijk voor zover de maatregel daardoor de duur van zeven jaar niet te boven gaat.

De rechtbank acht een behandeling gelet op voorgaande noodzakelijk. Aan de voorwaardelijke PIJ-maatregel zal de rechtbank jeugdreclasseringstoezicht, waartoe de jeugdreclasseerder zich bereid heeft verklaard, en die de officier van justitie uitdrukkelijk heeft gevorderd, met een behandeling en een opname in Wier+ of soortgelijke instelling voor maximaal de duur van de proeftijd, als bijzondere voorwaarden verbinden. Hiermee beoogt de rechtbank te voorkomen dat verdachte in de toekomst wederom strafbare feiten pleegt.

Dadelijke uitvoerbaarheid

Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zullen de op te leggen bijzondere voorwaarden, dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.

Met de officier van justitie, de raadsman en de deskundigen is de rechtbank van oordeel, dat verdachte direct aansluitend aan zijn gevangenisstraf dient te worden behandeld in een behandelkliniek als Wier+ of een soortgelijke instelling. Ter voorkoming van het plegen van recidive dient vermeden te worden dat verdachte in afwachting van plaatsing in een behandelkliniek huiswaarts keert.

Omdat artikel 77j vierde lid van het Wetboek van Strafrecht niet zonder meer toepasbaar is op een tenuitvoergelegde straf, zal de rechtbank de vordering tenuitvoerlegging afwijzen en daarnaast een hogere jeugddetentie opleggen dan door de officier van justitie is geëist, mede gelet op de ernst van de feiten en de omvangrijke documentatie van verdachte.

De rechtbank gaat er daarbij van uit dat in de resterende maanden van zijn detentie een definitieve behandelplek voor de verdachte bij de Wier+ of een soortgelijke instelling geregeld zal zijn, waarbij verdachte direct aansluitend aan zijn jeugddetentie kan worden geplaatst in de Wier+ instelling of een soortgelijke instelling.

De rechtbank wijst daarbij uitdrukkelijk op het bepaalde in artikel 77j, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht. Zodra voor de verdachte een klinische behandelplaats beschikbaar is voor mensen met een verstandelijke beperking, psychiatrische problemen, een strafrechtelijke titel en grensoverschrijdend gedrag, zoals bij Wier+, kan een verzoek van de raadsman of een vordering van de officier van justitie strekkend tot voorwaardelijke invrijheidstelling worden ingediend, waaraan de rechtbank – bij toewijzing – de voorwaarde kan verbinden dat verdachte zich daar laat opnemen.

VORDERING BENADEELDE PARTIJ / SCHADEVERGOEDINGSMAATREGEL

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [naam hoofdagent] , domicilie kiezende te Postbus 70023, Politie Eenheid Rotterdam, Team GTPA te Rotterdam, ter zake van het onder 5 tenlastegelegde feit.

De benadeelde partij vordert een bedrag van €350,00 aan materiële schade en een bedrag van € €250,- aan immateriële schade en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden toewezen en dat daarbij de schadevergoedingsmaatregel dient te worden opgelegd met vervangende jeugddetentie voor de duur van 1 dag.

De raadsman heeft verzocht tot matiging van de immateriële schade.

Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het onder 5 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht en de gevorderde schadevergoeding de rechtbank ook overigens niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, zal dit deel van de vordering worden toegewezen.

Daarnaast is vast komen te staan dat aan de benadeelde partij tevens rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Die schade zal naar maatstaven van billijkheid worden vastgesteld op €100,00. Voor het overige zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk in zijn vordering worden verklaard. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Nu de vordering van de benadeelde partij in overwegende mate zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

VORDERING TENUITVOERLEGGING

Bij op tegenspraak gewezen vonnis d.d. 6 september 2012 van de meervoudige kamer van de rechtbank Dordrecht is de verdachte ter zake van een veelvoud aan feiten waaronder diefstal, schuldheling en wederspannigheid veroordeeld voor zover van belang tot een jeugddetentie voor de duur van 9 maanden waarvan 7 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De proeftijd is ingegaan op 21 september 2012.

Bij vonnis van de kinderrechter in deze rechtbank is op 22 juli 2013 de proeftijd verlengd met 1 jaar.

