Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBROT:2014:10938

Instantie
Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak
26-11-2014
Datum publicatie
18-08-2015
Zaaknummer
10/691421-05
Rechtsgebieden
Strafprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Raadkamer
Beschikking
Inhoudsindicatie

Meervoudige raadkamer; hoger beroep van de officier van justitie tegen de beslissing van de rechter-commissaris tot afwijzing van de op grond van artikel 126m Sv door de officier van justitie gedane vorderingen (telefoontap), die zijn gedaan in verband met een ontnemingsonderzoek in het kader waarvan de rechter-commissaris een machtiging heeft afgegeven tot het heropenen van het SFO na einduitspraak, als bedoeld in artikel 126fa Sv (nader SFO).

De rechtbank is van oordeel dat de vordering telefoontap dient te worden beoordeeld op basis van het aparte toetsingskader, zoals dat in artikel 126m Sv gegeven wordt. De rechter-commissaris heeft zich daarom ten onrechte beperkt tot de vraag of deze bevoegdheid kan worden toegepast in het kader van het SFO.

Het toetsingskader van artikel 126m Sv is in dit geval niet anders dan wanneer de vordering zou zijn gedaan in het kader van een ontnemingsprocedure, waarin geen SFO is geopend of in het kader van een strafrechtelijk onderzoek.

De rechtbank overweegt dat een SFO als bedoeld in artikel 126 Sv of een nader SFO als bedoeld in artikel 126fa Sv ook valt onder het begrip opsporingsonderzoek in de zin van artikel 132a Sv. Geen van beide zijn in artikel 132a Sv uitgezonderd en ook de wetgever spreekt van opsporing dat is gericht op financiële aspecten van een strafbaar feit, hetgeen met name bij een SFO het geval is. Het onderzoeksbelang daarbij is immers niet alleen het aantonen van wederrechtelijk verkregen voordeel, maar ook het achterhalen van dit voordeel dan wel vermogensbestanddelen welke toebehoren aan de veroordeelde ten behoeve van het leggen van conservatoir beslag.

Naar het oordeel van de rechtbank kan ook worden geconcludeerd dat de wetgever de toepassing van bevoegdheden met het oog op dit onderzoek ook mogelijk heeft willen maken na een veroordeling in de strafzaak en dat daarom een veroordeling kan worden aangemerkt als de hoogste graad van verdenking.

Het vooroverwogene leidt tot de conclusie dat de rechter-commissaris de vorderingen van de officier van justitie niet op de door haar genoemde formele gronden heeft mogen afwijzen.

De rechtbank heeft het beroep daarom gegrond verklaard en de beslissing van de rechter-commissaris vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2015/192

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10/691421-05

Raadkamernummer: 14/2603

Beschikking van de rechtbank Rotterdam, meervoudige raadkamer, op het hoger beroep van de officier van justitie tegen de beslissing van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank van 30 september 2014, betreffende de veroordeelde:

[veroordeelde] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres: [adres] .

Procedure

Op 30 september 2014 heeft de officier van justitie op grond van artikel 126m van het Wetboek van Strafvordering (Sv) de rechter-commissaris gevorderd hem een machtiging te verlenen voor een bevel tot het opnemen van telecommunicatie via een tweetal in de respectievelijke vorderingen genoemde telefoonnummers (hierna ook kort aan te duiden als: vordering telefoontap).

Bij beschikking van 30 september 2014 heeft de rechter-commissaris de vorderingen afgewezen.

Op 13 oktober 2014 heeft de officier van justitie mr. C.A.M. van den Brand op grond van artikel 446, eerste lid, Sv hoger beroep ingesteld tegen de afwijzende beschikking van de rechter-commissaris. De officier van justitie heeft op 27 oktober 2014 een appelmemorie ingediend.

Het hoger beroep is op 30 oktober 2014 door de raadkamer met gesloten deuren behandeld. De officieren van justitie mrs. C.A.M. van den Brand en A. Lodder zijn gehoord. Gelet op het daartoe door de officier van justitie op de voet van artikel 23, vijfde lid, Sv gedane verzoek, zijn andere procesdeelnemers (de veroordeelde en zijn raadsman) niet opgeroepen om te worden gehoord.

Feiten

In het kader van het tegen de veroordeelde (destijds: verdachte) ingestelde strafrechtelijk onderzoek is op 22 september 2005 een strafrechtelijk financieel onderzoek (SFO) geopend. Dit SFO is op 4 april 2008 gesloten.

Bij vonnis van deze rechtbank van 29 juni 2006 is de veroordeelde ter zake van overtreding van de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet, artikel 26 van de Wet wapens en munitie en de artikelen 225 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Dit vonnis is onherroepelijk.

In de ontnemingsprocedure heeft deze rechtbank bij vonnis van 26 september 2008 het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 705.231,55 en de veroordeelde een ontnemingsmaatregel ter hoogte van dat bedrag opgelegd. De veroordeelde heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Vervolgens heeft het gerechtshof ’s-Gravenhage de veroordeelde bij arrest van 1 maart 2013 veroordeeld tot het betalen van een bedrag van € 550.000,= aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Hiertegen heeft de veroordeelde op 12 maart 2012 cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft de zaak terugverwezen naar het gerechtshof. De ontnemingsvordering is daar nog niet behan

In het kader van het thans lopende ontnemingsonderzoek heeft de rechter-commissaris op 19 december 2012 een machtiging afgegeven tot het heropenen van het SFO na einduitspraak, als bedoeld in artikel 126fa Sv (nader SFO).

De voorliggende vorderingen van de officier van justitie zijn gedaan in verband met dit onderzoek.

Oordeel rechter-commissaris

De rechter-commissaris heeft aan haar afwijzende beslissing - kort weergegeven - ten grondslag gelegd dat in deze fase van de procedure geen sprake (meer) is van een verdenking, een SFO niet valt onder het begrip opsporingsonderzoek als bedoeld in artikel 132a Sv en de zogenoemde telefoontap geen bevoegdheid betreft die in het kader van een SFO mag worden toegepast.

Standpunt officier van justitie

Het hoger beroep, zoals bij de behandeling in raadkamer nader geduid, strekt ertoe dat de beslissing van de rechter-commissaris wordt vernietigd. De officieren van justitie hebben aangevoerd dat de motivering van de afwijzende beslissing van de rechter-commissaris, gelet op het systeem van het Wetboek van Strafvordering, de wettekst en de parlementaire geschiedenis, berust op een kennelijke misslag. Zij hebben daartoe - kort weergegeven - het volgende aangevoerd. De bevoegdheid van de rechter-commissaris om te beslissing op een vordering telefoontap is thans niet meer geregeld binnen het onderzoekskader van het gerechtelijk vooronderzoek (GVO) of het SFO, maar heeft een apart toetsingskader binnen de titel IVa van het Wetboek van Strafvordering, namelijk in artikel 126m Sv. Dit afwegingskader is niet anders in het kader van een ontnemingsprocedure waarin een SFO is geopend ten opzichte van een ontnemingsprocedure, waarin geen SFO is geopend of ten opzichte van een strafrechtelijk onderzoek. Dat reeds sprake is van een onherroepelijke veroordeling in de strafzaak staat niet aan toepassing van deze bevoegdheid in de weg, omdat een onherroepelijke veroordeling de hoogste graad van verdenking is. Voorts betreft een SFO ook een opsporingsonderzoek als bedoeld in artikel 132a Sv. Voor de rechter-commissaris bestond er, aldus de officieren van justitie, wel degelijk een wettelijke bevoegdheid en wettelijke grondslag om inhoudelijk op de vorderingen te beslissen.

Beoordeling

De rechter-commissaris heeft geoordeeld dat de bevoegdheden, die in het kader van een SFO mogen worden toegepast, beperkt zijn in de wet en zijn vastgelegd in de artikelen 126a, 126b en 126c Sv. Zij heeft overwogen dat de bevoegdheid van artikel 126m Sv daar niet onder valt, terwijl de bijzondere opsporingsbevoegdheid in deze bepaling evenmin als onderzoekshandeling onder artikel 181 Sv kan worden geschaard.

De rechtbank overweegt ten aanzien daarvan het volgende.