De hiervoor bewezen verklaarde feiten zijn na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd.

Door het plegen van de bewezen feiten heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd.

In beginsel kan daarom de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast. De rechtbank acht tenuitvoerlegging op dit moment echter niet opportuun omdat de verdachte zoals hiervoor onder het kopje “Strafmotivering/Motivering Maatregel” nader is uiteengezet aansluitend aan zijn detentie aan de noodzakelijke behandeling dient te beginnen.

TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN

Gelet is op artikelen 36f, 45, 77c (oud), 77i, 77s, 77x, 77y, 77z, 77za, 77aa, 77dd, 181, 302 en 310 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 26 en 55 van Wet Wapens en Munitie.

BESLISSING

De rechtbank:

verklaart niet bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 subsidiair, 3, 4 primair, 5 en 6 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de tijd van 12 (twaalf) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

legt de verdachte op de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen en

bepaalt dat deze maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechtbank later anders mocht gelasten;

stelt daarbij een proeftijd vast van 2 (twee) jaren; de tenuitvoerlegging kan worden gelast indien:

- de veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

- de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking
verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als
bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet
naleeft;

stelt als bijzondere voorwaarden:

-dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen die
zullen worden gegeven door of namens de Stichting Bureau Jeugdzorg, Zuid-Holland Zuid,
afdeling jeugdreclassering, zolang deze instelling dit noodzakelijk vindt;

- dat de veroordeelde meewerkt aan behandeling en opname in Wier+ of soortgelijke
instelling voor maximaal de duur van de proeftijd;

verstrekt aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht aan de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van de bijzondere voorwaarden;

beveelt dat de genoemde bijzondere voorwaarden en het aan genoemde jeugdreclasseringsinstelling opgedragen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn;

wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van €450,- (zegge: vierhonderdvijftig euro) en veroordeelt de verdachte dit bedrag tegen kwijting aan [naam hoofdagent] , domicilie kiezende te Rotterdam, Postbus 70023, Politie Eenheid Rotterdam, Team GTPA te betalen;

verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte tevens in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 450,- (vierhonderdvijftig euro), beveelt dat bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal van het bedrag van €450,- vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 1 dag; toepassing van de vervangende jeugddetentie heft de betalingsverplichting niet op;

wijst af de gevorderde tenuitvoerlegging van de bij vonnis d.d. 6 september 2012 van de meervoudige kamer van rechtbank Dordrecht aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. O.E.M. Leinarts, voorzitter,

en mrs. M.J.M. Marseille en P.L. van Dijke, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. V.A. Versloot, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 mei 2014.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage bij vonnis van 27 mei 2014

TEKST TENLASTELEGGING .

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 06 september 2013 te Dordrecht, althans in Nederland

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het

oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in / uit een woning, althans een

perceel (gelegen aan de [adres] ) heeft weggenomen een fles wodka, althans

alcoholhoudende drank en/of een (auto)sleutel en/of een (personen)voertuig

(merk: Volkswagen, type: Golf)(voorzien van kenteken: [kenteken] ), in elk geval

enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam] , in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en / of zijn mededader(s),

waarbij verdachte en / of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des

misdrijfs heeft / hebben verschaft en / of de / het weg te nemen goed(eren)

onder zijn / hun bereik heeft / hebben gebracht door middel van braak,

verbreking en / of inklimming;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks een of meer(dere) tijdstip(pen) gelegen in de periode van

06 september 2013 tot en met 07 september 2013 te Rotterdam,

(een) goed(eren), te weten een (auto)sleutel en/of (personen)auto (Volkswagen

Golf met kenteken [kenteken] ), heeft verworven en/of heeft voorhanden gehad

en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het

voorhanden krijgen van dat goed/die goederen wist, althans redelijkerwijs had

moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf, namelijk door diefstal (met

braak al dan niet in vereniging), artikel 311/310 van het Wetboek van

Strafrecht, althans door enig (ander) misdrijf,

verkregen goed(eren) betrof;

art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 06 september 2013 te Dordrecht