Na de uitbreiding van de ontnemingswetgeving in 19931 is de ontnemingsprocedure losgekoppeld van de behandeling van de strafzaak. Zoals ook blijkt uit artikel 311 Sv, bleef het echter één en dezelfde zaak. Met deze wetswijziging is in titel IV, afdeling 9 van het Wetboek van Strafvordering - de afdeling waarin het SFO is geregeld - de schakelbepaling van artikel 126b lid 3 Sv in de wet opgenomen, waarin stond dat aan de rechter-commissaris dezelfde bevoegdheden toekomen als tijdens het GVO. Daartoe behoorde de zogenoemde telefoontap, die destijds binnen het GVO was geregeld.

Met de invoering van de Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden (Wet BOB) in 2000 zijn vervolgens een aantal bevoegdheden, waaronder de telefoontap, uit het GVO gehaald en in een afzonderlijke titel (titel IVa) geplaatst. Gelet op genoemde schakelbepaling heeft dit tot gevolg gehad dat deze bevoegdheden ook uit het SFO zijn gehaald.

Blijkens de parlementaire geschiedenis bij de Wet BOB is het GVO met de invoering van die wet verworden tot “een beperkt onderzoekskader, waarin enkele onderzoekshandelingen zijn geplaatst die de persoonlijke bemoeienis (en niet slechts een machtiging) van de rechter-commissaris vragen.”2 Ook artikel 181 Sv, waarnaar genoemde schakelbepaling thans verwijst3, betreft louter onderzoekshandelingen van de rechter-commissaris.

De rechtbank is daarom - met de officier van justitie - van oordeel dat de vordering telefoontap dient te worden beoordeeld op basis van het aparte toetsingskader, zoals dat in artikel 126m Sv gegeven wordt. De rechter-commissaris heeft zich daarom ten onrechte beperkt tot de vraag of deze bevoegdheid kan worden toegepast in het kader van het SFO. De vraag die voorligt is of deze bevoegdheid op basis van het toetsingskader van artikel 126m Sv in het kader van de ontnemingsprocedure mag worden toegepast.

Voorts blijkt, zoals ook de officier van justitie heeft aangevoerd, noch uit de tekst van de wet noch uit het systeem van de wet of de parlementaire geschiedenis dat bij de invoering van de Wet BOB is beoogd voor een ontnemingsprocedure in welk kader een SFO is geopend een afwijkende regeling te treffen. Het toetsingskader van artikel 126m Sv is in dit geval derhalve niet anders dan wanneer de vordering zou zijn gedaan in het kader van een ontnemingsprocedure, waarin geen SFO is geopend of in het kader van een strafrechtelijk onderzoek.

Op grond van artikel 126m Sv kan de officier van justitie een bevel geven tot het opnemen van telecommunicatie met een technisch hulpmiddel, indien het onderzoek dit dringend vordert, in geval van een verdenking van een misdrijf als omschreven in artikel 67, eerste lid, Sv dat gezien zijn aard of de samenhang met andere door de verdachte begane misdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert. De rechter-commissaris dient tevoren een schriftelijke machtiging te hebben verstrekt.

De rechter-commissaris heeft geoordeeld dat niet voldaan is aan de in artikel 126m Sv gestelde voorwaarden, omdat er volgens haar geen sprake is van een verdenking en een SFO geen opsporingsonderzoek als bedoeld in artikel 132a Sv is.

De officier van justitie heeft dit, onder verwijzing naar de wettekst, het systeem van de wet en de parlementaire geschiedenis behorende bij het wetsvoorstel verruiming mogelijkheden voordeelsontneming4, bestreden.

In artikel 132a Sv is bepaald dat onder opsporing wordt verstaan het onderzoek in verband met strafbare feiten onder gezag van de officier van justitie met als doel het nemen van strafvorderlijke beslissingen.

In de parlementaire geschiedenis, waar de officier van justitie naar heeft verwezen, is met betrekking tot het financieel onderzoek het volgende opgenomen:

“In het kader van het SFO kunnen naast de in de artikelen 126a Sv tot en met 126d Sv genoemde bevoegdheden ook andere bevoegdheden worden toegepast. Voor de toepassing van dergelijke bevoegdheden zal doorgaans een verdenking van een misdrijf zijn vereist. Aan dat toepassingsvereiste wordt ook voldaan wanneer het onderzoek in de strafzaak al een aanvang heeft genomen of zelfs tot een veroordeling heeft geleid. Aangenomen moet immers worden dat de verdenking sterker wordt naarmate het strafrechtelijk onderzoek vordert. Ook wanneer geen SFO is ingesteld, kan de opsporing mede gericht zijn op financiële aspecten van een strafbaar feit. Het financiële onderzoek in verband met strafbare feiten - als onderdeel van het opsporingsonderzoek - is namelijk steeds gericht op de voorbereiding van enige strafvorderlijke beslissing. Het gaat derhalve om opsporing in de zin van artikel 132a Sv. (...)

Graag vermeld ik nog dat het wetsvoorstel de mogelijkheden tot het doen van financieel onderzoek binnen het brede kader van de strafvordering op twee onderdelen verruimt en duidelijker maakt. (…) In de tweede plaats verschaft het wetsvoorstel helderheid over de toepassing van opsporingsbevoegdheden in de fase die aan het onherroepelijk worden van de betalingsverplichting voorafgaat. Artikel 126fa Sv bepaalt namelijk dat, ook nadat de rechter in de ontnemingszaak uitspraak heeft gedaan, het financieel onderzoek kan worden voortgezet. Daarmee kan worden voorkomen dat in de tijd tussen de ontnemingsbeslissing en het onherroepelijk worden van de uitspraak vermogen door de veroordeelde wordt weggesluisd. Hiermee wordt de binnen de opsporingspraktijk gerezen onduidelijkheid over de vraag of in deze strafvorderlijke fase bevoegdheden konden worden toegepast, weggenomen. De mogelijkheid tot het uitoefenen van bevoegdheden staat nu ondubbelzinnig vast.”

De rechtbank overweegt, gelet op het voorgaande, dat een SFO als bedoeld in artikel 126 Sv of een nader SFO als bedoeld in artikel 126fa Sv ook valt onder het begrip opsporingsonderzoek in de zin van artikel 132a Sv. Geen van beide zijn in artikel 132a Sv uitgezonderd en ook de wetgever spreekt van opsporing dat is gericht op financiële aspecten van een strafbaar feit, hetgeen met name bij een SFO het geval is. Het onderzoeksbelang daarbij is immers niet alleen het aantonen van wederrechtelijk verkregen voordeel, maar ook het achterhalen van dit voordeel dan wel vermogensbestanddelen welke toebehoren aan de veroordeelde ten behoeve van het leggen van conservatoir beslag.

Naar het oordeel van de rechtbank kan, gelet op het voorgaande, ook worden geconcludeerd dat de wetgever de toepassing van bevoegdheden met het oog op dit onderzoek ook mogelijk heeft willen maken na een veroordeling in de strafzaak en dat daarom een veroordeling kan worden aangemerkt als de hoogste graad van verdenking, zoals ook de officier van justitie heeft gesteld.

Het vooroverwogene leidt tot de conclusie dat de rechter-commissaris de vorderingen van de officier van justitie niet op de door haar genoemde formele gronden heeft mogen afwijzen.

De rechtbank zal het beroep daarom gegrond verklaren en de beslissing van de rechter-commissaris vernietigen.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de beslissing van de rechter-commissaris van 30 september 2014.

Deze beschikking is gegeven door:

mr. D.C. van Reekum, voorzitter,

en mrs. J.B. van den Beld en S.M. den Hollander, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.K. van Zanten, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 26 november 2014.

1 Wet van 10 december 1992 ‘tot verruiming van de mogelijkheden tot toepassing van de maatregel van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel en andere vermogenssancties’ (Stb. 1993, 11; inwerkingtreding 1 maart 1993)

2 Kamerstukken II 1996-1997, 25403, nr. 3, onder paragraaf 8.10

3 Als gevolg van de invoering van Wet versterking positie rechter-commissaris in 2013 (Stb. 2011, 600; inwerkingtreding 1 januari 2013)

4 Kamerstukken I, 2011-2011, 32194, nr. C onder “4. Het financieel onderzoek”