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk

van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning (gelegen aan de

[adres] ) weg te nemen goederen en/of geld, geheel of ten dele

toebehorende aan [naam] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen en/of

die/dat weg te nemen goederen en/of geld onder zijn bereik te brengen door

middel van braak, verbreking en/of inklimming, immers heeft hij, verdachte de

(tuin)deur(en) (aan de achterzijde) van die woning geforceerd,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 06 september 2013 te Geleen, gemeente Sittard-Geleen,

althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het

oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen ongeveer 40 liter

benzine, althans een hoeveelheid brandstof, in elk geval enig goed, geheel of

ten dele toebehorende aan tankstation Shell Swentibold (gelegen aan de

Rijksweg A2), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of

zijn mededader(s);

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op of omstreeks 07 september 2013 te Rotterdam,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon

genaamd [naam brigadier] , brigadier bij de Politie Rotterdam-Rijnmond, en/of [naam hoofdagent]

[naam hoofdagent] , hoofdagent bij de politie Rotterdam-Rijnmond, opzettelijk zwaar

lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet

- met aanzienlijke snelheid op een (dienst)voertuig (van de politie

Rotterdam-Rijnmond) is af/ingereden, waarin zich op dat moment voornoemde

[naam brigadier] en/of [naam hoofdagent] bevonden, en/of

- ( vervolgens) tegen voornoemd dienstvoertuig is aangereden en/of een botsing

heeft veroorzaakt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou

kunnen leiden:

hij op of omstreeks 07 september 2013 te Rotterdam [naam brigadier] en/of [naam hoofdagent]

[naam hoofdagent] (beiden op dat moment in functie bij het Korps Rotterdam Rijnmond) heeft

bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware

mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend

- met (hoge) snelheid (in een (personen)voertuig) op een (dienst)voertuig (van

het Korps Rotterdam Rijnmond)is af/ingereden (terwijl die [naam brigadier] en/of [naam hoofdagent]

[naam hoofdagent] zich in dat (dienst)voertuig bevonden en/of (vervolgens)

- een botsing en/of aanrijding veroorzaakt (terwijl die [naam hoofdagent] zich in het

(dienst)voertuig bevond),

althans (een) gedraging(en) van gelijke dreigende aard of strekking;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

5.

hij op of omstreeks 07 september 2013 te Rotterdam,

toen de aldaar dienstdoende [naam hoofdagent] , hoofdagent bij de politie

Rotterdam-Rijnmond verdachte op verdenking van het overtreden van artikel 416

SR, in elk geval op verdenking van het gepleegd hebben van enig strafbaar

feit, op heterdaad ontdekt, had aangehouden en vastgegrepen, althans vast had

teneinde hem ten spoedigste voor te geleiden voor een hulpofficier van

justitie en hem daartoe over te brengen naar een plaats van verhoor, te weten

een politiebureau, zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde

opsporingsambtenaar, werkzaam in de rechtmatige uitoefening zijner bediening,

door opzettelijk gewelddadig

met kracht en/of wild met zijn armen te zwaaien, waardoor voornoemde [naam hoofdagent]

ten val is gekomen,

tengevolge waarvan deze opsporingsambtenaar enig lichamelijk letsel (een

lichte hersenschudding en/of pijnlijk spierweefsel) bekwam;

art 181 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

6.

hij op of omstreeks 07 september 2013 te Rotterdam een busje traangas

(CS-gas) (type: American Style NATO super paralisant), zijnde een voorwerp

bestemd voor het treffen van personen met (een) giftige en/of verstikkende

en/of weerloosmakende en/of traanverwekkende stof(fen) van de categorie II,

onder 6°, voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

U dient er rekening mee te houden dat degene die rechtstreeks schade heeft

geleden door een op deze dagvaarding vermeld strafbaar feit, zich terzake van

zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij kan voegen in het

Strafproces. Conform het bepaalde in artikel 51 b van het Wetboek van

Strafvordering is het mogelijk dat de vordering later schriftelijk, namelijk

voor de aanvang van de terechtzitting, danwel mondeling tijdens de

terechtzitting wordt ingediend. Indien thans aan het openbaar ministerie

bekend is of benadeelde partij zich heeft gevoegd, treft u de inhoud van diens

vordering en de daarbij vermelde gronden op deze dagvaarding aan.

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie